Hoe dat Koning Asises in de stede van Keulen belegerd
was van de Heidenen, en om hulp vroeg aan Koning Carel,
en hoe hij Roelant derwaarts zond, die de stad
verloste, en den Heidenschen Koning Corsaen versloeg.
Roelant en de Koning stonden samen in de zale met vele andere Heeren, en
spraken over de euvele behendigheid van Madelgijs. Intusschen zag Koning
Carel eenen bode komen, en zeide tot Roelant: "Neve, ons genaakt nieuwe
mare."--"Goede boodschap moet wellekom zijn," zeide Roelant. Met-een
kwam de bode in de zale voor den Koning en groette hem; en als hij hem
gegroet had, zeide hij: "Heer Koning! ik brenge tijding die beter
achterbleve: want Koning Asises van Keulen doet u bidden, dat gij hem
hulpe zendt; of wel hij zal de stad moeten overgeven: de Heidensche
Koning heeft ze zoo sterkelijk beleid, dat ik ze schier vermeesterd
duchte, eer gij daar komt."
Koning Carel was deze mare zeer leed: "Neve Roelant, Edel Ridder!" zeide
hij; "gij en liet nooit dat ik u opdroeg--nu bidde ik u, dat gij
derwaards trekt, en ontzet die van Keulen: ik zal u leveren 50000
mannen."
Roelant nam de heirtocht met geestdrift aan. Toen zeide Olivier:
"Roelant, vrome Ridder! gij zult hier alleen niet varen, ik wil mede met
8000 mannen." Roelant zeide: "Dank hebt, Olivier!" Daarna zeide Ogier,
de stoute krijger: "Roelant, ik zal mede trekken, met 8000 vrome
mannen." Roelant sprak met blijden gezichte: "Neve! God loon u der
vriendschap!" Hertog Naymes sprak desgelijks, en de Heeren kwamen
over-éen dat ze dien avond buiten Parijs hunne tenten zouden slaan, en
gingen uit elkander om zich reede te maken.
Olivier met zijn volk waren 'et eerste gereed, trokken naar buiten in
schooner optocht, en hij sloeg zijn tenten buiten Parijs in een veld.
De Koning was op zijn paleis, riep Roelant tot hem en zeide: "Ziet, neve
Roelant! ginder staat een treflijke schare volks: ik bidde God dat hij
ze beware!" Toen de Koning dit zeide, sloeg hij de oogen naar boven, en
stond met gestrekte handen.
Intusschen kwam Ogier rijden met zijn volk, in goede orde en wel
toegerust, en sloeg zijne tenten bij Olivier.
De Koning zeide: "Roelant-neve, ziet ginder Ogier met zijn volk, al
schoone en kloeke mannen, ik bid God dat hij ze behoede voor misval!"
Naymes, met zijn vrome mannen en Ridders, sloeg zijne tenten bij Ogiers.
De Koning dit ziende, zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! Naymes met
zijne scharen: God wil ze beschermen!"
Toen ging Roelant en wapende zich en zijn volk, en nam oorlof aan den
Koning, en reed uit met zijn heir: het was heerlijk om aan te zien--zoo
vele schoone en moedige mannen: wél gekleed en gewapend, en alle
strijdzuchtig. Roelant sloeg zijn tenten bij de anderen; daar bleven zij
liggen buiten Parijs tot des anderen daags, en zoo haast de dag aankwam
reden zij naar Keulen.
Niet verre van Keulen vonden zij een groote schare Sarazijnen. Als zij
dit zagen, stelden de Heeren hun volk in slagorde, en reden tot dat zij
in hunne nabijheid kwamen; en als zij zich op een boogscheut afstands
van de Heidenen bevonden, reden Roelant en Olivier met hun volk voor het
Heidensche heir: Naymes en Ogier met hun mannen volgden.
Als de Heidenen--de Christenen dus op hen zagen aankomen, stelden zij
mede hun volk in slagorde en reden den Christenen tegen: daar renden de
twee heiren te gader: de strijd werd groot en menig man verslagen, en
vele Ridders van den paerde gestooten.
Toen dede Roelant wonderen met lancie en zwaerd, en Olivier doorbrak de
Heidensche schare. Naymes en Ogier zag men mede menig vroom feit van
wapenen volbrengen, en menigen Heiden dooden: zoo dat des Heidens heir
grootelijks door hun-vieren vernield werd; maar wel bizonder door
Roelant.
Als de Heidensche Koning Corsaen dit zag, dat zijn volk aldus verslagen
werd, en zwichtte door toedoen der dapperheid van Roelant, gaf hij zijn
paerd de sporen, en reed met groote felheid op Roelant in, zoo
krachtelijk, dat hem zijn spere brak in vele stukken: maar Roelant
verstelde noch verschoot er niet af.
De Koning zag, dat hij op Roelant niet winnen mocht, en hem de stoot
niet 'et minste hinder deed; hij wendde haastelijk zijn paerd en meende
wech te rijden: maar Roelant bracht hem een zoo grooten zwaerdslag toe,
dat hij hem kloofde tot den paerde.
Als de Heidenen hunnen Koning dood zagen, waren zij droevig en riepen
Roelant tegen: "Ai, booswicht, wat doet gij?" en bevochten hem zoo
strengelijk, dat Roelant veel te lijden hadde: want der Turken was er
60000. Roelant, steeds in den strijd gewikkeld, aan alle zijden
bevochten, weerde hem vromelijk, want hij sloeg menig maal een
geharnasten Heiden in tweeën.
Hertog Naymes zag Roelant van alle kanten bezet; sloeg zijn paard met
sporen, en doorbrak moedig der Heidenen schare, zoo dat 'et menig
Sarazijn met der dood bekocht.
Olivier en Ogier, de stoute Ridders, deden dien dag menigen vijand den
zadel ruimen en ter aarde vallen: zoo dat de Heidenen moesten vlieden,
daar zij de vromigheid der vier Heeren niet en mochten verdragen.
En de Heeren, ziende dat zij hun vijanden verwonnen hadden, togen binnen
Keulen, waar hun de Koning Asises zeer blijdelijk ontving; en toefden
daar veertig dagen. Ten einde van de veertig dagen, nam Roelant aan den
Koning Asises oorlof, en reisde naar Parijs. Als zij binnen Parijs
kwamen, en de Koning Roelant zag, was hij blijde en heette den Heeren
vriendelijk wellekom.
De oude Koning nam Naymes ter zijde, en vraagde hem, "wat de Koning
Asises gezegd had, en hoe hij ze ontving, en of zich Roelant in den
oorloge manlijk gehouden hadde?" Naymes zeide, "Heer Koning, Roelant
heeft zich mannelijk gehouden, en vele vrome daden bedreven; ik zeg u,
Heer Koning, had Roelant een ros naar zijner waerde en tot zijnen wille,
hij zoude met zijn stoutheid dwingen al dat in de waereld is."