DE TOCHTEN OP DE PANDORA.

De opkomende zon bestraalde met een rooden gloed de glinsterende

gletschers, die van de hooge steile gebergten van Groenland's Westkust

in de zee nederdalen. Tallooze ijsbergen dreven op het donkere water

van de zee van Baffin, waardoor de kleine stoomboot de Pandora in den

zomer van 1875 zich een weg baande. Indrukwekkend was de kalmte en

rust der natuur; men hoorde slechts een zacht geluid als van een verre

branding, wanneer de golfjes, welke de schroef van de Pandora in de

IJszee woelde, onder de uitgeholde randen van de kristallen ijsvelden

krulden en kabbelden tegen de blinkende kanten der ijsschotsen.

Op het dek van het schip ging Beynen heen en weder. Hij stevende voor

het eerst naar het Noorden, onder den roemvollen poolvaarder Sir Allen

Young, die reeds twintig jaar geleden, aan boord van de Fox gepoogd

had den Noordwestelijken doortocht te vinden en door het ijs langs

het Noorden van Amerika, van de eene wereldzee in de andere te komen.

De Pandora, die zeil kon voeren en daartoe barkstuig had, was

den 28sten Juli straat Davis ingezeild en kliefde den volgenden

ochtend hare met schuim bedekte golven. "Trillend onder den druk

harer zeilen scheen zij als bezield met diezelfde wilde vervoering,

welke ons eigen hart zoo hoorbaar deed kloppen," schreef Beynen,

de verrukking herdenkende van zijn eerste zeilen te midden van het

Noordsche drijfijs.

"'t Was een heerlijke ochtend. Aan stuurboord van ons hulde

de opkomende zon de hooge besneeuwde bergtoppen met hun diepe

donkere schaduwen in een rooden gloed, waartegen 't zilverwitte

drijfijs grillig afstak, en rondom ons in alle richtingen werd de

gewone eentonigheid der zee aangenaam afgebroken door die kristallen

ijsmassa's, waarmede zij als bezaaid scheen, en die, naderbij gekomen,

de meest fantastische vormen en gedaanten vertoonden.

"De met schuim bedekte zee wierp zich al joelend en juichend in de

diep uitgeholde gleuven dier lichtblauw gekleurde schotsen, die ze

reeds als haar gewisse prooi beschouwde, daar zij ze langzaam en als

het ware spelend naar 't zoele Zuiden dreef. 't Zilverwit van deze

doorzichtige gevaarten werd aangenaam afgewisseld door 't lichtgroen en

helderblauw, dat zich diep in hun binnenste verschool, doch nu helder

uitblonk, beschenen door de vriendelijke stralen der opkomende zon."

Deze woorden van Beynen doen ons iets gevoelen van de frissche

geestdrift, waarmede hij de IJszee het eerst binnenzeilde.

Het was eenige dagen na dezen schoonen ochtend, dat hij op het

dek heen en weder ging, terwijl de Pandora bij windstilte langs

Groenland noordwaarts stoomde. Met bewondering zag hij op naar de

steile kust van Groenland, welke gedurende den korten zomer van

het Noorden, door haar weêrgalooze schoonheid en door de machtige

vormen van haar fiere hoogten de harten treft der moedige zeelieden,

die naar de IJszee varen. Groenland's kust is een gebroken getande

lijn van hooge, woeste bergen, die steil oprijzen uit het water,

en hun zware, met gletschers bedekte zijden schier loodrecht

meer dan 3000 voet omhoog heffen. Op deze bergen tooveren zon en

dampkring de meest zonderlinge, ongestadige lichtspiegelingen, de

zeldzaamste mengelingen van tinten en kleuren, gelijk Mac Gahan,

Beynen's reisgezel en vriend, in zijn aantrekkelijk boek Under the

Northern Lights schoon beschreven heeft. Een dunne nevelsluier omhangt

in breede en doorzichtige plooien de bergwanden, als wilde hij hun

koude, ruwe naaktheid aan het oog onttrekken; doch tevens vangt dit

reusachtige toovernet van mist en nevel het zonlicht op; het houdt de

zonnestralen gevangen in zijn mazen, en dit net der Noordsche feeën

hecht zich nu, als door liefkoozende streelende handen hun omgeslagen,

aan de stroeve, stugge, woeste bergen, op welke de ijskoning troont,

en omringt hun toppen met een lichtend waas, een stralend vlies van

lichtrood en van purper, dat bijna onmerkbaar zich vermengt met den

ongestadigen bleekgelen flikkerschijn der gletschers langs der bergen

zijden. Scherpe, blinkende ijsnaalden ziet men hier en daar uit den

dunnen nevel opwaarts rijzen, stralende in de middernachtszon. Zij

zijn bergtoppen, de hoogste golven van die machtige zee van ijs,

vier duizend voet diep, welke Groenland overweldigd heeft.

Dit groote vasteland is in werkelijkheid niets dan een reusachtige

diepe gletscher, door een rand van bergen omzoomd, welke de kustlijn

vormt. De woestenij van ijs, welke door honderd voet breede kloven

in elke richting doorsneden wordt, is onbegaanbaar en door geen

menschenvoet betreden; doch zoo men de geheimzinnige hoogvlakte

eens bestijgen kon, en hier en daar een hoogte, een heuveltje gewaar

werd, zou men tot zijn verwondering ontdekken, dat die onbeteekenende

verhevenheden de toppen zijn van hooge bergen, die boven de ontzaglijke

ijsoverstrooming, welke de dalen gevuld heeft, uitsteken.

Zoo Zwitserland duizende malen grooter ware en ijs tusschen de bergen

wierd gegoten, totdat slechts de hoogste toppen er uitstaken, zou

het er uitzien gelijk Groenland.

Toch was dat groote vasteland eens vruchtbaar, groen en overdekt met

bloesem en struiken en weelderigen plantengroei. Men vindt er groote

bosschen van verkoolde boomen, en de versteende overblijfselen van

dieren, die slechts in een warm klimaat kunnen bestaan. In Lancasters

Sound haalt men uit de diepten van het koude water versteende koraal

en sponsen op, en de steile bergkust van het door ijs overstroomde

Groenland ontleent zeker een deel van den machtigen indruk, dien

ze maakt, aan haar geheimzinnig verleden, aan de wonderen, grooter

dan die der Duizend-en-ééne Nacht, welke de wetenschap ons weet te

verhalen van het hooge Noorden.

Maar het was niet aan deze wonderen dat de jonge Hollandsche

zeeofficier dacht, die heen en weer ging op het dek van het kleine

schip, dat in de donkere wateren van de zee van Baffin langs

Groenland's Westkust stevende, om te pogen den noordwestelijken

doortocht naar Amerika te vinden, en in één zomer om den Noord van

Southampton naar San Francisco te stoomen.

De omgeving stemt hem wel tot nadenken, doch niet aan Groenland's,

maar aan Nederland's verleden dacht hij. Met een diep weemoedig gevoel

herdacht hij die vervlogen tijden, toen Holland's driekleur ook in

deze wateren nog het sterkst vertegenwoordigd was, toen vloten van

meer dan honderd zeilen, met stoute ondernemende zeelieden bemand,

uit deze nu verlaten zeeën jaarlijks schatten wisten op te halen voor

't jong gemeenebest.

En er was aanleiding voor die gedachten.

Hij was te Upernavik aan wal geweest, de laatste Deensche nederzetting

onder de Eskimo's, die op een met mos bedekte, langzaam naar het water

afhellende heuvelenrij gelegen is, welke van alle zijden door hooge,

steile, kale bergwanden wordt ingesloten. Het dorp bestaat uit zeven

houten huisjes, loodsen en voorraadschuren, en uit enkele Eskimo-hutten

van steen en aardzoden opgetrokken.

Onze Hollandsche zeeofficier was door de Eskimo's op de welwillendste,

meest gastvrije wijze ontvangen, en tot zijn niet geringe verbazing

had hij bespeurd dat zij de herinnering aan de vroegere veelvuldige

bezoeken onzer voorvaderen nog in hun taal bewaren.

Ze hebben toch voor "de blanke mannen" in het algemeen slechts ééne

uitdrukking, namelijk: Kabloena, doch voor Hollanders hebben zij den

afzonderlijken naam van Arpanjak, d.i. mensch die den walvisch doodt.

Op beide tochten landde Beynen te Upernavik, en telkens las hij de

grootste verwondering en belangstelling op de gelaatstrekken der

Eskimo's, wanneer men hun mededeelde dat hij een Arpanjak was. Hij

werd bekeken en in oogenschouw genomen door groot en klein, en als

hij langs de hutten ging, vertelden de ouders aan de kinderen: "Daar

gaat de Arpanjak!" Men sprak hem toe onder dien vreemdklinkenden naam,

en trachtte hem door gebaren en teekenen aan 't verstand te brengen,

dat andere Eskimo's, die nu reeds lang ter ruste waren gelegd in den

bevroren grond van Groenland, hun hadden verteld, dat zij van hunne

ouders veel van de Arpanjaks gehoord hadden.

Een stokoud man kwam zelfs uitsluitend aan boord om hem te vertellen,

hoe de vader van zijn moeder een schip van den Arpanjak gezien had,

dat om den Noord ging, en dat vóór hun tijd een groot aantal der

schepen van de Arpanjaks jaarlijks Groenland's haven binnenliep.

Vóór het vertrek der Pandora kwam een jonge Eskimo, die van den

priester een weinig schrijven had geleerd, den Hollandschen officier

op het Engelsche schip vragen om enkele Hollandsche woorden op papier

neêr te schrijven, en met de meest mogelijke belangstelling sloegen

de andere Eskimo's luitenant Beynen gade, toen hij "Arpanjaks" voor

hen schreef.

Later kwam een andere Eskimo aan boord en haalde, toen hij in de kajuit

was toegelaten, uit eenige oude zeehondenvellen zeer geheimzinnig

eene ouderwetsche matrozentabaksdoos voor den dag, welke hij aan

luitenant Beynen overhandigde, zeggende: "Arpanjak!"

Tot zijn verwondering las Beynen op de doos: "'t Gezelschap van de

jonge vrouw is de jongman zelden moê." Boven deze woorden was een

afbeelding van een schip, dat zeilreê lag, terwijl op het strand

een zeeman van zijn liefje afscheid nam. Deze doos, welke van de

17de eeuw dagteekent, was niet lang geleden in een oud Eskimograf

gevonden. Waarschijnlijk was zij als een groote schat te gelijk met

den eigenaar begraven. Al deze bijzonderheden en de verhalen, hem op

den tweeden tocht door den tolk Christie--een Eskimo--gedaan, gaven

Beynen de vaste overtuiging, dat het verhaal der stoute tochten van

onze voorvaderen als een traditie van een vroegeren heldentijd onder de

Eskimo's bewaard is gebleven, en dat de tochten van den "Arpanjak" door

de vaders aan de kinderen verhaald worden in den langen winternacht,

welken zij, gelijk wij weten, door vertellingen pogen te verkorten.

Is het wonder, dat die heldenvereering der Eskimo's voor den

Arpanjak een onuitwischbaren indruk maakte op den jongen Hollandschen

zeeofficier, die onder Engelsche vlag Eskimo's aan boord ontving?

En die indruk werd zelfs dieper en dieper, naarmate hij meer van het

Noorden zag, en overal de meest afgelegen baaien, kapen en eilanden

door Hollandsche namen vond aangeduid.

Vol stemmen is het Noorden toch voor volken, die sinds eeuwen hier

de zee bevaren. De IJszee, steeds veranderend van vorm, doch steeds

dezelfde, wekt een ernstig gevoel bij hen, voor wie zij een getuige

is, die van vorige eeuwen spreekt, daar zij de voetstappen bewaart

der kloeke mannen van het voorgeslacht. Roerende herinneringen aan

het machtig verleden zijn niet slechts "het behouden Huis" op Nova

Zembla; niet slechts de vele plaatsen op Spitsbergen en Mayeneiland,

waar Hollandsche ontdekkers en walvischvaarders op hunne avontuurlijke

tochten plachten te verwijlen, maar ook de kusten van Groenland en

bovenal de zwarte kruisen met verweerde grafschriften, welke zoo in

het Oosten als Westen der IJszee nog op den huidigen dag getuigen

dat Hollandsche matrozen daar het leven lieten.

