Drie jaar later.
Meester Cornelis Jan Udoma was geen onbekende in ’t kleine land
tusschen Dollard en Schelde. Hij had er veel vijanden, ook onder de
menschen, die hij nooit gezien had, veel vrienden ook. »O die Udoma!”
zeiden de deftige nullen in de Witte Sociëteit in den Haag, als zijn
naam genoemd werd, en trokken de schouders op; en ze bedoelden: de naam
is genoeg, om alles te zeggen, een »halve gare,” een »dweper,” een
»fantast!” »Kees Udoma!,” zei menig werkman, en er blonk een licht in
zijn oogen, dat duidelijk sprak: »O, die’ ken ik, en goed ook, da’s
nog’s ’n kerel!” En de man was trotsch hem te kennen. Zijn naam werd
hemelhoog verheven, en in ’t slijk gesleurd; zijn portret stond in de
»Eigen Haard” met vleiend bijschrift, »Asmodee” schreef zijn naam in
muzieknoten »Ut-do-mi, Ut-do-ma” en zong er een hersenloos liedje bij,
dat zelfs te Amsterdam een kortstondige populariteit onder de
straatjongens kreeg. Kortom, de jonge Udoma was de man van dien naam in
’t land, en zelfs daar buiten. Wie hoorde, behalve te Delmond, ooit van
een ander lid dier familie? Zelfs te Delmond zou weldra de andere
vertegenwoordiger van ’t geslacht vergeten zijn; want Udoma Senior was
overleden. Een beroerte had hem getroffen, toen eindelijk zijn
visschebloed aan ’t koken was geraakt, den eersten en den laatsten keer
van zijn leven. ’t Was geweest op den dag, toen men hem—van welken kant
wist een andere »men” niet—het nummer van de Asmodee zond, waarin zijn
naam, zijn geëerde, oerdeftige naam, in een liedje was gezet. Hij zat
juist te dineeren met Heeroom, op een Zondag, »onder” een goed glas
wijn. De brave priester had nauwelijks den tijd gehad, om hem het
sacrament der stervenden toe te dienen, zóo plotseling was de man in
elkaar gezakt, met hoogrood gezicht, juist nadat hij de armen over de
borst gekruist had. Waarom had de huisknecht dat noodlottige vod ook
tusschen ’t laatste gerecht en het dessert binnengebracht? Hij kon ’t
niet helpen, de arme kerel: »hij wist niet as dat ’t zoo ies goddeloos
was nie,” en sloeg een kruis, verbluft, verplet over zooveel
»astrantigheid.”
Dat was al ruim een jaar geleden op den avond, dat Cornelis Udoma »de
eenige” zijn triomf zou vieren.
Op dien avond van 29 September 189 . zou er iets gebeuren, dat menig
werkmanshart in de residentiestad met vreugde vervulde: de inwijding
van ’t Volkshuis naar de denkbeelden van Kees Udoma.
’t Was zijn droom verwezenlijkt: een stichting eenig in zijn soort,
grootsch in haar gansche inrichting, een monument van daadwerkelijke
menschenliefde.
’t Was niet ’t eenige monument van Udoma’s streven: er waren er
ettelijke, onzichtbare, in de harten der menschen. Dit was ’t eenige,
dat tastbare gedaante had aangenomen; dit was de belichaming van een
denkbeeld, ’t zichtbaar geworden voorbeeld.
’t Volkshuis was een samenstel van gebouwen van kolossale afmetingen,
staande op een open plek gronds in den onmiddellijken omtrek van den
Haag. ’t Doel: den man uit het volk met zijn gezin een aantrekkelijk
oord te bieden, dat weldadig zou werken op zijn gansche wezen. In ’t
hoofdgebouw, in ’t midden, was een reeks van ruime zalen bestemd voor
tooneelvoorstellingen, concerten, voordrachten, verder voor bibliotheek
en leesinrichting. In den rechter vleugel was een eet- en verblijfhuis;
in den linker vleugel bevond zich een badhuis met zweminrichting en
gymnastie-zaal. Achter het gebouw strekte zich een groote tuin uit, met
breede veranda, zomerhuisjes en allerlei speeltoestellen voor kinderen.
In ’t midden van den tuin stond een sierlijke muziektent. ’t Geheel
maakte een fraaien degelijken indruk, en van binnen was op gelukkige
wijze gestreefd naar frischheid, ruimte, licht en eenvoudige
sierlijkheid: niets gestichtachtigs was te bespeuren. Vroolijke kleuren
en lijnen stemden den binnentredende aangenaam.
Aan ’t hoofd der leiding stond een echtpaar, dat de stichter volkomen
berekend achtte voor die moeilijke taak, namelijk de Heer en Mevrouw
Steenkamp. ’t Waren nu Cornelis’ beste vrienden.
Onder hen was een waar legertje van opzichters en bedienden, zoowel
mannelijke als vrouwelijke, werkzaam: allen met zorg en voorzichtigheid
gekozen. Ze droegen een net kostuum, en hadden allen hun vaste taak.
