[1] Decamerone, woord van griekschen oorsprong, dat tien dagen
beteekent.
[2] Vorst Galeotto. Deze titel werd aan het boek door Boccaccio gegeven
(zoo hij het althans was, die het dezen schonk misschien ter
herinnering aan den bekenden versregel van Dante uit het fragment over
Francesco da Rimini. (Inferno V). “Galeotto was het boek en die het
maakte.”)
[3] Zinspeelt op zijn liefde voor Fiametta of Maria, natuurlijk kind
van Roberto, koning van Napels.
[4] De vreeselijke ziekte overgebracht in het vorige jaar uit den
Levant door Genueesche galeischepen na vele verwoestingen in Italië te
hebben aangericht, verminderde een weinig in November maar woedde nog
erger in dat jaar 1348, in heel Italië moordend, ging door Milaan en
Piemont en vandaar naar Frankrijk, Duitschland, Engeland en andere
landen, waar zij overal een ongehoorde wanhoop veroorzaakte. Mattheus
Villani getuigt, dat in Florence en in zijn stadsdistrict van de vijf
personen van elke sekse en leeftijd er drie stierven, in Bologna
overleden twee derden van de bevolking en Agnolo di Susa schrijft, dat
in zijn stad Siena alleen tachtigduizend menschen stierven, wat
overdreven schijnt.
[5] Dit heeft betrekking op de jongelieden en het genoegen.
[6] Men kan niet zeggen, dat die signor Ciappelletto of Cepparello
werkelijk heeft bestaan, maar als feit staat vast, dat de familie der
Cepparelli bloeide tot aan het einde van de vorige eeuw in Prato,
waarvan Boccaccio juist onze man afkomstig laat zijn.
[7] Dino Compagni verhaalt van Musciatto Franzesi, dat hij een ridder
was van groote sluwheid, klein van persoon maar groot van ziel en dat
hij zeer rijk geworden en tot ridder geslagen, den handel opgaf en
Charles van Valois volgde op zijn tocht naar Italië.
[8] Alle Italianen heetten destijds in Frankrijk, Vlaanderen en
Engeland Lombardiërs.
[9] Boccaccio trok de strekking van deze vertelling uit de Avventuroso
Ciciliano van Bosone van Gubbio, waar Saladin na Rome bezocht te hebben
in gezelschap van graaf Artese, met hem dezelfde gesprekken houdt,
welke Boccaccio den Jood Abraham in den mond legt.
[10] Boccaccio trok de stof voor deze vertelling uit de
drie-en-zevenstigste van Novellino, die tot titel heeft: “Hoe de
Sultan, die behoefte aan geld had, verstand wou krijgen van een Jood.”
[11] Jussuf, koning van Marokko, later Salâh-ed-dîn genaamd, en door
taalbederf Saladin, vervulde van zijn naam geheel Europa en als de
andere groote mannen van de Midden-Eeuwen had hij zijn legende. Maar de
schrijvers van dien tijd gebruiken den naam Saladin om onverschillig
welken khalief of arabischen en barbarijschen emir aan te duiden.
[12] Manni beweert, dat naar de meening van Aldo Manuzio junior die
geschiedenis van de markiezin van Montferrat door Boccaccio is
gecopieerd naar het bekende feit van koning Manfred met zijn zuster
Siligaita, gravin van Caserta, maar op niet aanstootelijke wijze is
veranderd, omdat, waar die met bloedschande eindigt, dit verhaal van
Boccaccio slechts besluit met de berisping van den koning van
Frankrijk.
[13] De Paleologo’s, markiezen van Montferrat waren een van de
beroemdste en machtigste vorstenfamilies, die in de middeleeuwen Italië
beroemd hebben gemaakt. Hun stamburchten lagen te Montferrat in
Piemont; hun paleis stond te Casale; maar terzelfdertijd heerschten ze
ook in Thessalië en te Jeruzalem. Het Huis der Paleologi stierf uit in
1533 en het markiesaat ging over op de Gonzago’s.
