DE AFRIKAANSCHE MILLIONNAIR.

Het was ongeveer tien uur in den morgen, toen het kamermeisje van Miss

Evelin Bonn een kostbaar bloemstuk en een doos in de slaapkamer harer

meesteres bracht, terwijl zij deze tevens een brief overhandigde. Miss

Bonn opende het schrijven en las:

„Dear Lady!

Eerst gisteren ben ik uit mijn Zuid-Afrikaansche mijnen te Londen

aangekomen en ik las in de couranten, dat ook gij te Londen

vertoeft. Ik ben betooverd door uw portret en ben daarom zoo vrij,

mijzelf bij u te introduceeren. Hierbij zend ik u een diamanten

collier, dat is samengesteld uit steenen, die in mijn eigen mijnen

zijn gevonden. Ik zal zoo vrij zijn, u hedenmiddag tegen één uur

persoonlijk te bezoeken.

Met de meeste hoogachting,

Uw onderdanige dienaar,

JAMES VEITH.”

Haastig opende Miss Bonn het fluweelen etui en een prachtig diamanten

collier vonkelde haar tegen.

Begeerig schitterden haar oogen en een zegevierend lachje vloog over

haar gelaat.

Zij belde haar kamermeisje en toen deze verscheen, sprak zij:

„Ik moet dadelijk mijn vader spreken.”

Eenige oogenblikken later bevond de oude Bonn zich in de kamer zijner

dochter.

„Duivel!” riep hij, toen hij de schitterende, vonkelende steenen reeds

bij de deur ontdekte, „wat heb jij daar voor een kostbaar ding? Heeft

Lord Turkington dat gezonden?”

Een minachtend: „Pah!” was het antwoord.

„Lord Turkington heeft het nog niet noodig gevonden, om mij, behalve

bloemen, iets van waarde te schenken”.

De oude bekeek de steenen met een kennersblik.

„Dat is een vorstelijk cadeau. Wie is de gever?”

„Lees den brief!”

De oude bukte zich en raapte den brief op, die op het kleed voor het

bed was gevallen.

Langzaam las hij en sprak:

„Ik feliciteer je. Dat is de beste vangst, die je had kunnen doen. Deze

Veith is een van rijkste eigenaren van diamantmijnen in Zuid-Afrika.

„Hij is rijker dan een half dozijn Engelsche Lords te zamen”.

„Wij moeten Lord Turkington gauw onschadelijk maken”, sprak miss Bonn.

„Hij zal een omgang tusschen mij en den Afrikaanschen millionnair niet

toestaan”.

„Wij moeten voorzichtig zijn”, antwoordde de oude, „en nog wachten. Het

zou de opmerkzaamheid der politie kunnen trekken, als zoo kort na den

dood van den graaf van Heresford, die je tot universeel erfgename heeft

benoemd, weer een Engelsche Lord, nadat hij jou zijn vermogen heeft

vermaakt, aan hartverlamming sterft.

„Ik geloof, dat je beter deed, Lord Turkington eenvoudig te laten

schieten om je met den Afrikaanschen millionnair, die veel meer waard

is, bezig te houden”.

„Waarom?” vroeg miss Bonn lachend. „Twee vliegen in één klap is beter

dan één.

„Laat het maar aan mij over, de zaak te regelen. Zeg vóór alles tegen

den portier, dat ik voor Lord Turkington, als hij vandaag mocht komen,

niet te spreken ben”.

De oude verdween om het bevel zijner dochter uit te voeren.

Tegen één uur des middags bleef een prachtige auto voor de villa staan.

Er stapte een heer uit, die de villa binnenging.

Vol nieuwsgierigheid wierpen de portier en de bediende een blik op het

kaartje, dat de vreemdeling hun in de hall had gegeven en zij lazen:

James Veith, Kaapstad.

Mr. Veith behoefde slechts een paar minuten te wachten, voordat hij

door een bediende naar het boudoir van miss Evelin Bonn werd geleid.

De diva voelde haar hart luider kloppen, toen zij het door de

Afrikaansche zon gebruinde gelaat van den vreemdeling zag, dat omgeven

werd door een langen, zwarten baard.

Het was een bijzonder mooi man.

Na eenige minuten waren zij reeds zoo vertrouwelijk met elkaar, alsof

zij elkaar reeds jarenlang kenden.

Miss Bonn noodigde haar gast uit om bij haar te lunchen en terwijl zij

samen in de weelderig ingerichte eetkamer zaten, trad een bediende

binnen, die miss Bonn een kaartje overhandigde van Lord Turkington, die

in de hall wachtte.

„Het spijt mij”, sprak zij tot den bediende, „zeg den Lord, dat ik hem

niet kan ontvangen”.

De bediende boog en antwoordde:

„Wij hebben dit den Lord reeds medegedeeld, maar zijn Lordschap dringt

erop aan, te worden toegelaten.”

Mr. Veith zag hoe een diepe rimpel van misnoegen zich tusschen de

wenkbrauwen der schoone miss Bonn groefde.

„Zeg tegen mijnheer, dat ik niet te spreken ben”.

De bediende boog weer en verliet de eetkamer.

Miss Bonn sprak tot haar nieuwen vriend:

„Het is een vurige aanbidder van mij, misschien kent gij hem: Lord

Richard Turkington”.

Mr. Veith dacht eenige oogenblikken na.

„Ik herinner mij, den naam wel eens gehoord te hebben. Eenvoudige

Engelsche adel.”

„Zijn zij vermogend?”

„Voor zoover ik heb gehoord, neen; Lord Turkington moet op vrij

bescheiden voet leven”.

