Udoma Senior had het niet druk dien morgen. Er was nog niets bizonders
geweest, niets nieuws dan alleen een actetje voor een arme weduwe, die
meubels op »huurkoop” nam van een uitdrager. Dat kwam anders meer in ’t
vóorjaar voor. Er was in den omtrek van Delmond een soort
»Knijpinrichting,” iets dat pas opgekomen was, en nogal vreemdelingen
trok. Menschen in ’t dorp verhuurden kamers, natuurlijk vooral in den
zomer. Een enkele patiënt verkoos den herfst, en zoo had de weduwe, die
notaris Udoma in zijn lectuur gestoord had, »van de gelegenheid ereis
willen gebruik maken, als ik ’t zoo maar’s zeggen mag,” om ook kamers
te verhuren. Daarvoor waren meubels noodig, en, om deze te krijgen,
geld. Een »welwillende” uitdrager sprong in dit en dergelijke gevallen
bij, en wilde wel met »recht van wederinkoop” meubels verhuren. Als dan
éen termijn van de te betalen huursom niet voldaan werd, had die
menschenvriend ’t recht de meubels terug te nemen. Na een zekeren tijd
van geregeld afbetalen werden de meubels het eigendom der huurders. Van
de tien contractanten brachten negen ’t nooit zoo ver: de edele helper
in den nood wist dan wel raad. Begreep hij, dat er »niets te halen”
was, en ’t »verhuurzaakje” verloopen was, dan beriep hij zich op zijn
notarieel contract, en de meubels vonden weer een plaats in zijn
»magazijn,” om nieuwe hulpbehoevenden te lokken; was er daarentegen nog
kans op verbetering van omstandigheden, dan werd een nieuw contract
gesloten, nog drukkender dan te voren.
Notaris Udoma hield niet van zulke contracten: ze gaven »veel gezanik”
en maar weinig voordeel. Hij kon zich niet begrijpen, hoe zijn
voorganger—naar hij gehoord had—er genoegen in vond zulke lui gratis te
helpen, en soms een uur kon leuteren met zoo’n uitdrager, om den man
zooveel mogelijk schappelijke voorwaarden voor te stellen, of anders ’t
aangaan van een al te drukkende verbintenis aan ’t slachtoffer af te
raden. Wat ’n dwaasheid! Zoo’n mensch moest maar weten wat ze deed: ze
was geen kind, parbleu! En dan—hij had nog al tijd om dat gezeur aan te
hooren! Ze verveelden hem al genoeg, die »waarlooze cliënten,” zooals
hij ze noemde. Zijn candidaat-notaris, de heer Puntsik vond, dat zijn
baas »wolkome geleek” had. De heer Puntsik was uit den Haag. Udoma had
hem overgenomen, van zijn voorganger, en was zeer tevreden over hem.
Met zijn vorigen patroon had hij ’t nooit best kunnen vinden: verbeeld
je, die beweerde altijd, dat zoo’n onsmakelijk individu van de »lagere
klasse” even goed een fatsoenlijk man kon wezen als iemand uit »zijn
kginge!” Neen, dan was Udoma beter: die was »coggect” in alles, zie je.
’t Eenige dat hij tegen zijn werkkring had, was dan ook ’t »gat van ’n
plèètche,” waar hij woonde, en ’t sombere weinig »smèèkwolle” van
Udoma’s kantoorinrichting.
Inderdaad was dit oord van menschelijk wantrouwen niet smaakvol en niet
vroolijk, verre van dien. ’t Was of er steeds een nevel van argwaan
hing, zoo somber keken de paarschgeworden ruiten vóor aan straat met de
donkergroene horretjes, zoo grijnzend zagen de zwarte brandkasten met
koperen beslagen er uit, zoo streng leken de oude eikenhouten meubels,
de stoelen met zwartleêren zittingen, de ontzaggelijke schrijftafel van
den notaris, alles straalde, of liever walmde wantrouwen. En de smalle
straat vóor ’t huis keek dof en onbeminnelijk binnen. Wie aarzelend of
verlegen binnentrad was vaak de kluts heelemaal kwijt wanneer hij vlak
vóor de ontzaggelijke schrijftafel stond. De twee zwarte archiefkastjes
boven ’t meubel aan den muur schenen dan blikken vol wantrouwen op den
cliënt te werpen.