[14] Giovanni Villani verhaalt in zijn Geschiedenissen, dat dit broeder
Pietro Dall’ Aquila was, wien de florentijners om zijn groote
gierigheid zeer vijandig gezind waren en die in 1348 benoemd werd tot
Bisschop van Sant’ Angelo in het koninkrijk Napels.
[15] Cinciglione, naam van een bekenden drinker uit dien tijd, wat
later de naam werd voor elken dronkaard.
[16] De genade van Sint Johannes Goudmond, een woordspeling, die
betrekking heeft op de florijnen van Florence, welke het beeld van den
heiligen Johannes dragen.
[17] De Inquisitie schreef dikwijls voor onbeteekenende ketterij het
dragen voor van een groot laken kruis op de kleeren.
[18] De held van die vertelling is Cane Grande della Scala, van welke
Dante in Zang XVII van zijn Paradiso schreef:
Als eerst verblijf zal—om u te beveiligen—
U des grooten Lombardiërs hoofschheid wachten,
Wiens schild een Trap en Adelaar voert, den heiligen;
Die voor U van zóó goeden wil is te’ achten,
Dat van voldoen en vragen bij u beide
Het eerst gebeurt, wat and’re’ eer ’t laatste dachten.
Men meent juist thans met eenig recht, dat Primasseau, waarvan
Boccaccio spreekt, een dergelijke Primas of Primasso of Primate was,
kanunnik van Colonia, een licht te begrijpen en beroemd dichter uit de
XIIIe eeuw, waaraan ook door Salimbene in zijn Cronaca wordt herinnerd
en die voor den auteur wordt gehouden van eenige gedichten.
[19] Godfried van Bouillon, hertog van Lotharingen, leider van den
Eersten Kruistocht en eerste christelijke Stedehouder van Jeruzalem.
[20] Manni gelooft, dat die maëstro Alberto, een beroemd arts, geen
ander was dan de Bolognees Alberto Zancari, die toch ook lid was van de
gemeenteraad en openbare lezingen hield in de Universiteit van Bologna
vanaf 1326 tot aan het jaar van zijn dood.
[21] Het feit in deze geschiedenis verhaald is historisch en ook
Giovanni Bonifacio verhaalt het in Boek VIII van zijn Istoria
Trivigiana.
[22] Manni op het gezag van Sansovino meent, dat de historie door
Boccaccio in deze vertelling verhaald, plaats had omstreeks 1306 of
eenige jaren vroeger en leidt dit daaruit af, dat toen de markies Azzo
van Ferrara leefde, van wien hier melding wordt gemaakt.
[23] San Giuliano was de heilige beschermer der reizigers en de
gewoonte hem ter eere, voor men op reis ging, een gebed te doen,
terecht het Paternoster van San Giuliano genoemd, is overoud.
[24] Castel Guiglielmo, een dorp, dat nog bestaat in het district
Lendinara op den rechteroever van het Bianco-Kanaal.
[25] Over de historische waarheid van het feit in deze vertelling
verhaald, kan men alleen zeggen, dat de Lamberti’s en de Agolanti’s
zeer oude Florentijnsche families waren en dat men in de Cronologia van
Girolamo Bardi vindt, dat koning Alexander I van Schotland in 1109 den
troon beklom. Maar alle Alexanders, die deze bestegen, waren uit de
familie van koning Malcolm. En men vindt alleen, dat omstreeks den tijd
aangeduid door Bardi onder koning Malcolm, als eerste van dien naam een
zekere Alexander stierf, Carrone genoemd. Na zich door een wapenfeit te
hebben onderscheiden, werd aan hem en ook aan zijn nakomelingen
toegestaan in den oorlog den koninklijken standaard te dragen.
[26] Woorden letterlijk overgenomen uit Dante’s Hel. VII, vers 80–85.