Hoezeer de streken die hij bezocht dezen indruk maakten op Beynen,

kan blijken uit den volgenden brief, dien hij den 6den Augustus aan

boord van de Pandora schreef:

"Van nacht ben ik voor het eerst den poolcirkel gepasseerd. Ik vind het

aangenaam te bespeuren dat ik hier aan boord van nut ben en zoodoende

mijn tol betaal voor het aan boord zijn. De dokter zegt dat men mij

clever vindt; maar ik kan niet nalaten op te merken, wat de Engelschen

dan wel zeggen zouden van zoo vele onzer Hollandsche zeeofficieren,

die vrij wat meer weten.

"Men heeft mij vereerd met den naam Old Tromp, naar onzen grooten

admiraal, die in Engeland nog zeer geëerbiedigd is, maar Mac Gahan, de

correspondent van the Herald, [3] die om de reis te beschrijven mede

gaat en een alleraangenaamst mensch is, heeft voorgesteld mij Young

Tromp te noemen, omdat ik de jongste aan boord en dus genoodzaakt ben,

volgens luitenant Lilingston, om als de gezondheid eener dame wordt

gedronken, op te staan en in haar naam te danken.

"Mac Gahan geeft mij elken dag een uur les in het Engelsch. Ik leer

hier honderde dingen, die mij naderhand bijzonder te pas zullen komen.

"Eer ik eindig, moet mij nog een zaak van het hart. Ik heb uit

gesprekken aan boord opgemerkt, dat onze oorlog met Atjeh in Engeland

den eerbied voor ons vaderland niet heeft vergroot. Men is niet

voldoende bekend met hetgeen gedaan is, en oordeelt dat wij niet

genoeg geestkracht getoond hebben.

"Het is een sobere belooning voor zoo vele vroolijk verdragen

ontberingen en den waarachtig betoonden heldenmoed van onze dappere

soldaten.

"Ik begrijp nu echter tevens beter dan voorheen hoe waar de woorden

zijn, door Petermann geschreven: "Ik weet niet welke inzichten

men betreffende deze zaken in Engeland huldigt, maar wel weet ik

nu zeker, dat voor ons buitenlanders de daden en werkzaamheden van

noordpoolvaarders en ontdekkers als sir James Ross en Dr. Livingstone

onze achting voor Groot-Brittannië veel meer hebben doen toenemen,

dan hun tocht naar Koemassie tegen de negers, welke millioenen thalers

gekost heeft.

"'t Is geloof ik juist opgemerkt. Naarmate ik meer hoor en lees

wat men in den vreemde denkt, word ik ook meer doordrongen van de

overtuiging, dat het van het grootste belang en voordeel voor ons

vaderland zou zijn, om zijn oude plaats te hernemen te midden van al

de vreemde zeevaarders, die jaar in jaar uit roem vergaren voor hun

geboortegrond in het hooge Noorden.

"Al moge Nederland niet meer als voorheen een der invloedrijkste

landen van Europa zijn, daarom kan het toch in den vreemde evenzeer

geëerd worden als in die oude tijden, toen de beschaafde wereld met

klimmende bewondering de Hollandsche schepen stevenen zag langs de

verste stranden.

"De minister Gladstone zeide eens dat niets voor een maritieme

mogendheid van meer belang is, vooral in tijd van vrede, dan alles

wat zeelieden aanmoedigt tot het doen van koene daden en stoute

waagstukken, die den handelsgeest met nieuw leven bezielen en de

nationale geestdrift opwekken.

"Is dit in het algemeen waar voor zeevarende mogendheden, hoeveel te

meer is dit dan niet van toepassing op ons geliefd vaderland!

"Hoe meer men in de vele schoone bladzijden van ons zeewezen den

zilveren draad volgt, die ten allen tijde daardoor heen is geweven

door nautische ondernemingszucht, hoe meer men het betreurt, dat in de

laatste jaren dit voor ons vaderland zoo roemvolle terrein tevergeefs

gewacht heeft op Nederlandsche arbeiders.

"Zou Nederland zich langer onthouden? Nederland, dat zijn nationale

grootheid bijna uitsluitend te danken heeft aan zijn zeelui; dat

gewoon was zijn zonen den weg te zien wijzen over alle zeeën van den

aardbol; dat reeds eeuwen geleden de wimpels heeft zien wederkeeren,

die vroolijk gewapperd hadden langs tot nu toe niet weergevonden

kusten? Zou Nederland, dat alles vergetende, kalm blijven toezien

hoe die verre stranden één voor één door vreemde zeevaarders wierden

teruggevonden? kalm blijven verdragen dat de daar achtergelaten

reliquieën door vreemde schepen in hunne havens wierden binnengebracht;

zou het mogelijk zijn dat Nederlanders niet bloosden als ze hoorden

dat de graven hunner groote zeevaarders in het hooge Noorden slechts

door vreemde kleuren wierden gegroet?

"Zou dit mogelijk zijn? Zou Nederland werkelijk de eenige maritieme

mogendheid zijn, die achterbleef, waar Engeland, Amerika, Rusland,

Zweden, Noorwegen, Oostenrijk, ja zelfs Duitschland in een edelen

wedstrijd voorgaan, om den sluier op te lichten, waarachter nog zoo

veel voor de wetenschap verborgen bleef?

"Wat heeft Duitschland gedaan?--Niettegenstaande het in de laatste

jaren drie groote oorlogen te voeren had, en het volgens Petermann noch

schepen, noch geld bezat en particuliere krachten het moesten doen,

zijn er toch drie expedities naar het Noorden gezonden. Zou Nederland

het kalm blijven aanzien, dat die machtige nabuur meer en meer den

roem verduistert, die ons vaderland zich voorheen op zoo waardige

wijze en ten koste van zoo vele dure offers verworven heeft? En dat

nog wel terwijl er zoo weinig noodig is om dit te verhoeden? Ik zeg

weinig, want nog is de gouden aureool, door onze brave voorvaders voor

de Nederlandsche driekleur gewonnen, niet verbleekt. Nog sluimert er

in den vreemde (zooals ik hier dagelijks kan ondervinden) de eerbied

voor onze groote mannen, en er is slechts weinig noodig om alle natiën

weer met lof te doen gewagen van onzen alouden ondernemingsgeest.

"Nieuwe tochten zullen zelfvertrouwen geven aan ons volk en eerbied

wekken bij onze buren. Schatten worden er jaarlijks besteed, om

onze onafhankelijkheid te waarborgen door forten en kanonnen. Dit is

onontbeerlijk, doch niettemin is er iets nog sterker dan forten en

vertrouwenswaardiger dan inundatiën, en dat is het gevoel van achting

en eerbied, dat wij voor ons volk wekken in Europa, door aan de spits

te gaan op wetenschappelijk gebied, door kloeke tochten van ontdekking

en nasporing.

"Om in 't leven te blijven, moeten wij getrouw zijn aan onze traditiën

en als weleer ons behoud zoeken op de zilte baren, die onze kust

besproeien. En dit vermogen wij. Wij bezitten tal van hoogst bekwame

zeeofficieren en flinke degelijke zeelui. Men geve hun slechts de

gelegenheid, en ik ben er van overtuigd dat onze vaderlandsche zangen

weer spoedig weerklinken zullen langs de verste stranden."

Slechts zelden is het zulk liefelijk weder in de poolstreken als op

dien heerlijken ochtend toen Beynen het eerst de IJszee binnenzeilde.

De Pandora had telkens met zwaren mist en storm te kampen. Na Upernavik

verlaten te hebben was Sir Allen Young dwars door Melville-baai--dat

oord der verschrikking voor de walvischvaarders, die er ontelbare

schepen in het ijs verloren--naar de Carey-eilanden gezeild, waar hij

vruchteloos naar een steenhoop zocht, welke brieven van de Engelsche

expeditie onder kapitein Nares kon bevatten. Van deze eilanden, die

in Smith Sound liggen, werd westwaarts gekoersd door Lancaster Sound

en Barrow-straat, ten einde langs Prince of Wales-land om de Zuid

den westelijken doortocht te vinden. Het was een hachelijke tocht,

want het was reeds laat in het seizoen, en de onafzienbare ijsmassa

kon, zoodra de wind omliep, het schip tegen den wal plat drukken. Als

een blindeman kon de Pandora enkel als het ware op den tast doorgaan,

want ze ging langs onbekende kusten, op welke ze ieder oogenblik kon

vastgezet worden, en nu en dan zag men, gelijk Beynen dit beschreef,

"een spookachtige glimp van de benauwende ijsmassa aan stuurboordzijde,

die de bemanning telkens aan haar gevaarlijken toestand herinnerde."

In Peel-Sound gekomen, doorkliefde de Pandora wateren voorheen

door geen ander schip bezocht, dan wellicht door de verongelukte

Erebus en Terror. De kusten waren eens, tijdens een sledetocht,

door Sir James Ross in kaart gebracht. De compassen waren in die

streek volkomen onbruikbaar, en men berekende den waren koers, dien

het schip voorlag, door met den sextant den boog te meten tusschen

een voorwerp recht vooruit en de zon, wier richting gevonden werd in

tabellen der Engelsche admiraliteit, welke de ware richting der zon

voor elk uur van den dag in de poolstreken aangeven.

Indien het mogelijk ware geweest tot Ballot-straat door te dringen,

zou veel gewonnen zijn, doch de wind bleef tegen, zelfs overdag begon

zich het jonge ijs te vormen--het was reeds den 3den September,--en

zoo men de Pandora niet wilde laten vastvriezen en overwinteren in

Peel-Sound, wat tot niets gediend zou hebben, moest men terugkeeren,

juist nu de doortocht oogenschijnlijk binnen het bereik van kapitein

Young gelegen had. "Toen dan ook het schip ieder oogenblik gevaar

liep in het ijs beklemd te geraken, besloot onze kapitein tot den

terugtocht," schreef Beynen. "Hij was innig teleurgesteld, en wij

waren het niet minder. Het waren prachtige avonden geweest, waarop wij

de ondergaande zon bespied hadden, als zij de toppen der met sneeuw

bedekte bergen in een schitterend scharlaken rood kleed hulde en haar

laatste stralen, van achter een bergrug, lange, grillige schaduwen

liet werpen op het onafzienbare ijsveld der la Roquette-eilanden.

"Geen rimpeltje vertoonde zich dan op de donkere spiegelgladde

oppervlakte der Sound. Het water door zijn eigen maaksel als het ware

in boeien geslagen, zwoegende onder den zich zelf opgelegden last,

lag vermoeid stil in zijn ijzeren kluisters; en waar de zon, in zacht

purperen luister, de duizend grillig uitstekende oneffenheden van die

onbewegelijke ijsmassa bescheen, verbeeldde men zich aan den zoom te

staan van een onmetelijk kerkhof, waarboven de wit marmeren grafzuilen

zich in grooten getale verdrongen, allen gehuld in dat geheimzinnig

phantastisch licht van de plechtig stille schemeruren der poolwereld.

"Maar nu waren wij op onzen terugtocht en het bleek spoedig dat

het daarvoor hoog tijd was. Onder dicht gereefde marszeilen liep de

Pandora Peel-Sound weer uit, en passeerde op den avond van 4 September

Limestone-eiland. Nauwelijks waren wij er voorbij, of wij zagen aan

bakboord een uitgestrekt ijsveld aankomen, dat dreigde het schip den

terugtocht af te snijden.

"Daar kapitein Young tusschen de sneeuwdriften door echter een smal

open vaarwater tegen het landijs aan meende te zien, besloot hij

te trachten daarvan dadelijk gebruik te maken en kaap Rinnell te

bereiken voor het naderend ijs hem zou insluiten, daar een storm uit

het N. W. het ijsveld snel naar de kust dreef.

"Het was de eenige kans, die ons overbleef, wilden wij niet den

geheelen winter in Peel-Sound opgesloten blijven, en daar de duisternis

snel begon te vallen, werd er zoo hard mogelijk gestoomd.

