Tegelijkertijd hield hij niet op in zijn geschriften en met heel zijn
invloed aan te bevelen de toenadering tot de Antirevolutionairen. Alleen
door eigen krachten konden inderdaad de Roomschen, die nauwelijks
een vijfde van de volksvertegenwoordiging vormden, niet hopen ooit te
komen tot de vrijmaking van het onderwijs, daar zij den steun van een
desbetreffend wetsartikel misten. Welnu, Dr. Schaepman had bemerkt,
dat op het terrein van den schoolstrijd, van den aanvang af de strijd
aangebonden was door de geloovige en vurige Calvinisten. Op veel punten
waren de eischen van de beide op zichzelf staande groepen dezelfde, en
geen van beide kon hopen ze ingewilligd te zien, door eigen middelen
alleen. Dr. Schaepman zag in, dat de strijd niet ging tusschen twee
godsdiensten, dat het geschil niet meer ging tusschen twee families aan
denzelfden stam ontsproten, maar dat de tegenstelling dieper ging, en
dat de slag geleverd werd tusschen het Godloochenend materialisme en
de geestelijke wereldbeschouwing, die haar eenigen grondslag vindt in
het Christendom. En daarom arbeidde hij aan een toenadering, voor een
gemeenschappelijk besteden van de krachten, die tot nu toe gescheiden
waren gebruikt.
Deze taak bracht groote moeilijkheden mee; de poging scheen vermetel,
en, om haar te doen slagen moest men een zóó meesterlijke leiding
geven, zóó ingewortelde vooroordeelen uit den weg ruimen, dat ook de
minst-zwaar-tillenden haar mislukking voorzagen. Velen zelfs ergerden
zich aan deze verzoening, die hun toescheen een vergeten van het
verledene te zijn.
Gelukkig, hij trof aan het hoofd van de Antirevolutionairen aan een man
van genie, Dr. Kuyper, die hem ter zijde stond met al zijn kracht en
hem hielp in het tot stand brengen van deze coalitie der christelijke
partijen, welke door de tegenstanders betiteld werd met den naam:
»monster-verbond."
Deze verbinding kwam niet in één dag tot stand!
Eerst stil en in 't geheim kwam zij eindelijk in 't volle licht uit,
toen zij na tien jaren haar pogingen bekroond zag met het ontnemen aan
de linkerzijde van de stellingen, die zij gedurende veertig jaren
ingenomen had.
De samenstelling van het ministerie Mackay in 1889, waarin
twee Roomschen zitting namen, was het resultaat van deze goede
verstandhouding; met de wet van pacificatie, die de gelijkheid in
beginsel tusschen de neutrale officieele scholen en de vrije lagere
scholen herstelde.
De krijgsbeweging had goede gevolgen gehad, en de Roomsche minderheid
was niet meer een hoop die niet meetelde onder het volk. Men moest
voortaan rekening met haar houden. Om een werkelijke politieke partij te
vormen, restte haar een voortdurende organisatie en een belijnd program
te verkrijgen. Dr. Schaepman had het reeds getracht, en sinds 1881 had
hij in het maandelijksch overzicht van »Onze Wachter", een proeve van
een program voor de Roomsche groepen geformuleerd. Helaas, de onderlinge
verdeeldheid verijdelde zijn pogingen.
De breuk kwam voor den dag, openbaar, hevig, dadelijk na de overwinning
van de Christelijke partijen. Zij bestond in 't geheim sedert enkele
jaren. Zij was begonnen aan 't licht te treden tegen 1884 ten tijde van
de grondwetsherziening, en zij was niets minder dan de democratische
stroom, die in de partijen gelijk als in de instellingen jonger leven
wilde brengen, dat zijn kracht putte uit wat onder het volk leefde,
worstelende met den dam van het conservatisme.