[27] Ravello was een kolonie van de republiek Amalfi, waar ze niet ver
vandaan ligt. Victor III verhief haar tot een bisdom, maar thans is het
een gewone gemeente.
[28] Het was toen het tijdvak van de noodlottige twisten tusschen de
Guelfen en de Ghibellijnen; die laatsten trokken partij voor keizer
Frederik II, genen voor den Paus, die Karel van Anjou naar Italië riep.
[29] Een historisch persoon, werkelijk onderkoning van Sicilië van
koning Manfred.
[30] Ponzo, onbewoond eiland bij de westkust van het koninkrijk Napels.
[31] Magra, tak van de Lunigiana, van welke Dante schreef:
... Die langs korten weg
Het Genueesch land scheidt van het Toscaansche.
[32] Pietro III van Arragon, bijgenaamd de Groote, geboren in 1239,
overleden in 1285.
[33] Gian di Procida, een dokter en napolitaansch edelman, uit een
edel, napolitaansch geslacht en beroemd in de geschiedenis door zijn
aandeel in het oproer van de Siciliaansche Vesper in 1282.
[34] Men noemde Caïro van Babylon, de stad Caïro van Egypte en de
muzelmaansche vorsten van Egypte Soldani van Babylon.
[35] Garbo of Algarvië, de gansche kust van Afrika tegenover Andalusië
en het koninkrijk van Granada, dus het tegenwoordige Marokko.
[36] Majolica, het eiland Majorca, het grootste der Balearen.
[37] Chiarenza of Clarentza was vroeger een der belangrijkste steden
van Morea thans is het er slechts een ellendig vlek.
[38] Jurisdictie: rechtspraak.
[39] Chinzica is nog de naam van een straat in de stad Pisa.
[40] Gualandi, een zeer oude Pisaansche familie. Dante herinnert er aan
in den Zang XXXIII van zijn Hel:
Gualandi met Sismondi en met Lanfranchi.
[41] Te Ravenna, zegt Martinelli, zijn evenveel kerken als dagen in het
jaar, van daar dat elke dag er aan een heilige gewijd is.
[42] Paganin da Mare is de titel in plaats van Paganin van Monaco,
afgeleid van de plaats, waar hij met vele andere Genueezen zich een
standplaats had gekozen, die op de Middellandsche Zee rooftochten
deden. De familie Da Mare of Da Mari is een zeer oud en edel geslacht
uit Genua.
[43] De dag van 12 uur was verdeeld in vier deelen: terza, sesta, nona
en vespro; vandaar dat mezza terza, (half terza) beteekent anderhalf
uur na zonsopgang.
[44] Lamporecchio is een bekoorlijk dorp bij Pistoia. Er gaat een oude
traditie in dit graafschap, dat daar in de buurt een nonnenklooster
was, hetwelk werd afgebroken, en dat de nonnen voor een of andere
overtreding naar elders werden overgebracht. Of dit waar is of niet,
het schijnt aan Boccaccio voldoende stof te hebben gegeven er deze
geschiedenis uit te putten.
[45] Het verhaal schijnt historisch te zijn, en op bekende personen
betrekking te hebben, maar heeft te veel aanrakingspunten met andere
overleveringen, om geheel waar te wezen.
[46] Agilulf, hertog van Turijn, daarna koning der Longobarden. Hij
beklom den troon door zijn huwelijk met Teodelinda en regeerde lang en
roemrijk (590–616.)
[47] Teudelinga of Teodelinda, dochter van Garibaldo, hertog van
Beijeren, huwde eerst Autarius en daarna Agilulf. Zij stierf in 625
beweend door al haar onderdanen om de vroomheid en wijsheid, die haar
sierden.
[48] Men gelooft naar oude geschiedvorschers, dat het feit, in deze
historie verhaald, werkelijk in Florence gebeurd is, waar zeer rijke
wevers woonden, te meer daar Boccaccio stellig verzekert den naam te
weten van de dame, die deze klucht uithaalde.
