Laura had sinds lang haar gewone leven van opoffering en toewijding
hervat. Haar taak bij den jongen Udoma was volbracht. Er waren bange
tijden geweest in de maanden van zijn lijden. En dankte hij veel aan de
behandeling van zijn chirurg—een specialiteit uit Utrecht—en de zorgen
van den huisarts, zeker dankte hij ’t behoud van zijn leven aan zijn
nichtje Laura. Zij was ’t geweest, die hem gered had uit den poel van
wanhoop en zelfverwijt, waarin hij telkens dreigde weg te zinken, zij
had hem opgebeurd en getroost, hem kracht—zedelijke kracht, naast de
lichamelijke—geschonken, om naar beterschap te verlangen. Ze wist hoe
levenslust meer doet dan medicijn, om genezing te bespoedigen. Hij was
eindelijk, eindelijk herrezen uit zijn lijden. ’t Had drie maanden
geduurd. Wel was hij zwak en bleek, wel was hij ernstig en stil, maar
hij had levensmoed en geestkracht genoeg, om aanvechtingen van
zwaarmoedigheid te onderdrukken. En om iets anders diep weg te bergen
in zijn hart, een gevoel waarvoor hij zich schaamde tegenover zijn
geweten. Hij mocht, hij wilde er niet aan toegeven. ’t Was even
onzinnig, even laf als ’t verlangen naar den huiselijken haard voor den
krijgsman, die ten strijde trekt voor een heilige zaak. Want, ondanks
allen tegenspoed—Clarine’s hardnekkig stilzwijgen, en ’t mislukken van
Laura’s poging om een onderhoud met haar te hebben—bleef Cornelis bij
zijn voornemen, om niet te rusten, voordat hij alles gedaan had wat hij
mogelijkerwijze kon doen, om zijn betrekking tot Clarine en haar kind
te zuiveren. Laura had haar ontmoeting in den Haag en Clarine’s woest
optreden bij die gelegenheid eerst in ’t geheel niet willen vertellen;
maar na eenig nadenken besloot ze toch, hem althans mede te deelen, dat
ze een mislukte poging gedaan had, om de predikantsdochter te spreken.
Van de ruwe bejegening daarbij ondervonden zei ze niets. Waartoe zou ’t
dienen? had ze gedacht. Cornelis zou nòg meer afkeer van Clarine
gekregen hebben dan hij reeds had, en in de gegeven omstandigheden was
die klapgeschiedenis eigenlijk niets nieuws voor iemand, die Clarine’s
aard doorzag als zij: ’t paste geheel in de voorstelling, die Laura
daarvan had. En zij sterkte hem in zijn goede voornemens. Ze gaf hem
hoop, dat Clarine nog wel tot inkeer zou komen, dat hij—als al zijn
nasporingen naar haar verblijf mochten falen—ten slotte wel van haar
zelf zou vernemen waar ze was. Haar brief indertijd uit Delmond
geschreven moest ze toch ontvangen hebben; want haar vertrek uit den
Haag was verscheidene dagen later geweest. En daaruit had ze immers
kunnen zien, hoe ernstig Cornelis het met haar meende. O, ze zou vroeg
of laat tot inkeer komen. ’t Was alles verblinding, hartstocht
geweest... Dit alles zeide ze tot Cornelis, vol vertrouwen en
overtuiging. Hoe weinig besefte zij, dat juist het zenden van dien
brief Clarine razend gemaakt had: dat het feit van haar confidenteschap
voor ’t jaloersche meisje onuitstaanbaar was geweest!
