»Is meneer thuis?” vroeg een zachte stem eenigszins zenuwachtig. De
oude huisknecht van Notaris Udoma keek vreemd op. Een juffer, en dan ’s
avonds om acht uur, alleen... Woû die meneer spreken? Over zaken? Maar
meneer hield geen kantoor om dien tijd! Hij nam het dametje van hoofd
tot voeten op. Nee, onbekend. Bovendien was het al wat donker...
»Meneer...” antwoordde Jacob een beetje aarzelend... »de oude meneer is
uit, de notaris bedoel ik...”
»Nee, ik meen de jonge meneer. Mijnheer Cornelis Udoma.” ’t Kwam er met
merkbare verlichting uit.
»Weet u dan niet, dat meneer Cornelis ziek ligt?”
»Zeker, juist daarom kom ik. Ik kom ’s naar meneer kijken.”
Nog steeds stonden beiden aan de deur. De knecht was beteuterd, en
Clarine, de late bezoekster, vond het raadzaam eerst volkomen zeker te
zijn, dat de notaris niet thuis was, voordat ze binnen ging. Als hij
thuis kwam, terwijl zij binnen bij Cornelis was, zou dat haar niet
hinderen: ze wilde er niet aan denken. Hij mocht zeggen wat hij wilde,
’t kon haar niet schelen. Ze had haar doel dan toch al bereikt...
Maar ze trof het. Notaris Udoma vond het thuis akelig vervelend nu zijn
zoon ziek lag, en bijna iederen avond was hij na zeven in de soos. Een
enkele maal dronk hij thee bij een kennis. In ieder geval kwam hij dan
niet voor half elf thuis.
»De oude meneer is dus bepaald niet thuis? ’t Spijt me, zie je, ik had
’m graag ontmoet. Maar... wil je dit kaartje aan mijnheer Cornelis
brengen?”
De oude man zeî niets, nam ’t kaartje aan en liet de juffrouw binnen.
Zwijgend deed hij een zijdeur in de gang open.
»Gaat u even in ’t spreekkamertje. Maar... U weet, dat meneer Cornelis
’n been gebroken heeft. Ik weet eigenlijk niet, of... meneer u
ontvangen kan ...” Jacob de huisknecht keek erg wantrouwend. Clarine
glimlachte vluchtig, zenuwachtig.
»Och kom,” zei ze, »Meneer zal mij wel willen ontvangen. Laat ’t
kaartje maar zien ...”
»Goed, juffrouw.” Jacob schuifelde weg, de gang door, slof slof slof op
zijn zachte pantoffels, de trap op.
Clarine luisterde in spanning, of ze een geluid kon opvangen van ’t
geen boven gesproken werd. Maar ’t huis was te groot; Cornelis’
slaapkamer lag aan den tuinkant boven.
’t Duurde zeker tien minuten voordat de oude Jacob weer verscheen. Hij
deed de deur open en hield die open, zonder een woord te zeggen.
»Mag ik boven komen?” vroeg het jonge meisje angstig, niet in staat
haar ontroering te bedwingen. Jacob keek haar aan, en antwoordde met
een ontevreden gezicht:
»Jawel, juffrouw. Ik zal u voorgaan!”
De langzaamheid van den ouden dienaar maakte Clarine’s zenuwachtigheid
nog grooter. Eindelijk, daar stond ze voor de deur van Cornelis’ kamer.
De huisknecht verdween.
Met bevende vingers klopte ze aan. Haar hart bonsde.
Een vreemde stem antwoordde vriendelijk:
»Binnen!”
De slaapkamer, waar Clarine thans binnentrad, was flauw verlicht. Een
groene kap temperde het gaslicht in ’t midden van het vertrek. De
meubels waren geriefelijk, maar vrij eenvoudig: een ronde tafel, een
sofa, eenige stoelen en fauteuils; in een hoek, links van de
binnenkomende, een japansch scherm, waarachter het bed: alles ordelijk,
net, zindelijk. Geen ziekenkamerlucht, slechts een nauw merkbare reuk
van sallicyl-zuur.
»Kom u binnen!” herhaalde de vriendelijk stem tot de aarzelende
Clarine. Deze trad naar voren op de spreekster toe. De aandoening was
haar nog te machtig. Met inspanning bracht ze uit, na een zwijgenden
groet:
»Ik hoop, dat ik niet lastig zal wezen... Ik woû ’m zoo graag zien...