’t Eenige vroolijke toontje, dat had kunnen klinken, als ’t gedurfd
had, was ’s heeren Puntsiks »mup,” nu en dan meegedeeld aan den oudsten
klerk, dien hij »wel leeë moch”: ’t was »’n jonge van goeie famieïe.”
Maar zelfs die mop klonk wantrouwig: want de baas hield niet van
schuine aardigheden onder ’t werk, althans niet in ’t bijzijn van de
klerken. Zulks was ongepast, vond Udoma.
Hij zat dan te lezen. Morgen zou de pastoor komen eten, en als hij nu
»de Tijd” niet wat nauwkeurig las, zou ’t gesprek zeker niet best
vlotten. De pastoor kwam gewoonlijk iederen Zondag eten. ’t Was nu twee
maal niet gebeurd, »om die jongen boven.” ’t Stond niet. Nu hij meende,
dat het gevaar kon verondersteld worden geweken te zijn, mocht Heeroom
niet wegblijven. Heeroom luisterde geduldig naar Udoma’s verhalen en
zijn politieke frazenmakerij. Heeroom vond ook, dat hij zeer
rechtzinnig dacht over de »goddelooze school” en over de dienstplicht,
en de tafel van »Meneer de notaris” was bizonder goed, vooral ’s
zondags. Heeroom dacht wel dikwijls met een zweem van zelfverwijt aan
de zwakheid des vleesches, die hem Udoma’s maaltijden zoo lekker deed
vinden; maar de goede man had telkens een gewetensstopper bij de hand;
’t was immers goed voor de belangen van de kerk, als hij zich een
vriend toonde van »mannen als Udoma, mannen van vermogen en invloed.”
En, heusch, hij mocht hem wel—hem persoonlijk, niet alleen zijn tafel.
En zijn kitteloorig priestersgeweten zweeg.
De zware deuren van ’t kantoor—alle deuren waren in ’t ouderwetsche
huis wantrouwig zwaar—ging half open. Er vertoonde zich een hoofd.
Candidaat-notaris en klerk keken gelijktijdig op van hun werk. Een
jonge dame! O, ’t was maar de verpleegster. Niets nieuws dus, maar toch
niet onaardig. ’n Typisch bakkesje, die juffrouw Van Keulen: »pikant”
vond Puntsikje; »’n bedroefde Cleopatra,” dacht de klerk van »goeie
famieie,” die klassieke neigingen had; want hij had ’t indertijd tot
het derde jaar gymnasium gebracht. Hij had den weemoedigen trek om
Laura’s kleinen mond waargenomen.
De notaris, wiens schrijftafel dicht bij den ingang stond, was te veel
verdiept in zijn courant, om dadelijk op te kijken. Niet, dat hij ’t
opengaan der deur niet gehoord had, maar zijn waardigheid liet niet toe
dadelijk »nieuwsgierigheid” te toonen: de binnentredende zou wel eens
te min van zijn grootheid als notaris kunnen denken, als hij
»begeerigheid” naar een cliënt liet blijken.
Laura wilde spreken. »Neef” zeide ze niet gaarne. Wel was ’s mans
houding tegenover de arme nicht in den laatsten tijd opvallend
veranderd, en was hij bizonder vriendelijk jegens haar, telkens wanneer
ze elkaar ontmoetten. Dat was met het middagmaal, want de andere
maaltijden hield ze boven bij den patiënt. Maar die vriendelijkheid was
van een soort, die Laura vreemd voorkwam, en haar op een afstand hield
in plaats van aan te trekken. »Neef” was wel eens wat vrij met zijn
complimentjes en zoo. Hij wilde met alle geweld, dat ze »oom” zou
zeggen—iets waar hij vroeger niet aan gedacht zou hebben; doch in
gezelschap van anderen ging zelfs »neef” haar slecht af. In haar
fierheid als arme nicht—eigenlijk achternicht—stond een toon van
gemeenzaamheid haar niet aan, die anderen zou kunnen doen vermoeden,
dat ze op die familiebetrekking bizonder prijs stelde.