"Het was een verschrikkelijke nacht; de wind wakkerde aan tot een

hevigen storm, vergezeld van hagel en sneeuwjachten, en de Pandora

baande zich slechts met groote moeite een weg, terwijl we den witten

glans van het ons insluitend ijs aan de eene zijde, en de hooge met

sneeuw bedekte kust dicht bij ons aan de andere hadden. Slechts een

enkele maal gedurende dezen stormachtigen nacht vertoonde zich aan

den hemel een ster, die den man aan het wiel een vast punt verschafte

om op te sturen. Bij het toenemen van den wind daalde de thermometer

tot 18° Fahr. en het schuim der zee, als het over het dek spatte,

bleef er als ijs op liggen. Te middernacht lag de sneeuw een voet

hoog op het dek, terwijl het uitzicht bijna onmogelijk werd door de

warrelende sneeuwjacht, welke door den hevigen wind uit de plooien

der zeilen gedreven werd. Zoo had de Pandora tot drie uur haar weg

vervolgd, toen wij plotseling een ijsveld recht voor ons zagen, en

wel zoo dicht, dat wij door het roer te boord te leggen er slechts

even vrij van liepen. Gelukkig trok de nevel bij tijds een weinig

op, en nam de kommandant waar, dat de Pandora in de onmiddellijke

nabijheid was van kaap Rinnell, die, gedeeltelijk met sneeuw bedekt,

zich in de nachtelijke duisternis spookachtig voordeed. Slechts voor

een enkel oogenblik deed zich deze verschijning aan ons oog voor;

het volgende oogenblik heerschte weer de diepste duisternis. Zoo

bleef de Pandora drie angstige uren aan den wind liggen, toen het

weer opklaarde en van top eenige beweging in het ijs werd waargenomen,

waardoor wij de zwakste plaats er van gewaar werden. Oogenblikkelijk

werd het schip in die richting verder gestuurd, en het slaagde er

in, meerder zeil voerende en met volle kracht stoomende, door de

zwakste plaats van het ijs heen te breken, en het open vaarwater van

Barrow-straat te bereiken.

"Onder dichtgereefde marszeils stoof de Pandora nu, voortgestuwd door

stormweêr uit het W. N. W. door Barrow-straat en Lancaster Sound,

zonder eenig ijs meer te zien, ofschoon daarom gedurende de donkere

nachten niet minder goed moest uitgezien worden. Het is in zulk weêr

ongeloofelijk moeielijk een slechts weinig boven water uitstekende

ijsmassa te onderscheiden van de wit gekrulde toppen der golven,

terwijl een aanzeiling van zulk een vaak diep onder water uitstekende

ijs-schol de noodlottigste gevolgen voor schip en bemanning kan na

zich slepen.

"Den 7den September was de Pandora weer in het open North-water,

en besloot kapitein Young nog eenmaal een poging aan te wenden om

eenig spoor van de gouvernementsschepen te vinden, door opnieuw de

Carey-eilanden te onderzoeken.

"Nooit te voren hadden ontdekkingsschepen op deze hooge breedte zoo

laat in het jaar de zee nog bevaren. Vóór den 5den September hadden

zij steeds hun winterkwartieren weder betrokken. En de noodzakelijkheid

hiervan toonde het schip zelf spoedig aan. Onze kommandant had dan ook

de voorzorg genomen alle zeilen dicht te reven, en dit was ook goed,

want nu waren zij volkomen onhandelbaar.

"Want en stagen waren geheel met ijs bezet; de romp van het schip was

één ijsklomp, de zeeën vielen, als zij over de verschansing kwamen,

als ijs op het dek neêr, zoodat men slechts met veel moeite over het

beweeglijke, gladde dek kon voortkomen, en de zeilen waren zoo stijf

als een plank geworden, zoodat b.v. het neerhalen van den kluiver een

niet op te lossen vraagstuk was. En dan bovendien zwaar weêr uit het

N. N. W., vergezeld van hevige sneeuwstormen, en een hooge, korte,

moeielijke zee."

Het moedige waagstuk van kapitein Allen Young om nauwelijks uit het

ijs gered, nogmaals om den Noord te gaan en, tegen den storm in,

Smith-Sound in te stoomen werd beloond. Op het zuidoostelijkste der

Carey-eilanden werd een cairn, eene steenhoop ontdekt, welke er niet

was bij het vroeger bezoek. Vrijwilligers werden gevraagd om aan wal te

gaan, wat zeer gevaarlijk was, want het stormde, de branding was fel,

en de rotsklippen steil. Luitenant Lilingston en Beynen boden zich

aan. De top, welke 170 meters hoog was, werd slechts met de grootste

inspanning door hen bereikt, daar zij telkens tot aan de heupen in

de broze sneeuw zakten en teruggleden. De koude noordenwind, die over

en langs dien top huilde, deed hun kleeren tot een vasten sneeuwklomp

bevriezen, doch zij volhardden, en vonden boven in de cairn een tinnen

koker, waarin een verzegeld pakket, dat aan de Engelsche admiraliteit

was geadresseerd.

Nu werd de steven gewend, en liep de Pandora voor den storm weg om

de Zuid en kwam reeds den 19den September te Disco. Daar moest het

ontdekkingsjacht vier dagen blijven wegens noodweer, en had Beynen

gelegenheid het leven der Eskimo's te leeren kennen, waarvan hij in

zijn verslag een aanschouwelijke beschrijving gaf.

Door N. W. stormen voortgejaagd, liep de Pandora reeds den 16den

October te Portsmouth binnen.

In het vaderland teruggekeerd, werd Beynen op non-activiteit gesteld

en schreef hij voor den minister het verslag van de reis, dat het

volgende jaar door het Aardrijkskundig Genootschap werd uitgegeven, en

waaraan ik een en ander ontleende. Het verslag eindigt met de volgende

kenschetsende woorden: "Wel is het jammer, dat in ons vaderland de

schoone ondernemingstochten naar het hooge Noorden tot het verledene

behooren. Onze vroegere poolreizen waren toch van groot belang,

niet alleen voor de wetenschap, maar ook vooral als een uitstekende

leerschool voor die stoute zeelieden, die de eer van ons land zoo

vaak op alle zeeën van den aardbol ophielden. Zouden hedendaagsche

poolreizen die voordeelen niet meer bezitten?

"En is het dan niet in het belang der zeevarende natiën om zulke

ondernemingen te steunen en aan te moedigen, der wetenschap tot gewin,

den handel tot voordeel, en zich zelven tot roem en eer?"

Toen dit verslag gereed was, werd hij geplaatst op het wachtschip te

Hellevoetsluis, waar hij den 1sten Januari 1876 aan boord kwam. Hij

bleef hier aan het werk, om zich meer en meer te bekwamen voor tochten

naar het Noorden. Hij schreef den 12den Januari:

"Ik bestudeer op het oogenblik meteorologie uit het boek van

prof. Mohn, dat in het Duitsch vertaald, werkelijk prachtig is. Nu

en dan, als ik iets lees dat mij van belang voorkomt om te weten en

te onthouden, schrijf ik het over. Ik vertaalde dezer dagen ook eene

lezing van luitenant Weyprecht, in Gratz gehouden, welke inderdaad

zeer belangrijk is. Ook heb ik mij op de hoogte gesteld van het

plan van den voor Parijs gesneuvelden franschen zeeofficier Gustave

Lambert. Het spijt mij dat ik er de overtuiging door gekregen heb,

dat hij niet voldoende op de hoogte der Noordpoolzaak was, en ik

geloof dan ook dat zijn roemvolle dood hem behoed heeft voor tal van

teleurstellingen. Zijn onbekendheid met de ijsnavigatie brengt hem tot

geheel verkeerde conclusies. Hij gelooft o.a. aan een open Poolzee,

ontstaande: "d'après les lois de l'insolation"!

De brieven raadplegende door hem geschreven in de enkele weken, welke

hij in het vaderland doorbracht eer hij op nieuw naar het Noorden ging,

werd ik getroffen door al hetgeen hij in dien tijd gelezen en bewerkt

heeft, om op het gebied der Noordsche aardrijkskunde zich te huis

te gevoelen. Tevens bestudeerde hij meteorologie, daar hij met het

doen van weerkundige waarnemingen zou belast worden op de Pandora;

hij poogde uit professor Tyndall's boek iets van de formatie van

gletschers te leeren, en hij was verdiept in een Duitsch werk van

Erman over het aardmagnetisme.

In de maand Mei ging hij weder, met 's konings toestemming, op het

verzoek door Sir Allen Young aan den minister van marine gericht,

naar Engeland, en zeilde hij den 31sten dier maand voor den tweeden

keer met de Pandora naar de IJszee.

Bij het begin der reis schreef hij aan boord van het

ontdekkingsvaartuig o.a. het volgende aan kolonel Jansen:

"Ik voel zoo vaak hoe oneindig veel ik mis, hoe weinig ik weet, en bij

herhaling is het verlangen bij mij opgekomen, dat, van den beginne af,

aan oudere meer ervaren en kundiger handen de plicht om dit alles te

doen ware toevertrouwd. Ik had dan met mijne geringe krachten kunnen

helpen en steunen, maar zou dan in het tweede gelid gestaan hebben en

dus op eene plaats welke mij beter voegde. Zeer vaak is dit gevoel

zoo sterk geweest dat ik er mij verdrietig door voelde. Dit zal nog

wel dikwijls het geval zijn, en ik kan dat bewustzijn alleen weren

door zoo hard te werken als ik maar vermag. Ter wille van het groote

belang der zaak voor ons geliefd vaderland hoop ik mij vast te houden

aan uw raad, om ook in deze zelfbeheersching te oefenen.

"Maar welk een heerlijke taak dan ook, te mogen medewerken om den

ouden sluimerenden heldengeest van ons volk te doen herleven! Dit is

een leven waard van teleurstellingen en zorg, en zeker, die zullen

in overvloed op dien weg te vinden zijn. Maar ik hoop den moed te

hebben om met waarachtige toewijding, met volkomene zelfverloochening

en vooral zonder denkbeeld van eigenbaat, met mijne geringe krachten

voor dat doel te werken. En toch dit is niet gemakkelijk, want zulk

een plicht, ernstig aanvaard, eischt vaak dat men wat ons innig lief

is prijsgeeft en opoffert!... Alles moet men echter over hebben

voor een doel dat--eens bereikt--tot roem en eer zal strekken van

koning en vaderland. Moge dan ook deze nieuwe reis op het vreemde

ontdekkingsschip een heerlijke leerschool zijn voor mij, die vruchten

draagt voor mijn geheele volgende loopbaan.

"Eén ding is zeker, dat ik onder alle omstandigheden als een waar

Nederlandsch zeeman mijn plicht stipt hoop te vervullen, en mij door

geen gevaren, ontberingen en moeielijkheden zal laten afschrikken in

zeeën, die voorheen getuigen zijn geweest van zoo menige kloeke daad

onzer stoute voorvaders!"

Beynen diende weder onder Sir Allen Young, den eigenaar van het

schip, doch er was een nieuwe eerste officier aan boord, genaamd

Arbuthnot. Luitenant Pirie deed de reis op nieuw mede, en luitenant

Alois von Becker, van de Oostenrijksche marine. Dr. Hörner en de

heer Grant, die als vrijwilliger en photograaf medeging, waren de

verdere officieren.

De reis ging voorspoedig totdat de Pandora in straat Davis was

gekomen. "Reeds verheugden wij ons in 't vooruitzicht van binnen

enkele dagen Disco te bereiken," schreef hij, "toen de wind naar het

noorden draaiend ons tegen liep.

"Tien dagen achtereen moest de Pandora nu opwerken. Meestal was het

helder zonnig weder, doch iederen avond tegen 10 uur, als de zon haar

kracht verloor, koelde de atmosfeer dermate af, dat de vastgehouden

waterdamp zich als een dicht floers om de Pandora hulde, hetgeen het

uitkijken zeer moeielijk maakte.

"Het waren kille onaangename nachtwachten, waarin het hard woei. Door

de korte, moeielijke zeeën slingerde het scheepje zoo hevig, dat men

zich voortdurend aan iets moest vasthouden om op het dek staande te

kunnen blijven, en wanneer men in die positie gedurende vier uren, met

een kouden noordenwind in 't aangezicht, onafgebroken staat te turen

in den dichten nevel, waaruit telkens in de onmiddellijke nabijheid

van het schip reusachtige ijsbergen als spookgestalten opdoemen, dan

laat het zich begrijpen dat de wacht ons onder zulke omstandigheden

dubbel lang schijnt.

