De achtergeblevenen waren eenige oogenblikken onder den indruk; beiden
zwegen. Cornelis was de eerste, die de stilte verbrak.
»O Laura, wat vind ik dat naar voor je! Ik kan je niet zeggen, hoe naar
ik ’t vind!” Zijn stem was nog beveriger dan anders.
»Kom!” zei ’t jonge meisje, »maak je daar niet ongerust over. ’t Is
niet erg hoor...”
Haar vermoeden, dat er een geheim lag tusschen Cornelis en Clarine
Dauteville, was thans schier zekerheid geworden. Zij had ondanks haar
jeugd veel van ’t leven gezien, meer ondervonden, meer nagedacht dan
menig jongmeisje van haar leeftijd. Haar werkkring ook had haar veel
doen zien en opmerken, en haar ernstiger gemaakt dan ze wellicht in
andere omstandigheden geweest zou zijn. Ze zag in Clarine een voorbeeld
van uiterlijke beschaving zonder degelijke kern, zooals ze dat zoo vaak
had waargenomen onder meisjes van haar stand; maar ze begreep ook, dat
slechts een schok, een aandoening van hevigen aard kon bewerken, dat
zulk een aan uiterlijke »vormen” hechtend persoon zich zoo vergat, als
Clarine gedaan had. Dat in verband met Cornelis’ ontroering, toen
Clarine’s kaartje binnengebracht werd, en hij haar aarzelend meedeelde,
dat ze in stilte verloofd waren, en eindelijk de vreemde
afgetrokkenheid, ’t duidelijk sprekende verdriet van den jongen man, al
de dagen van hun samenzijn, zoo gansch niet verklaarbaar uit zijn
lichamelijken toestand, dat alles deed Laura de waarheid raden: dat
meisje moest wel ongelukkig wezen! En diepe deernis vervulde haar.
Iets in haar blik scheen haar gedachten te verraden. Cornelis bewoog
zich onrustig in zijn bed. Wat kon hij tot verontschuldiging voor
Clarine aanvoeren? Zij, Laura, mocht niets weten van al de ellende, die
hem en ’t ongelukkige meisje vervulden. Wellicht vermoedde ze thans
iets... waarom keek ze hem zoo vreemd aan, en was ze zoo lankmoedig na
dien stortvloed van onverdienden smaad, dien Clarine haar naar ’t hoofd
geslingerd had? Als ze vermoedens had, zou dat hun verhouding zeer
onaangenaam kunnen maken. Ware ’t dan niet beter ronduit alles te
zeggen? Laura was een goed en verstandig meisje, een vrouw in raad en
oordeel. Ze was vroom en lankmoedig, belangstellend, zorgzaam, teeder
zelfs. Hij mocht haar graag. Ze was als een zuster, ja beter dan menige
zuster voor haar broeder. O, wat ’n zaligheid als hij zijn hart
eindelijk eens uitstorten kon, en eens een woord kon hooren uit een
anderen mond dan dien zijns vaders, uit een lieven sympathieken mond!
Zeker, ze zou niet hard zijn in haar oordeel. Ze zou hem steunen in
zijn streven om alles goed te maken, zooveel dat nog mogelijk was; ze
zou hem zeker vriendelijken raad geven...
»Laura,” zei Cornelis op eens, en zijn bleeke wangen gloeiden. De toon
van zijn stem trof de toegesprokene.
»Kalm zijn, Kees!” antwoordde ze vermanend. Ze stond weer bij zijn bed,
en ging zitten. »Laat toch deze zaak rusten. Ik weet, dat juffrouw
Dauteville er niets van meent, geloof me. Kom, ik lach om de zaak...
Denk toch aan je zelven, je windt je op en verergert maar je
toestand...”
»Dat kan me niet schelen!” riep de jonge man hevig. »Trouwens, ’t is
beter, dat ik nu spreek, dan dat ik nog langer zwijg... Je moet weten,
waarom dat arme kind zoo zenuwachtig en opvliegend was. Waarom ze
zoo...”
