CORNELIS VLEUGELLAM.

Onze student in de rechten was nu een week te Delmond bij zijn vader.

Na de eerste woordenwisseling over »de zaak” waren er ettelijke andere

gevolgd, alle kalm begonnen, alle hevig hartstochtelijk geëindigd,

terwijl in alle zijn vader bedaard en onverzettelijk bleef. ’t

Hersenlooze ça ne se fait pas, uit den treure op denzelfden toon

herhaald, had Cornelis op ’t laatst razend gemaakt. ’t Einde was

verklaarde oorlog met zijn levengever. Deze bleef lachen, spotten,

schouderoptrekken.

Cornelis lag in zijn bed. ’t Was drie uur in den nacht: hij kon net op

zijn horloge kijken, want de maan scheen helder in zijn kamer. Deze

kwam uit op den tuin achter en lag op de eerste verdieping vlak naast

die van zijn vader.

Hij lag al sinds elf uur in zijn bed... klaar wakker. Wanhopig was hij

van ’t avondeten opgestaan na een laatste schermutseling met zijn

vader.

Hij was er nu mooi aan toe, waarlijk! Geen rooie cent om weg te komen,

en dus genoodzaakt te Delmond te blijven, terwijl hij Clarine spreken

moest, moest, moest! Hij kon immers niet alles in een brief zetten ...

En zijn vader wilde hem nu dwingen voorloopig op de plaats te blijven,

totdat hij wat gekalmeerd was en die »zottigheden” uit zijn hoofd gezet

had.

’t Was nu al een week, dat die arme Clarine op tijding wachtte, en dat

in haar toestand! Och, ’t was zijn schuld niet: hij had alles in ’t

werk willen stellen, om zijn vader tot toestemming over te halen. Moest

hij nu nog langer aanhouden, de kans loopen, dat die lamme zaak nog een

maand bleef sleepen? En haar ondertusschen schrijven, dat ’t nog wel

gaan zou? En als ’t dan ’s niet ging ... Nee, bah, dat wàs geen

handelen! Maar wat dan? Of hij al wegging, haar opzocht, sprak, de zaak

uitlegde en wat niet al, dat eene bleef als een paal boven water: ’t

huwelijk was onmogelijk vóor volgend jaar Mei, als hij drie-en-twintig

werd. En hoe dan nog nog, als zijn vader bleef weigeren! Idiote

wetsbepalingen! Cornelis wenschte, dat hij in Engeland was; ’t scheen,

dat hier in Holland iemand van zijn leeftijd nog als een kind werd

beschouwd. Dan zeker omdat een Hollander lummelachtiger, minder

»leersch” is dan een Engelschman? Dat burgerlijk wetboek haatte hij

hardgrondig. »Een samenknoeisel van idioten!” mopperde hij half

opgericht in zijn bed »vooral op ’t punt van ’t huwelijk.”

De rechtsgeleerde overdenkingen waren spoedig weer verdrongen.

Hij stond voor een feit: in zijn eigen land was een huwelijk met

Clarine Dauteville door zijn vaders houding voor hem onmogelijk. Maar

in ’t buitenland dan? In Engeland? Hij zou met haar kunnen vluchten, en

dan verder zien wat hij doen kon. Lukte het hem niet in Engeland of in

Frankrijk spoedig te trouwen, dan kon hij in allen geval op ’t

oogenblik wachten, zonder Clarine’s naam onder haar eigen landgenooten

in gevaar te brengen.

’t Eenige noodige was hier geld... En medewerking van den ouden

Dauteville. Nu, die was wel te krijgen, of zelfs kon hij wel buiten die

in ’t ergste geval... Als de man de overtuiging had, dat er niets

anders op zat... Cornelis dacht een oogenblik aan de mogelijkheid, dat

Dauteville zelf een poging zou wagen, om zijn vader te vermurwen. Zou

de vent daartoe in staat zijn? Misschien wel, maar zijn vader zou hem

niet willen ontvangen—dat wist hij zeker—en een brief zou immers niets

uitwerken.

Hoe ’t ook liep, naar den Haag moest hij. En zoo spoedig mogelijk.

Dadelijk...

Cornelis keek nog eens op zijn horloge, dat vlak vóor hem op ’t

nachtkastje lag. Kwart over drie... De eerste trein naar ’t noorden

vertrok om een uur of zes. Daar moest hij mee weg, hij mocht niet

langer uitstellen.

