Bij inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard werd den volgenden
morgen een bekend Londensch advocaat en notaris, de heer Barrison,
aangediend.
Toen de beide heeren tegenover elkaar zaten, sprak de advocaat:
„Ik kom in een uiterst kiesche aangelegenheid bij u. Ik ben jarenlang
de notaris geweest van den graaf van Heresford.”
„Ah!” riep inspecteur Baxter uit, „dat is dezelfde, over wiens
plotselingen dood ik in de courant heb gelezen.”
Notaris Barrison kuchte.
„Mijn cliënt is plotseling gestorven. Gistermiddag. En dat is de
oorzaak van mijn komst bij u.”
Inspecteur Baxter luisterde met gespannen aandacht.
„Vreest gij een misdaad, notaris?”
Zijn bezoeker haalde de schouders op.
„Ik sprak met den dokter, en hij verzekerde mij, dat de graaf van
Heresford aan hartverlamming was gestorven. Maar luister eens— —”
Hij zweeg eenige oogenblikken alvorens verder te gaan.
„Twee dagen geleden kwam de graaf van Heresford op mijn kantoor en
maakte daar zijn testament. Daarin benoemde hij zijn verloofde Miss
Evelin Bonn, wonende te Londen aan het Regentpark, tot universeele
erfgename.
„Ik moest dadelijk een afschrift van het testament gereedmaken en dat
uit zijn naam aan Miss Evelin Bonn zenden. Dat was, zooals gezegd,
eergisteren.
„Gisteren, dus een dag later, stierf de graaf.”
Baxter trommelde nerveus met zijn vingers op de stoelleuning en wist
niet, wat hij uit dat verhaal zou opmaken.
De notaris bemerkte, dat de inspecteur van politie blijkbaar niet
begreep, wat hij van hem verlangde.
Hij vervolgde daarom:
„Vindt ook gij het verband tusschen het testament en den daarop
volgenden dood van den erflater, laat ons zeggen zeer vreemd?”
„Zeer zeker,” antwoordde de chef van Scotland Yard, „die zaak klinkt
ontegenzeggelijk heel vreemd.
„Maar zooals gij zelf zegt, de dokter stelde immers als doodsoorzaak
een hartverlamming vast. Hoe kunt gij dan een misdaad vermoeden?”
„Daarom kom ik bij u!”
Inspecteur Baxter glimlachte gevleid, terwijl zijn secretaris Marholm,
die schijnbaar in een dikken bundel acten verdiept was, zachtjes lachte
en mompelde:
„Maar mijn waarde heer! Dan zijt gij aan het verkeerde adres! Breng ons
den moordenaar, dan zullen wij hem vasthouden, maar meen niet, dat wij
in staat zijn om iemand, dien wij niet hebben, te vangen.”
„Zooals gezegd,” antwoordde inspecteur Baxter, „ik vind geen oorzaak om
aan misdaad te denken.
„Zooals ik in de couranten las, was, toen de graaf stierf, een bekende
van hem, een zekere Lord Randolph bij hem.”
„Dat wekt juist mijn argwaan op,” riep notaris Barrison, „wie is deze
Lord Randolph, ik ken dien naam niet.
„Zou het niet mogelijk kunnen zijn, dat de man om de een of andere
reden een misdaad op den graaf heeft gepleegd?”
De oogen van den politie-inspecteur begonnen hoe langer hoe meer te
schitteren.
„Dat zou kunnen,” sprak hij, „het zou waarschijnlijk zijn, wanneer niet
de dokter, zooals gij mij reeds hebt verteld, hartverlamming als
oorzaak van den dood had vastgesteld.”
„Er bestaan allerlei soorten van vergift, die een hartverlamming kunnen
veroorzaken.”
Inspecteur Baxter schudde bedenkelijk het hoofd,
„Dat geef ik gaarne toe, maar dan zou, in elk geval Lord Randolph er
belang bij moeten hebben om den graaf van Heresford te vermoorden.”
„Waarschijnlijk is Lord Randolph de minnaar van Miss Evelin Bonn.”
Inspecteur Baxter sprong op.
„Een gewaagde gevolgtrekking!” riep hij uit.
„Het zou de moeite waard zijn om werk van de zaak te maken. Kunt gij
mij misschien nadere bijzonderheden omtrent Lord Randolph mededeelen?”
„Ik weet alleen,” antwoordde notaris Barrison, „dat Lord Randolph lid
is van onze voornaamste clubs en een intiem vriend van Lord Richard
Turkington.”