Op een afstand gezien gelijkt zulk een crisis op sommige kinderziekten,
die na haar verdwijning een steviger gezondheid achterlaten. Niettemin
zij bracht groote oneenigheid in de Katholieke partij, voor jaren. Door
meer tact en verzoeningsgezindheid aan te wenden, had Dr. Schaepman
misschien er het kwaadaardig karakter van indien niet kunnen voorkomen,
dan tenminste kunnen verzachten; maar hij was een man geheel uit
één stuk, sterk gehecht aan zijn denkbeelden, en met strijdlustig
karakter. Wat zijn tegenstanders betreft, zij waren bezield van
uitnemende bedoelingen, maar zij verdiepten zich te uitsluitend in
de herinneringen aan het verleden, terwijl zij voorbijzagen de eischen
van het tegenwoordige, en zich allerlei voorspiegelingen maakten van
de toekomst. Onder hen werden in de eerste rij aangetroffen zij die in
hun jeugd tot den aanhang van den grooten liberalen minister Thorbecke
hadden behoord, de »Papo-Thorbeckianen" zooals men zeide, en die
zich met een fierheid, gemengd met spijt, dezen heldhaftigen tijd
herinnerden, waarin de vrijheid in gouden dageraad opkomende, de
Roomschen met haar eerste stralen verwarmd had. Zij vormden de
conservatieve fractie, die vereenigd om den heer Bahlmann, afgevaardigde
van Tilburg, zich had afgescheiden van de democratische fractie,
welke getrouw gebleven was aan Dr. Schaepman. Wat deze twee fractie's
verdeelde, waren punten van tactiek en vereenigingskwesties: de eerste
wilde volkomen aan de verstandhouding met de antirevolutionairen
een einde gemaakt zien, terwijl de tweede er op stond haar te doen
voortduren, en een overeenkomst wilde tot stand brengen in de punten die
in geschil waren. Maar 't was ook de Sociale richting, die elk van haar
zocht vast te stellen naar eigen voorkeur.
De twist werd heet en droevig: de Roomsche bladen verdeelden zich in
twee kampen: ter eener zijde de »Tijd" en de »Maasbode" die partij kozen
voor conservatieven, ter anderer zijde antwoordde Dr. Schaepman in »het
Centrum".
Het resultaat was dat de handelwijze van de afgescheiden fractie bij de
verkiezingen van 1891 de herkiezing van hun ouden leider in Wijk bij
Duurstede verhinderden; maar dank zij de edelmoedigheid van een zijner
partijgenooten, deed hij enkele maanden later zijn intrede in het
parlement als vertegenwoordiger van het district Almelo.
De fractie Bahlmann zegevierde; zij vormde de meerderheid van de
Roomsche afgevaardigden in de Eerste en Tweede Kamer, die na afloop
van de verkiezingen zich vereenigden in een nieuwe partij. Naar
het voorbeeld van het Duitsche Centrum, tooiden zij zich met den
naam »Centrumsclub" en zij aanvaardden als program de volstrekte
zelfstandigheid van de Katholieke partij, en de practische
inwerkingstelling van wat zij noemden »de politiek van de vrije hand".
Zulk een program kon de goedkeuring niet wegdragen van de minderheid,
die onder leiding van Dr. Schaepman weigerde, met het »Centrum" samen
te gaan. De eenige band die sedert dien bestond tusschen de vijandige
groepen, was het besluit, genomen den 2 December 1891 in de algemeene
vergadering van de Roomsche volksvertegenwoordigers, dat van tijd tot
tijd »de leden van de Eerste en Tweede Kamer bijeen zouden komen, om te
spreken over Katholieke belangen, die zich zouden kunnen voordoen in hun
sfeer van werkzaamheid«.
Dat maakte de splitsing bijna volkomen. De kwestie van de
kiesrechtwijziging, die toen opkwam, vermeerderde nog de verwarring en
riep nieuwe misstanden in 't leven. Zoolang zij niet beslist was, dat
is gedurende zes jaren, bewogen zich de verdeelde Roomschen, het spoor
bijster, als in den blinde temidden van een zonderlinge parlementairen
strijd, waarin meerderheden al naar 't voorkwam, dikwijls bij toeval,
beschikten over ministeries en wetsvoorstellen. Dr. Schaepman streed er
zonder ophouden voor wat hij geloofde overeenkomstig de waarheid en het
waarachtig belang van zijn land te zijn, en, toen deze troebele periode
voorbij was, hernam hij allengs zijn plaats aan het hoofd van de
herstelde »Katholieke partij«.