De couranten wisten te vertellen, dat Mr. Udoma er zijn gansche fortuin
in gestoken had. Zoo erg was ’t niet. Niettemin had de heele stichting
hem zeker een paar ton gouds gekost, en zou het onderhoud met de
tractementen van ’t personeel en zoo voorts jaarlijks ettelijke
duizenden bedragen. Doch wat deerde ’t den jongen filantroop? Zijn
inkomen, ook na dien grooten hap in zijn kapitaal, bleef ruim genoeg,
en menigeen onder de menschen van zijn stand en fortuin gaven jaarlijks
minstens evenveel uit aan vrouwen, paarden en wijn of dure partijen. En
die hadden zeker heel wat minder voldoening van hun geld dan hij van ’t
zijne. Hij smaakte die ten volle door ’t streelend besef van wel te
doen. Zijn stichting zou de zeden onder de volksklasse verheffen: men
zou er smaak krijgen voor ’t meer veredelde genot, dat naast het gewone
alledaagsche van spijs, drank en spel, daar in ’t Volkshuis werd
geboden, en allengs dronkenschap en ruwheid gaan mijden. O, wat zou ’t
hart hem popelen van reine vreugde, wanneer hij daar—liefst onbekend,
als dat mogelijk was,—kon rondwandelen tusschen al de vroolijke
gezichten dier mannen, vrouwen en kinderen op een feestavond als de nu
komende; en kon denken aan al de weldadig werkende onschuldige
genoegens, die zijn stichting aan honderden van medemenschen nog zou
kunnen verschaffen. Verschaf vreugde van de goede soort, en gij maakt
de menschen vatbaarder voor volmaking: dat was de stelregel, waarvan
Cornelis was uitgegaan. Hoe dikwijls had hij reeds kunnen waarnemen,
dat, waar de vreugde ontbreekt, ’t beschavingswerk moet falen! En
telkens wanneer hij, op straat wandelend, werklieden met ontevreden
gezicht en lusteloos hangend hoofd van of naar hun werk zag gaan, kwam
dezelfde gedachte bij hem op: hoe vreugdeloos is hun bestaan! hoe
kunnen zulke mannen ooit een hoogzedelijke opvatting van ’t leven
hebben?! Hoe kan een plant welig tieren in een vertrek waar geen zon
zich vertoont?
Deugd—geen negatieve, maar positieve, strevende, werkende deugd is
immers levenslust. En er is immers een groote mate van
opgewektheid—kracht—noodig om de voortdurend neertrekkende werking
onzer natuur—de inertie van ’t dierlijke, om maar eens zoo te zeggen—te
overwinnen. De beschaafde en bemiddelde weet den weg tot die
opgewektheid: hij kan hem vinden als hij wil, al zoekt hij hem vaak
niet! De weinig beschaafde, de barbaar of de berooide kent dien weg
niet of kan er niet heen. Leer hem dien vinden, of breng hem erheen, d.
i. maak de geoorloofde zuivere genoegens dezer wereld voor hem
toegankelijk, en ge zult zijn hart vatbaar gemaakt hebben voor al ’t
hoogere.
Geef vreugde, geef vreugde! klonk door de ziel van den jongen
socioloog, telkens wanneer hij den blik om zich heen sloeg, en ’t
zwoegen, ’t zuchten en klagen op zooveel gezichten geteekend zag. O,
wat zou dat onderwijzeresje met haar geelbleek gezichtje en de
invermoeide oogen, dat hij dagelijks naar school zag stappen, beter
wezen als leidster der jeugd, minder kregelig en onaangenaam zijn, als
er meer vreugde in haar leven was!
En die fabrieksmenschen—te Leiden en elders—lusteloosheid in persoon,
die soldaten, die handwerkslieden, die tramconducteurs, die kellners en
al die tot eentonig zwoegen gedoemden—hoe luttel was hun vreugde! Velen
kenden haar niet, »de reine godenvonk”, zooals Schiller haar noemt;
want wat ze ervoor aanzagen was zoo vaak een glimworm, die fopte, of
een dwaallicht, dat misleidde en ten verderf voerde.
Zou een landman gaan zaaien op een uitgeput land? Zou hij ’t niet eerst
braak laten liggen, ’t zich laten baden in vocht en lucht en
zonneschijn, voordat hij ’t geschikt achtte om ’t edele koorn tot
wasdom te brengen? En zou dan de afgejakkerde, de hongerige onvoldane
mensch vatbaar wezen voor leering, vruchtbaar zijn voor ’t zaad der
beschaving? O, hij zou ’t willen toeroepen aan al die onbegrepen en
onbegrijpelijke menschenvrienden, die maar steeds deze eenvoudige
waarheid niet inzien: »Geef de goede vreugden van lagere orde, en bouw
dan daarop die van hoogere orde, de eerste zijn de heipalen, waarop het
mooie gebouw der laatste rusten moet!”
’t Was half zeven. Cornelis Udoma had met de familie Steenkamp—man,
vrouw en dochtertje—zijn maaltijd gehouden in het eethuis der
stichting. Op hun uitdrukkelijk verlangen had men geen bizondere
spijzen bereid: ’t gewone degelijke en eenvoudige voedsel, dat er
voortaan tegen zeer lage prijzen verkrijgbaar zou wezen, had ook hun
menu uitgemaakt. Ze hadden zich op de hoogte willen stellen van de
bereidingswijze en den smaak: zoo bood hun tafel dien middag een heel
wat vreemde verscheidenheid van stevige en eenvoudige spijzen. Ieder
der drie beoordeelaars had een verschillende soep, de een at pannekoek,
de ander uien en aardappelen, de derde grutten en zoo voort. Vleesch en
wijn ontbraken, evenals alle andere geestrijke dranken. Visch en eieren
voorzagen in de behoefte aan eiwithoudende spijzen; want van overdreven
vegetarisme had de stichter niet willen weten. Onder de dranken namen
melk, koffie en thee een eereplaats in; terwijl ook cacao niet ontbrak.
