VOORREDE.

Tot mijn vreugde zal door een herdruk van het Leven en Streven van

L. R. Koolemans Beynen weder aandacht gevestigd worden op hem en

op het doel waaraan hij zijn leven wijdde. Hij heeft ons op de zee

gewezen als het oefeningsveld bij uitnemendheid van den Nederlander.

Zeer juist heeft mr. W. H. de Beaufort eens aangetoond, welke de

beteekenis van Beynen's streven was. Hij schreef:

"Mocht gedurende de republiek en zelfs thans nog wel eens, de

landmacht zich niet altijd in die waardeering verheugen, waarop

zij billijke aanspraak had, de zeemacht bleef nationaal. Van haar

spreken de schoonste bladzijden onzer geschiedenis, in haar leven

onze dierbaarste overleveringen voort. Zij heeft van de toppen harer

masten de driekleur in alle zeeën zich doen spiegelen.

Er zijn op onzen bol geen staten,

Geen werelddeelen of klimaten,

Waar hare roem is onbekend.

Van waar de zon begint te rijzen,

Of weigert schaduwen te wijzen,

Of ondergaande schaduw zendt.

Geen beter oefenschool, geen vruchtbaarder arbeidsveld voor het

jonge Holland, dat zich in den kalmen dampkring van rustigen arbeid

niet te huis voelt, dan de zee. De nooit ophoudende strijd met wind

en weder eischt tegenwoordigheid van geest, kweekt vastberadenheid,

leert den roekelooze voorzichtigheid; de voortdurende aanwezigheid

van gevaar stemt den lichtzinnigste tot ernst. De strijd met den

medemensch verbittert het gemoed, wekt de dierlijke hartstochten op,

verwildert den mensch; de strijd met de elementen geeft hem dien

ernstigen moed, die kalme onverschrokkenheid, die onversaagd gevaren

trotseert. Het zeemansleven heeft ten allen tijde een grooten invloed,

een eigenaardig vormende kracht op het karakter uitgeoefend. Wanneer

wij de beschrijving lezen, die Beynen ons van zijne Pernisser

visschers naliet, dan zien wij de naneven voor ons der Barentzen en

Bontekoe's. En waar Boissevain ons den jongen zeeofficier uit zijne

brieven schetst, daar voelen wij dat er verwantschap bestaat tusschen

hem en de De Ruiters en Evertsens, de Trompen en de Van Galens. Het

is merkwaardig hoe een zoo vrijheidlievende, zoo onafhankelijke

volksaard als de onze, zich op zee aan de strengste tucht, aan

de meest onvoorwaardelijke gehoorzaamheid weet te gewennen. Wat

wij, in Beynens beschrijving van het leven op den Castor lezen,

brengt ons onwillekeurig de woorden in herinnering van een onzer

zeventiendeeuwsche schrijvers: "'t Is wonder, de hevigste voorstanders

van een ongebonden vrijheid besluiten zich gewillig binnen een

gevangenhuis van ettelijke planken."

"Nogmaals, Nederland moge zich gelukkig achten dat het een

zeemogendheid is. Het heeft naast zijn oorlogsvloot, zijn

koopvaardijvloot en zijn visschersvloot. Daar is plaats op al

die honderden kielen voor alle rangen en standen, voor de zonen

der aanzienlijken en de zonen van het volk. Reeds stelde de

vaderlandslievende belangstelling van velen, enkelen onzer kloeke

zeevaarders in de gelegenheid, om in het belang der wetenschap

leerrijke ontdekkingsvaarten tusschen de ijsschotsen der Poolzee te

wagen. De herlevende ondernemingsgeest onzer kooplieden, moge ook onzen

koopvaarders, tot nog toe maar al te veel gedwongen denzelfden koers

te nemen, nieuwe vaarwaters aanwijzen, hen nieuwe wegen leeren zoeken."

Dank zij Beynen hadden de acht tochten van de Willem Barents plaats. In

Duitschland en Engeland werd evenzeer als in Nederland gewaardeerd

wat jonge geleerden, wat natuurvorschers op onzen kleinen schoener

een goed werk mochten verrichten.

Dit vernam ik o.a. van den grooten Huxley.

Het was op een gastmaal van de Engelsche Royal Geographical

Society, dat ik naast hem zat. Door lord Northcote, die later

gouverneur-generaal van Britsch-Indië werd en toen president was,

had ik--als bestuurslid en secretaris der vereeniging, welke jaar

aan jaar de kleine Barents uitzond tot onderzoek der Noordelijke

Poolzee--den dank ontvangen van de Royal Geographical Society voor

het "onwaardeerbaar werk" van de Barents en voor de redding van

Leigh Smith, den Britschen Noordpoolreiziger, dien de Barents bij

Nova-Zembla had gevonden.

Ik had Huxley alles te vertellen van de Barents... hoe wij jaar na

jaar het geld er voor kregen na alom gebedeld te hebben... hoe weinig

de regeering hielp, ofschoon wij voor een reeks zee-officieren een

voortreffelijke school van zeemanschap openhielden... hoe stelselmatig

en geduldig het onderzoek was, en welke voortreffelijke, voorbeeldige

jonge geleerden we telkens konden medekrijgen.