Ik ben er expres voor gekomen...”
Achter ’t scherm klonk een mannestem, wat zwak en beverig:
»O, Clarine, hoe goed van je om te komen! Kom hier bij mijn bed zitten.
Nietwaar, Laura, ik mag immers wel wat praten nu?”
»Als je je maar niet opwindt, dat weet je. Dus niet te lang. Juffrouw
Dauteville zal me wel niet kwalijk nemen, dat ik ’t zoo ronduit zeg?”
De toegesprokene beet zich op de lippen. »O, volstrekt niet,” zeî ze.
Ze nam ’t andere jonge meisje eens op. Een nonna van ’t echte soort!
was haar eerste gedachte. En toch besefte ze onmiddellijk, dat ze
onoprecht was tegen zichzelve. Dat hinderde haar, maakte haar kregelig.
Die Laura was donker van huidskleur, zeker, maar ze was een dame in
spraak en manieren ... misschien nog in meer. En ze zag er goed uit:
donkere afhangende krullen, prachtige groote oogen met lange wimpers,
een klein neusje, een donzige huid, een slanke lenige gestalte. ’t
Verpleegsterskostuum misstond haar niet, integendeel. Dat alles merkte
Clarine op in de enkele steelsgewijze blikken, die ze op de
verpleegster wierp. En de ontdekking van zooveel goeds kwam in
onaangename, korzelig makende botsing met de voorstelling, die ze van
»die Laura” gevormd had. Ze had gedacht een dom, schreeuwerig,
sluikharig, platneuzig, slecht gekleed meisje te zullen ontmoeten,
»zoo’n halve baboe,” zooals Clarine’s Haagsche kennissen zich
uitdrukten wanneer ze ’t over zulk een type hadden.
De tegenstelling van gedachtebeeld en werkelijkheid was bizonder groot,
bizonder pijnlijk voor Clarine’s eigenliefde.
Ze voelde zich verlegen, en dat tegenover een nonna! De verpleegster
bood haar een stoel aan vlak bij ’t bed van den zieke, op de plaats,
waar zij zelf gezeten had, en maakte een beweging naar de deur.
»Wil u heengaan?” vroeg Clarine. »We hebben niets te bespreken, dat u
niet hooren mag.” Ze wist nauwelijks wat ze zeide. Ze had gezien, dat
Cornelis ziek lag, hij kòn niet gelogen hebben, en hij werd verpleegd
door een ontwikkeld, beschaafd meisje, met innemend uiterlijk en
innemende manieren. Die twee ontdekkingen hadden haar geheel van streek
gebracht. En ze had bovendien een overdreven vrees, dat
geheimzinnigheid vermoedens zou wekken, in verband met haar vreemde
onverwachte overkomst en haar zenuwachtigheid. Ze kòn die niet
bedwingen. ’t Was om dol te worden!
De verpleegster keek vreemd op, even. Niets te bespreken? dacht ze.
Clarine kleurde hevig, en haastte zich achter het Japansche scherm te
treden, uit het licht. Zou Cornelis iets verteld hebben?... Onmogelijk.
Laura weifelde een oogenblik. Daarna zei ze losweg: »O, kan ik blijven?
Wacht, dan zal ik even voor je medicijn zorgen, Kees.” Meteen liet ze
Clarine met den zieke alleen in de afzondering achter ’t Japansche
scherm.
Kees! dacht Clarine. Wat ’n familiariteit en wat ’n platte, gemeene
verkorting voor Cornelis! Zij had hem altijd Cor genoemd, wat zij op
Haagsche wijze »Kog” uitsprak.
Het uit het gezicht gaan van de verpleegster gaf haar een zekere
voldoening. Voordat ze zich nederzette, greep ze Cornelis hand. Hij
hield die uitgestoken, hartelijk, met tranen in de oogen. Hij maakte
een beweging met het hoofd, even met moeite, om te kennen te geven, dat
hij een kus verlangde. Maar Clarine keek hem aan, en deed alsof ze ’t
niet merkte. Cornelis zei niets dan:
»Zoo, Clarine. Hoe is ’t?” Er was angst en bezorgdheid in zijn stem.
»O goed”, antwoordde ze vrij koel. En iets zachter liet ze volgen: »Ik
mag wel medelijden met jou hebben.” Ze keek hem strak aan. »’t Gaat
beter, niet waar? Immers geen gevaar?” O, die ellendige
zenuwachtigheid! En waaròm dan toch eigenlijk?