Nog nooit had de jonge man smakelijker of gezelliger getafeld dan toen.
Hij was hoogst voldaan, zelfs had hij vroolijk gelachen en luchtige
scherts doen klinken, iets wat hem in langen tijd niet zoo gemakkelijk
af was gegaan.
»Komaan, dat is een echt Lucullus-maal geweest, Mevrouw!” riep hij
lachend tot Mevrouw Steenkamp, toen een kopje koffie ’t maal besloot.
»Lucullus mocht willen, dat hij ooit zooveel voldoening van een maal
had,” antwoordde zij.
»Jammer, dat-i dood is,” zei haar man.
»Zeker, voor ons ook. Ik zou ’m anders eens uitnoodigen tot een
erwtensoepfuif met dezelfde soep als die ik genoten heb. Hè, als-i dat
kon hooren, zou ’t hem zeker spijten, dat-i dood is!”
»Vrouwtje, vrouwtje, wat sla je door! Heb je dan niets geen eerbied
voor een dooie keizer?”
»Voor zoo’n lekkerbek, zoo’n smulman?”
»Smulman... hij had de verdienste van de menschen te leeren, dat... ze
niet te veel moesten eten,” zei Steenkamp lachend.
»Negatieve verdienste!” riep Udoma. »Die van zoovelen, nie’ waar?
Zooveel zoogenaamd deugdzame menschen kunnen er zich alleen op
beroemen, dat ze allerlei leelijke dingen niet gedaan hebben, Maar
welke mooie dingen ze dan wel gedaan hebben, is moeilijk na te gaan...”
Er kwam een wolk op Udoma’s voorhoofd. Hij dacht aan den misstap van
zijn leven; ’t spook, dat zijn rust belaagde, vertoonde zich. Tegenover
dat éene leelijke stond toch reeds zooveel goeds!
Steenkamp zag de verandering in zijn vriends gelaat, en haastte zich
zijn gedachten af te leiden:
»Ik geef me gewonnen! Maar over mooie dingen gesproken, deze zaal mag
eronder gerekend worden.” En hij sloeg den blik om zich heen.
De zaal tot eetzaal bestemd bood ruimte voor twee lange rijen nette
tafeltjes, waaraan twee personen konden plaats nemen, elk der rijen
langs den wand geschaard, zoodat in ’t midden een breede doorloop
overbleef. In ’t geheel konden er zeker honderd menschen aanzitten.
Voor gezelschapjes konden er twee of drie tafeltjes aaneengeschoven
worden. Op elk tafeltje prijkte dien avond een frisch ruikertje, lief
uitkomend tegen ’t helderwit der tafellakens. Hier en daar, in de
hoeken en in ’t midden der zaal, stonden sierplanten; de vloer was
belegd met linoleum van een helder patroon, de wanden, verdeeld in
vakken, vertoonden vroolijke schilderingen van bloemen en vogels op ’t
overigens effen grijze behang, terwijl achterin een ruim, ja kolossaal
buffet met blinkend koper en fonkelend glaswerk den blik aangenaam
aandeed. Aan de zoldering, eveneens licht-grijs, hing in ’t midden een
electrische booglamp, die overal haar stemmig blank licht uitstortte.
’t Geheel bood een gezelligen recht aantrekkelijken aanblik. De
inrichting wilde een huiselijken indruk maken, en dat deed ze ten
volle. ’s Winters zou geen leelijke monsterkachel de harmonie van lijn
en kleur verstoren: het heele gebouw werd met ondergrondsche buizen
verwarmd.
Udoma, de ontwerper in beginsel, had in den architect een trouw
uitvoerder zijner denkbeelden gevonden. Hij was tevreden, en genoot van
de voldoening, die ook Steenkamp, zijn onvermoeide helper en raadsman,
smaakte.
»Ja,” zei hij opgetogen op zijn vriends opmerking, en weer geheel
vervuld van alles wat dien dag tot stand was gekomen, »er is niets aan
te doen, we moeten ons zelf maar geluk wenschen. ’t Ziet er
alleraardigst uit, ’t moet me van ’t hart. En nu de rekening.
Aannemen!”
De andere leden van ’t kleine gezelschap keken lachend naar ’t
tooneeltje: ’t net gekleede bediendetje—een kereltje van achttien jaar
ongeveer, zooals bijna allen waren—kwam met een verwonderd gezicht
toesnellen.
»De rekening asjeblieft,” zei Udoma quasi ernstig.
De jongen zag, dat »meneer ’t meende,” haalde potlood en papier voor
den dag, en reikte na een oogenblik cijferens een rekeningetje met
gedrukt hoofd en namen van spijzen en dranken over.
»Ziezoo, dat is voor twaalf gerechten en drie kopjes koffie te zamen ƒ
1.825, tegen uniformprijzen, van 15, 10 en 7 cent. Goedkoop gedineerd,
wat zeggen jullie? Hier jongeling.” Het kelnertje nam ’t geld aan en
keek heel verbaasd.
