HARD TEGEN HARD.

Cornelis Udoma was niet slecht. Men is trouwens zelden slecht op zijn

twee-en-twintigste jaar. Goed in den zin van »deugdzaam,” op de wijze

zooals de traktaatjes dat opvatten, was hij ook niet. Beginselen had

hij maar enkele, en die behoorden niet tot het deugdzame soort. Een

daarvan, het voornaamste zeker, was: men moet netjes zijn vóor alles.

Nauw hing hiermee samen: de schijn is alles hier in de wereld. Cornelis

was steeds »netjes” geweest. Zijn vader had het hem zóo dikwijls

ingeprent, en hij was steeds zóo volgzaam geweest, dat ’t haast niet

anders kon. Hij was netjes in zijn spreken—zelfs toen hij thuis

gebracht werd van de ontgroeningsjool op de »kroeg” te Leiden—netjes in

zijn gang—regelmatig, bedaard—netjes in zijn kleeren—steeds

onberispelijk, maar stemmig—netjes in zijn omgang—hij »zat” in club van

»aristo’s” zooals ze zich gaarne noemden—en netjes in zijn gedrag ...

tot voor kort. En de »schijn” was steeds vóor hem geweest ... zou die

nu tegen hem worden?

Dat had Cornelis ellendig gemaakt, die gedachte, dat hij nu belachelijk

zou worden.

En nu?... Hij zat in den trein, eenzaam in een hoekje gedoken. Hij had

een goeden nacht gehad en was vrij laat opgestaan. Even had hij eenige

woorden aan Clarine geschreven, om haar zijn vertrek mede te deelen, en

toen was hij naar ’t station gestapt. Daar gekomen, had hij naar huis

geseind, dat hij tegen den avond verschijnen zou.

Wat voelde hij zich anders dan vier-en-twintig uren te voren! Wat was

er toch met hem gebeurd? Hoe kwam ’t dat hij »’t land aan zichzelf

had,” en ’t zoo uitdrukte, bij zichzelf mompelend, hij, die altijd zoo

tevreden en zelfgenoegzaam en correct geweest was? Hij wist het niet.

Hij wist, dat hij zich ongelukkig voelde, dat hij Domine Dauteville een

ploert vond en zichzelf een zwakkeling. En Clarine? Hij dacht aan haar

met een gevoel van schaamte, maar koel, zonder hartelijkheid. En ’t

besef van ’t ontbreken van liefde in ’t heele geval—althans

zijnerzijds—maakte zijn ontevredenheid over zichzelf, zijn ergernis nog

grooter.

Met een rukbeweging verzet hij zich. Hij moet... moet... daar is geen

redeneeren tegen. En hij wil er ook niet tegen redeneeren. Hij is ’t

met zich zelf eens, al lang. Lang? Ruim vier en twintig uur, en ’t

schijnt hem een jaar op zijn minst! Hij moet dat huwelijk

bespoedigen... om zijn eigen fatsoen... Bah! wat gaf hij daar nù om!

Wat waren zijn denkbeelden, ook op dat punt veranderd in die korte

uren! Om haar, om ’t onrecht goed te maken, om haar eer te redden. Zij

hield van hem, o, daar was hij zeker van. En hij zou haar, hij moest

haar trouwen. En hij zou haar nog gelukkig kunnen maken... Een fraai

geluk met een echtgenoot, die haar huwde uit medelijden...

Cornelis had bijna gevloekt.

Dat deed er niet toe: hij zou zijn plicht doen, en hij zou zich

schikken. Zij kon wel tevreden zijn, en niets bespeuren van de

verkoeling bij hem. Verkoeling! Van liefde zeker niet. God, die had

nooit bestaan bij hem, nooit, neen nooit! Hij besefte het nu ten volle.

En hij zag zijn toekomst... gekluisterd aan een vrouw als Clarine. Al

’t oppervlakkige, banale, wufte van haar persoonlijkheid werd hem nu

klaar. Waarom niet eerder, groote God, voordat hij de dwaasheid beging

zich te verbeelden, dat hij dat kind liefhad!

