Met starenden blik keek Miss Bonn naar den brief.
Lord Turkington wist niet, wat hij uit haar vreemde houding moest
opmaken.
Daar hoorde hij het geluid van vele mannenstemmen in huis.
Ook Miss Bonn hoorde het.
„Mijn God, wat is dat?”
Angstig luisterde zij aan de deur.
Plotseling werd deze opengeworpen.
Een aantal mannen met revolvers in de hand snelde de kamer binnen.
„In naam der wet,” riep inspecteur Baxter, „neem ik u gevangen, Miss
Evelin Bonn, wegens gepleegden moord en een poging tot een nieuwen!”
Bleek als een lijk staarde Miss Bonn de beambten aan.
„Mag ik den heeren om een verklaring verzoeken?” vroeg Lord Turkington
vol ontzetting.
De beambte boog vol eerbied voor den lord en sprak:
„Het doet mij leed, niet aan den wensch van uw lordschap te kunnen
voldoen. Uw lordschap zal bij het verhoor alles vernemen.”
Daar weerklonk een schot.
Een oogenblik luisterden allen.
„Mijn vader!” riep Miss Bonn en in het volgende oogenblik had zij,
zonder dat iemand het had kunnen beletten, een gouden flacon, die zij
aan een ketting droeg, geopend en aan den mond gezet.
Als door den bliksem getroffen, viel zij op den grond.
„De blauwe dood,” mompelde notaris Barrison, „zoo stierf de graaf van
Heresford en waarschijnlijk nog anderen.”
Daarop wendde hij zich tot Lord Turkington:
„Om u voor een dergelijken dood te bewaren, heeft J. C. R. (hij noemde
den naam niet) deze misdadigster ontmaskerd. Het is zijn werk. Wij
zouden het niet hebben gekund.”
Lord Turkington keek als versuft om zich heen.
De notaris moest hem steunen, opdat hij niet zou neervallen.
Inspecteur Baxter had zich over de doode heengebogen en nam den brief,
dien zij nog in de hand hield.
Vol belangstelling las hij den inhoud en plotseling stiet hij een vloek
uit.
„Wat is er, inspecteur?” vroeg detective Marholm.
„Vervloekt! Ik vind hier een brief van Raffles. Er gebeurt waarachtig
niets meer, zonder dat Raffles zich ermee bemoeit!”
„Of omgekeerd,” antwoordde detective Marholm, „zonder Raffles gebeurt
er niets meer!”
„Zonder gekheid, heeren,” sprak notaris Barrison, „ik hoorde, wat gij
daar van Raffles zeidet. Wij moeten hem dankbaar zijn, dat hij met zijn
buitengewoon talent deze duivelsche misdadigster heeft ontmaskerd.”
„Raffles?” vroeg politie-inspecteur Baxter.
„Ja, Raffles,” herhaalde notaris Barrison, „zijn werk is het, dat wij
hier staan en dat de moord, gepleegd op den graaf van Heresford, is
opgehelderd en gewroken.”
„Een moord?”
„Een moord, heer inspecteur.”
„Waarvan hij niets vermoedde,” dacht detective Marholm.
„Raffles heeft dezen moord ontdekt,” vervolgde notaris Barrison, „en
verdient daarvoor openlijk gehuldigd te worden.”
„Een standbeeld,” sprak Marholm met luide stem, „en daaronder in gouden
letters het opschrift:
„Aan den genialen Raffles,
van de dankbare Engelsche politie.”