»Spreek in allen geval bedaard,” viel de ander in, wel beseffende, dat
hier thans geen tegenhouden mogelijk was.
»Kalm aan, en ik zal naar je luisteren. Anders, heusch hoor, laat ik je
alleen...”
»Goed, goed, ik zal bedaard zijn...” De bedreiging had inderdaad eenige
uitwerking. Meer nog de waardige stille eenvoud der verpleegster, de
voorbeeldige zelftucht, die uit heel haar wezen sprak. Haar blik deed
vaak meer dan kalmeerende middelen konden bereiken, haar woord kon
gemoedsstormen doen bedaren.
Cornelis zweeg even, en zuchtte diep. Hortend kwam er uit: »Ik kan ’t
niet langer voor me houden! Clarine is ongelukkig. En... ik ben ’t
ook!... ’t Is alles mijn schuld! Alles! Ik kan er nu niets aan doen. En
ik zou toch graag alles goed maken... om haar! Ik vind het
verschrikkelijk, dat ze me verdenkt...”
Hij zweeg, en wendde het hoofd af. Laura zag niet, dat er tranen in
zijn oogen stonden, en zijn lippen vast op elkaar gesloten waren.
»En je houdt immers veel van haar?” vroeg het jonge meisje vriendelijk.
Toch klonk die vraag hem, alsof er ironie in lag. Hij antwoordde niet
dadelijk.
»O, Laura!” riep hij eindelijk zich weer tot haar wendende. »Dat is
juist wat me zoo ellendig maakt! Ik hôu niet... niet... meer van haar.
Daar! ’t Is er uit...”
»Dat spijt me, Kees. Maar dat maakt toch geen verandering in je
plannen? In allen geval ben je voornemens haar te trouwen!”
»Natuurlijk...” In dat enkele woord lag een ontzaggelijke bitterheid.
Zij keek hem aan en begreep hem.
»Kan je vatten, hoe ik me er onder voelen moet?”
Laura zweeg, en keek vóor zich. Haar gelaat teekende ernst en
medelijden.
»Ik lig hier machteloos,” ging hij voort... »En toch... wil je
gelooven, dat ik aanvechting voel, om me dood te wenschen, liever dan
zoo’n huwelijk aan te gaan?!” Hij haalde diep adem, met een snikkend
geluid, en wendde zich opnieuw van Laura af. Ze legde haar hand op zijn
schouder.
»Kom, Kees!” zei ze zacht. »’t Is hard voor je, zeker. Maar zulke
gedachten moet je van je af zetten. Er is een belooning in ’t nakomen
van een harde plicht. Je geweten zal je die belooning zeker geven. Die
kaatst, moet de bal verwachten, dat moet je ook niet vergeten, Kees. Je
moet nu eenmaal. Bid God om kracht, en wie weet, hoe alles nog anders
uitvalt dan je nu denkt.”
Cornelis keek somber vóor zich uit, strak, als wezenloos. De
verpleegster ging voort:
»Wie zegt je, of Clarine’s karakter niet nog veranderen zal? Het
moederschap doet soms wonderen. Doe je plicht, en laat de rest in Gods
handen, geloof me, Kees.”
»Je hebt gelijk, je hebt gelijk,” mompelde Cornelis droomerig. Hij
voelde een oneindige droefenis zijn gemoed overstroomen. En de stem,
die tot hem gesproken had, klonk nog na in zijn ziel: hartelijk en
teeder, onzeggelijk beminnelijk... Wat was Clarine bij dit eenvoudige
lieve meisje! Wat een schril contrast van teugellooze hartstocht en
heerlijke zelftucht! Dit meisje zou den man gelukkig maken, die waardig
was haar tot vrouw te krijgen. En te denken, dat hij wellicht die man
had kunnen wezen, als hij niet zoo verblind was geweest, niet zoo’n
ezel... Hij had Clarine niet lief, neen, duizendmaal neen. Maar zij hem
dan? Juist haar hevig versmaden van zijn liefde getuigde van een
grooten hartstocht. Of die ooit liefde geweest was of worden zou? Wat
deed dat ertoe? Er was hier meer; er waren meer belangen in ’t spel dan
’t hare en ’t zijne: dat van hun kind, wanneer ’t ter wereld kwam...