»Hoû jij dat nu maar voor jou, hoor.” ’t Was een rijksdaalder, en de
jongen was verrukt.
»Bedien nu maar iedereen goed van avond,” ging Udoma voort, »even
attent als je ’t ons gedaan hebt, en zoo voortaan altijd. Als jij en je
kameraden”—er waren er tien in ’t geheel, behalve een hoofdbediende—»je
best doet, zal ’t van mijn kant niet aan »aanmoediging” ontbreken. Je
vat me, nie’ waar?”
»Zeker, meneer,” zei de jongen vol vuur, en ging verlegen groetend
heen.
»U verwent de menschen al dadelijk, Mijnheer Udoma,” merkte Mevrouw
Steenkamp gekscherend op, toen de kellner weg was.
»Mijn systeem, Mevrouw... Nee, zonder gekheid: die jongen is een
gunsteling. Ik ken hem al een paar jaar. Ik heb hem al die’ tijd als
klerkje bij me gehad. ’t Is een handig, betrouwbaar en schrander
kereltje.”
»En zoo van klerk kellner geworden?” vroeg Mevrouw Steenkamp.
»Mevrouw, weer mijn systeem. Kellner hier wil niet zeggen, dat hij jaar
in jaar uit hetzelfde zal blijven doen. ’t Personeel kan hier promotie
maken. Dat hangt van eigen lust en ijver af.”
»Zoo, dus de hoogere baantjes zijn ook open voor hem?”
»Zeer zeker, bij voorbeeld kan deze jongen ’t brengen tot buffetchef of
hoofdbediende; hoofdbediende ook in de andere afdeelingen; hij kan
opzichter worden voor de orde. En dan kan hij een baantje aan de
leesinrichting krijgen.”
»U maakt natuurlijk geen winst bij zulke lage prijzen? Me dunkt die
prijzen zullen wel overal zoo laag zijn. Ik bedoel: ook voor logies en
voor de boden en zoo.”
»Ja zeker, alles. Maar we maken toch winst, dat wil zeggen er is winst,
al is die niet voor uw man of voor mij.”
»?”
»O, die is voor ’t personeel, en wordt over allen omgeslagen. Ze
weten—dat heb ik hun allen ingeprent bij indienstneming—dat hun
behandeling van ’t publiek, hun flinkheid, ijver en vriendelijkheid bij
de vervulling van hun plichten, de inrichting aantrekkelijker zal
maken, en zoo in verband staat met hun eigenbelang. Fooien zijn
natuurlijk streng verboden, behalve als ik ze geef. Op voorstel van uw
man geef ik van tijd tot tijd »ijveropwekkertjes” aan die lui onder ’t
personeel, die ’t verdienen. Coöperatie, zooals u ziet.”
»Maar, waarom heft u toegangsgelden en contributie, als ik vragen mag?”
»Wel, Mevrouw, dat is toch nogal eenvoudig. We willen niet
Jan-en-alleman toelaten. Ieder die lid wil worden meldt zich aan, en
krijgt een kaart voor een jaar tegen een minimum contributie—ƒ
1.—Verder wordt voor geïntroduceerden ƒ 0.10 per persoon betaald. Dat
is natuurlijk alleen, om de menschen te doen begrijpen, dat men hun
geen aalmoes-achtige liefdadigheid aanbiedt. En ’t idee »ik ben lid,”
ziet u, is ook niet verwerpelijk. Zoo’n menneke vindt dat veel aardiger
dan te denken »ik mag er komen.” ’t Is ook een soort waarborg, dat niet
de eerste de beste schooier in de stichting komt.”
»’t Toezicht op de menschen, die lid willen worden en ook die ’t al
zijn, zal dan wel lastig wezen.”
»Dat is zoo, Mevrouw, maar uw man heeft flink personeel onder zich. En
we hebben een jong geneeskundige, een arts, die op zekere uren van den
dag beschikbaar is. Die houdt toezicht op de hygiëne en zoo.”
»En de groote sommen, die dat alles kosten moet, zijn prachtig
besteed!” riep Steenkamp met geestdrift uit. Hij had het gesprek met
welgevallen gevolgd. »Wat ’n rente van de mooiste soort brengen ze je
op, Udoma.”
»Rente aan zelfvoldoening,” viel zijn vrouw in met een oprecht
bewonderenden blik op Udoma.
Deze glimlachte.
»En aan aangename werkzaamheid, Mevrouw, aangenamer dan
pro-deo-pleidooitjes van jonge advokaten,” zeide hij. »Alleen ’t
boekerijtje en de keuze van de tijdschriften geeft me al genotvolle
bezigheid. Alles in overleg met uw man: geen beter raadsman mogelijk.”
»Behalve in kunstaangelegenheden,” antwoordde Steenkamp bescheiden.
»Zoo’n smaak als jij... nu ja, daar zijn we ’t over eens.”
Al pratende, voornamelijk over ’t Huis, wandelde het gezelschapje uit
de eetzaal naar de ruime voorhal, die rechts in verbinding stond met
het middengebouw. ’t Was zeven uur. De tooneelvoorstelling was tegen
acht uur aangekondigd, en half acht zouden de gebouwen voor ’t publiek
geopend worden. Tal van werklieden en andere menschen uit den kleinen
burgerstand hadden zich in de voorafgaande week als leden laten
inschrijven, en men verwachtte dien avond zeker ’t zelfde aantal of
meer nieuwsgierigen, die eens kennis kwamen maken. Aanplakbiljetten
overal in den Haag, advertenties in de bladen, en zelfs artikelen aan
de zaak gewijd, hadden groote bekendheid aan Udoma’s stichting gegeven.