[49] De oorsprong van de veertig missen van Sint Gregorius, schrijft
Manni, ontleenen wij aan de Geschiedenis van Paus Sint Gregorius,
waarin men leest, dat veertig missen dienden tot de verlossing van de
ziel van broeder Giusto, een rijk man. De heilige Antonino,
aartsbisschop, herinnert er ook in zijn Somma aan, dat die daarvan
afkomstig zijn.
[50] Puccio behoorde tot de orde van Sint Franciscus van Assisi, die
behalve monniken ook leeken als zij, tertiartiïe daar in opnam.
[51] Boccaccio zeide, dat hij van dien broeder Puccio had hooren
spreken en in de hospitaalherinneringen van de heilige Maria Nuova van
Florence leest men, dat in 1300 op den 30en Januari zij van hem een
zoon verloste Rinieri genaamd en dat hij te San Pancrazio woonde.
[52] Brancazio of Pancrazio.
[53] Men zegt, dat hij tot zulk een groep behoorde, daar deze dit
gewoon waren te doen. Het is echter onzeker, omdat men bij die
vergadering kwam met de kap over het hoofd en de leden elkaar slechts
zelden kenden.
[54] Over de historische waarheid van deze vertelling weet men niets
anders, dan dat ridder Francesco Vergelli of Vergiolesi als gezant naar
Parijs werd gezonden in 1313 gelijk Michelangelo Salvi in zijn
geschiedenis van Pistoja verhaalt.
[55] Men wil, dat die Ricciardo Minutolo een historische
persoonlijkheid is.
[56] Het geslacht der Elisei was een der oudste families van Florence,
waaraan door verschillende schrijvers herinnerd wordt voornamelijk door
Giovanni Villani en door Malespini.
[57] Men moet zich dit huis voorstellen gebouwd tegen een berg.
[58] Men zie, hoe Boccaccio lang de tijden vooruit was door af te geven
op de wreede en valsche wijze van onderzoek, die hem toch nog zooveel
eeuwen zou overleven!
[59] De Oude van den Berg, een legendair persoon uit de Middel-Eeuwen,
hoofd van een godsdienstige sekte, welke zich tegen het einde van de
XIe Eeuw in de gebergten van Perzië vestigde. Marco Polo spreekt er
uitvoerig over in zijn Milione. Het poeder, dat de Oude van den Berg
aan zijn volgelingen gaf om hun in bedwelming een voorproef te schenken
van de vreugden, die hen wachtten, indien zij in zijn dienst stierven,
was, naar wat men zegt, indische hennep, door de Arabieren hasheisch
genoemd, waarvan de naam assassijnen van het begin af aan gegeven aan
de leden van die sekte stamt en sinds dien in het spraakgebruik
algemeen is geworden.
[60] Ragnolo Braghiello, boersche verminking van Agnolo Gabriello, de
engel Gabriël.
[61] Giovanni Villani in Boek VII van zijn Istoria noemt een zekeren
Beltram, graaf de Roussillon, die kapitein was der Florentijnen en
misschien van hem zelf hoorde.
[62] Volgens Manni gelooft men, dat dit feit door Boccaccio om eenige
reden is gewijzigd en dat het werkelijk plaats had niet in de woestijn
van Thebaïda maar in de buurt van Todi. Inderdaad wordt een
gelijksoortige gebeurtenis verhaald door Franco Sacchetti in de novelle
CI en toegeschreven aan zekere Giovanni Dell’ Innamorato, Apostolo
genoemd, die van Todi afkomstig was.
[63] Capsa (thans Gafsa), stad in Tunis, waar de schat was van koning
Jugurtha.
[64] Thebaïda was de zuidelijkste der drie voornaamste deelen van
Egypte en kreeg den naam Thebe, dat er de hoofdstad van was. De
woestijnen omgeven het, welke er gedurende de eerste vijf eeuwen van
het Christendom bevolkt waren met monniken en kluizenaars.