En Cornelis ging weer aan zijn studie te Leiden, terwijl hij niet
ophield in den Haag navraag te doen. Hij deed het zoo voorzichtig
mogelijk, steeds angstig, dat hij te veel persoonlijke belangstelling
voor haar aan den dag zou leggen. Men gaf hem geen enkele behoorlijke
inlichting: deze wist het niet, en gene hield zich dom. Maar nog ’t
meest bleek hem oprechte verwondering over ’s predikants plotseling
vertrek, gepaard met ontslagname als geestelijke. »Ze zeggen, dat-i in
Parijs is gaan wonen,” zeiden hem enkele leveranciers, bij wie hij
wist, dat de familie Dauteville zich voorzag. Dat was alles. Sommige
kennissen, die hij sprak, glimlachten op een onuitstaanbare manier,
wanneer ze Dauteville’s naam noemden. Zoo ineens uitgeknepen, om zich
in Parijs te vestigen, omdat hij zich oud begon te voelen en ’t leven
in den Haag hem niet meer aanstond—hm, hm.
Nu, Cornelis wachtte af.
Ondertusschen studeerde hij. Hij deed ’t nu anders dan vroeger. Wat was
de wetenschap vroeger voor hem geweest? Een vervelend droog ding voor
geleerden en voor arme schooiers, die er zich een baantje uit moesten
kloppen. Hij had gewerkt voor zijn »meesterstitel”. Hij had dat etiket
noodig geoordeeld, om een deftig mensch te wezen later, meer niet. En
zijn vader wilde dat nu eenmaal zoo. Hij had ’t als een noodzakelijk
kwaad beschouwd. Verbeeld je, dat hij toen iets verhevens in zijn
studiën gezien had! Alsof iemand dat er eigenlijk ooit in zag! Zij, die
beweerden, zich aan ’t vak te wijden, die de rechtsstudie »breed
opvatten”—zooals ze zeiden—waren immers »schooiers”, »proleeten”, van
die aanstellers, die zich sociologen noemden. Er waren repetitoren, die
beweerden met het vak te dwepen—och kom! Zoo had je in Leiden een jong
meester in de rechten, die zich met Toynbee-werk en meer zulk fraais
afgaf. Die hield cursussen voor werklui en loopjongens, terwijl zijn
vrouw dienstmeisjes onderwees. Allemaal aanstellerij, om zich wat naam
te maken, anders niet. Wie kon er als fatsoenlijk mensch pleizier in
hebben omgang te zoeken met zulk smerig volk. Die «Toynbee-kerel” was
dan ook zoo’n zoogenaamde socioloog—anarchist zeggen ze ook wel. Vee,
de heele zooi! Neen, Cornelis Udoma en zijn vrienden lieten zich daar
niet mee in, ja zelfs zijn contub Frits Seemans »zag er ’t nut niet van
in.” Onder die vrienden was hij de eenige, die er niet bepaald op
neerzag, en er zich niet minachtend over uitliet. Cornelis’
clubgenooten waren overigens eenstemmig in hun spot.
Hoe anders dacht de jonge man thans! Hoe dwaas scheen hem thans zijn
vroeger leven, hoe ledig en hol leken hem zijn levensinzichten van dien
tijd, vóor den grooten ommekeer. Hij schaamde zich hartgrondig, dat hij
jaren had laten voorbijgaan in ijdel zelfzuchtig streven. Hij besefte
ten volle, hoe een jonge man met geestes- en hartegaven als hij, en
bovendien vermogend, verantwoordelijkheid droeg tegenover de groote
vraagstukken, de nooden en behoeften der menschheid. O, hoe rijk, hoe
onuitputtelijk rijk was het leven! Welk een onmetelijk veld van edel
streven bood het den goedgezinde! En hoe droevig weinig verstonden
jongelieden als hij gewoonlijk die roeping! Hij keek rond in den kring
zijner vrienden en kennissen: ’t was bijna overal ’t zelfde
ontmoedigende schouwspel. Wie onder die allen, gefortuneerd, ontwikkeld
en schrander als hij, dacht eraan zich met iets anders te bemoeien dan
wat zijn onmiddellijk eigenbelang diende? Ze droegen mooie jasjes en
broekjes, naar den laatsten smaak, ultra-nieuwe dasjes en hoedjes,
gingen naar »de kroeg,” om er eenige uren daags te verlummelen, te
bitteren en schuine aardigheden te verkoopen; ze gaven «fuiven”, waar
de »sjempi” stroomde, en »klabakken” van uit het raam met
dubbeltjes-havana’s werden vereerd; ze »dronken koffie”, dat wil
zeggen: kwamen periodiek bij elkaar, om dure lunch-partijtjes te
houden, waar zalm en pâté de foie gras gewone zaken waren; ze
»ontgroenden” stumpers van nieuwelingen, en wijdden die in in de
geheimen van Bacchus, Gambrinus en Venus; ze »gingen met ’n bakje” naar
’t Haagje, en »foven” dat ’t daverde bij een fijn gekamerd juffie, de
beschermelinge van een hunner, en nog meerdere vrouwelijke »kennisjes”
waren daarbij tegenwoordig; ze hoereerden en zopen op kostbare,
«fatsoenlijke” manier, en »negeerden” of bespotten den armen,
werkzamen, ernstigen, geregeld levenden student, dien ze »spoelhond” of
»varken” noemden...