Het jonge meisje vertoonde zich even in de kamer, wierp een blik naar
de twee starende jonge menschen, die onmiddellijk weer vol aandacht aan
’t werk togen, en deden, alsof ze haar niet gezien hadden. Ze kuchte.
»Zoo Laura!” riep Notaris Udoma opstaande, met groote verrassing in
zijn stem. »Wel, wel, kind, heb je ook al besognes? Waarmee kan ik je
van dienst zijn? Hier, ga hier zitten”. Met vriendelijk gebaar wees hij
op een stoel naast de schrijftafel, den stoel, die voor menigen
stumperd een pijnbank was geweest.
»O nee, dank u” antwoordde ’t meisje even aarzelend en zacht.
»Ik wilde wel gaarne u alleen spreken. Zou dat kunnen?”
»Zeker, zeker, zeker...” Udoma legde de courant, die hij opstaande in
de hand was blijven houden, op de schrijftafel, en keek haar vragend
aan. »Iets van beteekenis? Toch niet over...” en hij maakte een wijzend
gebaar naar boven.
»Ja, iets over Cornelis,” antwoordde Laura. Ze was reeds in de gang, de
lange kille vochtige lage gang, met de witgekalkte muren, die ongeveer
tot manshoogte zwart gemaakt waren. Er heerschte een halfduister, dat
eerst achteraan bij den tuin eenigszins voor daglicht plaats maakte.
Middenin was de holte van de breede trap zóo donker, dat er des daags
zelfs een lampje brandde. ’t Heele huis had gebrek aan licht en lucht.
Een beklagenswaardige vrouw was er verkwijnd, omdat ze er ook gebrek
aan liefde had.
»Zoo, niets van beteekenis wil ik hopen?” zei Udoma, meer om wat te
zeggen, dan uit belangstelling. Zijn gedachten waren niet bij den
zieke; met welgevallen liet hij den blik gaan over de lenige, lieve
gestalte der verpleegster. Ze voelde den gloed van zijn oogen op haar
gelaat, en had een opwelling van wrevel, zich slechts uitende in een
blos. Ze waren voorbij de spreekkamer, waar de voorname cliënten
toegelaten werden.
»Van beteekenis? Ik zou zeggen van wel.”
»Hm” liet de notaris hooren, toen beiden vóor de deur der tuinkamer
stonden. Daar werden de maaltijden gehouden.
»Hier maar?” vroeg hij, toen Laura onwillekeurig stil stond.
»Goed.” Ze trad binnen, hij volgde. Udoma was galant, zij stil en
ernstig. Ze gingen bij ’t raam zitten.
»Ziezoo. En nu m’n lieve kind, zeg op. Wat ligt er op je hartje?”
Laura voelde zich niet op haar gemak.
»U weet,” begon ze moedig, »dat ’t gevaar van Cornelis’ been geweken
is. Nu goed, er is nu een ander.”
»Wat bedoel je? Woû je’m aan een ander ter verpleging overlaten?
Natuurlijk. Zeker, zeker...”
»Ik denk er niet aan,... Neef.” Ze had weer die aanvechting van wrevel.
Die stoorde haar geregelden gedachtengang. »Er is een nieuw gevaar...
waaraan u misschien niet gelooven zal...”
Udoma dacht aan »dat avontuur” van zijn zoon. Hij begreep echter niet,
dat zij daar iets van wist, en nog minder, dat zij er zich mee
bemoeide.
»Hee?” zeî hij met een provinciaal uitspraakje, dat hij in dit
tusschenwerpsel nooit had kunnen afleggen.