Inspecteur Baxter dacht een poosje na en drukte daarna op een
electrische bel.
Detective Weber trad bijna op hetzelfde oogenblik binnen.
Hij was sinds eenige jaren in dienst der Engelsche geheime politie en
kwam uit Duitschland, waar hij tooneelspeler was geweest. Juist door
zijn vroeger beroep was hij uitstekend geschikt om detective te zijn.
Het viel hem gemakkelijk, van allerlei vermommingen gebruik te maken,
zoodat hij volkomen onkenbaar was.
„Ik heb een opdracht voor u,” sprak inspecteur Baxter. „Ik wensch zoo
spoedig mogelijk te weten, of een zekere Lord Randolph ten huize van
Miss Evelin Bonn verkeert.”
Hij wendde zich tot den notaris en vervolgde:
„Gij wilt wel zoo goed zijn, mijn beambte het adres der dame te geven.”
Notaris Barrison haalde een visitekaartje te voorschijn en schreef het
gewenschte op.
Detective Weber nam het kaartje in ontvangst en ging heen.
Notaris Barrison stond op.
„Gij zult mij bericht zenden,” sprak hij, „zoodra gij iets bijzonders
hebt vernomen.”
„Onmiddellijk!” antwoordde Baxter.
De heeren namen afscheid van elkaar.
Reeds twee uur later kwam detective Weber terug om zijn nieuws mede te
deelen.
„Miss Evelin Bonn,” zoo vertelde hij, „is de bekroonde schoonheid van
de „Times” en van beroep tooneelspeelster.
„Zij bewoont een weelderige villa aan het Regentpark samen met haar
vader, een man van zestig jaar.
„Zij zijn ongeveer drie maanden in Engeland. Vroeger moeten zij in
Parijs gewoond hebben.
„De graaf van Heresford en Lord Turkington verkeerden als intieme
vrienden in het huis van Miss Evelin Bonn. Ook vertelde de bediende,
wiens vertrouwen ik heb gewonnen, mij, dat Miss Evelin Bonn zich
spoedig zou verloven. Lord Randolph is pas eenmaal in haar huis
geweest.”
„Dus hij komt daar niet als intiem vriend, zooals notaris Barrison
zegt?”
„No, Sir. Maar hij is de vertrouwde vriend van Lord Turkington.”
„Het is goed,” antwoordde inspecteur Baxter. „Ik zal mij dadelijk met
notaris Barrison in verbinding stellen en diens meening hooren— —”
Een uur later bevond notaris Barrison zich weer op het hoofdbureau van
politie.
Toen hij de mededeelingen van den detective had gehoord, sprak hij:
„Daar hebben wij het! Ik heb mij niet vergist. Al is Lord Randolph ook
niet de intieme vriend van Miss Bonn, zooals ik veronderstelde, hij
converseert toch met Lord Turkington. Dan zal Lord Turkington zijn
vriend tot de daad hebben overgehaald.”
„Wat ben jij een slimmerd!” dacht detective Marholm.
„Maar neem mij niet kwalijk,” antwoordde inspecteur Baxter, „Lord
Turkington behoort tot de aanzienlijkste families van Engeland. Gelooft
gij werkelijk, dat hij, om zijn verloofde het nagelaten fortuin van den
graaf van Heresford te bezorgen, een misdaad op zijn geweten zou
laden?”
„Neen,” antwoordde notaris Barrison, „niet om het geld, maar misschien
om de persoon van Miss Evelin Bonn.
„Gij hebt, geloof ik, vergeten, heer inspecteur, dat mijn cliënt het
testament maakte ten voordeele van zijn verloofde. Lord Turkington had
ongetwijfeld achter het net gevischt bij zijn aanzoek om de hand van
Miss Evelin Bonn.”
„Gij zoudt gelijk kunnen hebben,” knikte de inspecteur na een oogenblik
nagedacht te hebben, „als het niet een lid van een onzer voornaamste
adellijke families betrof.”
„De liefde is een voornamer factor bij groote misdaden dan de
hebzucht.”
Op dit oogenblik trad een detective binnen en meldde:
„Detective Weber heeft mij verteld, dat gij, chef, u met het geval
bezighoudt. Ik zag zoo even in de middageditie van de „Times” het
volgende interessante bericht:
„Naar wij uit betrouwbare bron vernemen zijn aan het overlijden van den
graaf van Heresford bijzondere omstandigheden verbonden.
