EEN MEEVALLER.

Onder de studenten te Leiden had Cornelis Udoma den naam van een

uiterst solied jongmensch en onder zijn club-genooten gold hij

uitgemaakt voor een »sekuur broekie.” Geen wonder waarlijk, want naar

allen schijn leefde ’t jongemensch bizonder regelmatig en verstandig.

Na den groentijd—al drie jaar in ’t verleden—herinnerde niemand zich

hem ooit dronken gezien te hebben; hij had zijn vast bitteruurtje op de

»kroeg,” en kwam er een paar maal in de week ’s avonds na twaalf;

verder liep hij geregeld college, zelfs die van negen tot tien in den

morgen, zoodat hij na een jaar kalmpjes zijn »candidaats” in de rechten

gedaan had, en de gansche week zag men Cornelis òf op zijn kamer, òf in

de college-zaal, òf ter »kroeg,” behalve twee maal, wanneer hij ’s

avonds naar den Haag ging. Hij kwam daar »veel bij families,” dat wist

men. Van verliefde avonturen, uitspattingen van welken aard ook, wist

niemand iets te zijnen laste te leggen.

Hij zag er ook solide uit. Hij had ondanks zijn twee-en-twintig jaren

iets ouwelijks in zijn trekken, een ernstigen plooi in zijn voorhoofd

tusschen de oogen, die den indruk gaf, alsof hij steeds zijn

wenkbrauwen fronste. Een paar lichtblonde bakkebaarden en dito korte

gevulde snor droegen er ’t hunne toe bij, om in hem nu reeds den

deftigen advokaat te zien.

Hij was afkomstig uit Delmond in ’t zuiden, en, schoon oorspronkelijk

van Friesch bloed, was de familie Udoma aldaar sinds onheugelijke

tijden inheemsch, bekend om haar deftigheid en om haar fortuin. Bekend

ook om de rechtzinnigheid van haar geloof en den steun, dien haar leden

steeds der »Moederkerk” hadden verleend. Cornelis’ ouders maakten geen

uitzondering. De jonge man had dan ook een streng Roomsch-Katholieke

opvoeding gekregen, en zijn vader verwachtte veel van hem voor de

toekomst: reeds droomde hij van zijn zoon het »kamerlid,” en zag hij

hem in de volksvertegenwoordiging als een der leiders der Katholieke

partij. ’t Kostte hem als trouw volgeling van Rome’s Kerk een

overwinning op zichzelven, toen Cornelis naar Leiden zou gaan. ’t Was

’t beste voor den jongen, omdat men nu eenmaal Leiden’s hoogeschool

voor de beste in ’t land hield, en een »deftig” advokaat, vond vader

Udoma, moest daar gestudeerd hebben; want de oude heer was ook

praktisch. Maar zijn hart was lang niet gerust bij ’t afscheid nemen:

’t was een waag den jongen in »die verdorven studentenwereld” los te

laten...

Zou zijn vrees thans bewaarheid worden? ’t Had er veel van. Cornelis

was sinds kort in groote verlegenheid. Zijn »contub,” zijn intieme

vriend Frits Seemans, was spoedig geheel op de hoogte. Cornelis

verzweeg niets voor hem. Wat zou zijn vader wel zeggen, als die eens

wist, dat hij op zóo gemeenzamen voet omging met een Protestantsch

jongmensch! Maar die wist dan ook niet, dat hij met hem samenwoonde:

Papa kwam nooit over uit Delmond: ’t was zoo ver, welke vader of voogd

deed zoo iets? De contub had een heel ernstig gezicht getrokken. ’t Was

een mannetje, dat, zoo mogelijk, nog ouwelijker deed dan Cornelis,

werkzaam was als hij, en er op zijn manier strenge beginselen op na

hield. Er was bijna ruzie gekomen tusschen de twee onafscheidelijken;

want Frits Seemans had ronduit gezegd, dat hij zoo iets nooit van zijn

vriend gedacht zou hebben, dat, als hij beginselen had, hij er naar

leven moest; dat ’t geen hij gedaan had een onwaardige daad was, en dat

hij tegenover het meisje in kwestie en haar vader maar éen middel had,

om de zaak nog eenigszins goed te maken: dat hij haar zoo spoedig

mogelijk moest trouwen.