Cornelis was maar weinig anders geweest. Dat hij niet meedeed aan den
ijverigen Venus-dienst zijner kennissen was eenvoudig vergedreven
epicurisme, geen deugdbeginsel. En hij vond er voor hen niets bizonders
in.
Nu walgde hij van dat alles, en ’t kostte hem moeite zijn afkeer te
verbergen. Toch wilde hij zijn oude vrienden en kennissen niet
afstooten. In naïef zelfvertrouwen, zoo eigen aan vurige bekeerlingen,
hoopte hij op die verdoolden—dat waren ze immers—invloed te kunnen
oefenen. Hij zou hun de oogen openen. Om dat te doen, mocht hij ze niet
afstooten. Allengs woû hij trachten door vertrouwelijke gesprekken, op
echt kameraadschappelijke wijze, verandering te brengen in hun
denkbeelden en gedrag.
’t Eerste gevolg van zijn optreden was verkoeling, vervreemding. De
vrienden vonden hem »raar,” ze begrepen hem niet, en begonnen hem te
mijden.
Toen Cornelis, verlangend naar anderen omgang, het, na lange aarzeling,
gewaagd had een bezoek te brengen aan den repetitor Steenkamp, en hij
verslag daarvan deed aan zijn contub Frits Seemans, was deze
verwonderd.
»Je wordt toch geen sociale, wil ik hopen?,” zei Frits lachend.
»Daarvoor heb je te veel fortuin, mijn manneki.”
»Och, loop! ’t Ouwe praatje! Juist omdat ik fortuin heb, wil en kan ik
me uitstekend inlaten met maatschappelijke kwesties. En dan dat woord
«sociale!” Schaam jij je niet dat te gebruiken? Jij, zoo’n ontwikkeld
ernstig mensch”—er zweefde een glimlach om Cornelis’ mond—moet jij
evenals een verwaande livrei-knecht hol geschetter van levenmakers en
ernstig edel streven van ontwikkelde mannen verwarren?
Frits zweeg. Hij was nog de beste van Cornelis’ vrienden. ’t Was »’n
sekure,” al had hij ook de meeste vooroordeelen der anderen.
Frits begon te merken, dat zijn contubernaal het meende. De omgang met
»die Steenkamp” werd voortgezet. Cornelis stond in ’t eerst verlegen
over de vriendelijke welwillende ontvangst, die hem telkens ten deel
viel ten huize van den repetitor. Hij voelde, dat zijn vroegere houding
van hooghartig negeeren en bespotten hem waarlijk niet zulk een
bejegening had doen verdienen. Hij vond Steenkamp en zijn vrouw hoogst
aangename en belangwekkende menschen. En ieder gesprek, dat hij daar
ten huize voerde, vervulde hem met nieuwe sympathie voor die beiden en
de schoone denkbeelden, die zij voorstonden.