»Laura,” zei Cornelis op eens op heel anderen toon dan te voren, »’t is
geen zonde, geen misdaad—nietwaar?—een meisje te trouwen, dat je niet
lief hebt... in dit geval, bedoel ik?” Hij wilde de bevestiging van
zijn eigen denkbeelden door haar hooren uitspreken: haar instemming zou
hem kracht geven en wijding aan zijn streven.
Met volle overtuiging antwoordde het jonge meisje: »Integendeel. Je
moogt niet anders handelen. Ik weet wel, dat er veel menschen zijn, die
er niet zoo over denken, en die me zelfs zouden uitlachen, als ze me
hoorden spreken; maar ik vind, dat, als er zoo’n misstap begaan is, ’t
huwelijk alleen de twee schuldigen tegenover hun geweten kan redden,
zelfs al zijn er... geen gevolgen zooals in dit geval...”
»Tegenover hun geweten... zeker,” mompelde Cornelis in gedachten
verzonken »dat is ’t... ik haat dat «schijn redden”.—En als er een kind
is?”
»Dan... dan,” antwoordde Laura, vol vuur in haar spreken, »houdt alle
gedachte aan eigen belang op, en moeten beiden zich opofferen in ’t
belang van het arme wezen, dat door hun schuld in de wereld komt...” Ze
hield zich in: ’t was niet goed te veel hierover uit te weiden,
Cornelis was al zenuwachtig. »Maar,” ging ze voort, »laten we niet
verder daarover spreken. Je hebt je bekentenis gedaan, en voelt je nu
opgelucht. Nog eens: blijf bij je goede voornemens, en vertrouw
overigens op God...”
Hij zocht haar hand, en drukte die innig. Zij trok haar hand terug.
»Ga nu slapen. Je hebt je veel te veel opgewonden. Kom, ik ga wat
lezen.”
’t Jonge meisje stond op, wierp even een blik vol zorgzaamheid op den
zieke, en begaf zich naar de tafel.
Cornelis lag roerloos, met de oogen dicht. Hij dacht aan Laura’s
woorden, zoo vol innige overtuiging. Hoe vreemd was ’t een jong meisje
zóo te hooren spreken over zulk een onderwerp! En toch, hoe wonderlijk
indrukwekkend klonk zulk een taal uit zulk een mond! Wie had ooit te
voren tot hem zóo gesproken? De gangbare opvatting onder zijn
standgenooten was immers, dat kuischheid voor een jongen man nu eenmaal
onmogelijk was. En hij had ergens in een Fransch werkje gelezen, dat
geen enkel groot man kuisch was. Hoe prachtig paste die opvatting in ’t
kader van zijn levensfilosofie, zooals ze drie maanden te voren nog
was! Hoe lenigend en gewetensussend klonk ze voor den jongen man, die
zich niet meer kuisch voelde. Kuisch! ’t Woord had iets belachelijks,
iets dat naar den drogen zedemeester rook, die »’t leven” niet kende.