Och, hij wist niet wat liefde was... Dat moest iets anders, iets

beters, heiligers wezen. Had ze dan niet verdiend, dat hij haar in den

steek liet...? De jonge man huiverde bij de gedachte, en wierp ze ver

van zich af. ’t Wilde er bij hem niet in, dat in zijn noodlottig

avontuur ook zij schuld had, de schuld van haar roekelooze, bandelooze

dartelheid en weelderigheid. Hij kende ’t leven nog zoo weinig...

Hoe meer hij aan ’t jonge meisje dacht in ’t nieuwe licht van zijn

toekomstige vrouw, hoe ontstemder hij werd; maar ook hoe wanhopiger

vast zijn besluit werd. Hij voelde zich als iemand die, vervolgd door

woedende roofdieren geen anderen uitweg ziet dan een bruischende breede

rivier vóor zich, waarin hij moedig neer moest springen, vastberaden en

kalm het gevaar onder de oogen ziende, om ’t veege lijf te redden.

Cornelis dacht aan al de uren van samenzijn met de aantrekkelijke

predikantsdochter. Aantrekkelijk was ze... beauté du diable! Hij zag

haar aan de piano zitten ’s avonds bij haar thuis een vroolijke deun

aframmelend. Washington-post en onmiddellijk daarna Ouvre tes yeux

bleus, ma mignonne! van Massenet, om te eindigen met een paar woedende

accoorden, uit louter dolligheid. Dan sprong ze op en liep op hem toe,

die aandachtig had staan luisteren naar haar aardig stemmetje, greep

hem bij zijn schouders en duwde hem achterover op de canapé.

Schaterlachend riep ze met de kleine handjes op zijn oogen gedrukt:

Ouvre tes yeux bleus, mon mignon, voici la nuit! Was ’t wonder, dat hij

haar in zijn armen nam en haar hartelijk kuste? ’t Was zoo’n aardige

vroolijke meid! En in »de Batavier”... die uitspanningsplaats in de

duinen... Wat ’n tooneeltjes van echte pret, uitgelaten, dolle,

zorgelooze pret.

Wat speelde ze daar handig en sierlijk tennis achter ’t gebouw! Hoe

lenig bewegen zich haar leden in de smaakvolle kleeding—toch zoo

eenvoudig. O, hij ziet den weelderige boezem rijzen en dalen, de oogen

schitteren, de haren glanzen in ’t zonlicht, als ze zich voorover buigt

bij ’t hanteeren van haar raket. Een sierlijke verschijning... Een en

al dartelheid, en smaak en vuur en leven! En gedachteloosheid... Hij

had medelijden, want hij mocht haar toch wel... En ze was gul,

goedhartig, eerlijk... Toch, neen, hij had haar niet lief, hij kòn haar

niet liefhebben. Hij zag niet tegen haar op... had geen achting voor

haar, en zelfs dolle verliefdheid, die niet denkt aan achting, die

gemoedstoestand, door velen liefde genoemd, kwam bij hem niet meer

voor...

Hij dankte God voor zijn inzicht met bittere erkentelijkheid. Hij was

nu ten minste gevrijwaard voor latere ontgoochelingen. Hij kende

Clarine—te laat om zijn geluk te redden, maar bij tijds genoeg om hem

misschien voor wanhoop te behoeden.

De ontwaking van zijn gemoedsleven ging gepaard met een opleving van

godsdienstig gevoel. En dit laatste mengde zich met weemoedige

herinneringen. Hij dacht aan zijn moeder, en haar beeld was hem in de

korte spanne tijds sinds de ongelukstijding meermalen vóor den geest

gekomen dan wellicht in de laatste drie jaren. Hij voelde zich vreemd,

vreemd te moede, begreep zichzelven niet; ’t was hem alleen duidelijk,

dat er een nieuw leven voor hem begon, dat hij een ander mensch zou

worden van stonde af aan...

