Domine Dauteville zat dien avond in zijn sanctum. Niet dat dit vertrek
in zijn woning iets had, dat rechtens aanspraak kon maken op den naam
heiligdom... Alleen in zooverre althans was het woord toepasselijk, dat
het verboden terrein was, behalve voor de enkele ingewijden. Die enkele
ingewijden waren zijn weleerwaarde zelf en een paar intieme vrienden.
Hij zat er dien avond alleen, zooals trouwens meestal. En het verdroot
hem. De Zaterdagavond was anders waarlijk niet een geschikte tijd om
thuis te zitten. Maar ’t kon nu eenmaal niet anders. Hij was verkouden
en ’t was buiten »hondenweer:” ’t regende en woei en de straten waren
wanhopig slikkerig. Domine Dauteville was een voorzichtig man, en
hechtte bizonder aan ’t behoud van zijn gezondheid. Wie als hij op
reeds meer dan middelbaren leeftijd een krachtig lichaam had en bogen
kon op een jeugdig knap voorkomen, zou immers dom doen met die
godsgaven lichtvaardig om te springen.
Domine Dauteville wàs knap en wist het. ’t Was zijn
lievelingsdenkbeeld, zijn troetelidee, dat hem zelden verliet. Hij
koesterde het als ’t dierbaarst kleinood van zijn innerlijk leven. En
al verbood de bescheidenheid, hem opgelegd als zieleherder, erover te
spreken in menschelijke taal, ’t sprak toch op eigen wijze in zijn
houding, zijn manieren, zijn gebaren, zijn toon: ’t beheerschte zijn
heele denken en doen. Domine Dauteville was de mooiste predikant in den
Haag, wellicht de knapste in ’t heele land...
Niets van ’t kwezelachtige gladgestrekene in zijn gelaat, niets van
onsmaakvolle, zoogenaamd deftige, geschorenheid of
schippersbaarddracht, zooals bij velen zijner ambtgenooten. O neen, hij
had veeleer iets krijgshaftigs in den sierlijken opwaartschen krul van
zijn donkeren knevel en ’t daarbij behoorend »vliegje” op de onderlip,
iets zóo »ondomine-achtigs,” dat tal van collega’s er inwendig over
ontsticht waren, en ronduit zijn uiterlijk in hooge mate ongodsdienstig
vonden. Ongodsdienstig! dacht Domine Dauteville, alsof zoo iets van ’t
uiterlijk afhing: de kwezels! ze zijn jaloersch!
Van ’t innerlijk hing ’t af; maar... nu ja een mensch is een mensch.
Overigens... hij predikte menschenmin en alle andere schoone deugden.
Hij had zelf meer tot het goede opgewekt en zeker ook veel meer ’t
goede—bij anderen—bevorderd dan hij zelf ooit kon gefaald hebben, en de
verhouding van goed en kwaad in iemands leven daar kwam het toch
eigenlijk maar op aan.
En welsprekend was Domine Dauteville immers ook. Hij bezat dus de gave
harten te winnen, zielen te kneden. Merkwaardigerwijs won hij altijd
meer vrouwelijke harten en zielen dan andere. Dat lag aan zijn
uiterlijk! En dat was zijn schuld niet. ’t Vrouwelijk gemoed is nu
eenmaal vatbaarder voor zulke indrukken dan ’t mannelijke... Bovendien
wekt een mooie man zoo licht een ander gevoel dan bewondering bij
sekse-genooten. Jaloezie is daar niet vreemd aan. En dan, mocht een
predikant niet tevreden en dankbaar zijn voor wat de Heer hem aan, wel
is waar vergankelijk, schoon had geschonken, waarmee hij meer geschikt
was dan anderen om met zijn woord te boeien?
Domine Dauteville had reeds jaren velen geboeid, velen voor zich
ingenomen. Hij had als erfdeel van zijn Hugenootsche voorvaderen de
levendigheid en aantrekkelijkheid der Franschen in zijn gansche
persoon, in heel zijn optreden.