Dat was zoo studentenopvatting. Salomo zelf was niet kuisch, en die was
immers de wijze koning bij uitnemendheid? Alexander de Groote, Caesar,
Lodewijk de Veertiende, Chateaubriand, Göthe, Shelley, Napoleon...
voorbeelden te over: allen immers luchtig denkende over geslachtelijke
liefde? O, hoe haatte hij thans die uitdenksels van verdwaalde
hersenen! Neen, hoe grooter een mensch is, des te hooger zijn eischen
aan zelftucht, des te strenger zijn kuischheidsbeginselen. Tegenover de
voorbeelden van mannen met onreinen levenswandel stonden tal van
anderen, die steeds ’t ideaal van zedelijkheid hoog gehouden hadden:
een Cato, een Luther, een Grotius, een Spinoza, een Willem de Derde van
Engeland, een Schiller, een Walter Scott, een Gladstone en wie niet al!
En dan, wat de geschiedenis groot noemt, is nog niet altijd groot in
den zin van hoogstaand in karakter, in verdiensten tegenover de gansche
menschheid. Een veroveraar, al is hij een groot werktuig in Gods hand,
is daarom nog niet zedelijk groot: Alexander van Macedonië stierf in
een roes van beestachtigheid als erbarmelijke prooi zijner
hartstochten. Lodewijk de Veertiende had een walgelijken ouderdom.
Napoleon had geen zielegrootheid genoeg, om de ballingschap gelaten en
wijs te dragen: hij stierf na korte jaren. De werkelijk groote mannen,
die veel gezondigd hadden op geslachtelijk gebied, waren groot ondanks
die zonden, en hun verdiensten voor ’t alheil waren zoodanig, dat die
zonden licht wogen tegen de som dier verdiensten...
Disputen met zijn »contub” ter zake van dit voor jonge menschen zoo
aantrekkelijk onderwerp kwamen Cornelis weer levendig vóor den geest:
Frits Seeman was ’t zoo vaak oneens met hem geweest. Die hield vol, dat
karaktergrootheid en kuischheid bijna altijd samen gingen. En Cornelis
dacht thans ook aan ’t redenaarsgebaar, dat het kleine kereltje zoo
grappig maakte, wanneer hij deed, alsof hij wees op de volken, die
werkelijk groot waren, op de tegenwoordige macht van Duitschland, de
kracht van ’t matige Oud-Holland in de dagen der Republiek, de
zeeheerschappij van Engeland, den vooruitgang van Noord-Amerika en
Canada, en dat alles tegenover het verval der Romaansche volken, die
maar al te veel losse zeden dulden en zelfs verheerlijken.
»Nee, m’n manneke,” riep de kleine Frits dan »’t is met de menschen net
als met de volken: die zijn hartstochten beheerscht, is ook een
heerscher op ander gebied. ’t Beginsel van alle wijsheid...”
»Is de vreeze des Heeren” viel Cornelis toen lachend in.
»Zeker, als je ’t zoo noemen wil,” antwoordde de ander onverstoorbaar.
»De vreeze Gods is evengoed ’t bevechten van kwade neigingen, ’t
in-toom-houden van je dierlijke levensuitingen.”
Cornelis glimlachte in zijn droefheid. ’t Beeld van den komisch
ernstigen kleinen declamator rees hem zoo duidelijk vóor den geest, en
’t was of hij hem dat »dierlijke levensuitingen” nog hoorde zeggen. Wat
had hij toen gelachen om de blijkbare voldoening, waarmee Fritsje dit
deftige woord had uitgesproken! ’t Was zoo een van die
standaarduitdrukkingen van den «jurist” Frits Seeman.
Ja zeker, Frits had gelijk, stellig. En Laura ook. Hij was nu rustig en
gelaten. En in een opwelling van erkentelijkheid voor ’t licht, dat
thans zoo helder in zijn ziel scheen, bracht hij de handen bijeen, en
bad.
Een half uur later keek een donker oogenpaar om den hoek van ’t schut
naar den zieke.
»Goddank,” mompelde zij zacht en met voldoening. En kalm hervatte zij
de lezing van Vondel’s Lucifer. Maar de lectuur boeide haar niet; haar
gedachten bleven bij den zieke en de pijnlijke tooneelen, die ze dien
avond bijgewoond had.