’t Zielsproces, dat bij hem plaats gehad had, was inderdaad eenvoudiger

dan ’t hèm leek. ’t Was een ommekeer, maar een herstel van veel ouds

bij aanwinst van weinig nieuws. ’t Oude was zijn eigenlijke aard, ’t

eenige nieuwe de meerdere innigheid, de diepere grondvesting zijner

eigenschappen. De schok van Clarine’s openbaring en ’t gevolgde bezoek

van haar vader had gewerkt als een storm, die het zwakke plantendek van

een rotsige klip had afgerukt. Hij was weer wat hij was vóor den dood

zijner moeder, iets rijper alleen...

Zijn moeder vertegenwoordigde het dichterlijke, sentimenteele element

in Notaris Udoma’s huiselijken kring. Die kring bestond korten tijd uit

vier personen; maar Cornelis’ jongere zuster was zeer jong gestorven.

Zijn herinneringen bereikten nauwelijks dien tijd. Hij wist alleen, dat

hij een zusje gehad had, en hij wist heel goed, dat zijn moeder

getreurd had, tot haar dood getreurd had om ’t zusje. Zoo althans

stelde hij ’t zich voor. Hij besefte niet, welk ander leed haar

ondermijnde, en nu zelfs, na zijn ontwaking, zou hij slechts langzaam

leeren beseffen wat haar zoo vroeg deed wegkwijnen.

Zij had een huwelijk »van liefde” gesloten, dat wil zeggen, zij had den

knappen, beleefden, geestigen jongen man lief, toen ze met hem ’t leven

inging. ’t Was te Amsterdam. Udoma was toen candidaat-notaris en een

goede dertiger. Hij had geld en zij had geld. En de wederzijdsche

ouders zagen ’t huwelijk zoo gaarne. Alles liep van een leien dakje,

alles was keurig, deftig, tot algemeene tevredenheid gegaan. Hij was

knap, zij zag er lief uit, en ’t geluk maakte beiden nog stralender dan

gezondheid en jeugd en al ’t andere goeds, dat ze reeds hadden, hen

konden gemaakt hebben. Het huwelijk was een schitterend huwelijk

geweest, een huwelijk waar veel over gepraat was, dat veel jaloezie en

veel bewondering had opgewekt. Twee jaar later werd Udoma notaris—’t

ging vlugger in dien tijd dan tegenwoordig—en ’t paar trok naar

Delmond. Intusschen had voor de arme Elizabeth, Cornelis’ moeder, de

ontgoocheling reeds lang plaats gehad. In den dagelijkschen gemeenzamen

omgang bleek Udoma een correcte nul. Hij begreep niets van haar rijk

gemoedsleven; haar zin voor ’t schoone, haar godsdienstigheid, haar

fijn ontwikkelde kieschheid verveelden hem, zoodra effectbejag er aan

vreemd moest blijven. En hij kon alleen effect maken, als zijn vrouw

zich de smaakvolle, fijn gevoelende en godsdienstige toonde tegenover

derden. In den verlovingstijd was daarom dat alles volkomen naar zijn

zin geweest; toen waren er meestal derden. En in dien tijd had hij die

»zaakjes” ook heel anders opgevat. Hij zag nu dat ’t »allemaal ernst”

bij haar was: geen spoor van effectbejag. En zij zag, dat ’t bij hem

allemaal effectbejag was: geen spoor van ernst. Onder ernst verstond

zij ’t innige, ’t oprechte.

En ze voelde zich ongelukkig, toen ze allengs bespeurde, dat haar

liefde minder werd, dat hun huwelijk op weg was een lichaamsecht te

worden. Een stille diepe weemoed drong meer en meer in haar hart.

Moedervreugde gaf daarop afleiding. Ze was verrukt, haar gemoed was tot

berstens toe vervuld van dankbaarheid voor ’t onverwachte geluk, ze

aanbad haar jongen, ze zag de wereld weer zoo anders, ze voelde zich in

warmen edelmoed tot hartelijke toenadering geneigd. Zou ze tòch van

dien man, nu den vader van haar kind, kunnen houden, zou ze hem nòg

kunnen liefhebben: omdat ze hem verkeerd beoordeeld had? De zoete

begoocheling hield eenige maanden aan. Haar echtgenoot was bizonder

attent en lief geweest. Zijn ijdelheid was daaraan niet vreemd: hij had

een zoon en was vader, rees daardoor in »deftigheid,” meende hij.