Hij had—nu een twintigtal jaren geleden—toen hij nog in Indië was, ook
het zieltje geboeid van een onschuldig, argeloos kind, eenige dochter
van een schatrijk landheer in West-Java. Ze was zijn vrouw geworden. Na
een kort geluk, was ’s man hartenveroveren haar—der creoolsche met
inlandsche hartstochten—een ergernis, daarna een pijniging geworden. Ze
zag weldra met een jaloezie tot krankzinnig wordens toe, dat ze vrij
haar man bewonderen mocht, maar dat hij voortging met bewondering te
zoeken en te vinden bij ettelijke anderen, en dat hij weldra anderer
hulde stelde boven de hare. En die anderen waren vrouwen als zij... Zij
bezweek na enkele jaren, hem achterlatende met een kind, een meisje,
dat de moederzorgen nog noode missen kon. Hij nam een huishoudster en
was spoedig getroost over ’t verlies. Clara was een zijner
catechisanten geweest, hij had haar aangenomen, hij had haar kind
gedoopt, en, toen hij op ’t kerkhof bedankte voor de goede woorden door
een vriend over de doode uitgesproken, had hij bijna ook haar lijkrede
gehouden, als hij zich niet bij tijds bedacht had, dat het niet paste
hier den vrijen teugel te laten aan zijn weelderige welsprekendheid.
Niet lang daarna keerde Domine Dauteville naar ’t moederland terug. Met
een zucht van verlichting verliet hij ’t land der palmen, hoe roerend
ook zijn afscheidspreek was. Neen, Holland was beter: daar had hij meer
kans op succes met zijn mooie taal, zijn mooien naam en zijn mooi
uiterlijk. Ook had hij thans een mooi inkomen, zijn vrouw had een
aardig sommetje achtergelaten. Wel, wat deed hij dan nog langer in
Indië, waar men volgens hem toch alleen heen gaat als de beurs zulks
noodig maakt. Met zijn fortuin en zijn invloedrijke kennissen en
vrienden en al ’t andere slaagde hij er spoedig in een »beroep” te
krijgen voor de residentie. Daar hoorde hij: den Haag was volgens hem
’t eenig oord in Nederland waar men »leefde”.
En Domine Dauteville begon er te »leven.” Hij kocht een fraai huis en
deed zijn intrede in »de kringen” der hofstad, waar hij weldra de
mode-predikant werd.
Aan hertrouwen dacht hij niet. Hij had genoeg van ’t huwelijk. ’t
»Vermenigvuldig u gelijk het zand der zee” was voor Domine Dauteville
geen spoorslag tot een tweede echtverbond. Zijn dochter? Wel, die
groeide als kool en kreeg immers alles wat ze noodig had... zijn
huishoudster zorgde voor haar, en ze ging bij juffrouw Ten Brugge op
school, dat was »je” particuliere meisjesschool in den Haag. Verder had
ze catechisatie bij hem. Opvoeding in den zin van vaderlijke leiding
kreeg ze niet, en allengs werd haar gemoedsleven een gesloten boek voor
hem. Hij bekreunde er zich niet om: voor ’t uiterlijk waren ze in de
beste verstandhouding, en, nauwelijks zestien, maakte zij de
huishoudster verder onnoodig. Hij vergenoegde zich voortaan met een
oude dienstbode, een jonge, en een huisknecht. Die huishoudster was een
noodzakelijk kwaad geweest, een vervelende dwarskijkster in zijn
dagelijksch doen en laten, en hij was blij, dat hij er af was.
Ook Clarine, ’t nieuwe hoofd der huishouding, was met die verandering
zeer in haar schik. Ook zij had daardoor meer vrijheid, en ze kon
toegeven aan haar zucht tot heerschen. Wat ’t eerste betreft: vrijheid
had ze reeds meer dan de meeste andere jonge meisjes van haar stand en
leeftijd: ’t scheelde niet veel, of ze deed en liet wat ze verkoos.
Gelukkig had ze een opgewekt humeur en was ze altijd de vroolijkheid
zelve. Met welgevallen zag de vader daarin de weerspiegeling van zijn
eigen inborst, die ook zelden tot weemoed geneigd was. Had Clarine ook
langzamerhand allerlei denkbeelden en gemoedsaandoeningen, waar haar
vader nooit iets van vernam, dat schaadde weinig aan haar stemming. Wat
ze dacht en gevoelde was trouwens niet van somberen aard: ’t waren de
gewone verschijnselen in ’t gemoedsleven eener zestienjarige, die
slechts voor teedere moeders en voor een enkelen vader waarneembaar
zijn.