Cornelis’ lievelingsstudie werd de maatschappelijke toestand der vrouw
en daarmee in verband het huwelijksrecht. O, hij wilde een degelijk
werk schrijven, en daarin de vruchten van onderzoek en nadenken
neerleggen. Wat deerde ’t hem, of hij »zijn meestertitel” niet zoo
spoedig haalde als hij eerst voornemens was. Wat gaf ’t etiket als de
wijn niet deugde! Zoo’n meestertitel werd immers gevoerd door de
grootste ezels, door nullen in optima forma! Hij zag ze bij dozijnen
afleveren, de mannen met het gemakkelijkst te halen akademisch graadje,
jaar in jaar uit, en onder elk dozijn was er immers nauwelijks een, die
den naam van rechtsgeleerde verdiende. Trouwens, ze zouden zelven niet
naar die eer dingen, die leekebroeders in de orde der wetenschap. Onder
hen was »geleerd” immers hetzelfde als vervelend, »zuur,” ongenietbaar,
en—proleetig. Een fatsoenlijk mensch wàs niet geleerd! Een gedachte,
die hem nu telkens inviel, wanneer Cornelis dacht aan die drommen van
leeghoofdige meestertjes, die de universiteit—neen, de instampende
repetitor—jaarlijks de wereld inzendt, was: hoeveel meer kans om in
diezelfde wereld vooruit te komen zouden de arme, maar bekwame en
ijverige juridische studenten hebben, als voor ’t halen van dien
meestertitel wat ernstiger studie noodig, en zoo de mededinging naar
goede betrekkingen minder groot werd gemaakt. Al de stumpers en
sukkelaars, die thans met hun geld zich konden laten africhten door
repetitors, moesten zich niet met studie inlaten: die was niet voor
hen; maar voor de ijverigen en bekwamen, arm of rijk.
Nu, hij zou ’t voorbeeld geven, meende hij: de studie van zulk een
schoon vak, dat de hoogste belangen der menschheid binnen de perken van
zijn onderzoek omvat, zou hij met ernst en waardigheid behartigen.
Waarom, waarom, dacht hij dikwijls in sombere oogenblikken, verblindt
de rijkdom zoovelen, die kracht genoeg in zich zouden hebben, om bij te
dragen tot het heerlijk werk der beschaving, den vooruitgang der
maatschappij?
Cornelis begon oogen en ooren heel nuttige zaken te vinden: hij nam
waar, stelde belang in allerlei, dat hem vroeger niet de moeite waard
geleken had; las veel, maar zag en hoorde nog meer; want hij wilde nu
zien en hooren. Soms voelde hij geestdrift, en gaf er uiting aan, iets
dat hij vroeger erg »proleetig” gevonden zou hebben.
Zoo reisde hij veel, en zag veel menschen.
Hij was gelaten, en wachtte af. De groote smart van zijn leven maakte
hem wat stil en in zichzelf gekeerd; maar sloeg hem niet meer neer.
Geen dag ging er voorbij, zonder dat ’t lot van Clarine en haar
kind—ook zijn kind!—hem in de gedachten kwam. Dan zuchtte hij, doch ’t
besef van zijn onmacht, om iets aan den toestand te veranderen, dwong
hem tot berusting.
En zijn liefde voor Laura? Die leefde een hardnekkig leven, rustend in
de koele diepte van zijn ziel, slechts nu en dan wonderglanzen
afstralend, die haar vervulden met een weelde van licht. Dat waren de
oogenblikken, dat zijn zelftucht verslapte, en de verbeelding vrij spel
had in slaap- en mijmertoestand.
’t Was nu drie maanden, dat hij haar niet gezien had, neen langer...