Udoma was nààr deftig, had zijn vrouws jongste broer gezegd, iemand die

»voor schilder studeerde”—zoo’n brutaal, onvormelijk individu van

twintig jaar, die maar alles zeide wat hem voor den mond kwam, en

vreeselijk »proleetig” deed met zijn losse kleeding en losse manieren

en losse haren.

In Delmond vonden de notabelen Udoma onberispelijk. Hij was dan ook een

van die menschen, die steeds in alle werelsche zaken het juiste midden

weten te bewaren, die nooit door hartstocht verblind of door

aandoeningen van de wijs schijnen te raken. Verder leefde hij geregeld,

was matig, deed zijn werk in de puntjes, was beleefd tegen een

ieder—hartelijk tegen niemand—ging stipt iederen Zondag naar de kerk en

ook op de feestdagen, vastte op Vrijdag, steunde de Katholieke armen,

bracht de »Pieterspenning” op—en royaal, dat wist men—zat in den

gemeenteraad. Voor ’t overige nam hij deel aan ’t »gezellige leven der

hoogere kringen,” vertoonde zich geregeld in de heeren-societeit,

zoowel als ’s avonds met zijn vrouw op de deftige concerten en op de

dineetjes en avondpartijtjes; terwijl hij zelf nu en dan zijn huis

openzette voor de Delmondsche »menschen.” Natuurlijk waren dit

uitsluitend de Roomsch-Katholieke notabelen. Zijn vrouw was van ’t

zelfde geloof. Ze vond echter dit exclusivisme wat ver gedreven. Onder

de enkele Protestanten ter plaatse waren er tot wie zij zich getrokken

voelde.

Maar men deed ten huize Udoma slechts wat »behoorlijk” was tegenover de

toongevende buitenwereld, en de heer des huizes maakte dat uit.

De verwijdering tusschen man en vrouw werd weer met den dag grooter.

Hevige tooneelen hadden echter niet plaats: zij was er te zachtzinnig

voor, hij te deftig, te hartstochteloos. Toch ontbraken de

uitbarstingen niet, hoe kalm ze ook afliepen. Hij kon kalm grof zijn,

cynisch en dom wreed. In ’t eerst eindigde zulk een woordenwisseling

met een krampachtig gesnik van de zwakkere partij, later hield dit op.

Als hij sarrend bedaard, met onnoozel meerderheidsvertoon,

schouderophalend en lachend, heenging met een: »Je bent een eend!”

zweeg zij, bleek bevend, ineengedoken op een stoel. En ze wierp hem een

langen blik na, waarin smartelijke minachting lag. Ze schreide niet

meer in zijn bijzijn: haar tranen achtte ze te heilig om besmet te

worden door zijn gemeenen spot. Een uur later stak hij haar de hand

toe, met een minzamen lach en een gemaakt hartelijk »kom, kom,” zwaar

gebromd. Mat nam ze dan ’t vredesteeken aan. En hij achtte zich

onweerstaanbaar. Haar geweten plaagde haar, ’t vertelde van

vredesluiten, vergeten en vergeven. Ze zwichtte dan voor die stem, om

weldra weer om te slaan. Ze ging naar de kerk, dagelijks, en bad om

kracht, om bijstand, om zuiver inzicht: mocht ze den vader van haar

kind minachten? Was ’t geen zonde de liefkozingen te dulden van een

man, dien ze minachtte? En met angst dacht ze aan de komende

gebeurtenis, haar tweede bevalling, ’t Kind kwam, een zwak meisje,

geboren uit een zwakke moeder. Bij ’t zielelijden der moeder voegde

zich thans lichamelijk lijden, sleepend, slopend.

’t Meisje werd twee jaar oud en stierf. De moeder volgde een half jaar

later. Aan ’t sterfbed was Udoma bizonder effectvol geweest. In ’t

bijzijn van den priester had zijn vrouw hem vergiffenis gevraagd voor

’t verdriet hem aangedaan. »Van harte, m’n lieve,” had hij waardig

geantwoord. Ze was tevreden gestorven.