"Den 29sten Juni bij het aanbreken van den dag verkenden wij het

eerste land in het oosten en sedert werden de met sneeuw bedekte

toppen van Groenland bij helder weêr niet meer uit het oog verloren."

Toen zij den 6den Juli Disco-eiland naderden, en de Pandora, voor het

eerst sinds zij Engeland verliet, stoom opmaakte om onder lij van

het hooge bergland te kunnen vorderen, schreef Beynen het volgende

aan kolonel Jansen:

"Op de hondenwacht passeerde luitenant Pirie het eerste drijfijs en

toen ik te 4 uur 's ochtends de wacht van hem overnam, zag ik dat het

ijs telkens in hoeveelheid en omvang vermeerderde. Ik nam de gewone

maatregelen: liet van top uitkijken in welke richting de zee er het

meest vrij van ijs uitzag, minderde zeil, liet de brassen over en weêr

achter de hand klaar leggen, en toen ik de overtuiging had gekregen dat

het meer dan enkele losse (van het land gedreven) ijsschotsen waren,

liet ik kapitein Young waarschuwen. De zee was spoedig geheel er

meê bedekt, en de oude, grillig uitgegroeide en verweerde ijsmassa's

lieten ons weldra niet den minsten twijfel, of we waren in een door

zwaren wind uit het land gedreven stroom Spitsbergen-ijs geraakt.

"We koersten derhalve om de West, ten einde er zoo spoedig mogelijk

uit te zijn, waarin we, na drie uur vechtens met het ijs, slaagden. Op

sommige plaatsen waren de dreigend hooge schotsen zoo dicht op elkander

gepakt, dat een botsing niet te vermijden was. Dan werd de zwakste

plaats uitgekozen voor den aanval, en de dichtgereefde marszeilen--de

eenige die wij voerden--werden bovendien nog opgegord om de vaart te

verminderen en de aanraking zoo zacht mogelijk te doen plaats hebben,

opdat de ijsschotsen tijd en gelegenheid mochten vinden aan weêrszijden

uit te wijken...

"Het is nu de avond van 6 Juli, om negen uur. Ik kom zooeven van

de wacht en zit in mijn eigen kleine hut om mij een weinig met u

te onderhouden. We hebben prachtig weder. Een stijve bries uit het

W. N. W. doet de Pandora met een 6 mijls vaart tegen de witgetopte

golven oploopen. De lucht is helder blauw, en de zon, welke ons zelfs

te middernacht niet verlaat, veroorzaakt de heerlijkste tinten, de

meest phantastische schaduwlijnen op de vele groote ijsbergen, welke

ons aan alle zijden omringen. Tal van vogels volgen al spelend ons

kielwater en hier en daar blaast een walvisch vergenoegd een straal

water in de lucht.

"Ik ging omlaag om mijn gevoel te uiten. Het geheele schouwspel stemde

mij tot nadenken, want wij zijn thans op voor Nederlanders klassieken

grond. Aan stuurboord van ons liggen de Visch- en Honden-eilanden,

en recht vooruit verrijst duidelijk het zwarte land van Disco boven

den horizon. Wij zijn aan den ingang van Discofjord en al die eilanden,

baaien en kapen zijn eenmaal getuigen geweest van de koene daden onzer

oude zeevaarders. In die tijden, toen de Hollandsche vlag ook aan

deze zijde van den Poolcirkel nog de meest geëerde, meest gevreesde en

zeker talrijkst vertegenwoordigde was, had men jaren dat meer dan 150

schepen in deze wateren rondkruisten. Welk een levendigheid en vertier

in deze nu zoo doodsche en verlaten zeeën! Het is daarom met een bijna

droevig en zeker weemoedig gevoel, dat ik die roemrijke dagen herdenk,

nu ik onder Engelsche vlag die klassieke wateren bezeil... Zou het

voorspoedige Holland van onze dagen niet meer in staat zijn tot wat

het weleer in ongunstiger omstandigheden vermocht?

"O! mocht er weer nieuwe ondernemingszucht in het dierbare vaderland

komen: moge het voorbeeld van Venetië het tot waarschuwing strekken."

Uit de merkwaardige kolenmijnen van Kudliseat vulde de Pandora haar

voorraad met 50.000 kilo aan. De officieren hieuwen de steenkool uit

de rots in groote stukken die dan naar beneden rolden op het strand,

van waar zij door de matrozen aan boord gebracht werden. Tot tweemalen

toe werden de werkzaamheden een eind verplaatst, schreef Beynen,

omdat de kool aldaar gemakkelijker te bekomen was; het zware werk

werd door officieren en manschappen met lust en ijver verricht. En

een nagenoeg onafgebroken arbeid van 's morgens 5 tot 's avonds 8 uur

is onder gewone omstandigheden voldoende om een mensch naar rust te

doen verlangen!

Maar aan boord der Pandora kende men geen vermoeienis! Beynen schreef:

"Het vreemde van het voortdurend dag zijn, dat zoo lang men er niet

aan gewend is, zich tegen geregelde slaaptijden verzet, deed zich

ook nu gevoelen; in plaats dat de vermoeide ledematen rust namen,

leverde het onafgebroken geweervuur, dat 's nachts de eenden en

andere vogels uit hun slaap deed opschrikken, op nieuw een bewijs,

dat het gezonde Noordsche klimaat het menschelijk gestel als het ware

weet te verstalen.

"Den 14 Juli 's avonds met kapitein Young op Disco-eiland jagende,

stieten wij onverwachts op een klein Eskimo-kamp.

"Het bestond uit twee zomertenten, die aan den voet van een steilen

bergwand waren opgeslagen.

"Vijf of zes kayaks waren op 't strand gehaald en een familie van

12 Eskimo's hield zich met verschillende huiselijke werkzaamheden

bezig. Terwijl een oude vrouw het zeehondenvleesch voor den maaltijd

bereidde, arbeidden de mannelijke Eskimo's aan het herstellen van

eenige kayaks, terwijl de vrouwelijke familieleden zich onledig

hielden met het verwerken van gedroogde huiden. Stil en kalm werd

dit alles verricht, en slechts nu en dan, wanneer een der Eskimo's

met een goeden buit van de jacht terugkeerde, ontstond er eenige

drukte en beweging. Het was een vreemd, schilderachtig geheel, dat

kleine rustige Eskimo-kamp, en volop genoten wij het heerlijk schoone

natuurtooneel met zijne eigenaardige stoffeering. Verderop waren de

stilte en kalmte, die alom heerschten, indrukwekkend, en slechts

nu en dan werden deze afgebroken door het klagend geschreeuw van

de rustelooze zeemeeuw of het zachte geluid als van verre branding,

dat de golfjes aan onzen voet veroorzaakten, als zij zich stoeiend en

spelend onder den uitgeholden rand eener kristallen ijsmassa krulden.

"De tusschen de rotsen gesmolten sneeuw, die zich als een zilveren

draad door een bed van donkergroen mos slingerde, vloot statig en

langzaam naar het kale strand, waar zij zich een opening lekte door den

ijsklomp, die haar het bereiken der zee scheen te willen betwisten. De

zon, die laag aan den hemel zich traag langs den noordelijken horizon

voortbewoog, vergulde nog maar alleen de wit besneeuwde kruinen der

hooge bergtoppen, waardoor het zwarte land van Disco een nog donkerder

en grimmiger tint dan gewoonlijk verkreeg. En wanneer men voor een

oogenblik heên staarde over het spiegelgladde watervlak, dan werd

het oog geheimzinnig geboeid door de gletschers en bergtoppen van

Groenland's westkust, die door luchtspiegeling in duizend grillige

gedaanten vervormd, ons den indruk gaven alsof moeder natuur met onze

stille verrukking den spot wilde drijven.

"Die heerlijk schoone natuurtooneelen in straat Waaigat, zoo geheel

verschillend van wat men in andere hemelstreken ontmoet, zullen dan

ook voor allen die ze mochten aanschouwen, onvergetelijk blijven,

en geheel daarvan vervuld keeren wij naar de Pandora terug.

"Nadat de Eskimo's die ons bij het kolen laden behulpzaam geweest

waren, behoorlijk betaald en bovendien nog met verschillende geschenken

overladen waren, werd de reis verder voortgezet. Met ruim 170 ton

steenkolen aan boord, stoomde de Pandora langzaam om de Noord."

Toen de Pandora den 22sten Juli de gevreesde Melville-baai

naderde, bleek het een slecht ijsjaar te zijn. Zoover Beynen uit het

kraaiennest zien kon, strekten zich, ten noorden van het schip, in alle

richtingen de zoo beruchte ijsschollen en velden van Melville-baai

uit. Aanschouwelijk heeft hij beschreven hoe de Pandora in het ijs

bezet geraakte en door het kloek besluit van kapitein Young gered werd.

"De wind woei den 26sten Juli uit het zuidwesten, dus uit den

ongunstigsten hoek, daar hij dan al het ijs der baai in elkaâr

schuivende den doortocht zeer bezwaarlijk maakt. Toch scheen in den

beginne alles zeer voorspoedig te zullen gaan.

"Door een zonnigen zomerdag begunstigd, te midden eener indrukwekkend

schoone omgeving, liep de Pandora met alle vierkante zeilen bij

tusschen de fantastische ijsbergen door, waarvan er meer dan honderd

in zicht waren en die, door de ruwe heuvelachtige ijsvelden vereenigd,

met deze een verbond schenen te hebben gesloten, om haar het verder

doordringen te beletten. Maar ongedeerd volgde ons klein schip,

door de tegenstelling nietiger en kleiner dan ooit, den kalmen,

donkeren waterweg, die zich als een slang tusschen de glinsterende

ijsgevaarten kronkelde, terwijl deze in vorm en gedaante de meest

verschillende zaken voorstelden. Nu eens vertoonde zich aan ons

oog een hoog oploopend amphitheater, dat terug deed denken aan de

Grieksche spelen, dan weer een oude ingestorte ruïne met nog enkele

opstaande Gothische gewelven. Statige zuilen en kunstige pyramiden

werden afgewisseld door sterke kasteelen en puntige dorpstorens,

die in wit marmer uitgehouwen meesterstukken van architectuur vormden.

"'s Middags echter wakkerde de wind meer en meer aan, zoodat weldra

alleen de dichtgereefde marszeilen konden bijgehouden worden. Toch

liep de Pandora nog vijf of zes mijl, maar ook de ijsvelden zeilden

zeer snel en begonnen de grenzen van het bevaarbare water, voor ons

uit, al meer en meer te beperken.

"'s Avonds te 5 uur kwam er bovendien nog een zware mist opzetten en

te 6 uur was deze zoo dik, dat onze gezichteinder tot den verbazend

grooten afstand van nauwelijks honderd meter werd beperkt. Het zijn

vooral deze onophoudelijk voorkomende noordsche nevels die de ijsvaart

zoo moeielijk en gevaarlijk maken, en wanneer zij plotseling al het

schoone van de omringende natuur achter een dicht omhulsel verbergen,

is de indruk telkens weer even onaangenaam. De tegenstelling is dan

ook zoo groot. Het eene oogenblik een lieve zonneschijn, die leven

en kleur aan alles bijzet, en 't volgende een grauwe akelige mist,

die den vroolijksten aan boord tot droefgeestigheid stemt. Enkele

malen even snel wegtrekkend als hij onverwachts gekomen is, houdt hij

soms dagen achter elkaar aan. Gewoonlijk hangt hij laag op 't water,

zoodat de blauwe lucht voortdurend zichtbaar blijft.

"Voor een ieder onaangenaam, is zulk weer voor den gezagvoerder,

die de verantwoordelijkheid welke op hem rust gevoelt, een ware

beproeving. Het onbekende vertoont zich dan aan hem in al zijn

verschrikkingen. Was het te voren reeds moeielijk tusschen de

uitgestrekte ijsmassa's door te sturen, nu men de bewegingen

daarvan niet meer nauwkeurig volgen kon, werd het varen steeds

bezwaarlijker! Ook nu weer ondervonden wij al het moeielijke van zulk

een toestand.

"De vaart werd zooveel mogelijk verminderd, doch met de laagscheepsche

zeilen alléén bij, liep het scheepje toch nog 3 mijl. Zooveel mogelijk

werd om de noordwest gekoerst, doch het spreekt van zelf, dat men

daar ieder oogenblik van moest afwijken om de ijsbergen en ijsvelden

te ontwijken, die al dichter en dichter schenen samen te pakken. Tot

acht uur 's avonds ging dit nog redelijk goed, doch toen blonk door

den nevel heen de glans van scholijs ons van alle kanten tegen.