»Maar, m’n lieve mensch, dat’s mooi gezegd... In den grond ben ik ’t

met je eens,” riep Cornelis mismoedig. »Maar hoe kan ik dat doen?

Clarine heeft me ook al ’t zelfde gezegd, en ik verzeker je, dat ik er

»beroerd” van werd, maar hoe kàn ik, hoe kàn ik?”

»Och, loop heen! Woû je mij wijsmaken, dat je in zoo’n zaak niet je zin

zou kunnen doorzetten, al ben je nog maar twee-en-twintig?”

»Hoe wil je nu, dat ik zoo’n bekentenis aan mijn vader doe? Ik geloof,

dat de man ’t besterven zou! Ze is Protestant bovendien!”

»Larie! Je hebt je zelf al die onaangenaamheden bezorgd. Nu moet je er

maar door heen bijten. Maar ik zie wel wat ’t is, m’n manneke”—’t

kleine kereltje had een hebbelijkheid, om iedereen onder zijn vrienden

en kennissen, al staken ze ook een hoofd boven hem uit, zooals Cornelis

Udoma, met dat verkleinwoord aan te spreken—je bent beschaamd, om voor

je pekelzonde uit te komen. Jasses! En daar wil je een arm meisje om

opofferen!”

Cornelis zweeg en kreeg een hevige kleur.

De ander zag ’t en ging door.

»Als je je over die lamlendige schaamte van je heenzet, is de rest

niets waard. Je vaders toestemming? Die krijg je, als jij maar wilt. Of

dacht je, dat de pipa liever over een groot halfjaar zou zien, dat je

een meisje trouwde, dat al een kind van je hadt, dan nu die toestemming

tot je huwelijk met haar te geven, nu er nog een mouw aan te passen

is?”

Cornelis trok ongeloovig de schouders op.

»Zeker,” hervatte zijn contub, »zullen we wedden? ’t Is heusch nog zoo

vreeselijk niet, dat je met een lief meisje van goeie familie

trouwt...”

»Ik trouwen? En dan zeker doorgaan met mijn studie hier in Leiden? En

door al mijn kennissen uitgelachen worden?”

»Daar heb je weer die verdraaide valsche schaamte!” Fritsje Seemans

liep driftig op en neer. »Is ’t dan niet mogelijk je studie elders

voort te zetten, of... er mee uit te scheiden? Wat ’t zwaarste is, moet

’t zwaarste wegen. En dan, wat ’t verschil in godsdienst betreft, hoû

je bij de overtuiging, dat je meer zonde doet door dat meisje in de

steek te laten dan door met een Protestantsche te trouwen. Ik woû wel

eens zien, of de pastoor je dat tegensprak... Nu, manneke, ik laat je

alleen, hoor. Denk jij maar ’s over mijn woorden na, en neem een snel

besluit. Van avond na ’t eten spreken we elkaar nog wel. Hoû je taai!”

»Tot ziens!” mompelde de achterblijvende. Hij stond op van zijn stoel

bij den schoorsteen en ging naar ’t raam vóor aan straat, waar hij zijn

vriend naoogde. Dan begon hij zenuwachtig heen en weer te loopen, en

bleef eindelijk vóor ’t portret van zijn meisje, dat op de piano stond,

staan. ’t Opnemende en aanstarende, zeide hij met een driftig gebaar:

»Ellendige geschiedenis! Zou Frits geen gelijk hebben, wel

beschouwd?...”

Zoo stond hij een poos, wellicht een kwartier, in gedachten verzonken.

Dan wil hij zich in een leuningstoel zetten, besluiteloos, ontevreden

over zichzelf, als er aan de deur geklopt wordt.

»Binnen!” roept Cornelis brommig.