Cornelis, toen zeventien, voelde den slag vreeselijk. Hij was steeds de

lieveling van zijn moeder geweest, haar trots ook, haar hoop, haar

troost. Hij had een fijngevoelig hart als zij, hij begreep haar

neigingen, haar smaak. In zijn gezelschap vond ze afleiding voor haar

zorgen. En hij genoot van de uurtjes van intiem samenzijn met haar,

zonder zijn vader. Voor dezen had hij een soort schuwen eerbied, zonder

innigheid. Hij keek tegen hem op als tegen een autoriteit, zijn moeder

was een oudere vriendin, een vertrouwelinge voor hem geweest. Hij was

zóo innig, zóo teeder in dien omgang, dat zijn vrienden op school hem

»moederskindje” noemden; omdat hij ’t altijd over zijn moeder had, over

»wat moeder zei” en »wat moeder vond.” ’t Nadeel, was een zekere

verweekelijking in zijn gevoelsleven, maar ’t voordeel, dat hij vrij

bleef van veel besmetting, waaraan men op dien jeugdigen leeftijd door

omgang met kameraadjes en kameraden blootstaat. Ook had Cornelis niet

veel tijd voor dien omgang: veel uren buiten de school werden in beslag

genomen door privaat-onderwijs in de klassieke talen. Een priester kwam

die lessen geven: vader Udoma zond zijn zoon liever niet naar ’t

gymnasium in den Bosch of dat te Venlo. De avonduren sleet Cornelis in

’t bijzijn zijner moeder; bij haar zittend maakte hij zijn werk. En als

hij vroeg daarmee klaar was, speelde zij een stukje op de piano, soms

zong zij, meest weemoedige liederen, met zwakke stem, maar vol

innigheid voorgedragen. Vaak moest het lied afgebroken worden, vóor het

einde, omdat de tranen haar stem verstikten. Moeder en zoon vielen

elkaar dan in de armen, ’t Was een leerschool voor

gevoeligheid—»gevoelerigheid” was een woord van Udoma Senior—die omgang

met zijn moeder. Cornelis werd een stille ernstige jongen, soms

droomerig—»suf,” zei zijn vader. Hij hield veel van lezen, van

muziek—speelde viool, bewonderde alle kunst. Een paar maal waren ze

naar Brussel geweest—vader, moeder en zoon—en ook »de musea” waren in

vaders correct reisplan begrepen. Cornelis had genoten, vader Udoma

vond, dat z’n jongen daar ook verstand van moest hebben: dat hoorde zoo

bij zijn stand.

Na zijn moeders dood was ’t een heel ander leven. Vader en zoon waren

veel meer samen. Udoma Senior miste ’t gezelschap der anders

onvermijdelijke, maar ook slecht ontbeerbare derde persoonlijkheid in

huis, en zocht nu méer ’t gezelschap van zijn zoon. En hij kreeg ’t in

zijn hoofd den jongen naar zijn model te vormen, hem te scholen in al

»de maatschappelijke en intieme deugden”—zooals hij ’t noemde—waarin

hij zichzelf zoo volleerd vond. De overgang voor Cornelis was

onmerkbaar. Allengs groeide er een korst van wereldsche

ploertenwijsheid om de blanke teedere kern zijner ziel; voor ’t

uiterlijk werd hij een tweede notaris Udoma, uitgave in kleiner

formaat, wat fijner omslag, maar overigens een reproductie. De oude

heer vond de verandering bizonder naar zijn zin: hij had zooveel

kneedbaarheid, zooveel aannemendheid niet verwacht.

Toen Cornelis naar Leiden ging, was ’s vaders ongerustheid dan ook

voornamelijk, dat hij zich »compromiteeren” zou. Dat had Udoma Senior

nooit gedaan. Hij had als student—want hij was gepromoveerd in de

rechten—éen, zegge een liefdesbetrekking gehad. Die had drie jaar

geduurd, niemand had er van geweten, behalve ’t meisje en haar moeder,

’t was alles »contractueel” gegaan, zonder horten en stooten, zonder

zich te compromiteeren—ook ’t afscheid: hij had haar vijf honderd

gulden gegeven, en haar moeder, een weduwe, in een zaakje gezet. Alles

correct.