[65] Omdat hij dan zoo mager zou zijn geworden (drie mannen met zeven
vrouwen!), dat de beenderen hem uit de huid hadden gestoken door de
magerheid en ontdaan van spieren geklonken zouden hebben als die van
een skelet.
[66] Filostrato is een naam van griekschen oorsprong en beteekent:
vriend van oorlog en wapenoefeningen.
[67] Deze plaats wordt op verschillende wijze uitgelegd. De een
schreef, dat Boccaccio bedoelde te zeggen, dat zijn boek voorop niet
den naam droeg van den auteur; anderen zeiden, dat hij wilde zeggen
zonder titel n.l. zonder aan iemand te zijn opgedragen (wat aan Filippo
Villani het waarschijnlijkst voorkomt); weer anderen, omdat de naam
Decameron eerder dan een ware titel de indeeling er van aanduidt.
[68] Boccaccio begon aan dit boek op zijn 35ste jaar en voltooide het
vijf jaar later.
[69] Deze geschiedenis is geput uit een episode van den Roman van
Barlaam en Josaphat.
[70] De berg Asinajo of meer algemeen gezegd Senario, tusschen la Sieve
en il Mugnone, tien mijlen van Florence, waarop sinds onheugelijke
tijden een klooster stond.
[71] Casuisten zijn de bedriegelijke verdedigers van de grootste
misdaden.
[72] De mattapan was een Venetiaansche munt van zilver ter waarde van
vier stuivers.
[73] De maremma (zeekust) is het moerassig gedeelte van het land bij
Venetië aan zee. Op de wereld of aan de maremma is een schertsende
uitdrukking gelijk in het hollandsch: alles en nog wat.
[74] Boccaccio had blijkbaar een hekel aan de Venetianen. Eerst heeft
hij ze leeghoofden genoemd en hier oneerlijk.
[75] Deze novelle wordt door Landau gehouden van
grieksch-byzantijnschen oorsprong te zijn.
[76] Candia, moderne naam voor het eiland Creta, die Boccaccio schijnt
te gebruiken voor de hoofdstad daarvan.
[77] Guiglielmo, de tweede koning van Sicilië, maar door anderen de
vierde genoemd; vandaar dat Pandolfo Collenuccio schrijft: Guiglielmo
de tweede in de regeering, maar de vierde in de volgorde der
Guiglielmo’s. Hij regeerde van 1149 tot 1164.
[78] Inderdaad beklom Ruggiero IV, nadat de Sicilianen den vader in
1161 hadden afgezet, den troon in diens plaats, maar hij werd na enkele
dagen vermoord.
[79] De Moorsche heerschappij van Granada in het zuiden van Spanje werd
eerst gegrondvest in 1238; dit is dus een anachronisme van Boccaccio.
[80] Wie in de Middeneeuwen op de valkenjacht ging, droeg dien vogel op
de vuist en opdat de sterke klauwen van het dier de hand niet kwetsten,
hield men die bedekt met een handschoen van zeer dik leer. Dat
verklaart het spottend antwoord van Gerbino.
[81] Een soort sierplant.
[82] San Gimignano, een groot gebied in Toscane, waar de linnenweverij
bloeide.
[83] Deze novelle van onzen Boccaccio, zegt Manni, wordt bewaarheid in
de getuigenis door mij met veel zorg ontleend aan een geschiedenis van
uit Brescia bevestigd, welke Elia Cavriuolo Giureconsulto heet, waar
zij omstreeks 1378 als historisch in omloop was.
[84] De beroemde florentijnsche dokter Targioni dacht van deze novelle,
dat die eer verzonnen zou zijn dan waar, hoewel eenige artsen die als
waar hebben opgevat en voornamelijk Antonio Mizaldo Monluciano. Zoo
beschouwde haar ook Manni, die onderstelde, dat het geval hierin
verhaald plaats had in 1325 of niet veel later.
