„Zijt gij al bij uw notaris geweest?” vroeg Raffles aan Lord
Turkington, „om de aangelegenheid met Miss Evelin Bonn in orde te
maken?”
„Neen”, antwoordde Lord Turkington, „maar ik ben van plan, er
hedenmiddag heen te gaan om de zaak te regelen.”
Op zijn gelaat was duidelijk misnoegen te lezen en de Groote Onbekende
begreep, dat het hem onaangenaam was, te worden uitgehoord.
„Mag ik u vragen, hoe het Miss Evelin Bonn gaat? Zij was gisteren, toen
ik haar een visite wou brengen, ongesteld.”
Lord Turkington wierp een vluchtigen, onderzoekenden blik op zijn
vriend.
„Ik werd helaas zelf ook niet ontvangen—maar gij schijnt u plotseling
bijzonder voor Miss Evelin Bonn te interesseeren.”
De Groote Onbekende lachte zachtjes.
„Stel u gerust, Lord Turkington, het doel van mijn visite was alleen om
den tijd te dooden.
„Ik hoop, dat gij mij voldoende kent om te weten, dat ik moeilijk in
verrukking kom voor een vrouw, zelfs al is zij zoo schoon als Miss
Bonn.”
Beide heeren maakten een eind aan het gesprek en Lord Lister, die
dringende zaken voorwendde, ging heen.
Een half uur later bevond hij zich bij notaris Barrison.
Voordat deze hem groette vroeg hij:
„Hebt gij reeds iets ontdekt in de geheimzinnige zaak van den graaf van
Heresford?”
„Ik hoop van wel”, antwoordde Raffles, naast de schrijftafel plaats
nemend.
„Gij maakt mij zeer nieuwsgierig.”
De Groote Onbekende stak een sigarette aan, zooals altijd, wanneer hij
een ernstig gesprek voerde en begon:
„Kent gij een collega van u, een zekeren notaris Lewin?”
„Ja”, antwoordde notaris Barrison, „ik ben meermalen in ambtszaken met
hem in aanraking geweest. Wenscht gij iets van hem?”
„Ja, ik kom van Lord Turkington. Deze deelde mij mede, dat hij dien
heer vanmiddag zou gaan bezoeken, om hem zijn vermogen, in geval van
overlijden, te laten overschrijven ten name van Miss Evelin Bonn.”
„Aha!” riep Barrison uit, „dat is interessant. Precies zooals bij den
graaf van Heresford.”
Beide heeren keken elkaar eenige oogenblikken vragend aan.
„Gij ziet”, vervolgde Raffles, „dat Miss Bonn volgens een vast
programma werkt.
„Zij schijnt met Lord Turkington denzelfden weg op te willen als met
den graaf van Heresford.”
Notaris Barrison knikte en herhaalde:
„Als met den graaf van Heresford.”
„Ik heb nu het verzoek tot u te richten”, sprak Raffles verder, „om u
in verbinding te stellen met Mr. Lewin en het mogelijk te maken, dat
wij beiden getuigen worden van de ambtelijke conferentie tusschen hem
en Lord Turkington, zonder dat mijn vriend iets van onze aanwezigheid
vermoedt.”
„Met welk doel?”
„Om een getuige te hebben, want ik hoop, dat gij als kroongetuige in de
zaak-Heresford de hoofdpersoon zult zijn. Ikzelf ben om verschillende
redenen verhinderd, mij persoonlijk met de zaak te bemoeien.
„Ik kan alleen, evenals op een speeltafeltje, de kaarten zoo
neerleggen, dat gij ongetwijfeld het spel moet winnen.
„Vraag mij alstublieft niet, welke redenen ik heb, maar laat het u
voldoende zijn, dat ik bereid ben mijn krachten te geven om deze
geheimzinnige misdaad aan het licht te brengen.”
„Ik zal u vertrouwen, Lord Randolph, hoewel door uw woorden het
tegendeel het geval moest zijn. Maar gij geeft mij door uw handelwijze
het bewijs, dat gij werkelijk bezig zijt, mij te helpen.”