’t Jonge meisje verschilde in weinig van de gewone »jonge dame” van
haar kring: ze had dezelfde oppervlakkige kennis, sprak alleen een
beetje beter Fransch, speelde even aardig piano, maakte een even
»snoezig” aquarel, fietste even sierlijk als de meesten harer
vriendinnetjes; ook hield ze zich als dezen zoo min mogelijk met
ernstige zaken bezig. Dat het kind handig was en haar in huis de handen
niet verkeerd stonden, scheen ze van haar moeder te hebben, schoon ze
deze nauwelijks gekend had, en dat zo, alles wel beschouwd, een
vroolijk innemend ding was zonder kwaad in ’t jonge hart, was louter
een gelukkig toeval; maar dat al ’t goede bij haar een basis van
degelijkheid miste, had ze haar vader kunnen wijten, als zij er besef
van gehad had. Ze dàcht daar niet aan: ze was zeer tevreden over hem en
over zich zelve, en toen ze op achttienjarigen leeftijd haar intree in
de wereld deed, was Clarine trotsch op haar vader en Domine Dauteville
op zijn mooie dochter. Ze maakte opgang en weldra waren er weinig
feesten in de beste kringen der hofstad, waarop haar afwezigheid niet
zou opgemerkt worden. Ze leefde in een roes van geluk of althans van
een gemoedstoestand, die haar zoo leek. Papa had al heel spoedig
ingezien, dat zij verder wel alleen haar genoegen en haar gezelschap
vinden kon: hij had zijn rol als »père noble” gespeeld en vertoonde
zich voortaan slechts bij enkele gelegenheden met haar. Och, die
meisjes aan de leîband, daar hield hij niet van. Clarine zou haar weg
wel vinden: ze was »handig” genoeg. En hij vond den zijne weer...
Dien avond in zijn »studeerkamer” dacht Domine Dauteville zeker al heel
weinig aan zijn dochter. Hij trachtte zich over de ergernis van zijn
mislukt hombre-avondje heen te zetten, en vond allengs troost in de
spannende intrige van een kersversch uit Parijs ontvangen »geelkaftje”
van 3 fr. 50. ’t Was lectuur, die hij voor zijn dochter geheim hield.
Hij had een speciale kast in zijn studeerkamer, waarin ook dit boek
zijn plaats zou krijgen, en hij droeg den sleutel daarvan bij zich.
Daarin was een keurverzameling van wat de Fransche overspel-literatuur
in de laatste vijftig jaren voortgebracht had. Van deze literatuur
maakte hij in zijn ledige uren gaarne een bizondere studie. Zoo ook
dien avond.
Juist was hij aan ’t spannend oogenblik gekomen, waarop »la jeune
femme” zich met popelend hart naar de ontmoetingsplaats laat rijden,
waar in een »smaakvol apartementje, ’t gezellige nestje voor twee
tortelduifjes” de »amant” haar afwacht, en zij nu en dan angstig uit
het achterraampje gluurt, omdat ze ditmaal een onverklaarbaar
voorgevoel heeft, dat ze ieder oogenblik »le mari” achter haar aan zal
zien komen, toen er zacht aan de deur geklopt werd.
Domine Dauteville haalde zijn beide handen uit zijn haren, en had een
onaangename gewaarwording. Als hij ooit vloekte, zou hij ’t dan gedaan
hebben.
Over elf... wie kon dat wezen? Hij werd anders nooit gestoord, ’t was
zijn uitdrukkelijk verlangen, dat hij nooit in zijn studiën gestoord
zou worden...
»Ja, wie is daar?” gromde hij.
»Papa...”
»Wat? Clarine?” Domine Dauteville wierp een blik in den spiegel boven
zijn schrijftafel—zijn studeerkamer mocht zulk een meubel niet
missen—streek zijn verwarde haren wat glad, oordeelde zichzelf vrij
correct, en, zijn toon verzachtende, riep hij:
»Binnen, mijn kind?” met iets verwonderds in zijn stem. ’t Boek was
intusschen in veiligheid onder een hoopje couranten.
Daar schoof Clarine binnen met roode oogen, in haar nachtpon. Haar
vader kon een uitroep van verbazing niet bedwingen:
»Kind, wat scheelt je?”
’t Meisje stond verlegen vóor hem, de oogen op den grond, de handen
vóor zich in elkaar geslagen, en zweeg.
Domine Dauteville begon ongeduldig te worden. Ze was in hooge mate
oncorrect.
»Kom, wat is er? Waarom kom je me hier storen?!”
»O, Papa, Papa!” En Clarine verborg haar gelaat in beide handen,
terwijl ze zich zenuwachtig snikkend op een stoel liet vallen.
»Wel, nu nog mooier!” mompelde de ander. Hij stond op en trad op haar
toe. Er was iets bizonders gebeurd, dat zag hij duidelijk... Och,
meisjesgrillen misschien... Toch tikte hij haar zacht op den schouder.