Hij vermeed haar, en dat was niet moeilijk in haar en zijn werkzaam
leven. Zelfs correspondeerde hij niet. Ze mocht denken wat ze wilde,
dacht hij in arren moede: beter, dat ze hem onhartelijk, zelfs
ondankbaar vond, dan dat ze de waarheid zou vermoeden. Zijn wantrouwen
van eigen kracht bracht hem er zelfs toe, een oud portret van Laura—als
zestienjarig meisje, echt kinderlijk en onbeholpen naïef—als verboden
waar weg te bergen in een afgesloten laadje van zijn schrijftafel. Hij
had geen ander portret van haar. Clarine’s beeltenis had haar
eereplaats op de schrijftafel behouden: kabinetformaat in ’t sierlijke
gepolijst koperen lijstje, dat zij er zelf voor uitgekozen had. Hij had
er zich aan gewend den blik erop te richten, dagelijks wanneer hij zich
aan den arbeid zette. ’t Was als een boetedoening, die hij zich
oplegde, steeds zich te doordringen van ’t schuldbesef tegenover haar,
en zich te herinneren wat zijn plicht was, zoodra hij in staat zou
wezen, die tegenover haar en hun kind te vervullen. En—vreemde werking
van de verbeelding! dacht Cornelis—telkens wanneer Clarine’s rond,
weelderig, zinnelijk gezichtje vol overmoed hem tegenlachte van ’t
portret verscheen in zijn geest het beeld dier andere: ’t weemoedige
zachte gelaat van Laura, zooals hij haar gezien had aan zijn ziekbed.
’t Oppervlakkige en degelijke, wuftheid en karakter tegenover elkaar.
God, waarom moest hij zoo vaak die tegenstelling voelen!? Was het om
zijn zelfoverwinning des te grooter te maken? En hij begroef zich in
zijn werk.
Eens, in den Haag vertoevende, stond hij op de tram te wachten, die hem
naar een zijner kennissen brengen zou. ’t Was op ’t Plein in den
namiddag tegen etenstijd, en de ingang van de Lange Poten—onpoëtisch
klinkende naam voor een aardige straat—vertoonde zijn gewone
mooiweers-namiddag-drukte. Terwijl Cornelis daar zoo stond, uitkijkend
naar het voertuig, dat zich wachten liet, en vergelijkingen maakte
tusschen het verkeerswezen in onze hoofdstad en dat in ons
residentiestadje, viel er op korten afstand van de plaats waar hij
stond een heldergekleurd voorwerp naast hem neer. Hij keek er naar, zag
dat het een brief was, en had hem opgeraapt, voordat de persoon, die er
aanspraak op maakte, tijd had gehad hetzelfde te doen. Een dame—jong en
knap, Cornelis herkende haar dadelijk als een van Clarines’s
intiemen—stond met hoogroode kleur vóor hem. Cornelis nam zijn hoed af,
en boog, terwijl hij den brief overreikte.
»O, neem me niet kwalijk,” stamelde de jonge man. Zij knikte even, en
verwijderde zich haastig zonder een woord. Hij zag haar verdwijnen in
de drukte der straat.
Dat was een toeval, éen kans uit duizenden. Hij wist Clarine’s adres:
»Sainte-Marie des Ardennes” had hij onwillekeurig op den omslag
gelezen! Hij had een gevoel, alsof hij een onbescheidenheid gepleegd
had. Wat was die jonge dame verlegen en zenuwachtig geweest! Hij kon ’t
niet helpen in allen geval...
Nu was dus de beslissing gevallen. Hij moest daarheen en weder Clarine
spreken, haar de opoffering van zijn geluk gaan aanbieden, neen gaan
afsmeeken als een gunst... Nu de werkelijkheid zoo nabij vóor hem
stond, huiverde hij. ’t Kleine voorval had hem vreeselijk geschokt.
Maar hij moest, hij moest, en er steeg een roes van offerwilligheid in
hem op, die weldra alle andere gevoelens beheerschte. Hij veranderde
zijn plan voor dien dag: zijn kennis in den Haag wachtte hem immers
toch niet. En in plaats van de tram naar ’t Banka-plein te nemen,
stapte hij in die naar ’t Hollandsche-Spoor station.
’t Was vier uur. Even naar huis, dan kon hij nog den avond-sneltrein
naar Brussel halen.