Een groot aantal uitnoodigingen was aan autoriteiten, mannen en vrouwen
van naam en invloed op allerlei gebied afgezonden. De pers zou evenmin
ontbreken. De edele stichter wenschte de grootst mogelijke bekendheid
voor zijn Volkshuis; hoe ook zijn bescheidenheid er door gekwetst werd,
zag hij in, dat het voorbeeld eerst dan machtig werken kan, als velen
’t zien kunnen. Hoe meer ’t Volkshuis bekend werd, in heel zijn
inrichting en wezen, des te meer was er kans op navolging in andere
steden.
Er waren goedgezinde rijken genoeg, redeneerde Udoma; ’t eenige was,
dat ze vaak wakker geschud moesten worden uit hun weeldedommel...
»We hebben nog een half uur,” merkte Steenkamp op, en keek op zijn
horloge, terwijl het viertal langzaam de groote ruimte vóor de tooneel-
en voordrachtzaal doorwandelde. »Straks kunnen we nog eens een kijkje
in de eetzaal gaan nemen, en achter, in de tuin. De menschen zullen
daar wel hier en daar te vinden zijn bezig de inwendige mensch te
streelen. Wat dunkt je, als we’s de bibliotheek opnamen? De
badinrichting gaat morgen open, en daar is niets te zien.”
»Goed.” En ’t gezelschapje wandelde verder. ’t Kind—een meisje van zes
jaar—vlaste op ’t vuurwerk, dat om half tien zou afgestoken worden.
»Zeker, zeker,” zei Mevrouw Steenkamp »we gaan allemaal kijken.” En ze
babbelde verder met de kleine, een echt moedertje bij al haar jeugd en
frissche eenvoudige aantrekkelijkheid. ’t Was een klein bewegelijk
vrouwtje, met levendige kijkertjes, blond en eenigszins gezet; maar
niet onbevallig.
De voorhal baadde in ’t electrische licht, dat alles duidelijk en
scherp omlijnd deed uitkomen. Een oogenblik werd halt gehouden vóor de
beeldengroep in ’t midden. ’t Was niets zinnebeeldigs in den gewonen
zin van ’t woord, en toch stemde de voorstelling tot goede gedachten.
Men moest haast meelachen met den stoeren werkman, die bij een tafel
gezeten zijn zoontje op zijn knie laat rijden, terwijl zijn vrouw
rustig en met tevreden uitdrukking ’t tooneeltje van den anderen kant
der tafel aanziet. Op de tafel staan eenige borden, schotels en glazen:
’t gezin heeft blijkbaar juist gegeten.
»Een leuke groep!” riep Mevrouw Steenkamp, »en nogal niet diep om er de
bedoeling van te vatten.”
»Nee, waarlijk niet”, antwoordde Udoma lachend. »Maar dat hoeft dan ook
niet, vindt u wel? Dit zegt duidelijk: »Wij hier zijn gezond, tevreden
en gelukkig. Zoo iets is toch wel aardig, om naar te streven.” Wat wil
u meer? Gelooft u niet, dat zoo’n voorstelling meer pakt dan allerlei
symboliek? En gelooft u ook niet, dat dit een eenvoudig mensch
aangenamer stemt?”
»U heeft gelijk. Ik zou lust hebben met die luitjes een praatje te gaan
maken. Maar...” Ze hield plotseling op, en bekeek het beeld der vrouw
in de groep. »Da’s vrouw Tellegens!” riep ze plotseling. »Heeft u die
ervoor laten zitten? Wel, dat vind ik aardig.”
Steenkamp en Udoma lachten hartelijk. Daarop zeî de eerste:
»Die man is ’t conterfeitsel van Baas Tellegens. Kijk maar ’s goed.”
»Belooft veel, die Van Ierseke. Dat is de beeldhouwer. ’t Is een jong
ventje, dat ik toevallig ontdekt heb. Hij had zich nog nooit aan zoo
iets groots gewaagd. Nu, ik hoû ’t er voor, als dit werk van hem bekend
wordt, is zijn naam gemaakt...”
»En zal hij evenals zoovelen zijn geluk aan jou danken”, zei Steenkamp
hartelijk. »Evenals wij...”
Udoma antwoordde niet. Zijn hart juichte.
Daar stonden alle vier in de tooneelzaal. Hier konden gemakkelijk
vijfhonderd toeschouwers plaats vinden. Er waren geen rangen; alleen
waren de afdeelinkjes in de omloopende galerijen voor de gezinnen
bestemd, terwijl de anderen op den naar achteren oploopenden vloer
stoelen konden krijgen. Ook hier was alles frisch, vroolijk, ruim en
eenvoudig sierlijk. ’t Dak was verschuifbaar, en kon ’s zomers bij goed
weder gedeeltelijk opengezet worden, zooals dat in Londensche
zomertheaters geschiedt. Ook hier deed de gansche inrichting het oog
aangenaam aan. Het anders te witte licht der groote electrische
hanglamp was getemperd tot een zachten goudgloed, zooals bij goed
gaslicht.