»Cornelis heeft verdriet...” Laura zweeg even, en keek vóor zich. Ze
vond het onderwerp netelig, vooral tegenover zoo’n man.
Udoma maakte een gebaar met rechterhand en schouderschok, dat hij
altijd maakte, als hij wilde uitdrukken wat een onvormelijk mensch met
»zeur niet!” te kennen geeft.
»Ik weet die heele nare... geschiedenis,” ging het jonge meisje voort,
steeds de oogen neergeslagen houdend. De handen lagen samengevoegd op
haar schoot.
»En?” De notaris keek humeurig, ’t Hinderde hem, dat zij steeds even
afgemeten tegen hem geweest was, bij alle gelegenheden dat hij zijn
beste hoffelijkheid ten toon gespreid had.
Laura haatte hoffelijkheid en »galanterie,” die niet op achting
steunden. Hij had daar geen flauw vermoeden van. Volgens hem was la
femme daar steeds vatbaar voor. Dat Laura zich nu met die zaak van
Cornelis inliet, liet hem vrij koel. Zij zou wel zwijgen, of anders,
wat zou ’t nog? Péché de jeunesse! Maar dat ze op al zijn avances niet
inging... Hij was rijk, en zag er goed uit, nog niet oud voor zijn zes
en vijftig jaren—parbleu, menig jong meisje op de plaats zou hem nog
wel willen hebben! Hij had dagen achtereen met het plan omgeloopen,
Laura voor te stellen, dat »rare verpleegstersbaantje” op te geven, en
bij hem in te komen wonen. Ze zou de leiding van de huishouding op zich
kunnen nemen. Wat hem weerhouden had zijn mond erover open te doen,
begreep notaris Udoma niet, wel besefte hij thans, dat het oogenblik
voor zulk een voorstel nog niet gekomen was... als ’t ooit kwam.
Laura had naar haar woorden gezocht:
»Ik woû u alleen zeggen, dat die jongen zichzelf afbeult met... over
die ... narigheid na te denken.”
»Dat zal wel slijten, kom, kom! Woû je alleen daarover spreken?” Hij
deed alsof hij op wilde staan. Een blik van haar hield hem op zijn
stoel. Hij greep een koord van ’t zware gordijn, en speelde met den
afhangenden kwast.
»’t Is ernstig genoeg,” hervatte Laura. Ditmaal keek zij hem aan, en
sloeg hij de oogen neer. »Als dat zoo voortgaat, wordt hij nooit
beter...”
»Ik geloof ’t niet... Neem me niet kwalijk, Lauraatjelief.” Hierbij
keek hij op. »Je overdrijft, zooals jullie vrouwen altijd min of meer
doen.”
Ze antwoordde niet dadelijk.
»Nu”, en haar toon werd harder en stroever »’t is zooals ik u zeg. Hij
ziet er ellendig uit. Hij tobt zich af...”
»Maar wat wil hij dan?” riep Udoma opstaande. Hij ging met den rug
tegen den schoorsteenmantel staan, met het gezicht naar de
verpleegster. ’t Was, of de lichamelijke steun hem ook moreel ten goede
kwam.
»Uw toestemming voor dat huwelijk... dat begrijpt u immers zelf wel.”
Laura’s hoop, om iets uit te werken op dat vaderhart begon te tanen.
Bij hem verdween de illusie van zijn »voorstel”: zoo’n eigenzinnig
ding, nee...
»Laura, wees nu niet boos,” zei Udoma langzaam met de tartende
langzaamheid en temerigheid, die zijn spreken vooral kenmerkten wanneer
hij iets meende te zeggen, dat ad rem was. »Maar ik vind, dat we beter
deden dit onderwerp te vermijden. Je zult toegeven, dat dit eigenlijk
mijn terrein is. Ik heb—dit wil ik je nog wel zeggen—al lang mijn
meening in die zaak gezegd: Cornelis krijgt van mij niet gedaan, dat ik
hem toesta, zoo’n... kettersche lichte meid te trouwen.”