„Zeer zeker”, antwoordde Raffles, „ik ben altijd een vijand van
schurkenstreken geweest en het is niet de eerste, die ik, in plaats van
de politie, ontmasker— —”
Notaris Barrison stelde zich in telefonische gemeenschap met Mr. Lewin
en deze beloofde, hem op te bellen, zoodra Lord Turkington bij hem zou
komen.
Ook was hij bereid, zijn collega in de gelegenheid te stellen, om in
een zijvertrek getuige te kunnen zijn van de ambtelijke verhandeling.
Twee uur verliepen, voordat de advocaat door de telefoon berichtte, dat
Lord Turkington in zijn spreekkamer wachtte.
Dadelijk begaven Raffles en notaris Barrison zich op weg en een half
uurtje later bevonden zij zich in een kleine kamer in de woning van
notaris Lewin, door een portière van de studeerkamer gescheiden en waar
zij elk woord, dat gesproken werd, konden verstaan.
Toen zij achter het zware gordijn stonden, kwam Lord Turkington bij den
notaris binnen. Nadat de begroeting had plaats gevonden, stelde Lord
Turkington den heer, die hem vergezelde, voor als mr. Lodewijk Bonn.
„Waarmede kan ik u van dienst zijn, heeren?”
„Ik ben van plan,” zoo begon Lord Turkington, „mij met Evelin Bonn,
wier vader deze heer is, eerstdaags te verloven en wil aan die dame,
ingeval van mijn overlijden, mijn geheele vermogen nalaten.”
„Bezit gij andere erfgenamen?” vroeg de advocaat.
„Neen,” antwoordde Lord Turkington, „ik ben de laatste afstammeling
mijner familie, zooals gij misschien weet, en heb niemand
verantwoording te doen van mijn vermogen. Ook kan niemand aanspraak
maken op de erfenis.”
„Goed,” sprak notaris Lewin, „dan zal ik het document opstellen. Wees
zoo goed op dit blad papier den naam en de woning van uw aanstaande te
schrijven, opdat ik het nauwkeurig kan invullen.”
Een paar minuten lang werd alleen het krassen van de pen van den
notaris vernomen.
Daarop werd het stil.
Notaris Lewin kuchte en sprak:
„Ik zal nu zoo vrij zijn, u het document voor te lezen. Gij kunt het
later van uw handteekening voorzien.”
Hij kuchte weer en las:
„Hierdoor verklaar ik, ondergeteekende, dat het mijn ernstige en
heilige wil is, aan mijn verloofde, Miss Evelin Bonn, wonende te
Londen, Regent Park—”
„Halt!” viel de oude Bonn hier in de rede, „ik ben zoo vrij om op te
merken, dat mijn dochter tot op heden nog niet de verloofde is van
dezen heer.”
„Een slimme vos,” fluisterde Raffles in Barrisons oor.
„Zeer juist,” antwoordde notaris Lewin, „ik zal de zinsnede
veranderen.”
Weer schreef hij eenige oogenblikken, daarop las hij opnieuw:
„Hierdoor verklaar ik, ondergeteekende, dat ik aan Miss Evelin Bonn,
wonende te Londen, Regent Park, met welke jongedame ik van plan ben,
mij binnen eenigen tijd te verloven, mijn geheele vermogen, dat ik aan
roerende en onroerende goederen bezit, ingeval van mijn overlijden
vermaak.
„Dit verklaar ik in tegenwoordigheid van notaris Hugo Lewin,
Broadstreet—eigenhandig onderteekend en gezegeld.
„Ik verzoek u dit van uw handteekening te willen voorzien, Lord
Turkington.”
Weer hoorden notaris Barrison en Raffles het krassen der pen in Lord
Turkington’s hand, toen was aan de ambtelijke formaliteit voldaan.
„Zoudt gij zoo goed willen zijn,” sprak Lord Turkington nu, „nog heden
een afschrift van deze wilsbeschikking aan Miss Evelin Bonn te zenden?”
„Natuurlijk, uw lordschap,” antwoordde de notaris.
„Precies zooals bij Lord van Heresford,” fluisterde Barrison.
Lord Turkington en Mr. Bonn namen afscheid en Barrison met Raffles
begaven zich in het vertrek waar Mr. Lewin zich bevond.