»Wat kijk je sip!” riep kleine Frits, toen hij Cornelis haastig zijn
kamer zag binnenkomen. Hij had juist de thee laten aanrukken, en zat in
een luie houding de Rotterdammer te lezen. Even keek hij vragend op met
half dichtgeknepen oogjes, zooals zijn gewoonte was. Cornelis groette
vluchtig. Zijn gezicht was vertrokken en bleek.
»Hm, hm,” bromde Fritsje, »de oude spookgeschiedenis?”
»Ik ga uit de stad!” zei de ander zonder overgang en droomerig.
Fritsje keek nog eens op; staarde ditmaal wat langer op ’t gelaat van
zijn vriend.
»Zoo, geen thee dus? Zeker wat gehoord?”
»Ik weet waar ze is,” antwoordde Cornelis onder ’t heengaan.
Hij verdween achter den voorhang in zijn slaapkamer.
Frits Seeman wist er alles van. Hij wist hoe de zaken stonden, hoe »die
geschiedenis” den ander nog steeds vervolgde. Hij vond ’t een hard
gelag voor zijn vriend, maar had weinig medelijden: de vent was zot,
bepaald zot! Hij had er al eens zijn meening over gezegd; maar de ander
woû niet hooren, en hij liet het erbij. Cornelis moest ’t maar zelf
weten, en hij dacht niet, dat de man ooit achter dat adres komen zou.
Neen, edelmoedigheid, eergevoel: alles best, maar na zoo’n behandeling
van haar kant zou hij er hartelijk voor bedanken. De meid verdiende ’t
niet, nee, waarachtig niet. En Cornelis was zoo’n beste kerel! Ze had
’m zot gemaakt, of wat was ’t? Jammer van de vent, enorm jammer. En nu
zal ze ’m nog nemen ook, God betere ’t!
Zoo dacht Fritsje in zijn leuningstoel, en trok waardig aan zijn
gouwenaar. Hij hoorde Cornelis weer binnenkomen, na enkele minuten.
»Zoo, dat ’s vlug! Is dat alles wat je meeneemt?” Hij wees met zijn
pijp op ’t handkoffertje.
»Ja. Nu, ik ga.”
»Kom, kereltje, woû je nu werkelijk gaan? Je meent ’t immers niet? Zet
dat koffertje neer, en wacht tot morgen. Je bent zoo wonderlijk heet
gebakerd tegenwoordig! Kom, ga hier zitten, en laten we wat praten. ’t
Is heusch beter morgen.”
Cornelis weifelde even. Daarop stak hij zijn hand uit, bleek, bevend,
zenuwachtig. »Tot ziens, Frits. Ik moet er heen...”
»Don Quichot!” zei Fritsje zijn hand grijpende. Hij lei zijn krant neer
en stond op.
Hij woû sarcastisch kijken, maar ’t ging hem slecht af.
»Nu dan, manneke, ’t beste hoor,” zei hij hartelijk.
»Wanneer kom je terug?” liet hij volgen.
De ander was al buiten de deur.
»Ik zal ’t je laten weten.”
De voordeur sloeg dicht.
Avond en nacht volgden voor Cornelis in onrust en zelfmarteling. De
gedachte aan zijn kind, dat hij nu werkelijk zien zou, of waarvan hij
wellicht vernemen zou, dat het gestorven was, hield hem nog ’t meest
bezig. Hij voelde zich zonderling te moede, en begreep de tinteling
niet, die door zijn borst voer, wanneer hij zich vóor den geest
trachtte te brengen wat dat voor hem beteekende: mijn kind heeft
aanspraak op mijn bescherming, ik ben zijn vader. Als voor iederen man,
die vader wordt, kregen die banale woorden kind en vader voor hem een
veel inniger dieper zin dan te voren: ze stelden niet meer alleen
gedachten, denkbeelden voor, maar drukten gevoelens, gewaarwordingen
van den heiligsten aard uit. Ook hier werden de diepste lagen van zijn
gemoed beroerd; maar de gewaarwordingen hadden niet ’t heerlijk
extatische zuivere gehalte als bij den man, die »vreugdedronken zijn
kind aanschouwt en de aangebeden vrouw, die ’t hem geschonken heeft.”
