NAAR HET NOORDEN.

Voor niemand is 't verborgen:

Ons heden draagt ons morgen

Ontkiemende in den schoot;

De wilskracht spreekt uit ijver,

Maar--faalt zij--trots den drijver

Voert dommelzucht ter dood!

Gedacht,--gewerkt,--gebeden!

En vroegst en jongst verleden

Zijn lessen afgevraagd,

Tot uit het schemerduister

Voor aller oog de luister

Eens nieuwen morgens daagt!

Het heeft mij vaak leed gedaan dat Potgieter, die in deze en zoo vele

andere regelen zijn volk opwekte tot mannelijke daden, niet de vreugde

genoten heeft van Beynen te leeren kennen. Deze was een jongen naar

zijn hart, die, de traditie eerende, aan heden en verleden lessen

vroeg, om met al de kracht, die in hem was, te werken voor een

grootsch ideaal.

Er waren woorden van Potgieter, welke Beynen van buiten kende.

Laat mij er enkele van aanhalen:

"Er was een tijd, waarin de weegschaal der volkeren van Europa door

hare vorsten niet ter hand werd genomen, of de hollandsche maagd,

aan hunne zijde op het rechtsgestoelte gezeten, wierp er mede haar

oorlogszwaard of haren olijftak in..."

"Er was een tijd, dat de Hollandsche vlag werd begroet als de

meesteresse der zee, waar ook ochtend- of middag- of avondlicht

de oceanen van beide wereldhalfronden verguldde; een tijd, waarin

hare vlootvoogden den bezem op den mast mochten voeren, dewijl zij,

naar de krachtige uiting dier dagen, de zee hadden schoongeveegd

van gespuis; en in een der jongste vergaderingen Hunner Edelmogenden

hebben welsprekende stemmen de roemlooze ruste van Janmaat beklaagd!"

"Er was een tijd, waarin de Hollandsche handel den moed had, de boeien

te verbreken, hem door den beheerscher der beide Indiën aangelegd,

en, stouter nog, de ongenade van 's aardrijks uithoeken braveerde om

eenen doortocht te vinden, "door natuur ontzegd;" een tijd waarin

de winzucht een adelbrief verwierf, door hare verzustering met de

wetenschap;--stel u voor, God verhoede dat het ooit gebeure! stel u

voor, dat Java ons niet langer zijne schatten in den schoot stortte,

en zeg mij werwaarts de dienstbare vloot der Handel-Maatschappij dan

hare zeilen hijschen zou; waar de ondernemingslust harer reeders in

Noord- of in Zuid-Amerika betrekkingen heeft aangehouden; waar men

zich onzer in China nog herinnert; wie ons in Australië kent?"

Deze regels waren Beynen uit het hart geschreven. Hij eerde de

Oliviers van Noord, de Jacques le Maires, de Barentsen met de warmste

geestdrift: hij had Prins Maurits er lief voor, dat hij het octrooi

der Groenlandsvaart aan onze koene zeelieden verleende; hij eerde

even hartelijk de Oranjes in het harnas voor 's lands veiligheid en

vrijheid strijdend, als de groote zeekapiteins voor 's lands welvaart

en grootheid aan het roer.

Hij had innigen eerbied voor de handelaars en reeders van Holland's

gouden eeuw, die het mogelijk maakten dat zoovele schepen op avontuur

uitzeilden, "omdat zij er hun breeden rug onder zetten," gelijk hij

zoo eigenaardig, met een glimlach kon zeggen. Hem wekte ons verleden

tot krachtsinspanning, en sinds den eersten dag, dat hij zelfstandig

dacht, werkte hij voor zijn ideaal: de wereldzee arbeidsveld als

weleer; de poolzee kweekschool van zeemanschap en ondernemingszucht.

Wat hij als jong adelborst had opgemerkt, versterkte hem in deze

gevoelens.

Hij had al zeilende en vechtende telkens meer liefde gekregen voor

de Nederlandsche marine, en zijn wapenbroeders in het schoone corps,

waartoe hij de eer had te behooren, zullen uit de enkele brieven,

welke ik van hem aanhaal, zien, welke geestdrift de kennis, moed

en zeemansdeugden der officieren van de koninklijke marine bij hem

opwekten.

Doch hij merkte op dat, door het schier uitsluitend varen op

stoomschepen over bekende wateren, en het ontzenuwend dienen in den

Indischen archipel het scheepsvolk veel zeemanschap en vooral veel

zeemansgeest had verloren. Met het oog hierop wilde hij dat toch elke

richting zou gevolgd worden, welke als tegenwicht kon dienen tegen

het noodzakelijke, maar minder leerzame dienen en rusten in Indië,

ten einde dus de eigenschappen en krachten te kweeken, die het zeevolk

van Tromp en De Ruyter onderscheidden.

In de eerste plaats achtte hij daarom verkenningstochten in de

Noordelijke IJszee noodig, als bij uitnemendheid geschikt om bij

koninklijke marine en handelsvloot nieuwen zeemansgeest te wekken.

Hij had niet veel gelezen over dit onderwerp, toen hij in Nederland

terugkeerde, maar hij had dit denkbeeld als bij ingeving. Hij wist

nog weinig, maar dacht des te meer. Zijn zucht om naar het Noorden

te gaan was aanvankelijk slechts een onbestemd verlangen, en op het

zeilschip, dat hem naar zijn dierbaren huiswaarts bracht, bleef hij

er steeds aan denken, hoe het hem mogelijk zou wezen zijn ideaal te

bereiken en iets voor zijn land en de marine te doen.