Toen zij dezen begroetten, was het alsof hij plotseling schrikte en met
scherpen blik keek hij Lord Lister aan.
Raffles merkte dit wel op, maar kon er de oorzaak niet van vermoeden,
daar hij den heer Lewin niet kende.
Deze scheen trouwens reeds weer gerustgesteld te zijn, misschien was
het slechts een oppervlakkige gelijkenis, die hem een oogenblik had
getroffen. Eenige jaren geleden had hij namelijk in een gezelschap Lord
Lister, den grooten onbekende, ontmoet. Hieraan dacht hij nu.
„Mag ik nu weten,” vroeg hij den heeren, „waarom gij de ambtelijke
verhandeling als getuigen in de zijkamer hebt bijgewoond?”
„Daarover kan ik u op het oogenblik niet voldoende inlichten; ik hoop
dat echter binnen een paar weken te kunnen doen,” antwoordde notaris
Barrison.
Kort daarop gingen beide heeren heen, nadat zij den notaris hadden
bedankt en begaven zich naar een restaurant in Broadstreet.
„Het is vreemd,” sprak notaris Barrison, toen zij aan een der kleine
gedekte tafeltjes hadden plaatsgenomen , „de behandeling der zaak bij
notaris Lewin en bij mij is precies dezelfde.
„Maar ik heb nog niet het flauwste vermoeden, of het verdere verloop
van de zaak evenzoo zal zijn, als bij den dood van den graaf van
Heresford het geval was.”
„Precies zoo,” antwoordde Raffles op beslisten toon.
„Ik veronderstel, dat gij meer weet dan ik, Lord Randolph?”
„Dat kan wel zijn,” antwoordde deze, „wanneer uw tijd het veroorlooft,
zou ik u willen verzoeken, met mij mee naar mijne woning te gaan. Daar
zal ik u een verklaring geven omtrent den dood van graaf van
Heresford.”
Notaris Barrison pakte ontroerd den arm van Raffles en vroeg:
„Meent gij dat werkelijk?”
„Zeker. Ga mee naar mijn huis.”
Zij maakten een einde aan hun maaltijd, namen een auto en reden naar de
woning van den grooten onbekende.
Ondanks de opgewondenheid, die zich van Barrison had meester gemaakt,
kon hij toch niet nalaten de pracht en weelderige inrichting der villa
te bewonderen.
Eindelijk traden zij de studeerkamer binnen.
Alles lag daar nog precies zooals den vorigen avond.
Midden op de schrijftafel lag de doode foxterriër en niet ver van hem
af lagen het blauwe couvert en het velletje papier van Miss Evelin
Bonn.
Raffles bracht den notaris naderbij en wees met de hand naar het
cadaver.
„Deze arme hond stierf denzelfden dood als de graaf van Heresford.”
Notaris Barrison keek met wijd opengespalkte, verschrikte oogen naar
den dooden hond en antwoordde:
„Ik begrijp u niet, wat heeft deze fox met mijn overleden cliënt te
maken?”
De groote onbekende nam het blauwe couvert op en hield het den notaris
voor.
„Weet gij, wat ik hier heb, notaris Barrison?”
„Een blauw linnen couvert.”
„Ja, dat is waar,” sprak Lord Lister, „maar een linnen couvert, dat uw
ongelukkige cliënt eenige oogenblikken voor zijn dood met zijn lippen
bevochtigde, het sloot en aan zijn bediende gaf, opdat deze het aan
Miss Evelin Bonn zou bezorgen.”
„Hoe zijt gij in het bezit ervan gekomen?”
„Ik heb het gestolen.”
„Gestolen?”
„Ja, gestolen van de schrijftafel van Miss Evelin Bonn.”
„Maar dit is immers strafbaar!”
„Ik pleeg bij voorkeur ongeoorloofde handelingen, die ertoe kunnen
dienen om schurken voor hun misdaden te straffen.
„Weet gij, bij wien gij u op het oogenblik bevindt?”
Notaris Barrison werd door de eigenaardige vraag en door de geheele
omgeving plotseling eenigszins angstig.
„Ik denk, bij uw Lordschap”.