»Kom, kom, Clarine, zeg wat je scheelt. Wat doe je dwaas! Je komt hier
om me te spreken... en nu doe je zoo! Is ’t iets van belang? Kom...”
Meteen tilde hij met zijn hand haar neergebogen hoofd op. ’t Jonge
meisje sloeg even den vochtigen blik op.
Te deksel, hij had toch een mooi kind! Haar wangen gloeiden. ’t Lange
donkerbruine haar hing in verwarde lokken langs de volle schouders,
haar groote donkere oogen glansden van tranen, en de droevige
uitdrukking verhoogde hun schoon; haar weelderige boezem hijgde...
Precies Clara! dacht Domine Dauteville. Hij had nooit te voren zooveel
gelijkenis tusschen moeder en dochter gezien. Hij dacht aan lang
vervlogen jaren, de tooneelen van hartstochtelijke smart zijner vrouw.
Hij had een onaangename gewaarwording, ’t was hem, alsof hij ieder
oogenblik uit dat kleine mondje een stortvloed van bittere verwijten
zou hooren, alsof hij de rozige neusvleugeltjes weer zou zien rijzen en
dalen van ’t koortsachtig ademhalen.
’t Was of hij zijn vrouw in levenden lijve vóor zich zag, uit het graf
herrezen, om hem al zijn ontrouw, ook al de jaren na haar dood vóor de
voeten te werpen! Wat was ze mooi!
De begoocheling duurde slechts een oogenblik, en zijn ergernis kwam
terug. Wat was dat voor een sentimenteel tooneel! Zoo iets was hij
waarlijk niet van zijn dochter gewend. Alle hartstocht, die hij tot
dusverre bij Clarine opgemerkt had, was drift geweest, een uitbarsting
voor enkele oogenblikken, die wegtrok als een donderbuitje op een
Meidag. Clarine wàs niet sentimenteel...
»Wat is er toch! Is er wat gebeurd?” herhaalde Domine Dauteville. De
gebogen gestalte vóor hem knikte nauw merkbaar.
»Iets van belang? Kom je daarover spreken?”
Weer een knik.
’t Was om kregelig te worden.
»Zal je nu spreken, Clarine? Ik wil weten, wat er is. Dacht je dat ik
tijd had, om hier je kuren te observeeren!”
Hij verlangde heusch naar zijn romannetje ...
Clarine begint weer op nieuw te snikken. Maar ditmaal komt er wat uit:
»Ik kan ’t u... niet zeggen, Papa, ik kan niet... ik kan niet...!”
»Maar waarvoor kom je dan hier? Toch om ’t me te zeggen? Is ’t heel
erg?” Komaan, hij moest maar van den nood een deugd maken, en—’t was
misschien iets van beteekenis.
»Ja Pa.” Dit na eenige aarzeling. Dan, bijna onverstaanbaar zacht, en
blijkbaar na inspanning: »Ik had ’t al lang moeten zeggen ...
Cornelis...” De lange, fluweelige wimpers bleven steeds neergeslagen.
»O!” riep de vader lachend uit. »Is ’t anders niet? Dacht je, dat ik
daar niets van gemerkt had? Hij houdt van jou en jij van hem. Cornelis
Udoma? Wel, mijn kind, dat is een goeie partij: een aardige jongen en
veel geld.”
Clarine keek nog steeds niet op.
»Nu? Dat is ’t immers?”
’t Jonge meisje knikte, maar plukte weer verlegen aan haar nachtpon.
»Moet je daar nu zoo’n misbaar om maken? ’t Is wel niet zooals ’t
hoort, dat je mij erbuiten gelaten hebt, maar, nu ja, dat zal ik maar
door de vingers zien... Ik mag Cornelis wel... Ik heb er niets tegen,
hoor. Ik feliciteer je, daar! Is ’t nu goed?”
»Och... Pa... ik woû, dat u ’t me... doen kòn!”
»Wat, feliciteeren? Maar wat is er dan toch? Is ’t weer uit tusschen
jullie?”
Een heftig hoofdschudden en een flauw, huilerig »nee” zijn ’t eenig
antwoord.
»Te drommekater, kind, ik begrijp er niets van!”
Domine Dauteville heeft zijn vriendelijken toon weer opgegeven. Hij is
vol ergernis. Een oogenblik wacht hij op een antwoord, onderwijl strak
kijkend naar zijn zwijgende zenuwachtige dochter.
»Zàl je spreken?! ’t Moet nu uit zijn, hoor! Je komt hier om me te
spreken en ik moet je alles uit je mond halen! Kom, als je nu niet zegt
wat je te zeggen hebt, ga ik naar mijn bed en laat je hier alleen. Dan
kan je uithuilen voor mijn part...”