»Neef!” riep Laura verontwaardigd. »Hij, Cornelis zelf, heeft haar
gemaakt tot wat ze nu is... Hij voelt zijn schuld zelf. Nu zou u haar
om zijn schuld minachten?...”
»Zijn schuld? Och, ik weet niet wat de jongen scheelt: hij maalt!
Waarachtig, Laura, ik vrees, dat hij niet wijs is, of... wordt.”
»Als hij krankzinnig werd... of er onder bezweek zou dat mij niets
verwonderen.” Haar stem beefde.
»Ik heb wel eenige ondervinding van zulke gevallen...”
»Zulke liefdesgeschiedenissen?” zei de neef. Hij keek lachend op. Als
er geen derden bij waren, was wat gewaagde familiariteit in zijn oog
wel aardig, ’t Gold hier bovendien een arm nichtje. En kieschheid
verkocht notaris Udoma alleen aan zijn rijke cliënten, of was een
nummer van zijn hoffelijkheidsrepertorium, dat voor den dag kwam als
hij hoffelijk wilde zijn. Hij vond dat nu niet noodig.
Weer kreeg de mooie olijf kleur op Laura’s konen—koelit langsep zegt
men op Java—een verhoogden tint. Ze sloeg de groote donkere oogen op,
en liet haar blik weiden over ’t zot-mooie dikke gezicht tegenover
haar. En de grove zinnelijke lippen trilden even, de oogen—grijs en
koud als ijs—zonden een leegen blik terug, om, onmiddellijk een anderen
kant uit te kijken. Wat was die man onaangenaam! Zoo zei haar hart;
maar ze legde haar weerzin ’t zwijgen op. Ze wilde Cornelis redden. De
arts was ’t met haar eens: ’t zielslijden moest gelenigd worden, anders
zou de genezing blijven sleepen.
»Neef Udoma,” zei Laura kalm, hem steeds aankijkende, »de dokter is ’t
met mij eens. De oorzaak voor zijn getob moet zoo spoedig mogelijk
weggenomen worden...”
»Laura, die dokter ziet de zaken veel te donker in. Ik blijf bij wat ik
gezegd heb. Ik waag ’t erop.”
»Dan moet u maar zelf weten wat er van komt. Geeft u dan niets om uw
zoon, nog niet gesproken van... haar... en hun kind? U is toch
Christen...”
»We zullen nu maar heenstappen over die kapittelende toon van
je,—vrouwen zijn tegenwoordig ook al zedemeesters en priesters, naar ’t
schijnt—maar zeg nu ’s zelf.” Udoma maakte zich breed en sloeg de armen
over elkaar. Onder zijn deftig »air” van levenswijsheid verborg hij
zijn gevoel van zieleminderheid prachtig. »Zeg nu ’s zelf, zie jij
zooveel heil in zoo’n huwelijk? Ze is een domine’s-dochter.”
»Dat is bijzaak, als er zulke omstandigheden zijn. Hoofdzaak is
menschenliefde, naastenliefde. U màg uw zoon niet ongelukkig maken, en
haar en haar kind erbij. Bovendien, wie weet, hoe God de zaak nog ten
beste leidt, als u meehelpt om Cornelis’ fout te herstellen... zooveel
dat mogelijk is...”
»Laura, heusch, je verveelt me. Als ik over godsdienst wil spreken, ga
ik naar de pastoor, en, als ik een preek wil hooren naar de kerk.” In
’t gewone leven was Udoma voor scheiding van »Kerk en Staat.” Dit
behoorde tot den Staat van zijn persoonlijke huiselijke belangen. In de
politiek was ’t wat anders.
»Komaan, ik heb geen tijd meer. Je neemt me niet kwalijk, nie’ waar?”
Meteen richtte hij zich naar de deur.
Laura trad op hem toe:
»Neef, ik bezweer u, wees toch toegevend! U vermoordt uw zoon anders.”