Pratend stond het groepje even te kijken. Hun stemmen klonken hol in de
groote ruimte. Straks zou die zwijgende zaal honderden schakeeringen
van stemgeluid doen weerklinken; een roezemoezige bonte menigte in zich
opnemen, en plotseling van sluimerend verlangen overgaan tot
klaarwakker leven.
Men wandelde verder naar de leeszaal. Udoma merkte op:
»Van ’t tooneel en alles wat hier in de zaal gegeven wordt hoeft men
geen lid te zijn. Iedereen kan hier tegen een klein entrée komen. Dat
geldt ook voor ’t eethuis. Voor al ’t overige moet men lid zijn. Alleen
gaan leden vóor bij de verdeeling van plaatsen...”
Aangezien de overige inrichtingen reeds in den namiddag bezocht waren,
was er voor Mevrouw Steenkamp niets nieuws meer te zien. De bad- en
zweminrichting had haar bizonder veel belangstelling ingeboezemd: de
spreuk boven den ingang in kolossale letters aangebracht—Zindelijkheid,
moeder van veel deugden, was van haar afkomstig. Wat had zij vaak in
haar gesprekken met vrouwen uit het volk op de waarheid daarvan
gewezen!
Udoma had een klein vertrekje in ’t z.g. verblijfhuis voor zich laten
inrichten, terwijl de familie Steenkamp de heele bovenverdieping van
den linkervleugel bewoonde. Men scheidde voor een poos: Udoma gaf voor,
eerst tegen negen uur gelegenheid te hebben zich bij de Steenkamps aan
te sluiten. ’t Was zijn plan, zich als werkman op zijn Zondagsch te
kleeden, zijn gezicht wat te grimeeren, en dan zich onder de
menschenmassa te mengen. Hij spitste zich op aardige verrassingen.
Toen hij na een half uur vrijwel onkenbaar beneden kwam, was de
tooneelzaal reeds gedeeltelijk gevuld. Hier en daar oogen en ooren
inspannend, ving hij allerlei opmerkingen en uitroepen op, en had hij
menig interessant gesprek. Hij had de voldoening, dat niemand hem
herkende, en genoot van zijn onschuldig bedrog.
»Dat doet-i allemaal om vooruit te komen, zie je: alleen maar om naam
te maken en dan later houdt-i ons allemaal voor de gek, om z’n eigen
rijk te maken op onze kosten. Och kom! Ik ken die »sosijalen” wel...”
De spreker was een waanwijs kleermakersbediendetje met puntsnorretje,
in een zwart pakje, met vuurrood dasje en witgaren handschoenen. Hij
stond te oreeren tot een drietal handwerkslieden, die half geloovig,
half spotachtig stonden te luisteren.
»Nou,” zei de jonge menschenvriend zich in ’t gesprek mengend, »dat ben
ìk niet met je eens, als ik ’t zoo maar’s zeggen mag. Ik heb gehoord,
dat-i ’t om de centen niet hoeft te doen: hij is schatrijk. En om hier
dit heele spulletje gaande te houden, moet-i alle jaren een hoop geld
uitgeven. Hij houdt van de werklui, zie je. Hij heeft er een boel
vooruitgeholpen.”
»Dat heb ik ook gehoord,” zei een der handwerkslieden.
»En dan zeg ik maar,” ging Udoma voort, »als je geen lid wil worden, of
goedkooper terecht kan, ben je immers vrij om te gaan waar je wil.”
»Ga bij »Ries” eten of een komediestuk zien in de opera!” zei een ander
der werklieden spottend. De twee overigen lachten, en ’t kleermakertje
droop af.
»Zeg,” riep Udoma hem na, en greep hem gemeenzaam bij den arm. »Zullen
we nog even samen naar ’t buffet gaan?”
»Hè?”
»Nou, ik hoû je vrij. Ik ben zooveel ouder, al ben ik maar een
eenvoudige timmerman. Mijn naam is Jan Biene.”
De ander stelde zich ook voor, en nam ’t voorstel aan.
Spoedig had Udoma vernomen, dat hij »wel lid woû worden: hij woû ’s
zien wat ’t was.”
Toen ze scheidden, weer in de tooneelzaal, dacht de pseudo-timmerman:
Ik moet dat baasje in ’t oog houden. Langzamerhand zal ik zien, juist
zulke verkeerdingelichten te bekeeren. Ik zal ze wel weten uit te
vinden. Zulke lui hebben een zeker »aplomb” over zich, dat op
eenvoudige zielen licht kwaad werkt. Toch kan ik ook die elementen niet
missen: ze zijn ’t bekeeren waard meestal. De twijfelaars zijn niet
altijd de domsten...
In de tooneelzaal kwam plotseling stilte. De eerste bel had geluid.
Udoma zette zich willekeurig ergens neer: ’t was vlak aan den doorloop
in ’t midden. Zoo kon hij zijn blikken gemakkelijk door de heele zaal
laten gaan.
’t Eerste bedrijf van de drie liep ten einde. Justus van Maurik’s »’n
Bittere pil” had den gewonen bijval. Daverend applaus en stralende
gezichten overal.
Udoma keek rond, en had geen moeite zijn incognito te bewaren: ook hem
blonk de vreugde uit de oogen.
Plotseling vestigde zijn blik zich op een gezicht een tiental schreden
van hem af, nogal achteraan in de zaal, ook vlak naast den doorloop.
