HET ZEVEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.

Hoe de Bisschop van Keulen Koning Carele deed

boodschappen, dat Reinouts lichaam gevonden was in den

Rijn, en hoe Koning Carel met zijn volk naar Keulen

kwam.

De Bisschop van Keulen zond haastelijk eenen bode, en deed Koning Carel

aanzeggen, dat Reinout, zijn neve, verslagen en in den Rijn geworpen

was. Als Koning Carel deze nieuwmare van den Bisschop hoorde, was hij

uit der mate droevig en zwoer bij zijner kroone, dat hij de dood van

zijnen neve wreken zoude, en hebben den man die 't gedaan hadde; of zij

zouden 'et bekoope al die in Keulen waren.

Koning Carel vergaderde zijn volk, en reed in grammen moede na Keulen,

en belegde de stad, en dede tenten op het veld slaan. Als dit de lieden

van Keulen vernamen, sloten zij met haaste de poorten. Het werd den

Bisschop geboodschapt en hij liet den Koning in, en zeide: "Heer Koning!

wij doen maken een kerk; uw neve Reinout kwam dienen de metselaars, en

niemant kende hem; maar toen wij zijn lichaam vonden en ontdeden, vonden

wij aan hem eenen kostelijken gordel, en daar was aan een signet, daar

ik in las zijn naam en titel." Als de Koning hoorde, dat Reinout zoo

jammerlijk en verraderlijk vermoord was, zoo gebood hij den Bisschop dat

zij zouden vangen alle de metselaers en werkers die daar waren; 't welk

terstond gedaan werd, en bij den Koning gebracht. Toen vorschte Koning

Carel zoo lange, dat hij vond alle de genen die schuldig waren aan

Reinouts dood; en hij liet ze terstond nemen en verzinken met zakken in

den Rijn.

Als Koning Carel gedood hadde allen die aan Reinouts dood schuldig

waren, vertelde de Bisschop Koning Carele, hoe Reinouts lichaam te

Dortmunde voer met een karre zonder paerd of ander dier. De Koning trok

na Dortmunde en vond het volk zeer droevig, want zij meenden dat de

Koning Reinouts lichaam wechnemen zoude, en dat hij daarom gekomen was.

Koning Carel zeide tot de Heeren: "Ik bid u, mijn Heeren! laat mij zien

'et lichaam van mijn neve Reinout." Toen zeiden de Heeren van de stad:

"Edel Heer Koning! zijdy hier gekomen om ons te benemen 'et lichaam van

den vriend Gods, Reinout, die hier alleen kwam bij miraculen, zonder

menschen hulpe--dat zoude God op u wreken!" Toen zeide de Koning Carel:

"Neen ik: en hebt des geen zorgen!" Als de Heeren en borgers dit

hoorden, waren zij blijde, en deden de tombe op en om Koning Carel 'et

lichaam te laten zien; met-een trad Koning Carel tot de tombe, en zag

daarin af, en Reinouts lichaam was wech, en was gevaren tot zijn

broeders; en zoo wij beschreven vinden, zoo liggen ze te Napels: en als

de Koning dat lichaam van zijnen neve daar niet en zag, verwonderde hij

hem. Als dit de Heeren en Gemeente van de stad vernamen, dat zij het

lichaam van Reinout, den vriend Gods, kwijt waren, bedreven zij groote

rouwe en misbaar.

En de Koning reisde met zijn volk weder na Parijs.

Dus nam Reinout zijn einde en stierf zaliglijk, en verblijft met God in

'et eeuwige leven, daar ons wil brengen de Vader, Zoon en Heilige Geest!

Amen.

Hier eindigt de Historie van de Vier Haymijns Kinderen, en van Reinout

Heer van Montalbaen en Koning Carel van Vrankrijk.

Karolingsche Verhalen · 第 41 / 45 题