»Meheer, daar is iemand om u te spreke...” zegt ’t kamermeisje.

»Iemand? Wie? Een heer, een vent, wat is ’t?”

»Een heer, meheer!” ... Pietje de meid begrijpt niet hoe »meheer”, die

anders altijd zoo vriendelijk is, nu zoo’n humeur vertoont. Ze is er

onthutst van. »Met ’n hooge hoed...” laat ze volgen, maar half gerust,

of ze er goed aan doet, dat er bij te zeggen.

Cornelis voelt een bang vermoeden opkomen.

»Hooge hoed, hooge hoed!... Hoe ziet hij er uit? Donkere knevel en

sik?”

»Ja... ik geloof ’t wel,” antwoordt de dienstmeid aarzelend en schuift

onwillekeurig naar de deur.

»Laat meneer binnen, hier in de voorkamer.”

Pietje af. Cornelis is opgestaan en verdwijnt haastig door een deur,

die naar zijn slaapkamer leidt: hij moet zijn kamerjapon uitdoen en wat

toilet maken.

Inmiddels zat Domine Dauteville in ’t kleine spreekkamertje van

juffrouw Pilleman, de hospita. Hij was ’t met zichzelf nog niet

volkomen eens, welk uiterlijk hij straks vertoonen moest, als hij bij

Cornelis binnengelaten zou worden, en ’t was hem daarom lang niet

onaangenaam, dat ze »meheer Udema,” zooals de hospita zeide, »eres

evetjes waarschuwe” moest. Zoo had hij een paar minuten den tijd, om ’t

hoogst gewichtige probleem van gelaatsuitdrukking en toon verder, naar

hij hoopte, tot voldoening van zichzelf op te lossen. ’t Was een

lastig, een hoogst onaangenaam iets, dat probleem: hij had er al in den

trein en op zijn wandeling naar Cornelis kamers over nagedacht, en ook

te voren, wel een uur in ’t geheel, van ’t oogenblik, dat hij zijn

woning in den Haag verliet, om in de vigilante te stappen, tot zijn

aankomst op de plek, waar hij nu zat. ’t Onaangenaamste van alles was,

dat hij nu zichzelf bekennen moest, dat er zoo’n ding wàs: er was een

vraagstuk, waar hij maar steeds hardnekkig het bestaan van had ontkend!

Dat was een tweede deemoediging binnen vier en twintig uur.

Gisterenavond, na Clarine’s bekentenis en nu ... Toen was hij de kluts

kwijt geweest, was verlegen geweest met zijn houding tegenover zijn

eigen kind; nu moest hij weer erkennen, dat er gevallen in ’t leven

zijn, waarin een man als hij, »die z’n wereld kent,” met zijn leeftijd

en zijn ondervinding, niet weet, hoe hij zich moet voordoen tegenover

een beginneling in ’s levens school als Cornelis Udoma! Die erkentenis

was bizonder pijnlijk en hinderlijk brutaal ook: ze klonk daarom maar

noode door, overstelpt en overbulderd als ze telkens werd door zijn

verontwaardigde ijdelheid. En toch kwam ze telkens, en ze plaagde hem

juist op ’t oogenblik, dat de onthutste Pietje kwam zeggen, »of meheer

maar binne woû komme.”

Een ware opluchting voor den zelfstrijder was de ontdekking, dat de

kamer, waarin hij gelaten werd, tijdelijk bewonerloos was.

De inrichting beviel hem bizonder. Ze gaf ook een goeden indruk van ’s

bewoners smaak, en—de middelen om daaraan te voldoen. Niets van de ruwe

studentikoziteit, zich openbarend in schreeuwende klad-reclameplaten

aan de wanden, smakeloos hier en daar tegen aan bengelende of

neerhangende trofeeën van nachtelijke »moer”-partijen—naamplaatjes,

schelknoppen, bordjes van stations of spoorwagens—geen

monsterspinnekoppen van papier-maché of wanstaltige langarmige

Japansche gedrochtjes aan de lampen, ook geen onzichtbare spiegel

wegschuilend onder introductie-kaarten, programs van uitvoeringen,

naamkaartjes en wat niet al. Neen, de heele kamer—Cornelis’

zitkamer—had iets geregelds, iets verstandig maar smaakvol overlegds,

had een aanzien van hoog-beschaafde verfijning, ja iets vrouwelijks zou

men geneigd zijn te zeggen. ’t Was, of er een rijk, ontwikkeld en

elegant jong meisje de inrichting had geregeld, in plaats van een

student.