[85] Er was werkelijk in Florence een familie dei Sighieri en Manni zag
het testament van een zekeren Giovanni Sighieri met den datum van 1363,
waarin goederen genoemd zijn, die deze familie bezat, in het gebied van
Carpentras in Provence.
[86] Men kan een authentiek bewijs lezen van dit voorval tusschen
Roussillon en Gardestagne in het leven, dat van den laatste uit het
Provençaalsch is vertaald door Crescimbeni, waar men het bijna woord
voor woord vertaald vindt. Die Gardestagne was een beroemd dichter uit
Provence en deze noemt hem Capestani, gene Cabestain, en een ander
Casteign, terwijl Crescimbeni hem op zijn italiaansch Cabestano noemt.
Zijn schoone verzen verliefden de vrouw van Roussillon en veroorzaakten
haar dood, waarvan Petrarca ter verklaring zeide:
en die Guglielmo,
Die door gezang zijn bloei van dagen kortte.
Aldus Martinelli. Het kasteel van Roussillon verrees, naar men gelooft,
bij de stad Apt, waar nog steeds een dorp bestaat, dat Castel
Roussillon heet.
[87] Mazzeo of Matteo della Montagna, naar hetgeen Scipio Mazzella, een
napolitaansch historicus schrijft, leefde in Salerno en tusschen 1309
en 1342, schreef hij op aandringen van koning Roberto de Pandecten der
Medicijnen, welke in verschillende talen werden overgezet.
[88] Malfi of Amalfi, een stad op vijftien mijlen gelegen van Salerno.
[89] Een italiaansche uitdrukking.
[90] De Stadico was bij de Napolitanen de rechter.
[91] Een eigenaardige Italiaansche uitdrukking.
[92] Een once, een grooten munt, die iets meer waard was dan een
secchino of sequin.
[93] Beroaldo, die in 1499, die novelle in het Latijn vertaalde,
gelooft, dat Boccaccio zijn verhaal ontleende aan de antieke annalen
van Cyprioten en Manni voegt er eenige redenen aan toe, die het voor
mogelijk doen houden, dat Boccaccio dit zou hebben gedaan. Maar er is
geen enkel bewijs van en het is niet onmogelijk, dat deze geschiedenis
meer dan eenige andere een navolging is van Theocritus, die in zijn
idylle getiteld Il bifolchetto (de kleine Koeherder) meer dan een
bijzonderheid, die men bij onzen verteller ziet, heeft opgenomen.
[94] Susa, de tweede stad van Tunis in dat gebied door haar
bevolkings-cijfer en haar toestand.
[95] Latijn beteekent Italiaansch. De christelijke volken noemden zich
in tegenstelling met de Saracenen Latijnen.
[96] Sansovino zegt, dat de raad door Martuccio gegeven aan den koning
van Tunis door Villani ontleend is aan het achtste boek, waar hij
spreekt over de onderneming, die Cassano, de koning der Tartaren tegen
den Sultan ondernam, die door hem werd verslagen, daar hij het middel
had gebruikt dunne koorden op de bogen te spannen.
[97] Ten tijde van Boccaccio was het pauselijk Hof te Avignon en Rome
in den ban.
[98] Alagna of Anagni, een kleine stad in Latium, beroemd wegens den
smaad Bonifacius VIII in 1303 aangedaan.
[99] Het feit verhaald door Boccaccio vindt men terug in de Storia di
Faënza van Tonduzzi, die de inneming van zijn stad, waarvan Giacomino
in de vertelling spreekt, stelt in het jaar 740 ten tijde van koning
Luitprando. In de plaats daarvan zegt Boccaccio, dat zij is overgegeven
in den strijd met keizer Frederik en het schijnt, dat hij zinspeelt op
Frederik II, die Faënza innam in 1240.