Cornelis voelde een schuwe vrees, een ineenkrimping van zijn hart als
’t ware, wanneer hij aan de moeder van zijn kind dacht. De moeder! De
dartele, onbesuisde Clarine moeder! Hij kòn er zich niet indenken...
Hij was benieuwd en beangst tevens. Hoe zou hij zich houden, wat moest
hij zeggen? Zou hij haar vader, dien... onuitstaanbaren mooidoener van
een Dauteville moeten ontmoeten? Oh! de man deed hem walgen! ’t Zou
zijn schoonvader worden... Dat ook nog. Maar wat stoorde hij er zich
eigenlijk aan? Hij zou den vent links laten liggen, als eenmaal die
zaak met Clarine beklonken was. Toestemming van dien kant was zeker,
natuurlijk. Wat graag! zou die oude heer wel denken.
En zijn eigen vader? Bah! Hij was drie en twintig, en deed wat hij
verkoos. Zijn vader mòcht hem niet beletten zijn plicht te doen. Dit
was zijn plicht, zeker, ’t was zijn plicht, zijn heilige plicht! En
Laura was ’t met hem eens...—Cornelis betrapte zichzelven op een
traan.—Neen, hij mocht niet aan die gevoeligheid toegeven...
En Cornelis droomde van ’t meisje met den weemoedigen trek om den mond,
met de ravenzwarte haren, de donkere streelende oogen en de gouden
huid... de lenige gestalte vol gratie, de stem zoo bedachtzaam, zoo
zelfbewust, en toch zoo lief, zoo lief.
Hij ontwaakte met schrik vroeg in den morgen, na een korten slaap. Die
oogen hadden hem aangestaard... hij zag ze nog... die stem klonk nog in
zijn ooren. Een verwarde herinnering van den Christuskop van Guido Reni
en de Mater dolorosa van Dolci, platen die in zijn slaapkamer te Leiden
hingen, wijlde nog in zijn verbeelding; de oogen van den Christus niet
omhoog, maar vol op hem gericht, de droeve mond van de moeder der
smarten woorden sprekend zonder zin, maar ruischend als verre muziek
...
Cornelis was een oogenblik verbijsterd.
Hij sprong op, en kleedde zich. Om zeven uur verliet hij het hotel. De
trein bracht hem in een uur aan ’t station bij ’t dorp Sainte Marie des
Ardennes. Een half uur wandelens volgde.
Men wist hem spoedig terecht te helpen. »O zeker, die oude »m’sieu” met
zijn dochter en kleinzoontje... daar en daar.”
Om tien uur had hij Clarine gezien en gesproken.
In enkele minuten was een tooneel in zijn levensdrama afgespeeld, dat
hij nooit vergeten zou.
Zijn hoofd duizelde... Hij had zijn kind niet eens gezien. Haar wel...
Hemel, hoe had hij haar gezien! Een furie gelijk. En die schaamtelooze
taal, die hoon smadelijker dan een kaakslag, dat zelfvergooien om hem
te krenken! God, neen, ’t was te veel! Hij gaf ’t nu op, hij gaf ’t nu
op... Mocht de Voorzienigheid voor zijn kind zorgen...
Als wezenloos stond Cornelis nog eenige minuten geleund tegen den
rotswand rechts van het pad, waar hij ’t vreeselijkst oogenblik in zijn
leven doorleefd had. Hij zuchtte diep en nog eens, en een snik deed
zijn borst schokken.
Hij vermande zich. Langzaam, maar met opgerichten hoofde keerde hij
terug naar ’t dorp.
De vogels zongen in ’t mastbosch, de lucht was geurig, de hemel zuiver
blauw en diep.
De strakke lijnen van zijn mond waren weg, en in zijn oogen blonk fier
verzet.
Hij baadde zijn ziel in de herinnering aan Laura. Hij wilde aan haar
denken.