Het jonge meisje had zijn arm gegrepen. Ze wilde nog een poging wagen;
op zijn vaderlijk gevoel werken. »Wat heeft de arme jongen u misdaan,
dat u zoo hartvochtig is? ’t Is uw eenige zoon...”
Udoma keek lachend in de prachtige smeekende oogen. Ze is om verliefd
te worden, dacht hij. Cornelis moet het wel met die ander meenen, als
hij tegen zulke oogen kan!
»Och, ’t is te dwaas, m’n lieve kind,” zei hij niettemin. Hij had zijn
evenwicht volkomen hervonden en had weer zijn lossen gemakkelijken toon
van den bezadigden »man van de wereld.” Juist omdat ik mijn zoon geen
gek figuur wil laten slaan ... kan ik niet toegeven. Zijn heele
toekomst... hij maakt zich immers belachelijk...”
Steeds die onuitstaanbare ongevoeligheid voor ’t werkelijk hoogere!
dacht Laura. Zijn toekomst, zijn fatsoen en wereldlijk aanzien, dat
alleen kwam in aanmerking. Of zijn zoon zondigde tegen de eerste wet
van ’t evangelie—naastenliefde bij en innig samengaand met
godsvrucht—wat deerde het hem! Als hij maar niet zondigde tegen God
Fatsoen. Hier was dus iemand, die zich Christen noemde en er niets in
zag, dat men een kind het leven gaf, en er zich dan niet meer om
bekommerde, evenmin als om de moeder. Ze dacht aan hàar moeder, en vond
haar vader niet meer zoo slecht als vroeger. Had ze ooit ’t leven in
Indië beter gekend, dan zou ze gehuiverd hebben bij de gedachte aan al
de ongerechtigheid van dit soort—die hier door »fatsoen” gedekt wordt,
en in Indië meer openlijk bedreven wordt. En ze zou een ruwen toestand
in haar geboorteland—waar licht en lucht meer overal
doordringt—verkozen hebben boven de »fatsoenlijke” huichelarij in ’t
beschaafde Nederland...
Laura’s laatste hoop, om haar neef over te halen, verdween. Dat hart
was onvatbaar voor zedelijke overreding. »Heb uzelf lief boven alles,
en uw fatsoen als uw afgod” was nu eenmaal sinds onheugelijke jaren
Udoma’s levensrichtsnoer geweest. Ze kon evengoed trachten met een
brandenden lucifer een gesloten mijngang van buiten af licht toe te
zenden, als met haar licht de korst van zelfzucht te doordringen, die
zijn hart omsloot. Haar menschenmin was er groot genoeg voor, maar ze
miste den takt, en ze miste den tijd.
Ze gaf ’t op.
Udoma stond bij de deur, en maakte een gebaar, alsof hij haar op
galante wijze vóor wilde laten gaan. Ze ging. Mismoedig, met loome
schreden ging ze de trap op. Ze hoorde Udoma zacht neuriënd door de
lange gang weer den weg naar zijn kantoor nemen. Ze was ontevreden over
zichzelve. Wat was ze naïef, wat was ze dom geweest! Ze had dan wel
heel weinig menschenkennis, om zoo’n man vermurwbaar te achten... Ze
had diep medelijden met den armen Cornelis. Hij had niets, niets van
Clarine vernomen in al die dagen...
In gedachten verzonken kwam ze zacht de ziekenkamer binnen, en zette
zich op haar gewone plaats bij ’t bed. Cornelis wist niets van ’t
onderhoud en haar optreden.
De jonge man zat half opgericht in zijn bed Met gefronste wenkbrauwen
zat hij over een boek te turen. Toen Laura binnenkwam, verhelderde zijn
gelaat. Met een levendig gebaar wierp hij ’t boek aan ’t voeteneinde,
en sloeg den blik op.