Cornelis compromiteerde zich te Leiden ook niet, ofschoon hij zich ver

hield van alle betrekkingen van teederen aard—tot op dien noodlottigen

dag. Hij maakte kennis met Clarine bij gemeenschappelijke vrienden in

den Haag, op een avondpartijtje...

En thans die ommekeer, dat plotseling afbrokkelen en wegvallen van die

buitenlaag van zijn wezen, die ontdekking, dat het zijn wezen niet was,

de verbijstering van ’t schijnbaar nieuwe, waarin vreugde, verrassing,

ergernis en afschuw dooreenwarrelden!

De schok der laatste gebeurtenissen had hem dan wel door elkaar

geschud, om zoo iets te bewerken! En als hij zichzelf niet geweest was,

maar een ander, rijper en ouder dan hij, en die zielsrevolutie had

kunnen beoordeelen, dan zou hij gejuicht hebben. De schok was

beslissend voor zijn leven: de mensch, de edele oprechte mensch was

gered, behoed voor verwording...

Cornelis verwenschte voor de zooveelste maal zijn vorig wezen, zijn

»mooidoenerij.” Hij had er een walg van. En hij dacht aan zijn moeder,

aan den tijd toen hij als kleine jongen ’s avonds naar beneden sloop,

stilletjes de trap af, naar de voorkamer, waar moeder zat piano te

spelen en te neuriën, droomerig zacht. Hoe hij kans zag achter de piano

te kruipen, zonder dat zij ’t merkte, en daar soms slapende gevonden

werd, een half uur later. Een lied dat ze veel zong ruischte hem door

’t hoofd, aanhoudend, weemoedig streelend: »Bleibe nur fein

geduldig...” Zijn moeder zong dat wiegelied zoo vaak. ’t Werkte nu als

een wiegelied op hem. Hij had een uur zitten peinzen met de oogen

dicht, en dat na al de aandoeningen... hij sliep in.

Te Boxtel werd hij met schrik wakker, meende reeds aangekomen te zijn.

Verder bleef hij gedrukt, verward, slechts de eene zekerheid, die hij

had—dat hij zijn vader alles zeggen, Clarine redden moest—met grooter

ongerustheid onder de oogen ziende naarmate de ontmoeting met zijn

vader nader kwam. Toch was hij iets kalmer en op dat éene punt

vastberaden.

Aan ’t station stond Udoma Senior zijn zoon af te wachten. ’t Trof hem

alleen, dat hij stil was, bizonder stil en ongewoon.

’t Was ongeveer etenstijd. Na het maal excuseerde Cornelis zich, nog

vóor de sigaar, en ging naar zijn kamer. Van de zaak had hij niets

gezegd: hij wilde tot den volgenden morgen wachten.

»Vreemd!” mompelde Udoma Senior, met zijn groote ronde oogen starende

op ’t bandje van zijn »after-dinner.”

»De jongen heeft iets bizonders...” peinsde hij. »Zou hij zich

gecompromiteerd hebben? Niet best mogelijk: hij is solide en

verstandig.” En groot-formaat Udoma streelde zelfgenoegzaam zijn

gladgeschoren vette kin. Hij dacht aan ’t kleine formaat, en was ten

slotte innig tevreden.

»Ja, ja” mompelde hij, zwaar en dik van toon, stond van zijn stoel op

en slenterde met de sigaar tusschen zijn tanden, de duimen boven aan

zijn vest, bedaard en schommelend naar de ruime veranda, achter de

naaste kamer.

’t Was een mooie avond in den vroegen herfst.

Een zonnestraal, een der laatste, viel lachend op zijn glanzigen

deftigen schedel.

»Ja, ja...” klonk ’t nog eens als uit een hol vat.

Udoma Senior zette zich neer in een tuinstoel, strekte zijn korte

beenen uit, leî zijn sigaar op een aschbakje en sloot de oogen. »Ja,

ja...”