"Gelukkig had kapitein Young order gegeven de vuren aan te steken

en stoom op te houden, zoodat wij met behulp daarvan snel konden

afhouden. Het schip lag noordoost voor en de wind, die zuidelijk was,

kwam dus aan stuurboord in.

"De ra's rond te brassen, en de schoten der langscheepsche zeilen

over te redderen was 't werk van een oogenblik.

"Naarmate de Pandora den zoom van 't ijsveld volgde, doemden

achtereenvolgens verschillende ijsbergen op, die den rand er van

omgaven. Spoedig bleek, dat wij te midden van een dichte groep dier

reusachtige gevaarten waren geraakt, die ons door den nevel heen van

alle kanten grimmig aanstaarden.

"De bevelen, door kapitein Young met kalmte gegeven, werden echter

flink en oogenblikkelijk uitgevoerd en zonder te aarzelen stuurde onze

onverschrokken gezagvoerder de kleine Pandora tusschen enkele dezer

gevaarlijke massa's door, zoodat zij spoedig in een veiliger omgeving

weêr langzaam om de noordwest liep. Een oogenblik scheen de toestand

nu gunstiger te zullen worden. Het water werd meer open. Tal van

"rotches," [4] die de nabijheid van land verraadden, vlogen overal

rond en voor meer dan een uur was er, voor zoover de nevel toeliet

te oordeelen, geen ijs te zien.

"Reeds begonnen wij ons te vleien spoedig kaap York en het open

"Northwater" te zullen bereiken, toen wij in den vroegen morgen van

den 23sten op nieuw uitgestrekte ijsvelden ontmoetten. Gelukkig werd

daarin een breede opening ontwaard en meer dan een uur volgde de

Pandora in een noordelijke richting dit kronkelend wak. Toen sloten

zich de ijsmassa's echter dermate, dat een andere weg moest gezocht

worden en zoo koersten wij eerst west en later meer zuidwaarts, toen

uit het kraaiennest het bericht klonk, dat verder voortgaan onmogelijk

was. Zoodra kapitein Young zich hiervan overtuigd had, besloot hij

zoo spoedig mogelijk uit dit bedriegelijke wak terug te keeren.

"Juist door in een soortgelijk geval te willen afwachten tot het

ijs zich verder zoude openen, was de Fox in 1858 voor den geheelen

winter in Melvillebaai vastgeraakt. Dadelijk werd order gegeven om

over stag te gaan, de zeilen werden geborgen en onder stoom beproefden

wij denzelfden weg terug te sturen. Dit bleek echter spoedig volkomen

onmogelijk. De wind, die sterk doorstond, hield de geheele ijsmassa

in een voortdurende beweging, waardoor de positie van de ijsvelden

onderling zoodanig gewijzigd werd, dat het ondoenlijk bleek den eens

afgelegden weg terug te vinden.

"In alle richtingen vertoonden zich nu breede, veelbelovende openingen,

doch de dichte nevel maakte het volstrekt onmogelijk te beslissen,

welke weg het best naar meer open water voeren zoude. De Pandora bevond

zich in een waar labyrinth van ijs. Bij herhaling moest zij, om van

het eene wak in het andere door te dringen, zich door ijstongen van 40

tot 50 meter breedte heênbreken. De openingen sloten zich vaak weer

zoodra zij er doorheên was en niet voor den middag drie uur slaagden

wij er in, haar in betrekkelijk open water aan een ijsschol te ankeren.

"Kapitein Young besloot nu het optrekken van den nevel af te wachten,

van welke gelegenheid een ieder aan boord gebruik maakte, om eenige

uren rust te gaan nemen. Gedurende den nacht sneeuwde het hard, en

toen den volgenden morgen de lucht opklaarde, bleek het dat de Pandora

in een grooten, geheel door ijs ingesloten waterpoel lag. Daar uit

't kraaiennest over het ijs heen echter meer water gezien werd,

besloot de gezagvoerder onverwijld te beproeven zich daarheen een

doortocht te banen. Hij koos daartoe een opening, die tusschen twee

ijsvelden door de kortste en beste gelegenheid scheen aan te bieden.

"Onder zeil en stoom werd de Pandora tusschen de ijsvelden

ingedreven. Deze bleken echter grooter weerstandsvermogen te bezitten

dan wij hen (te oordeelen naar de vele wakken en poelen, die hen in

alle richtingen doorkruisten) op het oog hadden toegekend, en weldra

was het ten eenenmale onmogelijk er verder in door te dringen.

"Daar het echter scheen, alsof de schotsen zich langzaam van elkaar

schoven, hoopte kapitein Young, dat deze beweging ons spoedig in

staat zou stellen het open water te bereiken.

"De Pandora bleef dus liggen waar zij was, doch dit werd haar ongeluk,

want in weinige minuten had het altijd bewegelijke ijs haar van

alle zijden dermate ingesloten, dat het onmogelijk was (zelfs met de

machines volle kracht slaande) haar in 't minst te bewegen.

"Het ijs omringde het schip nu al meer en meer en voerde het in een

noordelijke richting gevankelijk met zich mede. De Pandora was in

het ijs bezet.

"IJsbergen en ijsvelden worden door wind en stroom altijd voortbewogen

en daar gene veel meer diepgang hebben dan deze, verplaatsen zij

zich langzamer. Wanneer nu de zware massieve ijsberg door het veel

lichtere ijsveld wordt ingehaald, scheurt dit in alle richtingen.

"Is een schip in een omgeving van ijsbergen tusschen de ijsschollen

bezet, dan verkeert het bijgevolg voortdurend in gevaar tegen zoo'n

berg aangedreven en te pletter gedrukt te worden.

"Tegenover deze verbazende natuurkrachten vermag de zeeman niets;

geen menschelijke middelen zijn dan in staat het schip te redden.

"In zulk een toestand was de Pandora nu geraakt. Juist waren wij te één

uur met ons eten begonnen, toen het scheepje een geweldige ijsdrukking

onderging, die alle deelen er van deed steunen en kraken. Dadelijk

snelden wij naar dek en zagen daar dat de ijsschotsen door drie

groote ijsbergen in hun vaart gestuit tegen het schip begonnen op te

kruien. Naarmate het schip de ijsbergen naderde, werden de drukkingen

heviger en veelvuldiger.

"Groote zware ijsmassa's stapelden zich tegen den achtersteven op,

vulden den schroefkoker en kruiden aan bakboord bij het groot spant

tot over de verschansing.

"Het schip uit het water geperst en over stuurboord geworpen, werd in

dezen hulpeloozen toestand rechtstreeks in de richting der ijsbergen

gedreven.

"Het ijs door een stijve bries uit 't zuiden opgestuwd, sloot zich

meer en meer. De weinige waterpoelen, die uit 't kraaiennest 's morgens

hier en daar zichtbaar waren, verdwenen de een na den ander, en weldra

was de oppervlakte der zee herschapen in een uitgestrekt onafzienbaar

ijsveld; Melville-baai was in den waren zin des woords "een ijszee."

"Intusschen werd de afstand tusschen het schip en de vreeselijke

gevaarten steeds kleiner en kleiner. De grootste was nog slechts

200 meters verwijderd en ieder hield zich overtuigd, dat zoo er geen

wonder geschiedde, de Pandora tusschen de ijsbergen en de tegen haar

opkruiende ijsschollen te pletter zou gedrukt worden. Toch werden alle

pogingen aangewend, om het schip weer vlot te krijgen, doch hoewel wij

met bijl en moker de door middel van buskruit opgescheurde ijsmassa's

trachtten weg te werken en alle krachten inspanden om met behulp van

rondas en spil het schip in eene dus ontstane opening te krijgen,

moesten wij toch eindigen met alle verdere pogingen om de Pandora in

beweging te brengen op te geven.

"Al het mogelijke was beproefd, doch ons schip was en bleef onwrikbaar

in het ijs bezet. Intusschen naderden wij de ijsbergen steeds meer

en meer en werd het gevaar dreigender.

"Te drie uur gaf kapitein Young bevel alle maatregelen te nemen om

op het laatste oogenblik behoorlijk gereed te zijn, het schip met

booten en ijssleden te verlaten.

"Nadat een ieder zich den zeildoeken ransel (waarin het hoogst

noodige naar een bepaald model zoo doelmatig mogelijk gepakt was)

op den rug had gebonden, werden de ijssleden voor de hand gezet en

de booten met instrumenten, wapens en provisiën gevuld.

"Tot 6 uur 's avonds bleef deze angstige onzekerheid omtrent het behoud

van het schip voortduren, maar toen dreef de Pandora met de schotsen

ongedeerd tusschen de ijsbergen door, ofschoon zij een daarvan, die

hoog boven haar tuig uit stak, zóó nabij passeerde, dat men van het

kluifhout zonder moeite er op had kunnen overspringen.

"'s Nachts te 12 uur brak het ijs van zelf rondom het schip op. De

Pandora rechtte zich en lag weldra weêr vlot in een klein wak in

't ijs, dat aan lij van de ijsbergen ontstaan was en in de taal der

Engelsche walvischvaarders "an open hole" wordt genoemd.

"De Eskimo-tolk Christie, met zijn kajak hierin rondroeiende, had het

geluk onzen eersten zeehond te schieten. Daar wij reeds lang gewenscht

hadden versch vleesch te bezitten, was dit voor ons een belangrijke

gebeurtenis, en groot was dus aller teleurstelling, toen wij den

volgenden morgen ontwaarden dat onze onverzadelijke Eskimo-honden

zich gedurende den nacht van den buit hadden meester gemaakt.

"Enkele malen kon men onder 't ijs duidelijk een westelijke deining

bespeuren, wat als een zeker teeken beschouwd werd, dat veel open

water in die richting aanwezig was. Het was merkwaardig om de wijze

gade te slaan, waarop het groote donkere ijsveld aan stuurboord van

ons een langzaam golvende beweging aannam.

"De ongeduldige spanning aan boord was nu zoo groot, dat, hoewel de

mist ons belette open water te zien, wij toch beproefden ons door

stoom een doortocht te banen, hetwelk echter spoedig bleek ondoenlijk

te zijn, en daar de kommandant vreesde, dat de schroef door onze half

wanhopige pogingen zou breken, werden ze weldra gestaakt.

"'s Nachts van den 27sten Juli de wacht hebbende, had ik het geluk een

ijsbeer te schieten, die ons op eenmaal een goede hoeveelheid versch

vleesch verschafte. Van achter een ijsberg te voorschijn tredend,

beschreef hij ronde kringen om het schip.

"Nu eens dichter bijkomende en dan weêr verder afgaande, stond

hij ieder oogenblik stil om de lucht in te snuiven, en werd dan

telkens verleid meer te naderen, door den scherpen reuk van bedorven

zeehondenvleesch, dat in 't want hing en bestemd was tot voedsel voor

de honden.

"Het was doodstil op dek; het wachtvolk was omlaag; de honden sliepen

en er geschiedde niets dat hem kon doen verschrikken. Niet vóór hij tot

op 50 passen afstand van het schip gekomen was, ontving hij een schot

in den kop, waardoor hij eerst recht opsprong en daarna achterover

op zijn rug rolde.

"Ziende dat hij nog trachtte zich op te richten, liep ik over het

ijs naar hem toe, doch had het ongeluk, terwijl ik mijn geweer onder

het voortgaan weder laadde, tusschen twee der ijsvelden in het water

te vallen. Gelukkig kwam ik er met een koud nat pak af en miste den

welkomen buit niet, daar de onderofficier der wacht toesnelde en den

beer doodschoot.

"In den laten avond vlogen steeds duizenden en duizenden rotges in

een noordwestelijke richting over het schip heen, om den volgenden

morgen in tegenovergestelde richting terug te komen.

"Hun vlucht was echter, zooals kapitein Young opmerkte, veel te hoog

om hoop te geven dat er open water dicht bij was, en hoofdschuddend

herhaalde hij: "When birds fly so high as that, they surely have to

make a long way." ("Als vogels zoo hoog vliegen hebben ze een langen

afstand voor zich.")

