HET ZESTIENDE CAPITTEL.

Hoe dat Koning Asises in de stede van Keulen belegerd

was van de Heidenen, en om hulp vroeg aan Koning Carel,

en hoe hij Roelant derwaarts zond, die de stad

verloste, en den Heidenschen Koning Corsaen versloeg.

Roelant en de Koning stonden samen in de zale met vele andere Heeren, en

spraken over de euvele behendigheid van Madelgijs. Intusschen zag Koning

Carel eenen bode komen, en zeide tot Roelant: "Neve, ons genaakt nieuwe

mare."--"Goede boodschap moet wellekom zijn," zeide Roelant. Met-een

kwam de bode in de zale voor den Koning en groette hem; en als hij hem

gegroet had, zeide hij: "Heer Koning! ik brenge tijding die beter

achterbleve: want Koning Asises van Keulen doet u bidden, dat gij hem

hulpe zendt; of wel hij zal de stad moeten overgeven: de Heidensche

Koning heeft ze zoo sterkelijk beleid, dat ik ze schier vermeesterd

duchte, eer gij daar komt."

Koning Carel was deze mare zeer leed: "Neve Roelant, Edel Ridder!" zeide

hij; "gij en liet nooit dat ik u opdroeg--nu bidde ik u, dat gij

derwaards trekt, en ontzet die van Keulen: ik zal u leveren 50000

mannen."

Roelant nam de heirtocht met geestdrift aan. Toen zeide Olivier:

"Roelant, vrome Ridder! gij zult hier alleen niet varen, ik wil mede met

8000 mannen." Roelant zeide: "Dank hebt, Olivier!" Daarna zeide Ogier,

de stoute krijger: "Roelant, ik zal mede trekken, met 8000 vrome

mannen." Roelant sprak met blijden gezichte: "Neve! God loon u der

vriendschap!" Hertog Naymes sprak desgelijks, en de Heeren kwamen

over-éen dat ze dien avond buiten Parijs hunne tenten zouden slaan, en

gingen uit elkander om zich reede te maken.

Olivier met zijn volk waren 'et eerste gereed, trokken naar buiten in

schooner optocht, en hij sloeg zijn tenten buiten Parijs in een veld.

De Koning was op zijn paleis, riep Roelant tot hem en zeide: "Ziet, neve

Roelant! ginder staat een treflijke schare volks: ik bidde God dat hij

ze beware!" Toen de Koning dit zeide, sloeg hij de oogen naar boven, en

stond met gestrekte handen.

Intusschen kwam Ogier rijden met zijn volk, in goede orde en wel

toegerust, en sloeg zijne tenten bij Olivier.

De Koning zeide: "Roelant-neve, ziet ginder Ogier met zijn volk, al

schoone en kloeke mannen, ik bid God dat hij ze behoede voor misval!"

Naymes, met zijn vrome mannen en Ridders, sloeg zijne tenten bij Ogiers.

De Koning dit ziende, zeide: "Ziet ginder, neve Roelant! Naymes met

zijne scharen: God wil ze beschermen!"

Toen ging Roelant en wapende zich en zijn volk, en nam oorlof aan den

Koning, en reed uit met zijn heir: het was heerlijk om aan te zien--zoo

vele schoone en moedige mannen: wél gekleed en gewapend, en alle

strijdzuchtig. Roelant sloeg zijn tenten bij de anderen; daar bleven zij

liggen buiten Parijs tot des anderen daags, en zoo haast de dag aankwam

reden zij naar Keulen.

Niet verre van Keulen vonden zij een groote schare Sarazijnen. Als zij

dit zagen, stelden de Heeren hun volk in slagorde, en reden tot dat zij

in hunne nabijheid kwamen; en als zij zich op een boogscheut afstands

van de Heidenen bevonden, reden Roelant en Olivier met hun volk voor het

Heidensche heir: Naymes en Ogier met hun mannen volgden.

Als de Heidenen--de Christenen dus op hen zagen aankomen, stelden zij

mede hun volk in slagorde en reden den Christenen tegen: daar renden de

twee heiren te gader: de strijd werd groot en menig man verslagen, en

vele Ridders van den paerde gestooten.

Toen dede Roelant wonderen met lancie en zwaerd, en Olivier doorbrak de

Heidensche schare. Naymes en Ogier zag men mede menig vroom feit van

wapenen volbrengen, en menigen Heiden dooden: zoo dat des Heidens heir

grootelijks door hun-vieren vernield werd; maar wel bizonder door

Roelant.

Als de Heidensche Koning Corsaen dit zag, dat zijn volk aldus verslagen

werd, en zwichtte door toedoen der dapperheid van Roelant, gaf hij zijn

paerd de sporen, en reed met groote felheid op Roelant in, zoo

krachtelijk, dat hem zijn spere brak in vele stukken: maar Roelant

verstelde noch verschoot er niet af.

De Koning zag, dat hij op Roelant niet winnen mocht, en hem de stoot

niet 'et minste hinder deed; hij wendde haastelijk zijn paerd en meende

wech te rijden: maar Roelant bracht hem een zoo grooten zwaerdslag toe,

dat hij hem kloofde tot den paerde.

Als de Heidenen hunnen Koning dood zagen, waren zij droevig en riepen

Roelant tegen: "Ai, booswicht, wat doet gij?" en bevochten hem zoo

strengelijk, dat Roelant veel te lijden hadde: want der Turken was er

60000. Roelant, steeds in den strijd gewikkeld, aan alle zijden

bevochten, weerde hem vromelijk, want hij sloeg menig maal een

geharnasten Heiden in tweeën.

Hertog Naymes zag Roelant van alle kanten bezet; sloeg zijn paard met

sporen, en doorbrak moedig der Heidenen schare, zoo dat 'et menig

Sarazijn met der dood bekocht.

Olivier en Ogier, de stoute Ridders, deden dien dag menigen vijand den

zadel ruimen en ter aarde vallen: zoo dat de Heidenen moesten vlieden,

daar zij de vromigheid der vier Heeren niet en mochten verdragen.

En de Heeren, ziende dat zij hun vijanden verwonnen hadden, togen binnen

Keulen, waar hun de Koning Asises zeer blijdelijk ontving; en toefden

daar veertig dagen. Ten einde van de veertig dagen, nam Roelant aan den

Koning Asises oorlof, en reisde naar Parijs. Als zij binnen Parijs

kwamen, en de Koning Roelant zag, was hij blijde en heette den Heeren

vriendelijk wellekom.

De oude Koning nam Naymes ter zijde, en vraagde hem, "wat de Koning

Asises gezegd had, en hoe hij ze ontving, en of zich Roelant in den

oorloge manlijk gehouden hadde?" Naymes zeide, "Heer Koning, Roelant

heeft zich mannelijk gehouden, en vele vrome daden bedreven; ik zeg u,

Heer Koning, had Roelant een ros naar zijner waerde en tot zijnen wille,

hij zoude met zijn stoutheid dwingen al dat in de waereld is."

Karolingsche Verhalen · 第 29 / 45 题