Weer valt hem te binnen, dat hij geen geld heeft. Hij grijpt naar zijn

portemonnaie, ook op ’t nachtkastje. In vredesnaam dan maar derde klas,

als ’t moet. Cornelis Udoma, juris candidatus, student te Leiden derde

klas! Maar zelfs daarvoor blijkt zijn zakgeld ontoereikend. Morgen

ochtend geld gaan leenen bij iemand? Stel je voor, hij geldleenen,

terwijl iedereen op de plaats wist, dat zijn vader schatrijk was! Wat

zou dat een aanleiding tot praatjes wezen! En die wilde hij tot elken

prijs vermijden... Bovendien zou dat weer uitstel wezen. Hij zoù met

dien eersten trein vertrekken...

Cornelis zat op den rand van zijn ledikant, met beide beenen buiten.

Hij had een idee.

Op zijn teenen sloop hij naar de deur van zijn slaapkamer. Die stond

open, als gewoonlijk ’s zomers. Op ’t portaal zag hij dadelijk, dat ook

zijn vaders kamerdeur op een kier stond.

Wie waagt die wint, en zijn vaders geld was ’t zijne immers, althans

dat wat hem toekwam... Hij moest zijn maandgeld hebben—’t was al bijna

October. En wat hij nemen zou, was immers niet meer dan die som. Hij

had tweehonderd in de maand, en zijn vader had hem nog geen cent

gegeven... Maar neen, hij had meer noodig. Wat zou ’t nog?

Daar op een tafeltje vóor ’t bed—’t groote welbekende bruinhouten bed

met de prachtige afhangende gordijnen—lagen twee sleutels bij de

talrijke zaakjes, die notaris Udoma in zijn broek- en vest- en

jaszakken placht te dragen. Cornelis kende ze: de eene moest die van

het »kantoor”, de andere die van de brandkast wezen. Er was een

nachtlicht, en alles was vrij goed te zien.

Hij aarzelde een oogenblik. Achter de zware gordijnen, even

openhangend, hoorde hij duidelijk de bedaarde, regelmatige ademhaling

zijns vaders: ook die was deftig, als alles van Notaris Udoma. ’t

Groote bed deed herinneringen uit Cornelis’ kindsche jaren leven. Wat

had hij vaak ’s morgens dien hoogen rand beklommen, om »nog eventjes

bij mamaatje onder de wol te kruipen”. Wat had hij vaak binnen die

weelderige gordijnen zijn kinderlach doen schateren, zijn onschuldig

mondje geroerd...

En nu sloop hij naar dat bed om sleutels weg te nemen, als een dief...

Hij wàs in onmin met zijn vader, en waagde thans een daad, die hem

misschien voor goed van hem zou vervreemden... Och kom, ’t zou zoo’n

vaart niet nemen!

Cornelis sloot zijn lippen vaster opeen, deed een paar passen vooruit,

en strekte de hand naar de twee sleutels uit. Achter ’t gordijn klonk

een zucht als van iemand, die ontwaakt. Ademloos stond de jongeman

enkele seconden als een beeld in dezelfde houding, de eene hand aan de

sleutels. Zijn vader draaide zich om, ’t bed kraakte... Buiten op ’t

portaal hoorde hij in de overigens doodsche stilte een geritsel...

Muizen, een stukje kalk dat van den wand losliet... Met éen greep had

hij de beide sleutels in zijn hand. Een seconde later was hij op ’t

portaal.

Hij bedacht zich, dat hij ongekleed was.

Terug naar zijn kamer. In twee minuten had hij zich gedruischloos

aangekleed. Hij deed er anders een half uur over, wasschen inbegrepen.

Daar stond hij weer op ’t portaal, met de sleutels in zijn zak. In

gedachten nam hij afscheid van zijn vader. Onwillekeurig draaide hij ’t

hoofd om, toen hij zich boven aan de trap bevond. Zoo zag hij zijn

vader liggen, door de deur had hij juist ’t gezicht op ’t bed.

Misschien zag hij hem nooit weer. Toch een nare gedachte! Och, ’t was

zijn schuld niet, dat ze zoo scheiden moesten. Waarom niet toegegeven?

’t Was pikdonker boven aan de trap. Voorzichtig, stapje voor stapje

gleed Cornelis naar beneden; met beide handen hield hij zich aan de

gladde houten leuning vast. De bovenste trap had negen treden. ’t

Kleine portaaltje over, en dan nog eens negen treden, dan was hij

beneden in de ruime marmeren gang.

Alles ging goed. De gang was vrij helder verlicht; de maan zond haar

stralen door ’t gekleurde glas boven de tuindeur. Toch tastte Cornelis

naar lucifers in zijn broekzak. Hij had ze bij zich, als naar gewoonte.