Voor Domine Dauteville’s vroegere woning in de buurt van ’t
Bezuidenhout stond ’s avonds om negen uur een donkere gestalte. Achter
het glas boven de deur brandde geen licht en de straatlantaarn was wat
ver af. De gestalte moest dus herhaalde malen naar ’t briefje kijken,
dat buitenop geplakt was, voordat ze kon lezen wat er stond. »Uit de
stad, brieven en boodschappen...” jawel, dacht de jonge vrouw aan de
deur, ’t gewone, maar wat heb ik daaraan? Ze begreep, dat haar tocht te
vergeefs zou wezen, tenzij ze bij de buren informeeren kon? Maar, als
de predikant en zijn dochter om die reden weg waren, zouden ze wel geen
adres aan de buren hebben opgegeven. En aan ’t postkantoor zou men ’t
niet weten. Bij die menschen, waar de »brieven en boodschappen...” och,
dat zou wel een »smoesje” wezen. En, als ze ’t verblijf van de
vertrokkenen wisten, zouden ze wel weten te zwijgen, afgezien nog van
de onbescheidenheid, om op zoo’n laat uur daarnaar te vragen.
Laura Van Keulen slaakte een diepen zucht. Ook deze poging, om de
betrekking tusschen die beiden te herstellen, zou dan mislukken. Haar
plan was anders wel wanhopig schier. Ze wilde Clarine overhalen, om in
een kerkelijk huwelijk toe te stemmen. Dat zou dan aan Cornelis’ bed
door een priester voltrokken moeten worden. Ze had zich de illusie
gemaakt, dat ze daartoe haar biechtvader wel kon overhalen! Die zou met
Clarine ’s avonds stilletjes in huis worden toegelaten. Met wat overleg
en Gods hulp hoopte ze haar doel te bereiken. Ze wist, dat ze dan iets
liet doen, dat de wet strafbaar stelde. Maar wat was in haar oog de
menschelijke wet bij de Goddelijke? Nood breekt wet, redeneerde zij. En
als er een kerkelijk huwelijk was gesloten, zou hun verbintenis ten
minste tegenover geloofsgenooten van de smet gezuiverd zijn, die er nu
aan kleefde.
Laura was twee en twintig, vroom en idealistisch; van de grondstof,
waarvan martelaressen gemaakt worden...
Weifelend en aarzelend stapte ze eenige schreden voorbij het huis van
den predikant. Neen, er was niets aan te doen. Ze had gedaan wat ze
kon: in vredesnaam, dan maar naar huis. Ze kon niet meer door naar
Delmond—o geen idee van. Dan maar te Utrecht zien te logeeren bij die
oude menschen. Die zouden haar zeker de late komst niet kwalijk
nemen...
Ze stapte nu vastberaden voort in de richting van ’t Rijnspoorstation.
Plotseling zag ze iemand met haastige schreden den hoek van een straat
omslaan, ’t Was op ’t Bezuidenhout. De voortsnellende ging rakelings
voorbij haar. ’t Was een vrouw. Ze ging dezelfde richting, naar ’t
station. Een onverklaarbare opwelling deed haar aan Clarine denken. Zou
zij ’t zijn? En dan naar ’t station, misschien om te vertrekken?... God
wilde haar dan ten slotte toch helpen! In een oogwenk had Laura de
ander ingehaald. Ze wierp haar een doordringenden blik toe. In ’t licht
van een lantaarn kon ze vrij goed zien.
»Clarine!” riep ze. Laura begreep zelf niet, waarom ze plotseling dien
voornaam uitsprak: de gezochte was sinds weken steeds in haar
gedachten, ’t was of ze haar goed kende.
De toegeroepene stond plotseling stil, doodelijk geschrokken.
»Wie is u?” De stem klonk heesch en angstig.
Een oogenblik later wankelde Laura, en bracht de beide handen naar ’t
gelaat. Ze had een slag gekregen, die haar deed duizelen. Toen ze, na
even tegen een lantaarnpaal geleund te hebben, bijkwam en rondkeek, was
Clarine verdwenen.
Aan ’t station gekomen, zag ze juist den trein naar Utrecht wegstoomen.
»Arme Clarine!” mompelde het jonge meisje.