Hoe de Bisschop van Keulen Koning Carele deed
boodschappen, dat Reinouts lichaam gevonden was in den
Rijn, en hoe Koning Carel met zijn volk naar Keulen
kwam.
De Bisschop van Keulen zond haastelijk eenen bode, en deed Koning Carel
aanzeggen, dat Reinout, zijn neve, verslagen en in den Rijn geworpen
was. Als Koning Carel deze nieuwmare van den Bisschop hoorde, was hij
uit der mate droevig en zwoer bij zijner kroone, dat hij de dood van
zijnen neve wreken zoude, en hebben den man die 't gedaan hadde; of zij
zouden 'et bekoope al die in Keulen waren.
Koning Carel vergaderde zijn volk, en reed in grammen moede na Keulen,
en belegde de stad, en dede tenten op het veld slaan. Als dit de lieden
van Keulen vernamen, sloten zij met haaste de poorten. Het werd den
Bisschop geboodschapt en hij liet den Koning in, en zeide: "Heer Koning!
wij doen maken een kerk; uw neve Reinout kwam dienen de metselaars, en
niemant kende hem; maar toen wij zijn lichaam vonden en ontdeden, vonden
wij aan hem eenen kostelijken gordel, en daar was aan een signet, daar
ik in las zijn naam en titel." Als de Koning hoorde, dat Reinout zoo
jammerlijk en verraderlijk vermoord was, zoo gebood hij den Bisschop dat
zij zouden vangen alle de metselaers en werkers die daar waren; 't welk
terstond gedaan werd, en bij den Koning gebracht. Toen vorschte Koning
Carel zoo lange, dat hij vond alle de genen die schuldig waren aan
Reinouts dood; en hij liet ze terstond nemen en verzinken met zakken in
den Rijn.
Als Koning Carel gedood hadde allen die aan Reinouts dood schuldig
waren, vertelde de Bisschop Koning Carele, hoe Reinouts lichaam te
Dortmunde voer met een karre zonder paerd of ander dier. De Koning trok
na Dortmunde en vond het volk zeer droevig, want zij meenden dat de
Koning Reinouts lichaam wechnemen zoude, en dat hij daarom gekomen was.
Koning Carel zeide tot de Heeren: "Ik bid u, mijn Heeren! laat mij zien
'et lichaam van mijn neve Reinout." Toen zeiden de Heeren van de stad:
"Edel Heer Koning! zijdy hier gekomen om ons te benemen 'et lichaam van
den vriend Gods, Reinout, die hier alleen kwam bij miraculen, zonder
menschen hulpe--dat zoude God op u wreken!" Toen zeide de Koning Carel:
"Neen ik: en hebt des geen zorgen!" Als de Heeren en borgers dit
hoorden, waren zij blijde, en deden de tombe op en om Koning Carel 'et
lichaam te laten zien; met-een trad Koning Carel tot de tombe, en zag
daarin af, en Reinouts lichaam was wech, en was gevaren tot zijn
broeders; en zoo wij beschreven vinden, zoo liggen ze te Napels: en als
de Koning dat lichaam van zijnen neve daar niet en zag, verwonderde hij
hem. Als dit de Heeren en Gemeente van de stad vernamen, dat zij het
lichaam van Reinout, den vriend Gods, kwijt waren, bedreven zij groote
rouwe en misbaar.
En de Koning reisde met zijn volk weder na Parijs.
Dus nam Reinout zijn einde en stierf zaliglijk, en verblijft met God in
'et eeuwige leven, daar ons wil brengen de Vader, Zoon en Heilige Geest!
Amen.
Hier eindigt de Historie van de Vier Haymijns Kinderen, en van Reinout
Heer van Montalbaen en Koning Carel van Vrankrijk.