"Sinds den 22sten Juli was het steeds mistig geweest, zoodat geen

observaties hadden kunnen genomen worden, doch in den voormiddag

klaarde het weer gelukkig op en bleek uit de gedane waarnemingen

dat de Pandora een goed eind om de noord tot midden in Melville-baai

gedreven was. In alle richtingen lag het ijs dicht aaneengesloten,

zoodat uit het kraaiennest nergens water gezien werd.

"Toen de nevel optrok, ontrolden zich voor onze oogen de zoo beroemde

schoone natuurtafereelen, die Melville-baai meer dan eenige andere

plaats in het hooge noorden den zeevaarder aanbiedt.

"De hooge besneeuwde kust van Groenland met haar talrijke gletschers

werd nu op nieuw zichtbaar en de onafzienbare heuvelachtige ijsvlakten,

overal afgebroken door prachtige ijsbergen, vormden door de zon

beschenen een heerlijk grootsch schouwspel. Het was bladstil en de

Pandora lag als 't ware ingesluimerd in haar kleinen waterpoel.

"Bood het natuurtooneel ons in hooge mate veel te genieten aan, de

gedachte aan den toestand waarin ons schip verkeerde was alles behalve

opwekkend. Kalm en rustig en onbewegelijk als nu die onafzienbare

ijsvlakte zich aan ons oog voordeed, sluimerden daarin de ontzettende

natuurkrachten, die als zij door een storm werden wakker geschud, ons

scheepje van alle kanten zouden aangrijpen. Misschien zouden wij er

in slagen aan al deze gevaren te ontsnappen en het open North-water

te bereiken, maar even goed bestond de kans, dat wij in het ijs

gevangen bleven en daarmede machteloos om de zuid werden gevoerd,

of dat de Pandora, evenals de Hansa en zoo menig ander schip, in

den strijd met den onverbiddelijken vijand naar de diepte ging. Dan

zouden wij ons in de booten moeten trachten te redden, doch ook dit

bleef in hooge mate een gevaarlijke en onzekere onderneming.

"Evenwel het zou ons laatste redmiddel zijn, en dien ten gevolge werden

dan ook alle maatregelen genomen en de provisie en benoodigdheden

van de booten voor de hand gezet. Er werd bepaald dat de booten een

maand proviand zouden innemen en dat men voor het verder voedsel op

de geweren zou moeten vertrouwen.

"Wij hadden het voorbeeld van Barents en van de Oostenrijksche en

Amerikaansche expeditiën voor ons om de mogelijkheid van zulk een

tocht in booten buiten allen twijfel te stellen.

"Op den 28sten Juli liep de wind, die tot nu toe in 't zuiden als

vastgenageld had gezeten, naar het O.N.O. en het was alleropmerkelijkst

om de verandering gade te slaan, die daardoor onmiddellijk in de

ijsmassa werd te weeg gebracht. Er was een algemeene drift in een

westelijke richting te bespeuren en op tallooze plaatsen werden open

wakken zichtbaar.

"Kapitein Young liet nu stoom opmaken, ten einde van de eerste

gelegenheid, die zich aanbood om te ontsnappen, gebruik te kunnen

maken. Ons geduld werd echter op een lange proef gesteld, want

niet voor 's avonds 6 uur bood zich die gelegenheid aan. In dien

tusschentijd evenwel dreven wij snel in een westelijke richting naar

open water, dat zeer duidelijk van top zichtbaar was, en ook toen

bestond er gevaar, dat de Pandora, door het scholijs machteloos

weggevoerd, tegen een der tallooze ijsbergen gezet werd, in welk

geval zij onherroepelijk verloren zou zijn.

"Er waren verschillende bergen rondom ons, die alle aan den grond

geraakt, onwrikbaar op hun plaatsen blijvend, het scholijs, dat tegen

hen aandreef, opspleten en in stukken scheurden. Daar de opgebroken

ijsvelden zich op eenigen afstand verder eerst weer te zamen voegden,

vormde zich beneden 's winds van zoo'n ijsberg steeds een soort open

wak. Door buitengewoon geluk begunstigd, ontkwamen wij echter ook nu

weder aan deze gevaren en slaagden er te 6 uur in, onder zeil en stoom,

de schol, die ons zoo lang gevangen had gehouden, te verbreken en in

een uitgestrekt open wak meer westwaarts van ons door te dringen. Dit

was echter niet gemakkelijk geschied en ieder aan boord had de handen

vol gehad.

"Kapitein Young bestuurde het schip uit het kraaiennest, en de zwakste

plaatsen uitkiezende, ramde hij bij herhaling de ijsmassa's, die hem

het verder doordringen beletten. Wanneer het schip achteruit stoomde

om meer vaart te kunnen schieten, werden de losse stukken, die door

den vorigen stoot van de ijsschol waren afgebroken, door de manschap

op de schotsen met haak en puntstokken telkens uit den weg geruimd.

"Op deze wijze slaagden wij er in, ons langzaam een weg door de

ijsmassa te banen, doch ver konden wij het niet brengen. Te half acht

's avonds waren wij genoodzaakt onze pogingen te staken en ons op

nieuw aan een ijsschol te ankeren.

"Wij waren nu evenwel uit de gevaarlijke omgeving, waarin wij zoo

lang vertoefd hadden en dreven met de geheele ijsmassa mee om de west

en dus gelukkig uit de baai. De wind begon nu echter op te steken en

het werd een barre nacht. Er woei een zware storm, die vergezeld ging

van hevige sneeuwvlagen. Het schip, dat snel in een noordwestelijke

richting dreef, verkeerde 's morgens te half vier uur op nieuw in

gevaar van tegen een ijsberg aangedreven te worden. Als gewoonlijk was

het zeer mistig, en toen wij dezen reus van ijs machteloos te gemoet

gevoerd werden, was ieder in gespannen verwachting wat ons lot zoude

zijn. Wij naderden snel en zeker, maar het ijsveld bleek bijzonder

sterk te zijn. Het brak slechts gedeeltelijk op en diende de Pandora

dus als stootkussen, zoodat zij ongedeerd langs den berg heenschuurde.

"In den morgen van den 29sten Juli liep de wind naar het

oost-zuid-oosten en wij dreven met een twee mijls vaart om de

W. N. W. Van top was het open water nu zeer duidelijk te zien en toen

te 12 uur het zoo welkome geluid der branding op den zoom van den

ijsdam werd gehoord, besloot kapitein Young nogmaals te beproeven

het te bereiken.

"Op nieuw liep de Pandora onder stoom en zeil tegen de zwakste plaatsen

van het ijs in, maar na twee uur worstelens waren wij slechts één

scheepslengte verder gekomen. Mistroostig werd toen de verdere poging

opgegeven en op nieuw de oude lijdelijke houding aangenomen. Langzaam

bleven wij nu naar het open water toedrijven en te 6 uur konden wij

van het dek den rand van den ijsdam duidelijk zien. Deze vertoonde

zich als een rechte lijn, die zich noordwest en zuidoost uitstrekte

en volkomen een kustlijn geleek.

"Vreezende dat de wind weêr naar 't zuiden terug zou loopen, liet

kapitein Young 's avonds te acht uur nogmaals een ernstige poging

aanwenden om de banden, die ons gevangen hielden, te verbreken. Alle

zeilen werden bijgezet en met volle kracht werd gestoomd; even als

de vorige keeren vorderden wij eerst ongelooflijk langzaam, maar toen

de Pandora eenmaal vaart schoot ging het veel beter.

"Na ruim een uur het ijs letterlijk geramd te hebben en ijsmassa's van

vier voet dikte, die haar den weg versperden, zonder dat zij merkbaar

haar vaart vertraagde, te hebben doorgebroken, naderde zij den rand

van het ijs. Het ging nu hoe langer hoe beter, daar de sterke deining

de geheele massa hier in een golvende beweging bracht, waardoor het

ijs zich merkbaar opende en groote schollen, die met kracht tegen

elkaar geworpen werden, in kleinere stukken braken.

"Kapitein Young, die de bewegingen van het schip uit het

kraaiennest bestuurde, wist snel en beraden de juiste openingen te

kiezen. Eindelijk lag nog slechts een groot zwaar ijsveld als laatste

hinderpaal voor ons.

"Met een viermijls vaart schoot de Pandora er recht op aan, en met haar

volle gewicht er op neerdalend, scheurde zij de schots in tweeën en

doorkliefde weldra onder een driewerf "hurrah for Captain Young!" het

donkergroene water van de Baffinsbaai. Dit driewerf hoerah voor den

bekwamen gezagvoerder, waarmede de bemanning dit feit begroette,

was het hartelijkste dat ik mij herinner ooit gehoord te hebben,

en geen wonder, want terwijl wij machteloos in het ijs ronddreven,

stond het lot der Fox ons steeds voor oogen, en voor niemand onzer

was het nutteloos doorbrengen van een poolwinter in den gevaarlijken

ijsdam een aanlokkelijk denkbeeld.

"Het einde van den ijsdam bestond uit losse, bijna afgeronde

ijsbrokken, die door de deining in een hooge golvende beweging werd

gebracht. Met ontelbare zwermen vlogen de rotges hier langs den rand

van het ijs, blijkbaar omdat zij er gemakkelijk hun voedsel konden

vinden. Het werd ons nu duidelijk, dat wij hen hierheen iederen

avond hadden zien vliegen; later in den nacht keerden zij dan weêr

met voedsel voor hun jongen naar het land terug.

"Na gedurende zulk een geruimen tijd onbewegelijk te hebben gelegen,

was het een vreemde gewaarwording, nu op eenmaal door een hooge

noordwestelijke deining zoo hevig geslingerd te worden, dat de booten

op de davids gesjord en de deuren op de haken gezet moesten worden.

"In den morgen van den 31sten Juli liepen wij zoo dicht als het ijs

toeliet, bij mistig weêr, langs kaap York en kaap Dudley Digges, en

reeds was de Pandora Wolstenholme eiland genaderd, toen een opkomende

storm uit het zuidoosten haar noodzaakte onverwijld aan den wind te

gaan liggen. De wind bleef de eerste uren steeds toenemend in kracht,

zoodat er weldra een werkelijke orkaan woei.

"Daar de ijsbergen en het vele scholijs ons beletten onder de hooge

kust bescherming te zoeken, lag de Pandora de volgende 24 uren onder

haar dichtgereefde stormzeilen bij, terwijl het opgezweepte schuim der

zee en de onafgebroken sneeuwjacht het uitzien naar land en ijsbergen

allermoeielijkst maakten. Ten einde een botsing met deze gevaarten te

voorkomen, moesten wij ieder oogenblik afhouden. De hooge moeielijke

zee, die dan dwars inkwam, waschte voortdurend over het dek en sloeg

een der beste booten geheel in stukken.

"'t Waren allermoeielijkste nachtwachten. Ofschoon de temperatuur

slechts enkele graden beneden het vriespunt stond, waren want en stagen

met een dikke ijskorst bedekt en woei de fijne sneeuw ons met zulk

een kracht in 't gezicht, dat 't was alsof men met naalden over het

gelaat werd geschrapt. Het was bijna onmogelijk recht voor zich uit

te kijken en onze oogleden waren opgezwollen van de doorgestane pijn.

"Toch moest er scherp uitgekeken en bij herhaling gemanoeuvreerd

worden, in welk geval men op dek tot over de knieën door 't water

moest waden. Eerst den volgenden morgen begon de wind in kracht te

verminderen, de lucht helderde op, en toen nu de Carey-eilanden recht

vooruit gezien werden, bleek het dat de Pandora gedurende den storm

ongeveer zes Duitsche mijlen om de noord was gedreven."

Toen de Pandora dus uit het ijs gered was, werd naar kaap Isabella

gestevend, waar in een cairn tijding van de Engelsche expeditie

onder kapitein Nares gevonden werd. De geheele maand Augustus werd

vervolgens tegen de ijsmassa in Smith Sound gekampt, gelijk Beynen

geschreven heeft in zijn verslag en aangeteekend heeft op de kaart,

welke het verslag verrijkt, dat weder werd uitgegeven door het

Aardrijkskundig Genootschap.