Den volgenden ochtend omstreeks half negen was Cornelis Udoma alleen

met zijn geweten in den grooten tuin achter zijn vaders huis. ’t Was

een bizonder groote tuin, een van de grootste in de stad. Bovendien

bizonder mooi en goed onderhouden. Achterin waren lommerrijke paadjes

en heerlijke plekjes, die den droomer de begoocheling der eenzaamheid

schonken.

Cornelis wandelde op en neer, sinds bijna een uur in dat zelfde

achterdeel van den tuin, de handen in de jaszakken van zijn flanellen

zomerpakje, zóo dat die een eind vooruitstaken, de kin op de borst. Om

hem heen een geurige, weelderige, zinnenwiegende morgen. Hij had zijn

vader nòg niet gesproken! Die was niet aan ’t ontbijt om half acht. Hij

had zich een uur vergist—hij wist dat zijn vader om half negen

ontbeet—Na een vrijwel slapeloozen nacht was hij maar opgestaan,

denkende, dat het al heel laat was. Waarom hij zijn vader niet

afgewacht had, wist hij zelf niet best. Hij geloofde, dat het was omdat

hij nog ’s goed bedenken moest, hoe hij de zaak in zou kleeden.

»Zoo, ben je daar?” klonk op eens een zware stem.

»Cornelis, jongen, wat scheelt je? Hoe kom je zoo vroeg uit de veeren?

Je bent anders zoo matineus niet. Zeg?”

Udoma Senior was den tuin ingegaan om zijn zoon te zoeken en was weldra

op hem gestuit bij ’t omslaan van een laantje achterin. Hij was nu

overtuigd, dat »’m wat scheelde”, dat was duidelijk.

Cornelis kijkt verrast op, bloost en stamelt:

»Mij? Mij scheelt niets, Papa...”

»Kom!” Papa steekt zijn arm fideel onder den linkerarm van ’t jonge

mensch en wandelt met hem op. »Woû je mij wijsmaken, dat je volkomen

normaal was? Nee, m’n baasje, wij kennen onze wereld zoo’n beetje.” Dit

zelfvoldaan en met strakken lachenden blik op Cornelis.

Deze zwijgt en beantwoordt den blik niet.

»Zeg ’s... Cornelis... ronduit, hoor. »La femme?”

»Och!” zegt Cornelis met schouderschok, alsof hij een vuile

veronderstelling ver van zich af wil gooien. Nog steeds houdt hij zijn

oogen naar de fijne kiezelsteentjes in ’t laantje gericht.

»Tu en as l’âge, mon ami. Rien d’extraordinaire!” gaat de vader voort,

die gaarne Fransch spreekt en Fransch geurt en Fransche

levensbeginselen te koop hangt.

»’t Is immers zoo? Zeg ’t nu maar, dan kunnen we ’s praten”.

De oudere man staat hier stil, Cornelis breekt onwillekeurig ook zijn

wandeling af. Hij kijkt even op. De luchtige toon van zijn vader

hindert hem geweldig.

»Er is niets van wat u vermoedt, Papa,” zegt hij snel, met afgewend

hoofd morrelend in de kiezelsteentjes met zijn eenen hak. »Ik scharrel

niet.” Dit met innige minachting in zijn toon, en korzelig.

»Natuurlijk niet, dat laat je aan prolen over, nietwaar?”

Zij hervatten hun wandeling. »Jij doet ondertusschen aan hofmaken en

zoo. En nu ben je tegen de lamp geloopen. Hoe is ’t: ziet ze er goed

uit? En kun je niet van ’r afkomen? Toch geen »conséquences”, wil ik

hopen? Jongen, jongen, je weet wat ik je daaromtrent gezegd heb: Sauvez

les apparences, en als je ’t te ver laat komen, is dat bliksems

lastig.”

Cornelis bijt zich op de lippen. Dan draait hij zich plotseling half

om, en zegt hard en duidelijk:

»Ik heb een meisje van mijn stand...”

»Verleid wil je zeggen? valt Udoma Senior lachend en doodkalm in, »of

zij jou! Ha, ha!”