„Op het oogenblik, waarin hij zoo plotseling door den dood werd
verrast, bevond zich de secondant van Lord Turkington bij den graaf, om
dezen een uitdaging tot een duel over te brengen.
„De oorzaak tot dit tweegevecht is de vrouw, die door ons blad wegens
haar schoonheid werd bekroond, Miss Evelin Bonn.
„Het duel is door den dood van den graaf onmogelijk gemaakt.
„Lord Turkington zal nu als gelukkig medeminnaar eerstdaags de
Londensche gezelschapswereld verrassen met het bericht van zijn
verloving met Miss Evelin Bonn.”
De detective had het bericht langzaam en duidelijk voorgelezen.
De notaris en de inspecteur van politie keken elkaar zwijgend aan,
eindelijk sprak de laatste:
„Gelooft gij na het hooren van dit bericht nog aan een misdaad van Lord
Turkington tegen den graaf van Heresford?”
„Neen,” sprak notaris Barrison, „iemand, die een ander uitdaagt, is
niet tot een lage misdaad in staat, maar toch kan ik de gedachte niet
van mij afzetten, dat er een misdaad is gepleegd jegens den graaf van
Heresford.”
Inspecteur Baxter werd zenuwachtig.
„Ik begrijp u niet,” sprak hij op mismoedigen toon, „ik houd een
misdaad voor buitengesloten. Alle personen, die volgens uwe meening met
misdadige bedoelingen met den graaf van Heresford in betrekking kunnen
hebben gestaan, blijken nu buiten eenige verdenking te moeten blijven.
„Het spijt mij, maar ik kan mijn tijd niet langer aan u opofferen.”
Notaris Barrison begreep den wenk en nam afscheid.
Op denzelfden tijd zat Raffles tegenover Lord Turkington en vertelde,
volgens afspraak, den inhoud van zijn onderhoud met den vader van Miss
Evelin Bonn.
Stralend bij de gedachte aan het groote geluk, dat hem deelachtig zou
worden, sprak hij:
„De vader wenscht, dat ik, voordat wij onze verloving publiek maken,
mijn geheele vermogen bij notariëele acte aan zijn dochter zal
vermaken.”
„En gij hebt u daartoe bereid verklaard?”
„Natuurlijk, ouwe vriend, waarom zou ik mijn geheele vermogen niet aan
mijn aanstaande vrouw willen vermaken? Dat is immers niet meer dan
recht en billijk!”
„Ongetwijfeld,” antwoordde Raffles, „en wanneer zal dat geschieden?”
„Ik verlang ernaar, Miss Evelin Bonn als mijn verloofde aan de wereld
te kunnen voorstellen en zal daarom reeds morgen mijn testament bij een
notaris opmaken.”
„Hebt gij de middageditie van de „Times” gelezen, Lord Turkington?”
„Neen, ik had geen tijd, ik had door het bezoek aan mijn verloofde geen
gelegenheid om de courant te lezen.
„Ik stel er ook geen belang in. Betreft het mijn persoon?”
„Ja,” antwoordde Raffles, „en wel het duel met den graaf van
Heresford.”
De Lord balde zijn vuist en sloeg daarmee op tafel.
„Vervloekte courantenpraatjes, die journalisten bemoeien zich met elke
particuliere zaak, al hebben ze er niets mee te maken!
„Wat gaat hun mijn zaken met den graaf van Heresford aan of mijn
verhouding tot Miss Evelin Bonn? Ik zou graag een rijzweep nemen en de
menschen, die dergelijke dingen in de couranten publiceeren, mee om de
ooren slaan.
„De duivel moge hen halen!”
„Wees niet zoo opgewonden, Lord Turkington,” trachtte Raffles hem te
kalmeeren, „de pers is de koningin der aarde! Er zouden veel meer
ongelukken en misdaden in de wereld geschieden, wanneer de pers niet
geruststellend, ophelderend of afschrikwekkend werkte.
„En nu, zie ik u vanavond nog in de club?”
„Het spijt mij, ik heb beloofd, den avond bij mijn aanstaande door te
brengen. Wij zullen elkaar in de komende dagen zeer zelden ontmoeten.”
Lord Turkington merkte het fijne glimlachje niet op, dat op Raffles’
gelaat verscheen.
Hij gaf Lord Turkington een hand en sprak:
„Ik hoop, dat gij toch tijd zult vinden, om af en toe een enkel woordje
met mij te babbelen.”
Hierop namen zij afscheid van elkaar.