Zijn hart sprong op! Laura! Hun blikken ontmoetten elkaar. Ze keek een
oogenblik scherp met verwonderd gezicht. Dan vloog een glimlach over
haar gelaat, en knikte zij vriendelijk. In een oogwenk was hij zijn
incognito vergeten en bij haar.
»Jij hier, Laura!” Haar onmiddellijke buurman, een zware vrijgezel met
rood gezicht en kleine biggeoogjes, weggeknepen achter wangkwabben,
keek verwonderd op, zoover hij kijken kon achter zooveel vleesch.
’t Jonge meisje zag het, en stond op. Udoma begreep haar, en samen
wandelden ze naar ’t achtereinde der zaal. Er was geen opvallend
verschil tusschen haar en zijn kleeding; want zij was eenvoudig als
altijd, schoon niet in verpleegsterskostuum. In haar lichte bloezetje
en grijzen rok zou ieder oppervlakkig opmerker haar voor een net
naaistertje kunnen aanzien, van ’t type dat in den Haag lang geen
zeldzaamheid is.
»Ik kom, om je triomf bij te wonen, Kees,” zei Laura hartelijk.
»Zonder mij iets te zeggen!” zeî Udoma met zijn gedachten elders.
»Ik wilde je verrassen... Ik had je in zoo lang niet gezien... Sinds je
vaders dood, nie’waar?”
»Ja. Ben je in de tusschentijd nog te Delmond geweest? Hoe maakt je
Tante het?”
»O, goed, die vrouw wordt nooit oud. Altijd opgeruimd. Ik heb haar
dezen zomer nog gezien. Steeds verlangend om mij thuis te hebben. Maar
dat gaat niet... We maken ons beiden nuttig, nie’waar? Jou streven vind
ik benijdenswaardig. Och, maar ieder zijn rol: gefortuneerd kan men
meer doen, en mag men ook meer verwachten... Ik doe in mijn armoêtje
wat ik kan...”
Cornelis zweeg; hij dacht aan samenwerking: zij met haar
zelfopofferende liefde, haar kiesch beleid, haar toewijding en
hartenwinnende manieren, hij met zijn fortuin, zijn talenten en zijn
heilige voornemens...
»Aan mij ligt ’t niet, dat ’t zoo is,” zei hij eindelijk. Cornelis
sprak droomerig.
Beiden waren nu in de voorhal van ’t gebouw. Langzaam gingen ze naast
elkaar, sprekende zonder elkaar aan te zien. Er was een zekere
gedwongenheid in hun houding. Ze hadden elkaar veel te zeggen, maar
vonden de woorden niet. Ze waren daar vrijwel alleen; maar meenden, dat
ze te veel de aandacht zouden trekken, als ze te lang uit de zaal
bleven.
»Niets vernomen?” zei Laura zacht »’t Is nu drie jaar ruim, nie’waar?”
»Ja.”
Nu antwoordde zij niet.
Ze stapten zwijgend voort. Uit de zaal klonk het geroezemoes eener
groote menigte. Eenigen der toeschouwers kwamen naar buiten, drentelden
wat op en neer.
»We moeten naar binnen,” zei Laura.
»Ik ga me verkleeden, en kom straks. Ik zal je met de Steenkamps in
kennis brengen: daar ben ik mee. ’t Zijn mijn beste vrienden, zooals je
weet...”
»Goed, heel goed. Ik zal je wachten.”
Cornelis voelde zich een ander mensch. Met vlugge schreden ging hij
naar den rechtervleugel van ’t gebouw, waar zijn kamer was. Zou de
voldoening van dezen avond nog bekroond worden door gegronde hoop op
dat andere geluk? Ze hadden zoo weinig woorden, zooveel gedachten
gewisseld!
Hij was er nog vol van, toen hij eenige minuten later zich met Laura
bij de Steenkamps voegde.
’t Gesprek vlotte goed, schoon hij er zich weinig in mengde. De
voorstelling ging door. Laura scheen vol belangstelling, en Cornelis
kwelde zich met vragen en twijfelingen. Naast haar gezeten, richtte hij
den blik meer op haar dan op het tooneel. Zou zij de ware
belangstelling hebben, en ongevoelig zijn voor ’t geen er in zijn ziel
omging? Zou zij eindelijk willen toegeven, hem ontslagen achten van
zijn gewetensverbintenis?
Tusschen de twee laatste bedrijven was Laura druk aan ’t praten met
haar nieuwe kennis, Mevrouw Steenkamp. Haar oogen schitterden, en ze
sprak veel meer dan anders ooit haar gewoonte was. Cornelis betrapte
zichzelven herhaaldelijk op zelfvergeten staren in ’t lieve gelaat
naast hem, naar ’t profiel met den kleinen neus, de zware zwarte
wenkbrauwen, den kleinen mond met volle lipjes, waarboven een spoor van
dons, de pareltandjes flikkerend bij ’t radde lipbewegen, de omlijsting
van zwarte golvende lokken, glad weggestreken; iets bijbelsch oostersch
in ’t type.