»Vader, ik verzoek u me niet in de rede te vallen!” roept Cornelis

woedend.

Zonder erop te letten gaat de ander onmiddellijk daarop voort: »De

gewone roman. Je wilt ’r nu trouwen. Erg edelmoedig... Ça ne se fait

pas, m’n jongen. Ik had je voor verstandiger gehouden...”

»Papa, gaat u in Gods naam niet op die toon voort...”

Er komen tranen in Cornelis’ oogen. De ander ziet ’t, vertrekt even een

mondhoek, en vraagt quasi belangstellend:

»Hoe heet ze, komaan?” Cornelis aarzelt even.

»Dauteville.”

»Zoo”, met zekere voldaanheid. Dan, nieuwsgierig: »Wat is de vader?”

»Predikant!”

»Domine. Protestant dus. Zoo. Hm... Geld?”

»Ja.”

Cornelis antwoordt voortdurend op gedempten, onwilligen toon.

»Al ’n ouwe geschiedenis?”

»Ik ken ’r een jaar ongeveer.”

»Ik bedoel die... eigenlijke amourette?”

»Och, wat bedoelt u toch? Begint u weer? Als u zóo spreekt zwijg ik

liever...”

Vader Udoma herkent zijn zoon niet. Wat bezielt die’ jongen? Zouden de

oude sentimentaliteiten weer terugkomen?

»Ik wil zeggen, wanneer je de jobstijding kreeg?” gaat Udoma Senior

rustig voort.

»Nog pas een paar dagen geleden. Daarom ben ik hier.” Er is iets in

Cornelis’ toon, dat te kennen geeft: hoe kan u anders denken?

»Zoo, zoo, je laat ’r geen gras over groeien. En nu wil je zeker mijn

toestemming voor ’t huwelijk?”

»Natuurlijk, vader.”

De hooge ernst op ’t bleeke, regelmatige, fijne gezicht van den jongen

Udoma vormt een schril tegenbeeld met de hoogroode tronie van zijn

vader, pafferig en luchtig zelfvoldaan. Bij al de overeenkomst hunner

trekken—dezelfde soort oogen, dezelfde vorm van neus, dezelfde snit van

mond, dezelfde bakkebaardjes, dezelfde kortgehouden knevel—viel ’t

onderscheid dadelijk op. Udoma Junior was fijn, de ander grof, de een

aristocratisch van lijnen, de ander poenig.

»Cornelis, dat doet men niet” antwoordt ’t poenig individu.

»Men, men... wat kan mij men schelen!!” roept Cornelis, zich niet meer

kunnende inhouden. »Ik acht ’t mijn plicht dat huwelijk door te

zetten.” De jonge man bedenkt zich, dat hij zijn vader niet beleedigen

mag, dat zijn toestemming onontbeerlijk is; dat Clarine, als hij die

niet krijgt, verloren is, want hij wordt eerst in Mei meerderjarig, en

’t is September.

»Papa, u geeft uw toestemming, nietwaar?” gaat hij op heel anderen toon

voort, nu met smeeking en vleiing; hoe hij ook inwendig trilt van

verontwaardiging.

»Kom, kom, kom. Hou je nu maar kalm. We spreken er nog wel nader over.

Ik moet naar kantoor.” Bedaard zijn horloge weer in den zak stekend,

zegt hij onder ’t heengaan: »Nu tot ziens. Onthoû nu voorloopig dit

alleen: je krijgt mijn toestemming niet, he. Adieu!”

Cornelis oogt zijn vader na. Zijn vader!

Een gesmoorde vloek barst van zijn lippen; ’t was de tweede keer in

zijn leven, dat hij zich zóo onbeschaafd uitdrukte.

Hij voelt zich rampzalig. Vol zelfverwijt over zijn gebrek aan

zelfbedwang slentert de jonge man naar een bank, daar vlak bij onder

een hoogen kastanje. Daar zet hij zich neer, en klemt ’t hoofd tusschen

de handen, de ellebogen op de knieën.

Zoo'n Nonna! · 第 7 / 33 题