Opmerkelijk is in dit verslag vooral nog de beschrijving van de

Eskimo's, die de Pandora in Bardenbaai aantrof. Zij behoorden tot

een nog geheel onbeschaafden stam, welks jachtvelden zich langs den

oostelijken oever van Smith-Sound uitstrekken. Zij hadden nooit te

voren een schip gezien en de eenvoudigste zaken verbaasden hen. Ten

einde beter in hun onderhoud te kunnen voorzien, leven zij verspreid op

verschillende plaatsen langs de kust. 's Winters bewonen zij gewoonlijk

acht verschillende kustplaatsen, doch 's zomers slaan zij hunne tenten

daar op, waar zij vertrouwen de beste jachtvelden te zullen vinden. Hun

winter verblijven (iglu's) worden met veel zorg handig uit rotsstukken

opgetrokken en van boven met lange vlakke steenen overdekt. Van buiten

worden zij geheel met mos bekleed, terwijl de dikke laag sneeuw, die

's winters er over heen komt, de koude verder helpt buitensluiten. De

ingang bestaat uit een langen overdekten doorgang, die zoo nauw is

dat één man er slechts met moeite door kan kruipen. Een klein raam,

dat juist daarboven geplaatst is, wordt met een uitgespannen darm van

een zeehond gesloten. De binnenwanden dier steenen hutten zijn veelal

behangen met vellen, vogelnesten, hondenzweepen en harpoenlijnen,

terwijl hun huisraad voornamelijk bestaat uit cylindervormige potten

van zeehondenhuiden genaaid, die gewoonlijk vol spek en traan staan. De

uit een zachte steensoort uitgeholde lamp dient tevens om het eten

er boven te koken, en onafgebroken houden zij daarin een van mos

vervaardigde oliepit brandende. Het water, dat van een smeltend stuk

ijs afdruipt, wordt opgevangen op het schouderblad van een walrus,

dat tusschen twee steenen rust. Gewoonlijk eten zij hun voedsel rauw,

en slechts bij enkele feestelijke gelegenheden bereiden zij een

warme soep uit traan, bloed en ingewanden. Van de Engelsche schepen

hadden zij niets gezien, maar een oude man, die met zijn gezin op

Northumberland-eiland leefde, had den vorigen zomer twee schepen om de

Noord zien gaan. Ook van het wrak van de Polaris, dat gezonken was,

hadden zij hooren spreken, maar zij zelven waren niet zoo noordelijk

geweest en Beynen zag onder hun huisraad niets, dat deze getuigenis

logenstrafte. Hij merkte echter een door ijs zeer beschadigde roeispaan

uit Zuid Groenland afkomstig op en een stuk hout dat gemerkt was

"Lime Juice Leith." Volgens hun bewering waren deze voorwerpen van

om de zuid gekomen en door de zee op hun kusten gespoeld.

Deze Eskimo's werden door Beynen beschreven als een goed, eenvoudig,

sterk en gezond volk, zeer klein van gestalte, met lang, donker,

loshangend haar. De vrouwen zien er in hun jeugd vrij gunstig uit,

maar zij schijnen kleiner dan zij werkelijk zijn, waarschijnlijk

ten gevolge van de gewoonte om voorovergebogen te gaan, 't welk een

gevolg is van het dragen der kinderen op hun rug. Hoe arm zij ook

waren, boden deze lieden den zeevaarders alles aan wat zij hadden,

en toen kapitein Young het hoofd van het gezin vroeg wat hij in ruil

wilde ontvangen en hem naar boord medenam, koos hij uit al de nooit

geziene schatten een puntig stuk ijzer om een speer van te maken en

een essenhouten roeiriem om er de schacht van te vervaardigen.

De Eskimo's werden bij het vertrek van de Pandora met geschenken

overladen. Beynen gaf alles weg wat hij slechts even missen kon,

tot zijn zakmes en scheerspiegel incluis. Hij kon alleraardigste

bijzonderheden vertellen van het leven en de gewoonten dezer

natuurmenschen, wier eerlijkheid en braafheid hem zeer getroffen

hadden, doch ik hield, tot mijn leedwezen, geen aanteekening van zijn

mededeelingen. Hij heeft ons vaak laten lachen als hij nabootste

hoe blijde de Eskimo's waren met al de geschenken, en hoe zij hun

vreugde uitten. "Hun opgetogenheid kende geen palen," schreef hij

in zijn verslag. "Zij dansten, lachten en schreeuwden van verbazing

bij het ontvangen van zulke schatten, doch toen kapitein Young hun

voorstelde allen aan boord te nemen, wanneer hij hen naar een beter

land zou brengen, weigerden ze, terwijl ze den tolk te verstaan gaven

dat zij wel wisten hoe zij het in hun land hadden, doch niet hoe zij

het ergens anders zouden vinden."

Tegelijk met de Alert en Discovery kwam de Pandora den 3den November

in Engeland terug, waar officieren en bemanning met geestdrift werden

ontvangen.

Beynen had beloofd stipt zijn plicht te zullen doen aan boord van de

Pandora en hij hield woord.

Sir Allen Young, zijn kapitein op de Pandora, een zeeman die Beynen

steeds denken deed aan de mannen van Devonshire, die de Armada

bestookten en de wereld omzeilden, schreef op den eersten tocht, uit

straat Waaigat, aan kolonel Jansen een brief om hem te danken, dat hij

hem een Hollandschen zeeofficier als Beynen op reis had medegegeven.

"I want to tell you how fortunate we are, in having with us so good

and zealous an officer as lieutenant Beynen. I cannot indeed say

enough in his favour, for I find him most active and attentive and

an extremely agreeable messmate. We are all delighted with him and

he is of the greatest assistance to us." [5]

En toen de reis was afgeloopen, schreef de kapitein van de Pandora

nog eens aan zijn vriend Jansen: "Lieutenant Beynen leaves us with

the regret of all his messmates and the Pandora's ship's-company. He

has thoroughly distinguished himself. For my part if I again sail in

those seas, which is quite possible, there is nothing that would give

me more pleasure than to have him again with us. I hope however for

his own sake that ere that time arrives, the Netherlands Government

will decide to equip an expedition and that Beynen will be appointed

to a high place in it, for if success depends upon talent, energy

and good seamanship, I am sure that he could carry any undertaking

through to a successful issue". [6]

Sir Allen Young, die een man van weinig woorden is, schreef niet

alleen op deze wijze over Beynen, maar hij sprak--als hij bij den

prins van Wales logeerde of aan de admiraliteit verslag uitbracht,

of aan zijn vrienden zijn reis verhaalde--met zulk een eerbied en

toegenegenheid van den jongen Hollandschen luitenant, dat velen in

Engeland hem wilden leeren kennen. Miss Cracroft, eene oude dame, die

altijd met Lady Franklin had samengewoond, noodigde hem zoo dringend

uit haar te komen opzoeken, dat hij niet kon weigeren. Zij wees hem

al hetgeen Lady Franklin, ter herdenking van haar beroemden man, uit

en betreffende de Noordpoolstreken verzameld had: prachtige schetsen

en teekeningen, de portretten in olieverf van de voornaamste Engelsche

Noordpoolreizigers, enz.

Van dit bezoek teruggekomen, schreef Beynen: "Wat ben ik beloond

voor de moeite om van Portsmouth naar Londen te gaan! Het was zeer

belangwekkend alles te zien, en treffend, ja aandoenlijk, om die

oude, eerwaardige vriendin van Franklin te hooren spreken over het

hooge Noorden en de landgenooten, die er het leven gelaten hebben,

terwijl ze daar Engeland's naam ophielden. Zij wilde mij volstrekt

alle mogelijke goed doen en mij boeken, instrumenten, enz. enz. geven,

doch ik beweerde, dat ik alles had, wat ik maar wenschen kon, en

zeide alleen zeer gesteld te zijn op een photographie van Sir John

Franklin. Het portret van dezen grooten Engelschen Noordpoolvaarder

zal altijd tot sieraad strekken in elk schip, waarop ik later de eer

zal hebben te dienen.

"Toch was dit nog niet het eenige. Admiraal Sir Francis Hall had

verklaard er zeer op gesteld te zijn mijn kennis te maken. Miss

Cracroft bracht mij naar hem, en de oude admiraal ontving mij op

de aangenaamste, hartelijkste wijze. Hij zeide: "ik heb altijd zeer

veel genegenheid gehad voor de voortreffelijke Nederlandsche marine

en voor uw volk. Ik was adelborst op het schip, dat koning Willem I

naar Holland bracht en waaruit hij te Scheveningen landde. Ik ken uw

Koningin zeer goed en heb grooten eerbied voor haar. Mijn dochter is

haar petekind."

Even vriendelijk was iedereen voor den jongen Hollandschen

zeeofficier, die als vrijwilliger zulke goede diensten had gedaan op

het ontdekkingsjacht. Eens toen de Pandora te Portsmouth voor anker

lag, zat Beynen 's avonds in de kleine mess-room zijn journaal bij

te schrijven, toen een stoombarkas van het admiraalschip langszijde

kwam om hem mede te deelen dat HH. KK. HH. de Prins van Wales en de

hertog van Edinburgh, vernomen hebbende dat hij op de Pandora was,

verlangden dat hij aan boord van Her Majesty's Sultan zou komen,

opdat Sir Allen Young, die met hen op dit pantserschip dineerde,

hem aan hen zou voorstellen.

"Zooals ik was moest ik komen," schreef Beynen. "Sir Allen Young

stelde mij voor aan Z. K. H. den hertog van Edinburgh, die mij aan

den Prins van Wales voorstelde. Beide waren allervriendelijkst,

en na een kort gesprek wenschten zij mij met een handdruk voorspoed

op mijn nieuwe reis en bracht ik den avond verder met hen door. De

prinsen kwamen den volgenden morgen bij ons aan boord. De hertog

van Edinburgh monsterde onze flinke equipage; hij en zijn broeder

namen op de innemendste wijze afscheid van de officieren en gingen

van boord onder een driewerf hoerah! van de bemanning."

Bij zijn terugkomst van den tweeden tocht kreeg Beynen, door middel

van Sir Allan Young, het bericht dat Z. K. H. de prins van Wales er

op gesteld was dat hij op de Levée zou komen, en dat hij zich daartoe

maar tot den Nederlandschen gezant moest wenden.

"Nadat ik deze boodschap ontvangen had," schreef Beynen, "oordeelde ik

het moeielijk te kunnen laten, en, ofschoon ik er tegen opzag als tegen

een berg, besloot ik de zeilen maar naar den wind te zetten. Graaf

van Bylandt ontving mij allerwelwillendst, moedigde mij aan en

zeide dat ik hem maar moest komen afhalen, dan zou hij met mij naar

het paleis gaan. Nu het achter den rug is, ben ik blijde dat ik er

geweest ben. De ontvangst was zoo ontzagwekkend plechtig en statig;

die onbewegelijke gardes, al die uniformen,--het was een grootsch

schouwspel. Daarbij kwam dat de raad van legatie, de heer De Stuers,

allerhartelijkst was, en de moeite nam mij al de beroemde mannen te

wijzen. Later ging ik met kapitein Young naar de admiraals Sir Henry

Keppel en MacClintock, die mij wenschten te zien."

Wat Beynen deed werd dus in Engeland bijzonder gewaardeerd, en indien

men een nog meer rechtstreeksche getuigenis vernemen wil, hoore men

wat een zijner scheepsmakkers op de eerste reis reeds van hem zeide.

De beroemde Amerikaansche journalist MacGahan, die als verslaggever van

de Daily News op de oorlogsvelden van Turkije later zich onderscheidde

en daar ook den dood vond, was Beynen's kameraad aan boord van de

Pandora, en in zijn boek: Under the Northern Lights beschrijft hij

welk een held de jonge Beynen zich steeds toonde.

"Wanneer er een felle storm woei," schrijft hij, "en de bevroren

zeilen bijna onbeweeglijk waren, dan kon men Young Tromp altijd

vinden op het uiterste punt van de marszeil râ; en als er ander

gevaarlijk werk te verrichten was, kon men er zeker van zijn dat

Beynen de eerste vrijwilliger was. Hij is de eerste Hollander, dien

ik ooit ontmoet heb, maar mijn kennismaking met dezen onvermoeiden,

enthusiasten zeeman heeft mij overtuigd dat de oude heldenmoed,

welke de Hollanders tachtig jaar deed strijden voor de vrijheid, even

krachtig is als ooit, en dat voor den Hollander, en vooral voor den

Hollandschen officier, vaderlandsliefde een soort van godsdienst is."