„Ja, zeker”, antwoordde Raffles, „een Lord ben ik, een absoluut echte,
Engelsche Lord, maar ik maak geen gebruik van mijn titel.
„Ik ben een koning geworden, een koning op een troon, dien ik mijzelf
heb veroverd”.
Notaris Barrison twijfelde plotseling aan het verstand van Lord
Randolph.
„Wat voor een koning?”
„Schrik niet”, lachte Raffles, „ik ben een koning der misdadigers”.
„Wat?”
„Maak u niet ongerust, notaris Barrison”, lachte Raffles, „om met u te
kunnen werken is het noodig, dat ik u vertel, wie ik ben.
„Zoodra ik u mijn naam heb medegedeeld, zult gij weten, met wien gij te
maken hebt, en dan zult gij er niet aan denken om voor mij te vluchten:
„Ik ben Raffles!”
Notaris Barrison dacht, dat alles donker om hem heen werd. Hij durfde
nauwelijks adem te halen.
Dit was Raffles? Raffles, de groote onbekende, die reeds jaren lang
door de gezamenlijke politie der geheele wereld werd gezocht, vooral
door de Londensche en die door zijn ongehoorde, meesterlijke daden de
vrees der rijken en der geheime misdadigers was? John C. Raffles, die
door de armen der groote steden, door de ongelukkigen en misdeelden als
een heilige werd gezegend?
„Maar neem toch plaats”, verzocht Lord Lister, „en neem een sigaar. Ik
zie, dat het hooren van mijn naam uwe zenuwen heeft aangegrepen”.
„Dat is waar”, antwoordde notaris Barrison, „ik wil u wel bekennen, dat
dit meer indruk op mij heeft gemaakt, dan wanneer de overleden graaf
van Heresford plotseling in levenden lijve vóór mij had gestaan.
Aarzelend nam hij in de hem aangeboden fauteuil plaats en Raffles ging
tegenover hem zitten.
„Dit zijn dezelfde sigaren”, sprak Raffles, „die de Koning van Engeland
uit Havana laat komen. Behalve zijn persoon kan alleen ik dit merk
rooken. Koningen hebben hunne eigenaardigheden”.
Notaris Barrison bediende zich, en de geur van de wonderlijk fijne
tabak kalmeerde hem.
Hij bedacht nu ook, dat Lord Lister een volmaakt gentleman was, die,
ondanks zijn meesterstreken, nog nimmer een gemeene misdaad had
gepleegd.
„Uit vriendschap voor Lord Richard Turkington”, zoo begon Raffles, „om
hem van het verderf te redden, heb ik mij de zaak aangetrokken; en nu
reeds heb ik resultaat.”
Notaris Barrison klopte de asch van zijn sigaar en antwoordde:
„Nu gij mij hebt verteld, wie gij zijt, twijfel ik er geen oogenblik
meer aan, of gij zult de geheimzinnige misdaad aan het licht brengen”.
John Raffles stond op en greep weer het blauwe couvert.
„Kijk eens nauwkeurig naar dezen omslag en zeg mij, of gij er iets
bijzonders aan ziet”.
De notaris nam het blauwe papier in de hand en bekeek het aandachtig.
Maar hoe scherp hij ook toekeek, hij zag er niets aan.
Schouderophalend gaf hij het terug en antwoordde:
„Ik kan er niets bijzonders aan ontdekken”.
„Dat geloof ik gaarne”, antwoordde Lord Lister, „en toch is dit couvert
het middel tot een ontzettende misdaad”.
Weer keek notaris Barrison vol angst en vrees naar het lichtblauwe
couvert
„In dit stuk papier woont de blauwe dood!”
„Wat?”
„Den blauwen dood noem ik het, sir. Het heeft voldoende kracht om mij
en u en nog een kwart dozijn op dezelfde wijze naar de eeuwigheid te
sturen als den graaf van Heresford en den kleinen foxterriër”.
„Uw antwoord klinkt vreeselijk. Ik kan er niets aan ontdekken”.
„Ik zal het u verklaren:
„Om het couvert te sluiten, moet men den gomrand aan de achterzijde
bevochtigen”.
„Dat is waar”, knikte notaris Barrison.