Hem was veel van hun werk bekend, en hij vertelde mij toen, hoe hij,

evenals Darwin zijn oefening als natuuronderzoeker, de richting aan

zijn studie gegeven, geheel dankte aan de lange zeereizen bij het

begin van zijn loopbaan ondernomen. Hij zeide:

--"Geloof mij, voor een jongen geleerde is niets beter dan practisch

werk op zee. Ik zelf ging, toen ik in 1846 mijn studietijd in

Charing-cross Hospital achter den rug had, voor een jaar of wat als

"naval surgeon" de zee op."

En toen begon hij duidelijk te maken, op zijn eigen, kristalheldere

wijze, aan mij, den leek, waarom het leven aan boord, het bezoek van

verre zeeën zoo goed is voor een jongen natuurkundige.

Dit was sinds lang in mijn vergeetboekje genoteerd, maar ziet het

kwam alles in herinnering toen ik vier jaar geleden het verslag las

van een hoogst belangwekkende redevoering, welke professor Rudolf

Virchow gehouden had over Medical Science, bij de opening van den

winter-cursus in Charing-cross Hospital.

Hij hield de tweede van de Huxley lectures, lezingen ter nagedachtenis

van Huxley door groote geleerden jaarlijks te houden.

En hij zeide o.a.:

"In Charing-cross Hospital ontving Huxley in rijke mate onderricht

in anatomie en physiologie. Dus geoefend aanvaardde hij den post van

naval surgeon, en toen hij vier jaar later van zee terugkeerde was

hij een volmaakt zoöloog en een scherpzinnig etnoloog geworden.

"Hoe dit mogelijk was zal gemakkelijk door ieder begrepen

worden, die uit eigen ervaring weet hoe groot de waarde van eigen,

persoonlijke waarneming is voor de ontwikkeling van onafhankelijk en

onbevooroordeeld denken.

"Nemen wij een jongman, die op deze wijze een rijke schat opdoet van

positieve kennis.... die bovendien zich geoefend heeft in ontleding

en in critisch oordeelen. Welnu, aan zulk een jongman geven een

lange zeereis en een rustig verblijf te midden van een geheel nieuwe

omgeving een onwaardeerbare gelegenheid tot oorspronkelijk werken en

diep nadenken.

"Hij wordt dus vrij van het dogmatisme der scholen.... hij is

afhankelijk van het gebruik dat hij gelieft te maken van zijn eigen

verstand.... hij is gedwongen van elk afzonderlijk voorwerp de

eigenschappen en de geschiedenis na te gaan... hij vergeet weldra

de dogma's van stelsels die in zwang zijn, en wordt dus eerst een

scepticus en vervolgens een onderzoeker.

"Dus leerden mannen als Darwin--nooit zullen zijn reizen op de Beagle

vergeten worden--en als Hunter en Huxley op zee hoe te onderzoeken

en te denken."

Toen ik dit las werd voor de honderdste keer bij mij de oude smart

weer levendig over het staken van de Barents-tochten.

Jaar aan jaar hielden wij vol, maar ten laatste konden wij geen steun

meer verkrijgen.... de Barents moest hernieuwd of beter nog vervangen

worden, maar geld ontbrak... en zoo moesten wij het onwaardeerbaar,

het eenig aanhoudend, wetenschappelijk onderzoek der zeeën dat

Holland--die zeemogendheid!--ooit deed, opgeven.

Maar, voorwaar niet vruchteloos, heeft Beynen gevoeld, gedacht,

gewerkt en het spoor ons gewezen.

Wij hebben onder zijn leiding iets tot stand gebracht. Steeds boden

nieuwe zeeofficieren, nieuwe geleerden zich aan. Deed o.a. professor

Weber, die zoo heerlijk volhardend zijn zee-onderzoek voortzet,

niet zijn eersten oefeningstocht op onzen kleinen Barents! Deed

prof. Sluiter niet hetzelfde?

Knappe, eenvoudige, geduldige mannen der wetenschap als zij, die ons

vaderland tot eere zijn, waren steeds gereed op het eerste appèl mede

te gaan!

Dit alles ligt in het verleden. Maar in het heden klinken nog

prof. Virchow's woorden.

Nog steeds bestaat de vereeniging welke de Barents uitzond... nog

steeds zijn leden van het bestuur enkele der mannen, die de tochten

van weleer leidden en aanvoerden.

Als er jonge mannen, jonge geleerden zijn, begeerig tot herleving

der onderzoekingstochten, die een plan, een denkbeeld hebben, die op

Beynen's spoor tot eere der marine en der wetenschap willen werken,

laat hen dan bij deze veteranen der oude tochten aankloppen.

Het ideaal herleeft in Europa! Komt jonge zeevaarders, jonge geleerden,

geeft ook een oud en schoon ideaal ons vaderland, een nieuw en

krachtig leven!

Doet ge dit dan eert ge Beynen. En nu, 27 jaar nadat ik mijn vriend's

leven schetste, zeg ik nog met dezelfde warme overtuiging van toen,

dat geen jonge zeeheld hartelijker waardeering door navolging verdient

dan hij.

Drafna. Naarden, Mei 1906.

Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen · 第 6 / 46 题