Meteen maakt hij een beweging, als wilde hij de daad bij ’t woord
voegen.
Dat werkt.
»Och, Pa,” roept het jonge meisje radeloos, »ik vind ’t zoo vreeselijk
u zóo iets te zeggen...”
Ze is opgestaan. Dan, tot klimmende verbazing van haar vader, werpt ze
zich vóor hem op de knieën, en omvat zijn beenen met beide armen.
»Vaderlief, vergeef me, vergeef me! Als Cornelis en ik niet... spoedig
trouwen... ben ik ongelukkig!”
’t Was er uit. Ten prooi aan de vreeselijkste wanhoop heeft Clarine
zich op den grond laten neerglijden, en ligt daar nu voorover, zich
verwringend, de haren verward om haar heen over den grond.
Domine Dauteville is als van den bliksem getroffen. Hij vindt geen
enkel woord. Bleek en bevend ziet hij neer op de gestalte aan zijn
voeten. Als hij niet zoozeer van streek ware geweest, zou hij in ’t
hartstochtelijk misbaar zijner dochter, in haar handenwringen en ’t
trekken aan de haren, in dat over den grond rollen, ’t beeld der echte
creoolsche gezien hebben. De eigenaardigheid kwam voor den dag, ondanks
opvoeding en alles onder den invloed der machtige gemoedsberoering.
Als hij een weinig bekomen is van den schrik, hindert hem die
»aanstellerij” vreeselijk.
»Kom, Clarine, opstaan!” roept hij. »Ik beveel je op te staan!” Hij was
woedend en toonde ’t haar, ofschoon hij niet recht wist, of hij niet
woedender moest wezen op Cornelis Udoma. Hij voelde zich zot en ergerde
zich telkens meer.
’t Jonge meisje kroop naar een stoel, en bleef daar zitten, met het
hoofd voorover tusschen de handen, als verborgen tusschen de lange
haren, die om haar heen neervielen.
»Ik begrijp wat je zeggen wilt,” zei Domine Dauteville op strengen
toon. »Maar... ben je zeker?”
»O, Pa, als ik niet zeker was, zou ik u niet over de zaak spreken.” Een
hernieuwde tranenvloed volgde. Haar lichaam schokte van de snikken.
»Maar je sprak van trouwen...” gaat de vader voort, »heeft hij je
daarover niet gesproken?”
»Jawel, Pa.”
»Nu? Is hij daar dan tegen? Dat is ’t eenige...”
»Hij zegt, dat ’t niet kan... dat hij nog geen betrekking heeft... dat
hij... voor zijn familie... z’n vader... ’t niet weten wil.”
»Och kom!” barstte Domine Dauteville uit. »Een jongen die geld heeft!
Hij moet maar, of anders...” Hij wist niet welk dreigement hij
gebruiken moest. »Nu goed, ìk zal daar voor zorgen!”
’t Meisje slaat den blik weer even op. Er ligt een wereld van smeeking,
van stomme erkentelijkheid in.
»Zoo’n kwajongen! Wat denkt hij wel! Met mij is geen spotten. Hij moet
zich niet verbeelden, dat hij met een straatmeid te doen heeft! Ik zal
die zaak wel in orde maken, en spoedig ook. Laat dat maar aan mij over.
Ik vind ’t ellendig, beroerd, dat ’t zoover gekomen is! Dat heb jij me
nu bezorgd: je brengt schande over den naam van je vader! Dank God, dat
ik je nog genadig behandel. Ik moest je de deur uitzetten. Dat
verdiende je!”
Woedend stapt hij op en neer.
Zij antwoordt niets, maar blijft in dezelfde houding voortsnikken.
»Kom, nu naar bed! Vertoon je maar niet aan m’n oogen, voordat alles in
orde is. Sta op en laat me alleen.”
Langzaam gehoorzaamt Clarine en zwijgend verwijdert ze zich naar haar
slaapkamer.
Alleen gelaten zet Domine Dauteville zijn ijsbeeren-wandeling voort, in
zichzelf mompelend.
Aan zijn rustig geluk dreigde een eind te komen. Zijn naam, de naam
Dauteville was in gevaar. Zijn ijdelheid, zij eigenliefde waren diep
geschokt, meer nog dan zijn vaderhart. Beroerde meid!
En nog een half uur kon Clarine zijn op- en neerstappen hooren, terwijl
ze met gloeiende oogen wakker lag in haar bed.