„De gomstrook van dit couvert, of liever de gomoplossing, die den rand
bedekt, is vermengd met blauwzuur. Zoodra het speeksel van een levend
wezen dien rand aanraakt, wordt het blauwzuur opgelost, en de
ongelukkige sterft binnen een paar minuten”.
De advocaat keek verstijfd van schrik om zich heen.
Hij durfde nauwelijks ademhalen.
„Dat is de vreeselijkste misdaad, waarvan ik ooit gehoord heb”,
mompelde hij eindelijk. „Mijn God, kunt gij u niet vergissen?”
„Helaas neen”, antwoordde Raffles, „om mij te overtuigen heb ik den
foxterriër als slachtoffer gekozen. Gij ziet de uitwerking van de
proef, het arme dier is dood.”
De advocaat haalde zwaar adem.
Het koude zweet stond hem op het voorhoofd.
„Laten wij direct naar de politie gaan”, stelde hij voor.
Een spotachtig lachje van Raffles verbaasde hem.
„No, Sir, die weg zou verkeerd zijn. De politie zou ons niet kunnen
helpen. Miss Evelin Bonn, van wie ik dit couvert heb gestolen, zou
ontkennen, dat zij de gomoplossing met blauwzuur had vermengd. Dat zou
ik toch ook gedaan kunnen hebben?”
„Gij hebt gelijk”, knikte de notaris.
„In de tweede plaats kan ik ook niet persoonlijk naar den
politie-inspecteur Baxter in Scotland Yard gaan, om daar mijn
bevindingen van deze geheimzinnige misdaad mee te deelen en
tegelijkertijd te zeggen:
„Uit dankbaarheid voor de opheldering ben ik zoo vrij, mij persoonlijk
aan u over te leveren. Mijn naam is Lord Lister, de Groote Onbekende.”
„Gij hebt gelijk”, antwoordde Barrison, „maar wat moet er dan
gebeuren?”
„Ik heb mijn plan reeds ontworpen; zoudt gij in het belang van de
opheldering van de misdaad een paar dagen met mij als mijn gast naar
Parijs willen gaan?”
„Zeer zeker.”
„All right, notaris! Dan zullen wij morgen met de avondboot vertrekken.
Doch tevens verzoek ik u, mij het adres van een notaris te geven, dien
gij kent en dien ik morgenmiddag om drie uur kan bezoeken. Blijf dan,
evenals bij Mr. Lewin, ook bij dezen notaris in een zijvertrek.”
„Hebt gij misschien ook de bedoeling om uw vermogen aan Miss Evelin
Bonn te vermaken?”
„Ik niet en toch ook weer wel. Ik zal het u morgen vertellen. Welken
notaris beveelt gij mij aan?”
„Notaris Byer, dat is een goed vriend van mij en hij woont slechts twee
huizen van mijn kantoor verwijderd.”
„In orde! Ik zal precies drie uur bij notaris Byer zijn en verzoek u
mij direct, nadat ik mijn aangelegenheid heb afgedaan, te verwachten.”
Het duizelde notaris Barrison, toen hij Raffles verliet. Het was meer
dan hem in zijn dertigjarige practijk was overkomen.
Denzelfden avond bevond zich Lord Turkington als gast bij Miss Evelin
Bonn, en toen hij diep in den nacht naar huis ging, voelde hij zich de
gelukkigste aller stervelingen.
Hij hoorde niet, dat Miss Evelin Bonn tot haar vader zei:
„Voordat wij met hem hebben afgedaan, wil ik mij met Mr. Veith
bezighouden. Zooals Mr. Veith mij vertelde, is hij van plan naar Parijs
te gaan. Daar zal zijn dood niet opvallen.”
„En wat denk je met Lord Turkington te doen?”
„Zijn vrouw te worden! Mocht hij mij in den loop der tijden gaan
vervelen, dan—” Zij maakte een veelbeteekenende handbeweging. „Gij
begrijpt mij immers?
„Het is mij meer waard om een Engelsche Lady te worden, dan de
eenvoudige Evelin Bonn te blijven.
„Ik hoop door Lord Turkington aan het Hof te worden voorgesteld. Mijn
carrière kan zoodoende schitterend worden.”