Dat was een geruststelling. Met bonzend hart opende hij de zware

kantoordeur. Wat was hij zenuwachtig! In ’t kantoor was ’t pikdonker:

hij kon niets zien. Een duffe lucht van vocht en paperassen sloeg hem

in ’t gelaat. Bevend streek de jonge man een lucifer af. Een helle

flikkering door de holle kamer: daar doemden de groote brandkasten met

haar onvriendelijk dom voorkomen uit ’t duister op, rechts stond de

kolossale secrétaire en de schrijftafel van zijn vader met de rij

wetboeken er boven op, netjes geschikt, de duffe donkere stoelen met

leeren zittingen, de schrijftafels van den candidaat-notaris en den

klerk. Aan den wand kaarten, lijsten, onsmakelijke almanakken, alles

duf en somber deftig over dag, in ’t flikkerend schijnsel

grafkelderachtig.

Daar stond een blaker met een eind kaars op zijn vaders schrijftafel.

De eerste lucifer brandde op. Cornelis knipte ’t overgebleven stukje

driftig weg: hij had zich in de vingers gebrand. Een tweede lucifer.

Met den blaker naar de eene brandkast. Daarin lag papieren geld, dat

wist hij. De brandkast gaapte, en toonde zijn dikke metalen lippen. Uit

de grijnzende opening haalde Cornelis een handvol bankpapier.

Even nageteld: alles bankbiljetten van vijf en twintig, tien stuks.

Goed zoo, dat was genoeg. Zorgvuldig ’t logge ding weer gesloten. Hij

moest er twee rukken aan geven. Wat beefde hij! En waarom meende hij

niet te begrijpen.

Ziezoo, nu de blaker weer op zijn plaats, de kaars uitgeblazen, een

lucifer aangestoken. Deur van buiten weer gesloten. Een zucht van

verlichting ontsnapte Cornelis’ borst. ’t Was gebeurd. Wat nu!

»Ezel!” mompelde hij op eens. Hij had vergeten, dat het nog zoo vroeg

was. Hij kon immers onmogelijk om half vier aan ’t station komen. Dan

zou er zeker »gekletst” worden. Als hij ’t handig aanlegde, zou er

anders wel niets bekend worden van zijn... toeëigening en vlucht: zijn

vader zou fatsoenshalve alles wel geheim weten te houden—o, hij kende

hem genoeg.

Nu moest hij dus nog minstens twee en half uur wachten, voordat hij ’t

huis uit kon. O, maar als dan een van de dienstboden eens op was... Die

waren om zes uur al uit de veeren. Cornelis verwenschte ’t leven in een

kleine stad: net als bij de boeren op ’t land—met de kippen naar bed en

vóor dag en dauw op! Nu goed, wat zou ’t nog? Als hij een meid of den

huisknecht ontmoette, zou hij eenvoudig doen, alsof hij een

morgenwandeling ging maken. Dat deed hij immers wel meer. En als zijn

vader van zulk een vroeg mensch vernam »dat de jongenheer was gaan

wandelen,” zou hij zich wel niet verwonderd toonen. En al was ’t, van

’t geld zou de oude heer toch nooit iets laten blijken...

Cornelis was nog erg jong. ’t Vernis van wereldwijzige aanstellerijen

eenmaal weg, bleef er zoo’n droevig beetje echte mannelijke

vastberadenheid en handelende voortvarendheid over. Er was een goede

kern, maar jong, teer, nog niet tot wasdom gekomen, lang belemmerd

daarin door ’t eigenaardig leven van weelde en gemak, de eigenaardige

training die hij in de laatste jaren van zijn vader gehad had.

Hij stond een oogenblik in aarzeling. Komaan, ’t beste was maar weer

naar zijn kamer terug te gaan, en daar wat te gaan zitten lezen. Als

hij dat kòn, lieve Hemel, in den zenuwachtigen toestand waarin hij

verkeerde!

Wat was die trap nu bizonder donker, zelfs onderaan! De maan scheen

door een wolk bedekt, of achter boomen weg te schuilen. Hij zag geen

voet vóor zich uit, en vond het noodig een lucifer aan te steken. In

eenige luchtige sprongetjes, zonder gedruisch te maken, was hij weldra

bij ’t portaal van zijn kamer. De lucifer was uit, en hij smeet ’t

verkoolde stompje weg. Onwillekeurig keek hij om. Daar glinsterde een

vonk op de tweede trede der bovenste trap. Hij moest nog even terug...

als er eens brand kwam... zenuwachtig trapte hij herhaaldelijk op ’t

vonkje, veel meer dan noodig was. God, wat was dat! Daar gleed zijn

voet over de trede, hij verloor zijn evenwicht en met een geweldigen

smak viel hij op ’t middenportaal. Hij voelde even een ontzettende pijn

in een van zijn beenen. Daarop trokken vreemde lichtglanzen, groen,

rood, paarsch, weer vuurrood voor zijn oogen. Hij duizelde... ’t werd

alles pik pikdonker. Toen voelde hij niets meer.

Zoo'n Nonna! · 第 9 / 33 题