»Maak je niet bezorgd om mij.” Er sprak deernis uit zijn stem. Hij
wist, dat ze alle reden had, om, bezorgd, neen rampzalig te wezen. Hij
wist niet dat jaloezie en wantrouwen haar de laatste troost ontnamen:
’t geloof in zijn liefde. In zijn deernis zag hij daar vóor zich het
slachtoffer van maatschappelijk vooroordeel: zij zou in ’t oog der
wereld de grootste schande dragen, als hun huwelijk eens onmogelijk
werd. De grootste schande? Neen, alle schande, dacht de jonge man met
innige bitterheid. Wat schaadde het hèm, ook al wist men, dat hij in
zijn studententijd een «dwaasheid” begaan had, en er ergens een kind
van hem bestond? In ’t oog van velen onder zijn standgenooten was zoo
iets al heel onbeteekenend; ’t maakte hem in enkeler opvatting zelfs
belangwekkend. En de vrouwen, de jonge meisjes: niet de helft, geen
twee van de tien, daar! die er hem om zouden minachten of minder als
begeerlijke »partij” voor een huwelijk beschouwen! Zij... was voor goed
verloren, geschandvlekt, gebrandmerkt! En geen leven van berouw en
boetedoening zou haar misstap, steeds blijkend uit haar kind, „voor de
wereld” goed maken. Als hij genas, zou hij ’t huwelijk doorzetten, in
allen geval; maar haar naam zou in de achting harer standgenooten toch
nooit volkomen hersteld wezen...
Vlijmend zelfverwijt martelde hem. Hij voelde zich de schuldige, hoe
meer hij erover dacht. En hij had in de dagen van zijn ziekliggen
zichzelf wat gekweld! ’t Was eene ware pijniging nu hij gedwongen was
te zwijgen, steeds te zwijgen. Zijn vader kwam zelden aan zijn bed: die
was de eenige, die van »de zaak” afwist, en ’t stuitte Cornelis tegen
de borst er met hem over te spreken. Zijn vader was blijkbaar tevreden,
dat hij op die wijze van verder »gezanik” af was. Over die nachtelijke
dieverij had hij geen woord gerept, en Cornelis had wijselijk zijn mond
gehouden. Zijn vader voorzag van de onverwachte gebeurtenis veel goeds:
’t jonge mensch zou nu zijn kuren wel afleeren en verstandig worden.
Zonder twijfel was dat zijn opvatting: uit enkele uitlatingen was dat
Cornelis voldoende duidelijk geworden.
O, dat besef van schuld gunde hem geen rust of duur. Zijn verpleegster
had spoedig bemerkt, dat hij zich over iets naar maakte, ze gaf hem op
kiesche wijze een wenk. Enkele verwarde woorden, die ze opving, als hij
droomde, en zij naast zijn bed waakte, deden vermoedens bij haar
opkomen. Ze begreep, dat er hartsgeheimen waren. En in haar onschuldig
vertrouwen sprak ze van een priester, zoo in ’t algemeen, en vroeg ze,
losweg, of hij nooit biechtte. Hij voer korzelig uit met een afgebeten
»Och, waarom zou ik?” Hij schrok terug voor biechten in zulk een
kiesche zaak, en miste het blinde vertrouwen van den eenvoudige des
harten. In den priester zag hij den mensch, niet den door God
gemachtigde om vergiffenis van zonden te schenken; van den mensch, vaak
jong, voortgekomen uit en zich bewegend in een andere wereld dan hij en
volslagen onervaren in die levensuiting vol raadselen, welke men
geslachtelijke liefde noemt, van dien mensch verwachtte hij geen heil,
geen opbeuring of leniging van pijn. Neen, ’t eenige dat hij kon doen
was zijn schuld peilen en voor zichzelf blootleggen, biechten voor God,
zooals Cornelis het noemde.
Hij dacht weer aan dat geheimzinnige Wezen, sinds kort, en de
hernieuwde betrekking was hem nog vreemd. Hij voelde zich als een hond,
die weggeloopen en teruggevonden is, tegenover zijn meester, een
meester die niet kastijdt, maar alleen verwijtend schijnt te kijken.
Hij voelde zich ongemakkelijk, verlegen. Toch zocht hij daar zijn
kracht, soms schier wanhopig.