Miss Bonn lachte.

Het was een glashelder, koket lachje.

„Dan begrijp ik niet, wat de Lord van mij wil. Hij moet liever een

eenvoudig opgevoede en spaarzame vrouw nemen. Vooral deze laatste

eigenschap bezit ik volstrekt niet. Ik zou mij diep ongelukkig voelen,

als ik moest rekenen”.

„Een mooie vrouw mag niet rekenen”, antwoordde mr. Veith op hoffelijken

toon. „In het geheel geen zorgen hebben. Zorgen bederven de schoonheid.

Wanneer ik het geluk had, een mooie vrouw te bezitten, dan zou ik al

haar wenschen letterlijk voorkomen”.

Miss Bonn antwoordde met een betooverend lachje.

Uit haar oogen straalde een verleidelijke glans en zij zag, hoe mr.

Veith onder haar blikken als een schooljongen bloosde.

„Ik moet morgen helaas”, zoo vervolgde mr. Veith, „voor eenige weken

naar Parijs vertrekken. Ik hoop, dat gij mij na mijn terugkomst op

dezelfde vriendschappelijke wijze zult ontvangen als nu.

„Het allerliefst zou ik u, hoe kort ik u ook eerst ken, voor altijd bij

mij behouden. Ik ben ongehuwd en geloof stellig, dat mijn vermogen mij

toestaat, een schoone vrouw de mijne te noemen”.

Zuchtend en met een koketten blik antwoordde miss Bonn:

„Gij zijt de eerste man, die indruk op mij maakt”.

„Werkelijk?” vroeg de mijnkoning, op haar toetredend.

Zij antwoordde met een betooverend glimlachje en keek hem met

veelbelovenden blik aan.

Er ontstond een pauze, en plotseling sloeg mr. Veith zijn armen vast om

haar heen.

Willoos liet zij zich door hem kussen.

Zij bemerkten beide niet, dat de oude mr. Bonn de kamer was

binnengekomen. Hij gaf blijk van zijn tegenwoordigheid door te kuchen.

De Afrikaan wist niet, dat de oude achter een gordijn het geheele

gesprek had afgeluisterd.

„Pardon”, sprak mr. Veith, terwijl hij den ouden man met een blik vol

ergernis aanzag.

„Mijn vader”, zoo stelde miss Bonn hem met een lieftallig lachje aan

haar bezoeker voor.

Dadelijk verdween de ergerlijke uitdrukking op het gelaat van mr.

Veith. Hij stak mr. Bonn zijn hand toe en als vrienden drukten zij

elkaar de hand.

„Deze heer heeft mij zooeven een huwelijksvoorstel gedaan, papa”.

De oude man zette een verbaasd gezicht en schudde het hoofd.

Daarop sprak hij tot mr. Veith:

„Het spijt mij, u mijn toestemming niet te kunnen geven, mr. Veith. Gij

kent mijn dochter niet en eveneens zijt gij voor Evelin een onbekende.

Ik heb ervoor te waken, dat met het geluk van mijn kind niet roekeloos

wordt omgesprongen”.

De bezoeker richtte zich vol trots op.

„Ik hoop, dat gij mijn naam kent”, antwoordde hij op hoogmoedigen toon,

„mijn naam waarborgt voor dergelijke onderstellingen als de uwe. Ik ben

bereid om uwe dochter, die op mij een betooverenden indruk heeft

gemaakt, te trouwen en haar als een koningin te behandelen”.

„Ik ben een man van zaken”, antwoordde de oude man, „en beschouw het

huwelijk van de practische zijde. Voordat ik mijn dochter, die nog niet

meerderjarig is, aan een man toevertrouw, zou deze persoon mij

voldoende waarborgen moeten verstrekken, dat het mijn dochter, zelfs

ingeval van zijn overlijden, nimmer aan iets zou ontbreken”.

„Ik verzeker u”, sprak mr. Veith, „dat ik mijn geheele vermogen aan uw

dochter wil nalaten, wanneer ik daardoor haar hand zou verwerven?”

„Dat is mannelijk gesproken”, glimlachte de oude, „wanneer gij deze

belofte nakomt, dan kunt gij met uw notaris overleggen, wanneer wij een

dergelijk contract zullen opmaken. Ik zal blij zijn, als ik mijn

dochter, die aan alle kanten door aanbidders wordt lastig gevallen,

goed getrouwd weet”.

Na eenige oogenblikken stilzwijgen sprak mr. Veith:

„Ik moet helaas morgen voor eenige weken naar Parijs. Het zou een

groote geruststelling voor mij zijn, wanneer ik daarheen kon gaan als

de aanstaande van uw dochter. Wanneer het u dus aangenaam is, dan

kunnen wij nog vandaag in den loop van den middag het door u gewenschte

practische gedeelte van de zaak in orde brengen. Ik zal dan zoo vrij

zijn, u tegen vier uur met mijn auto af te halen”.

De oude boog toestemmend.

Daarop sprak Miss Evelin:

„Ik vind het afschuwelijk, dat de heeren in mijn tegenwoordigheid over

zaken spreken.”

Mr. Veith verontschuldigde zich:

„Ik vraag u vergiffenis, maar ik ben er mijnheer uw vader dankbaar

voor, dat hij de gelegenheid gaf, een regeling te treffen, die mij tot

den gelukkigsten aller menschen maakt.”

Een half uur later verliet Mr. Veith als gelukkig bruidegom het huis,

terwijl Miss Evelin Bonn een vreugdedans uitvoerde over de schitterende

vangst.

Lord Lister No. 0032: De blauwe dood · 第 16 / 27 题