De verrassing van dien indruk gaf een aangename afleiding aan Domine

Dauteville’s gedachten, stemde hem tot toegevendheid, en loste ’t

houding-vraagstuk bevredigend op. Ja zeker, een waardige, vaderlijk

vermanende, maar ook vaderlijk vergevensgezinde inschikkelijkheid: dat

was je ware, dat paste hem, dat was de toon, dien hij als zieleherder

zoo goed kon aanslaan.

»Een drommels mooie kamer!” mompelde hij, weer geheel de oude. Zijn zin

voor artisticiteit werd gestreeld: hij voelde zich volkomen op zijn

gemak, en, toen hij, met den rug naar de deur gekeerd, met

ingenomenheid stond te turen naar een keurige reproductie van Titiaan’s

liggende Venus, belette slechts het geluid der opengaande deur, dat hij

aan zijn opgewektheid in een zacht neuriënd gefluit lucht gaf.

In de plotselinge terugroeping tot zijn vorigen gedachtenkring verloor

Domine Dauteville even zijn evenwicht, en ’t had weinig gescheeld, of

hij had den binnentredende begroet met een vroolijk: »Zoo, kerel, hoe

gaat ’t?” Bij tijds wist hij zich echter in te binden, en hij bepaalde

zich tot een vormelijke buiging, correct en zelfbewust.

Cornelis boog bedremmeld, links. Hij was opvallend bleek en

zenuwachtig.

»Ga u zitten, Meneer Dauteville ... Hoe maakt u ’t?”

»Dank u, Meneer Udoma, heel goed. U ook?”

»Nee, dank u,” ging de kalme van de twee voort, nadat hij inmiddels was

gaan zitten op een der gemakkelijke stoelen bij een raam vóor aan

straat. »Ik zal liever niet rooken.”

Hij wees de fijne sigaar af, die het jonge mensch hem gedienstig kwam

aanbieden: ’t zelfbedwang kostte hem moeite, maar ’t paste niet te

rooken in de gegeven omstandigheden, ’t prestige verbood die

gezelligheid.

Na wat heen en weer drentelen, om een aschbakje te zoeken en lucifers

klaar te zetten, die hij een oogenblik later inzag niet noodig te

hebben, omdat hij begreep niet te kunnen rooken, als de domine het niet

deed, zette Cornelis zich tegenover dezen in den tweeden beschikbaren

leuningstoel.

’t Oogenblik zwijgen, dat nu volgt, is voor Cornelis lang geen

ledigheid. Sinds het aangekondigde bezoek is er een merkwaardige

ommekeer in hem gekomen. De zaak is beslist; hij zàl Clarine’s eer

redden. Hoe is hem lang niet duidelijk. Hij voorziet moeilijkheden

zonder eind; maar éen ding staat vast bij hem: zijn huwelijk met het

meisje, dat hij ongelukkig gemaakt heeft. ’t Is hem nu volkomen helder:

dat is zijn plicht, wat er ook verder moge gebeuren, en ’t is hem

onbegrijpelijk, hoe hij er ooit anders over heeft kunnen denken ...

»Hm, hm,” kuchte Domine Dauteville. Hij wendt zich vertrouwelijk tot

den jongen man en heft de rechter hand op—zijn gewoon oratorisch

gebaar. »Ik kom u over een moeilijke zaak spreken, Meneer Udoma, een

zaak, waarin ik op uw ridderlijkheid ... hm ... op uw gevoel van recht

reken. Ik heb u sinds een jaar als een huisvriend ontvangen ...”