Na ’t tooneelstuk kwamen twee levende beeldengroepen. Het program
vermeldde geheimzinnig den titel: »Een heer en een meneer.” ’t Eerste
was de voorstelling van een arm kind, slecht gekleed en bibberend van
koû, dat van een voorbijkomend werkman zijn duffelschen jekker krijgt,
om zich te dekken; terwijl de edelmoedige gever, niet lettend op ’t
barre winterweer, in zijn hemdsmouwen verder gaat; ’t laatste een
tooneeltje tusschen een keurig gekleed heertje, dat, ’s nachts
»lichtelijk aangedaan” thuiskomt, en een arme vrouw, die op zijn stoep
een schuilplaats heeft gezocht tegen den sneeuwstorm buiten, en op
ruwen toon weggejaagd wordt
Alles liep uitstekend van stapel. De toeschouwers gingen voldaan de
zaal uit. En algemeen was de tevredenheid, toen om half elf ’t laatste
stuk vuurwerk den avond besloot.
In den spaarzaam verlichten tuin stonden Cornelis, Laura en de
Steenkamps bij elkaar. De eerste sprak op afgetrokken wijze nu en dan
een woord. Laura behield haar levendigen toon, en Cornelis verwonderde
zich.
Bij ’t afscheid kon hij haar even alleen spreken. Zij zou bij de
Steenkamps blijven: op hun aandringen had ze haar plan, om nog dien
avond weer naar Utrecht terug te gaan, gewijzigd. Ze bleef tot den
volgenden morgen vroeg.
»Is er nu eenige hoop voor me, Laura?” stamelde Cornelis.
»Ik weet ’t niet... laat me tijd...”
»Hoe lang?”
»Ik kan ’t niet zeggen... Spreek daar in Godsnaam nu niet meer over!”
Ze stak haar hand toe.
»Hoor ik van je?” zei Cornelis de uitgestoken vingertjes grijpend. Ze
waren koud. Hij wilde haar hand een oogenblik in de zijne houden; maar
zij belette ’t hem met een zachten ruk.
Een oogenblik later stond hij alleen. Hij zag haar met de Steenkamps,
van wie hij reeds afscheid genomen had, in ’t gebouw verdwijnen.
Hij had haar nog nooit zoo zenuwachtig gezien.
O, hij zou overwinnen, eindelijk!
En licht als een veertje ging hij op weg naar zijn kamers, een tien
minuten wandelens daarvandaan. Hij had willen zingen en juichen, hij
was gelukkig als nooit te voren. Wat was ’t leven schoon, God, wat was
’t leven schoon!
Een vleiende stem riep hem uit zijn heerlijke droomen:
»Meneertje, ga je mee?” Tweemaal, driemaal.
De late wandelaar keerde zich om. De straat was leeg, een enkele
lantaarn gaf treurig licht, de hemel was dof.
Een jeugdig snuitje keek hem vol in ’t gelaat. Hij zag een flodderig
gekleed juffertje van misschien zestien jaar vóor zich.
»Wat wil je, kind?” vroeg Cornelis afgetrokken.
»Hè, toe, gaat u ’s mee?” En ze vleide zich tegen hem aan.
Een huivering voer den jongen man door de leden. Hij hield stil, en
keek haar aan, met innige deernis. Zij sloeg den blik neer, beteuterd,
blozend: ze had een anderen blik verwacht van »die nette meneer.”
»Waar wonen je ouders?” vroeg hij vriendelijk.
Ze gaf een adres ergens in een achterbuurt. Hij hoorde een klank van
hulpelooze oprechtheid in haar antwoord.
»Hier, neem dat van me aan, en geef ’t aan je moeder. Zul je ’t doen?
Stellig?”
Ze knikte.
»En dan niet meer ’s avonds de straat op, hoor.”
Ze schudde even ’t hoofd, rukkend, hartstochtelijk.
»Ik zal aan je denken... God zegen je, kind.”
En Cornelis nam zich voor haar ouders eens op te zoeken, om te zien wat
hij doen kon. Hij had zoo al menige verdoolde terechtgebracht.
’t Meisje antwoordde niet. Ze hield de twee muntbiljetten, die Cornelis
haar gegeven had in de hand, roerloos. Hij ging verder.
Toen hij een oogenblik later omkeek, stond ze nog in dezelfde houding
bij een lantaarn.
»Een donquichotterietje tot besluit van m’n avond,” mompelde de jonge
man de trap naar zijn kwartier opgaande. »Best, dat kan geen kwaad.”
Hij was in de beste stemming. Hij had immers reden te over. Hij was zoo
gelukkig!
Boven gekomen stak hij de gaslamp aan, en wierp zich in een
gemakkelijken stoel. Hij wilde zich overgeven aan de overdenkingen, die
hem bezighielden, nog een halfuurtje vóor ’t naar bed gaan wakend
droomen van Laura...
Daar viel zijn oog op een brief, blijkbaar door de hospita voor hem
boven gebracht en op tafel gelegd.
Hij herkende de hand van den schrijver niet...
’t Was een vreemde hand. Onverschillig greep hij ernaar.
Hij begon te lezen, en een kwartier later las hij nog, ofschoon de
brief slechts een halve bladzijde besloeg.
Eindelijk keek hij op, zijn wenkbrauwen gefronst, bleek als een lijk,
een ander mensch dan een poos te voren.
Starend, als verdwaasd, bleef hij zitten, ettelijke minuten. Dan greep
hij weer naar den brief op zijn schoot. Hij las er een vonnis in, het
doodvonnis van zijn nauwgeboren geluk.