Deze lof verdiende de 24-jarige zeeofficier voor zijn land en zijn

corps door een geestdrift en toewijding, die zich in daden uitten.

Ieder die met hem in aanraking kwam, wist hij warm te maken voor de

zaak die hem zoo dierbaar was.

Zoo kwam hij in Engeland, toen de Pandora zeilree lag voor de tweede

reis, in kennis met den heer Charles Gardiner, die met zijn stoomjacht

de Glow-worm gereed was om naar de Noordoostelijke IJszee te gaan,

ten einde daar pelsdieren en vogelen te schieten. Doch men hoore

hoe Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge, de adjunct-rijksarchivaris, die

penningmeester was der Nederlandsche Noordpoolcommissie, en Beynen

slechts zoo kort overleefde, in zijn toelichting tot de voorwerpen

door Barents op Nova-Zembla achtergelaten, deze kennismaking en hare

gevolgen beschrijft.

"De eerste kennismaking van Beynen met den heer Chs. Gardiner groeide

tot meer vriendschappelijke betrekkingen tusschen de beide heeren

aan en in hunne gesprekken over den tocht, die beiden weldra, in

tegenovergestelde richting, naar het Noorden zouden ondernemen,

liep het onderhoud meer dan eens over Nowaja-Semlya, naar welks

omliggende zeeën de heer Gardiner zich wenschte te begeven, om

vooral in de Kara-zee, bij White-Island, jachtveld en jachtwater te

vinden. De heer Koolemans Beynen hield niet op met den heer Gardiner

telkens aan te sporen om van deze gelegenheid gebruik te maken tot

een bezoek aan de IJshaven, de plaats waar Barents en Heemskerck

in 1596-1597 hadden overwinterd, en werkelijk heeft de edelmoedige

Brit, hoewel hij daardoor grootendeels het oorspronkelijk doel van

zijn tocht, door hem als jachtliefhebber ondernomen, moest missen,

aan de opwekking en aansporing van den heer Koolemans Beynen gehoor

gegeven. Op den 29sten Mei ll. verliet de heer Chs. Gardiner met

zijn stoomjacht de Glow-worm de reede van Cowes. Te Tromsoë nam

hij als ijsloods aan boord den bekenden kapitein Elling Carlsen,

dezelfde die den tocht van Payer en Weyprecht heeft mede gemaakt

en in 1871 de eerste ontdekker was der voorwerpen, door Barents en

Heemskerck op Nowaja-Semlya achtergelaten. Door Matthews-straat of

Matotshkinshar, de zeearm die het eigenlijke Nowaja-Semlya van Lütkes-

en Barentsland scheidt, geraakte de Glow-worm in de Kara-zee ten Oosten

van Nowaja-Semlya. Op den 29sten Julij 1876, des morgens te 8 ure,

bereikte de Glow-worm de IJshaven, de overwinteringsplaats van Barents

en Heemskerck. Door welwillende tusschenkomst van den heer Koolemans

Beynen was ik in staat inzage te nemen van eenige korte uittreksels

uit het journaal, aan boord van de Glow-worm gehouden. Eenigen dier

extracten laat ik hier nu volgen:

"29 Julij. Heden is het een betere dag; 's morgens te 8 ure bereiken

wij de IJshaven. Wij kunnen niet in de baai komen, omdat zij geheel

vol is met zwaar ijs, dat aan het land vast zit. Nauwelijks is het

anker gevallen, of de kreet klinkt overal aan boord: "een beer! een

beer!" Groote opgewektheid overal. Inderdaad, de beer komt over het

ijs naar het schip kruipen, waarschijnlijk uit nieuwsgierigheid. Die

nieuwsgierigheid betaalt hij duur. Wij zijn spoedig uit de booten

naar en op het ijsveld. "Exciting sport!", door de geheele bemanning

aan boord gadegeslagen. Het einde is des beers dood.

"Na het ontbijt gaan wij aan wal en bezoeken de bouwvallen van Barents'

winterkwartieren. Geheel het huis ligt ingestort. Wij hebben een hard

dagwerk, dáár tusschen de ruïnen, maar graven eene groote hoeveelheid

reliquien op. Wij vinden einden touw, nog even sterk als op den dag

waarop zij geslagen werden, stukjes zeildoek, kaarsen, oude messen,

timmermansgereedschap, spijkers, eenige oude munten, een handlood,

een geweerslot, een kruithoorn, enz. Al deze zaken zijn hoogst

belangwekkend, daar zij hier 280 jaar hebben gelegen."

Terwijl hier de bemanning van de Glow-worm, voorover gebogen, met

pikhouweel, schop en bijl bezig was met de ontgraving, had niemand

opgemerkt dat een groote ijsbeer was genaderd, die op zijn achtertrein

gezeten in de onmiddellijke nabijheid van de ontgraving dat werk zat

aan te kijken als maître ès céans. Alsof hij, opvolger van zijne

voorouders, sedert 279 jaren bewaarders van het Barents-museum op

Nowaja-Semlya, met ongenoegen gadesloeg dat men hem zijn erfgoed kwam

ontstelen, zat hij daar grimmig en "snuffing the air." Toen men,

om een oogenblik te rusten, zich uit de gebogen houding oprichtte,

werd de hongerige huisbaas eerst gezien. De geweren stonden op eenigen

afstand, zoodat de bemanning een oogenblik ongewapend was. Men vloog

te wapen. De beer, dit ziende, "thought discretion the better part of

valour," (zooals de heer Gardiner in zijn journaal zegt), en meester

ysegrim wist zich nog tijdig uit de voeten te maken.

Op dien dag nam men een observatie, doch geen vertrouwbare, want de

dampkring was te mistig voor eene nauwkeurige waarneming. Onder die

ongunstige omstandigheden verkreeg men voor de ligging van de plaats

76° 18 noorderbreedte.

Het journaal meldt vervolgens op 30 Juli:

"Dikke mist... Wij liggen met opgebankte vuren, om gereed te zijn

tot vertrek, als het ijs ons mocht willen insluiten of storm ons

overvallen. Wij liggen achter een uitgestrekt ijsveld beschut tegen

het noorden en noordwesten. Ik hoop dat morgen de mist zal zijn

opgetrokken, opdat wij de juiste ligging van Barendsz. winterkwartier

zullen kunnen bepalen. Gisteren hebben wij een bericht neergelegd

in denzelfden tinnen koker aan een stok, te midden van de bouwvallen

van de hut van Barendsz. door Carlsen in 1871 opgericht. Ons bericht

behelst niets dan het feit, dat wij hier zijn geweest en dat wij de

plaats hebben doorzocht."

Augustus. 1. "Alweder mist, bijna geen wind; de weinige wind die er

is, waait uit het zuidwesten. Wij brengen op nieuw een bezoek aan

de bouwvallen van het oude huis van Barendsz. en graven nagenoeg

den geheelen bodem van het ijs op. Ditmaal wordt onze moeite echter

niet rijkelijk beloond. Wij vinden slechts een passer, een harpoen,

twee pieken, een paar gebroken messen, schoenen enz. Ik geloof niet

dat er nu nog veel te vinden zal zijn; wij hebben alles doorsnuffeld

en in elke hoek en gleuf gezocht."

De heer Chs. Gardiner kwam met zijn stoomjacht de Glow-worm den

9den October te Southampton aan. Ruim drie weken later, op den 3den

November, stoomde ook de Pandora, terugkomende uit Smith-sound, laatst

van Uppernavik, onder het driewerf hoezee! der bemanning van de aldaar

liggende oorlogschepen, de haven van Porthsmouth binnen. Weldra vernam

de heer Koolemans Beynen uit den mond van den heer Chs. Gardiner

wat door hem op Nowaja-Semlya gevonden was, en op den 13den November

schreef de heer Gardiner hem een brief, waar zooveel vereering voor

den grooten zeevaarder Barents en zóó edele welwillendheid jegens

Nederland in doorstraalt, dat de brief verdient bewaard te blijven.

"I cannot tell you," zoo schreef de heer Chs. Gardiner, "how much

obliged I am to you for taking such an interest in the Barents's

relies and for so kindly offering to take charge of them. If your

countrymen will accept them, I shall greatly be honoured and shall

be only too proud that it happened to have been in my power to have

made them this offer."

De Nederlandsche natie zal ongetwijfeld den heer Gardiner steeds

dankbaar zijn, dat hij deze reliquien zoo edelmoedig aan haar heeft

afgestaan.

Aan de sympathie en geestdrift door Beynen gewekt, hebben we het dus

te danken, dat we de belangrijke voorwerpen--door den heer De Jonge

uitvoerig beschreven--ontvingen.

In het journaal van de overwintering van Barents. en Heemskerk, in 1598

door Gerrit de Veer uitgegeven, staat vermeld, hoe, vóórdat het huis

waarin men zoo lang had overwinterd werd verlaten, "Barents. te voren

een cleyn cedelken heeft geschreven en in eene musketmate gedaen ende

't selfde in den schoorsteen opgehangen, daerinne verhaelt stont, hoe

wy uyt Hollant daer gecomen waeren om te zeylen nae 't coninckrijcke

van Chijna, ende wat ons aldaer op 't lant bejegent was ende alle

ons wedervaren, op avontuer offer er yemant nae ons quame, dat die

weten mocht wat ons bejegent was en hoe 't ons gegaen hadde."

De "Yemant," die na Barents. aldaar kwam, was de heer Gardiner. Hij

vond in den ouden kruithoorn een ineengefrommeld stuk papier,

waarvan de deelen op elkander kleefden, dat groen en geel was, en niet

grooter dan de palm van de hand. Dit handschrift, gedurende 279 jaren

beurtelings bevroren en ontdooid en beklemd tusschen het ijs en de

bouwvallen van "het Behouden Huis," werd door den heer De Jonge, met

behulp van den heer J. H. Hingman, ontcijferd, en de daarin vermelde

bijzonderheden bevestigden geheel het journaal van Gerrit de Veer.

Voor Beynen waren die honderd belangrijke, schoone herinneringen

aan Barents. en aan Hollands heldentijd, opgedolven uit het ijs en

de sneeuw van Nova Zembla, een prikkel te meer, om toch te maken

dat de Hollandsche vlag weer in die klassieke stroomen wapperen

mocht. Wat de heer De Jonge in zijn toelichting zeide was hem uit

het hart geschreven.

"Wij mogen erkentelijk zijn, dat al de voorwerpen in 1871 en 1876

gevonden, in Nederland zijn teruggekomen. Doch mengt zich met

dat gevoel van dankbaarheid ook niet eenig gevoel van spijt? Deze

overblijfselen, deze reliquien zijn niet ontdekt en herwaarts gebracht

door Nederlandsche zeevaarders. Wij hebben het bezit dier voorwerpen

te danken aan den ondernemingsgeest en de edelmoedigheid van vreemden.

"De bouwvallen van het huis, waarin de Nederlandsche zeevaarders, onder

bevel van Barendsz en Heemskerck, na hun roemrijken tocht, waarop

zij Spitsbergen hadden ontdekt en tot ongeveer 80° Noorderbreedte

waren doorgedrongen, hebben overwinterd, zijn nu geheel onder den

voet gehaald.

"Als het koude kleed van ijs en sneeuw gedurende eenige jaren die

verstoorde en uitééngeworpen overblijfselen zal hebben bedekt,

stormwind en ijspersing den houten staak, door Carlsen opgericht,

zullen hebben vernietigd, zal eindelijk ook die plek op Nowaja-Semlya

niet meer met juistheid zijn te bepalen. Mij worde het vergeven,

indien ik, aan het einde van den mij opgedragen last gekomen, voor één

oogenblik mij buiten de grenzen van dien last begeef en het voorstel

waag, dat, éér die plek op Nowaja Semlya, waaraan voor Nederland

zoovele herinneringen zijn verbonden, geheel uit de herinnering

verloren ga, een Nederlandsch schip met kloeke bemanning worde

uitgezonden, om dáár in de ijshaven een eenvoudigen gedenksteen

van duurzaam graniet op te richten, opdat in de volgende eeuwen

moge blijken dat wij, ook bij eigen ongenoegzaamheid, ten minste

de dankbaarheid bewaard hebben jegens hen, wier roem ook nu nog op

ons afstraalt."

Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen · 第 15 / 46 题