Cornelis buigt even, bleek, met neergeslagen blik. Onwillekeurig plukt

hij met de linkerhand aan zijn snor, terwijl de andere zich om de

zwarte zijleuning van zijn stoel klemt.

»U en mijn dochter Clarine mogen elkaar lijden...”

Cornelis kleurt.

»Nu, nu,” zegt de ander minzaam, vaderlijk, »daarin is niets

lakenswaardigs.” Hij ziet den jongen man vol aan.

Cornelis kleurt nog heviger, zijn blik blijft gevestigd op een figuur

in ’t tapijt vlak vóor zijn voeten.

»Mits...” Wat zal hij zeggen? De menschenkennende predikant acht het

raadzaam in vage termen te spreken, kort, zonder omhaal. Hij heeft toch

al gezien, dat de ander vrijwel gewonnen is. Bij dat »mits” trekt hij

zijn stereotypen glimlach, breed met gesloten mond, minzaam en toch

ernstig vermanend, echt herderlijk, naar hij vast gelooft. De

opgestoken wijsvinger der rechterhand en ’t even voorover leunen in

zijn stoel verhoogen dien indruk. Hij is correct, bewonderenswaardig,

indrukwekkend, dat voelt hij.

De jonge man is te zeer van streek, om er iets van op te merken of te

ondervinden. Als ’t dak op dat oogenblik ingevallen was, zou hij—mits

behouden en ertoe in staat—waarschijnlijk ’t zelfde gezegd hebben wat

hij nu zeide. Hij was er vol van.

»U heeft gelijk, Meneer Dauteville”—Cornelis zei nooit

»Domine”—antwoordde hij plotseling opziende. En zenuwachtig, maar

beslist ging hij voort, tot verbazing van zijn bezoeker, die meer

tegenstand gevreesd had, en—heel in zijn binnenste—wat meer voldoening

had willen hebben van zijn welsprekendheid:

»Zeker, ik had u al lang om Clarine’s hand moeten vragen. Ik doe ’t bij

deze. Ik weet, dat uw dochter mij... dat ik van haar liefde zeker

ben...”

»M’n jongen, ik geef je m’n toestemming. Van harte”. Domine’s stem

klinkt gevoelvol, en zijn handdruk heeft iets echt spontaan hartelijks.

Dat beseft hij.

Als hij verder spreken wil, voorkomt Cornelis hem.

»Ik ga zoo spoedig mogelijk naar Delmond... m’n vader spreken. Ik zal

in alles mijn best doen, geloof me, Meneer Dauteville...”

Als hij dit zegt en den toegesprokene aanziet, is niets dan trouw in

zijn blik te lezen. Cornelis meende volkomen wat hij zeide. In den

»poseur” daar vóor hem zag hij niets dan den beleedigden, diep

gegriefden vader, en zijn wroeging over ’t bedreven onrecht was groot

en innig.

»Komaan, komaan,” zegt de predikant opstaande, ook de ander staat op.

»Ik wist wel, dat ik met een man van eer te doen had. O, ik wist het.”

En weer ’s jongen mans hand grijpende, zegt hij: »Vergun me, je de hand

te drukken. Ik heb je altijd mogen lijden. M’n dochter zal gelukkig met

je zijn, dat weet ik zeker.”

Cornelis zwijgt en geleidt zijn bezoeker naar de deur. »Ik schrijf u

spoedig,” zegt Cornelis nog.

Als de huisdeur dicht slaat, haast hij zich naar zijn kamer, valt daar

in een stoel neer—en wat hem zeker in de laatste vijf jaar—sinds zijn

moeders dood, niet overkomen is, geschiedt thans: hij barst in schreien

uit. Met de eene hand tegen ’t voorhoofd blijft hij zitten,

hartstochlijk, maar gedempt snikkend.

De spanning was te groot geweest.

Zoo'n Nonna! · 第 5 / 33 题