Te huis gekomen, wendde hij zich in Februari 1875 tot den kapitein

ter zee, M. H. Jansen, staatsraad voor marinezaken, wiens roemrijke

loopbaan als zeeofficier en wiens geloof in de Noordpoolvaart, als

kweekschool voor de marine, Beynen bekend waren. Hij vroeg den kolonel

of hij hem niet het voorrecht kon verschaffen met een der Engelsche

expeditiën naar het Noorden te worden gezonden... doch men hoore hoe

kolonel Jansen mij deze eerste ontmoeting zelf in een brief mededeelt:

"In het vroege voorjaar van 1875 werd mij een kaartje binnengebracht

waarop stond: L. R. Koolemans Beynen, luitenant-ter-zee, die mij

wenschte te spreken. Ik had zijn naam nooit vroeger gehoord. Met

vriendelijk, modest, innemend gelaat vroeg hij mijn hulp om een reis

naar de poolgewesten te maken.

Dit nam mij nog meer voor hem in; maar mijn sympathie daalde toen ik

hem vroeg of hij iets van de groote gevaren en moeielijkheden kende,

en er wat over gelezen had, en hij ten antwoord gaf: neen, niets!

"Nu zeide ik: neem dan eerst deze boeken naar huis mede, lees ze

aandachtig en kom daarna nog eens terug.

"Ik gaf hem al mijn boeken over ijsvaart mede van 1595 tot op onzen

tijd, waarmede hij blijkbaar gelukkig wegging. Veertien dagen later

kwam hij zijn verzoek herhalen, want, zeide hij, "nadat ik de boeken

met ongeduld verslonden heb, is de aandrang in mij nog veel grooter

geworden om naar het Noorden te gaan."

Zijn wensch werd vervuld. Wel waren al de plaatsen op de Alert en

Discovery--de schepen door de Engelsche regeering naar het Noorden

te zenden--reeds bezet, doch kolonel Jansen had in April, van zijn

vriend den geograaf Clements Markham,--nu Sir Clements Markham en

oud-president van het Britsche Aardrijkskundig Genootschap--vernomen

dat de beroemde noordpoolvaarder Sir Allen Young voornemens was in Juni

een ontdekkingstocht te gaan maken in de Noordwestelijke IJszee. De

heer Markham vroeg aan Jansen: "Can you suggest the name of a Dutch

officer with the necessary tastes and qualifications who would,

with the sanction and approval of his government, like to accompany

Captain Allen Young on his Arctic Voyage?"

Kapitein Young schreef ook aan kolonel Jansen, zeggende: "Knowing the

great interest that His Majesty the King of Holland has so graciously

taken in scientific matters and also that the Dutch nation has always

taken so prominent a part in the explorations of the Northern Seas,

I write to you to say that I should feel much honored if his Majesty

the King and his Excellency the minister of marine should desire

to appoint an officer to accompany my expedition with the view of

studying the navigation of the Western arctic Seas." Z. M. de koning

gaf het gevraagde verlof en de minister van marine Van Erp Taalman

Kip werkte met hartelijke belangstelling mede, daar hij den jongen

luitenant in staat stelde om Sir Allen Young's uitnoodiging aan te

nemen en met hem op de Pandora een ontdekkingsreis te gaan maken.

Hij had zich hiertoe zooveel mogelijk voorbereid, door onder leiding

van kolonel Jansen alles wat op de ijsvaart betrekking heeft, te

bestudeeren, en uit zijn verslagen kan men bespeuren hoe grondig hij

onmiddellijk de wetenschappelijke studie der pooltochten heeft opgevat,

eer hij de praktische ervaring ging opdoen, welke zijn land ten goede

zou komen.

Hij bekommerde zich niet om hetgeen een reis op de Pandora hem zou

kosten maar rustte zich voor eigen rekening uit, en verkocht daarvoor

"een papiertje," zooals hij lachend zeide. Terwijl hij op reis was

droeg kolonel Jansen zorg dat hij bij zijn terugkeer "het papiertje"

weer zou kunnen inkoopen, waartoe eenige belangstellenden de som

vergrootten, welke Mr. O. F. baron Groeninx van Zoelen reeds vroeger,

in een schrijven aan het bestuur van het Aardrijkskundig Genootschap,

had aangeboden, wanneer een officier der Nederlandsche marine op een

poolschip mocht medegaan om zich in de ijsvaart te oefenen.

Het heeft moeite genoeg gekost om Beynen, die schier al te weinig om

geld gaf, over te halen dit bedrag aan te nemen. Zijn ijver om mede te

gaan kan blijken uit den volgenden brief aan mij van kolonel Jansen:

"Door een toevallig verzuim was de toestemming van kapitein Young

mij zeer laat ter hand gesteld, zoodat ik niet dacht, dat er voor

Beynen nog tijd genoeg zou zijn, om zijn uitrusting in gereedheid

te brengen. Ik was dan ook op het punt van kapitein Young voor zijn

vriendelijk aanbod te bedanken, toen Beynen juist bij mij kwam. Acht

dagen, zeide hij, is meer dan ik noodig heb om mij gereed te maken. Wij

gingen dadelijk naar den minister van marine, die evenwel 's konings

toestemming niet wilde vragen, zonder zeker te zijn dat kapitein Young

met Beynen genoegen nam. Toen zeide Beynen: Mag ik naar Londen gaan,

om het hem te vragen? De minister vond dat goed. Het was toen 3 uur

en te 5 uur voer hij reeds naar Harwich en keerde den volgenden dag

terug, zonder te denken aan de kosten, en na hetgeen hij voor zijn

uitrusting noodig had, op aanwijzing van kapitein Young, in Londen

besteld te hebben. Zoo was Beynen."

Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen · 第 13 / 46 题