Hoe vaak had hij, met den rug naar zijn verpleegster gekeerd, de handen
onder ’t dek krampachtig samengeklemd en zijn gedachten op dat eene
punt gevestigd: vergiffenis door wroeging gekocht, zuiverend en
sterkend. ’t Was alles zoo vreemd, zoo vreemd, die godsdienst van ’t
gemoed, waar hij jaren achtereen—sinds zijn moeders dood—den godsdienst
als louter vorm had leeren beschouwen! Maar hij zou volhouden: de
genade zou komen...
Cornelis dacht aan dat alles in de enkele minuten, dat hij en Clarine
zwijgend bij elkaar waren.
Bij haar woelden gansch andere denkbeelden. Ze wachtte tot hij zou
spreken, en schreef zijn zwijgen aan verlegenheid toe, omdat zij zijn
trouweloosheid ontdekt had. Wat gaf zij er om, of hij al betuigd had,
dat hij alles zou doen wat hij kon, om haar te redden, als ze wist, dat
’t hem een last was? ’t Wàs hem een last, àls hij ooit haar tot zijn
vrouw maakte. Als! Die Laura... Een vraag brandde haar op de lippen.
Haar drift was machtiger dan haar wil.
»Hoe lang is dat mensch hier al, om je op te passen?” Haar stem klonk
hard en duidelijk. Ze was onderwijl vuurrood geworden, en haar oogen
fonkelden.
»Dat mensch?” vroeg Cornelis met kwalijk ingehouden verbazing.
«Clarine!”
De toon van zacht verwijt in Cornelis’ stem deed de vonk overslaan, die
Clarine’s toorngloed deed uitlaaien.
»Dat mensch hier natuurlijk, die verpleegster van je! Die nonna!...” Ze
was opgestaan.
Ze zag noch voelde iets dan haar gloeiende jaloezie, opgezweept door
haar wanhoop. De zieke met zijn vermagerd gelaat, dat duidelijk sprak
van veel doorgestaan lijden, was hier niets dan de ontrouwe minnaar, de
valschaard, die niets voor haar voelde, dan wat medelijden! Clarine’s
stem klonk schel, en de woorden, die ze uitsprak, vielen als
zweepslagen in de stilte van ’t vertrek. Cornelis keek met groote
oogen, in stomme verbazing.
»Juffrouw Dauteville, denk aan de zieke, als ’t u belieft”, zeide de
verpleegster, die ongerust, en slechts aan Cornelis denkend, haastig
naderbij kwam. Haar toon was zacht vermanend. De kalmte en ’t
zelfbedwang erin ergerden Clarine, als drukten ze minachting voor haar
hevigheid uit. ’t Was als olie op vuur.
»U behoeft me de wet niet te stellen, juffrouw Van Keulen! Maar ik zie
’t wel... u heeft hier alles te zeggen... en Cornelis heeft niets
liever ... hij houdt immers van u ...”
Laura keek de woedende bedaard aan, zonder een woord.
»Clarine lief, in Gods naam!...” riep Cornelis, eindelijk in staat iets
uit te brengen.
»Lief? Ik bèn niet lief voor je! Zeg dat tegen haar, die je mij laat
beleedigen... zonder me te verdedigen. Neem ’r voor mijn part, ik
wensch je geluk met de koop. Ha, ha! En u juffrouw Van Keulen...”
»Neem me niet kwalijk, juffrouw Dauteville,” viel de toegesprokene in.
»Ik ben tegenover de dokter verantwoordelijk voor de rust van mijn
zieke... Ik kan niet toelaten, dat u hier zoo schreeuwt.”
’t Kwam er steeds kalm uit. Inwendig beefde ze van verontwaardiging.
»Ik zal heengaan,” antwoordde Clarine iets zachter, maar nog hevig,
hartstochtelijk. »Wees gelukkig samen. Hij zal jou wel beter behandelen
dan hij mij gedaan heeft, zeker omdat je een nonna bent!” Clarine’s
stem had weer iets krijschends gekregen. Stem en gelaatsuitdrukking
waren onherkenbaar. Ze stikte bijna. Niet de helft van ’t geen ze
zeggen wilde kwam er uit.
»Clarine, blijf!” riep Cornelis, die haar weg hoorde gaan. Maar de deur
was al dichtgeslagen.