Het had verschillende maanden geduurd, voordat John Raffles onder de
zorgvuldige behandeling van Charly Brand van zijn laatste avontuur in
Indië was hersteld.
Wonderschoone herfstdagen hadden zij, ver van de menschen, in het
kleine Schotsche badplaatsje doorgebracht.
Opnieuw versterkt naar lichaam en geest keerde Lord Lister naar Londen
terug, waar hij een huis betrok aan de Trinity Square, dat hij had
gehuurd onder den naam Lord Randolph.
Zij bevonden zich sinds twee dagen in Londen en zaten gezellig aan hun
ontbijt, toen de secretaris zijn vriend een courant gaf met de woorden:
„Dat is inderdaad de mooiste vrouw, die ik ooit heb gezien.”
John Raffles keek vluchtig naar het portret, dat in de courant werd
gepubliceerd en een droevige glimlach vertoonde zich op zijn gelaat.
„De mooiste vrouw, mijn beste Charly, is voor iedereen die, welke hij
bemint.”
„Je hebt gelijk,” antwoordde zijn vriend en op dit oogenblik bedacht
hij, dat hij een nauwelijks genezen wonde in het hart van den Lord
pijnlijk had aangeraakt.
John Raffles verzonk in stil nadenken en Charly Brand zag aan hem, dat
zijn gedachten ver van Londen waren. Daarom deed hij al zijn best om
zijn vriend niet te storen en verdiepte zich weer in de courant.
Hij begon het artikel te lezen, dat nadere bijzonderheden omtrent de
mooie vrouw behelsde.
Het betrof een wedstrijd, georganiseerd door de Londensche „Times”, wie
wel de schoonste vrouw in Engeland was. De jury had aan het origineel
van het portret den eersten prijs van duizend pond sterling toegekend.
Plotseling keek John Raffles zijn vriend aan en vroeg terwijl hij een
cigarette opstak:
„Hoe heet de dame?”
„Miss Evelin Bonn, een tooneelspeelster. Waarom vraag je dat?”
„Ik moet haar ergens gezien hebben. Geef mij de courant nog eens.”
De secretaris voldeed aan zijn verzoek en Raffles keek eenige minuten
onderzoekend naar het portret.
„Een eigenaardig gezicht,” sprak hij, „het verraadt geen gunstig
karakter. De wenkbrauwen zijn merkwaardig recht geteekend, de
neuswortel iets te dun, de kin te gevuld. Het is het portret van een
oplichtster of van een nog gevaarlijker persoon.
„Ik begrijp niet, hoe de jury den eersten prijs heeft kunnen toekennen
aan een dergelijk persoontje. Men moest liever op het karakter letten
dan op uiterlijkheden.”
Hij stond op en maakte zich gereed om uit te gaan.
„Mag ik je vergezellen?” vroeg Charly Brand.
„Lord Turkington verwacht mij, om met mij een pas door hem gekochte
nieuwe auto te probeeren. Ik weet niet, of je hem welkom zult zijn.”— —
Een uur later bevond John Raffles zich bij zijn nieuwen vriend, Lord
Turkington, met wien hij zeer intiem was geworden door het avontuur in
Indië. [1]
Nauwelijks had de Lord hem begroet, of deze toonde hem reeds in de
courant het portret van Miss Evelin Bonn.
„Dat is de mooiste vrouw,” riep Lord Turkington, „die ik ooit heb
gezien. Ik zou dolgraag kennis met haar willen maken.”
„Een gevaarlijk vuur, waaraan gij u zoudt kunnen branden,” antwoordde
Raffles, „voor zulk een vrouw geraakt men niet in vervoering. Die
bekijkt men zooals men een mooi costuum of een briljant beziet.
„Dergelijke vrouwen kunnen den man, dien zij in haar netten vangen, het
leven kosten en ik vind, dat het leven van elken man, zelfs dat van den
eenvoudigsten werkman, meer waarde heeft dan dat van een vrouw, die
door het toeval met groote schoonheid is bedeeld.”
„Kom, kom,” antwoordde Lord Turkington, „gij schijnt, sinds gij in
Indië zijt geweest, een vrouwenhater te zijn geworden.”
„Geenszins,” sprak Lord Lister met een smartelijken trek om den mond,
„ik acht en vereer elke vrouw, die een goed karakter heeft. Maar ik
veracht degenen, die, alleen omdat zij een schoon uiterlijk hebben,
denken, dat de mannen geschapen zijn om schatten voor haar te
verdienen, opdat haar schoonheid in een geschikte omlijsting geplaatst
kan worden.
„Dergelijke schepsels zijn nutteloos in de wereld. Even nutteloos als
een schoone maar giftige bloem.”
„Zijt gij een vijand van elke schoonheid? Het schoone heeft ook een
doel.”
„Zeker,” antwoordde Raffles, „maar niet de schoonheid van den vorm, wel
de innerlijke schoonheid.
„Ik blijf bij mijn meening, Lord Turkington. En daarom waarschuw ik u
als oudere vriend. Blijf deze schoone vrouw ver uit den weg, want gij
zoudt anders uw ondergang tegemoet gaan.”
„Het is merkwaardig,” sprak Lord Turkington, „reeds een uur lang, sinds
ik het portret in de courant heb gezien, zie ik het beeld van deze
vrouw onophoudelijk voor oogen. Ik heb reeds een brief geschreven aan
het adres van Miss Evelin Bonn, dat in de courant vermeld stond, waarin
ik haar vroeg, wanneer mijn bezoek haar aangenaam zou zijn.”
Raffles stak een cigarette aan en staarde de blauwe rookwolkjes na,
terwijl hij sprak:
„Het is ten slotte ook eigenlijk hetzelfde, op welke wijze men zich
voorbereidt op de eeuwigheid. De eene doet het door spel, de andere
door alcohol, een derde door de vrouw, weer anderen door zorgen en
arbeid. Het slot is toch altijd hetzelfde. Wij moeten maar bedenken,
dat er op een goeden dag een eind aan komt.
„Het voornaamste voor een mensch is, dat hij op zoo weinig mogelijk
onbeschreven bladen in zijn levensboek heeft terug te zien.”
Lord Turkington lachte:
„Sinds gij uit Indië zijt teruggekeerd, zijt gij een philosoof
geworden.”
„Op het oogenblik stel ik het allermeeste belang in uw nieuwe auto,”
antwoordde Raffles, het gesprek afbrekend.
„Ja”, knikte Lord Turkington, „ik zou bijna het doel van uw bezoek
vergeten. Kom, laat ons de auto eens gaan probeeren.”