[100] Deze Gianni van Procida, gelijk elders gezegd is, was de neef van
den beroemden naamgenoot, die zulk een aandeel had in den opstand van
de Siciliaansche Vesper.
[101] Frederik van Sicilië was de zoon van Peter van Aragon.
[102] Ruggier dell’ Oria of Ruggierso di Lauria, een zeer beroemd
Italiaansch admiraal. Hij stierf in 1305.
[103] De goede koning Guiglielmo, namelijk Guglielmo il Buono, de derde
koning van Sicilië, overleden in 1184.
[104] De bevoegden voor de correctie van de Decameron doen ons weten,
dat deze novelle ontleend is aan Elinando, een schrijver in zijn tijd
zeer geacht, namelijk omstreeks 1200. Boccaccio verwisselde de namen
der personen en van de plaats, waar het feit gebeurde, maar herinnert
toch aan de individuen, die tot werkelijk bestaande families behoorden.
[105] De Traversari waren werkelijk een zeer edel geslacht in Ravenna;
er wordt van een zekeren Paolo Traversari gesproken in de XXXVe novelle
der Novellino.
[106] Chiassi of Classe heette een kleine landstreek niet ver van
Ravenna en ook de haven van die stad; thans is die geheel verwoest en
is er geen spoor meer van over.
[107] Deze geschiedenis zelf van Elinando wordt verhaald van den Graaf
van Niversa en van een kolenbrander en Passavanti herhaalde haar in
zijn “Spiegel van de ware Boete”. Overigens zijn die legenden van
duivels-jachten in de Midden-Eeuwen zeer algemeen verbreid en ook in
latere tijdperken.
[108] Ammirato zegt, dat in het graafschap Florence, daar het eene huis
ver van het andere was, men vuur ging halen met een vod om het niet te
doen met kolen of brandhout en ook omdat een vod langer (?) brandt en
gemakkelijker te dragen valt. Dit is een kleine dienst en toch zegt
zij, dat niemand dit voor haar wilde doen, zoo oud en leelijk was ze
geworden. (Fanfani).
[109] Troïlus en Crescida zijn de figuren van Filostrato, een gedicht
in octaafrijm, geschreven door Boccaccio zelf, die—naar men wil—hier
onder den naam van Dioneo zijn eigen persoon laat optreden.
[110] Consistorium, hier schertsend gebruikt. Naam voor de vergadering
van den Paus met de kardinalen.
[111] Wat Messire Mazza en de Zwarte Berg beteekenen, hoeft niet nader
verklaard te worden. Een goed verstaander....
[112] Deze Oretta of Lauretta was de dochter van Obizzo Malaspina en de
vrouw van Ruggeri of Geri di Manetto Spini. Reeds in 1332 was zij
weduwe.
[113] Deze bakker Cisti is werkelijk een historisch persoon. Van zijn
bakkerswinkel spreekt ook Ferdinando Leopoldo Del Migliore in zijn
Firenze illustrata. Cisti is misschien een afkorting van Bencivenisti.
[114] Het is Bonifacius VIII, die Paus was van 1294 tot 1303.
[115] Dit gezantschap kwam in Florence in Juni 1300, toen Dante
Alighieri tot de Priors der Republiek behoorde. De Paus zond het
speciaal om de twee fracties der Cerchi en der Donati te verzoenen,
maar dit droeg weinig vruchten. Het hoofd er van was de kardinaal
Matteo d’ Acquasparta.
[116] Het zal wel haast onnoodig zijn te melden, dat de Arno de rivier
is, die Florence doorstroomt.
[117] Zachtjes om den wijn niet troebel te maken.
[118] Dego: Diego.
[119] Dit gebeurde in het jaar 1314, in welken tijd messer Diego della
Ratta kapitein van wapenen was in Florence en vicaris van koning
Roberto.
[120] Popolini waren muntstukken van twee stuivers of soldi van
denzelfden vorm als de beroemde goudguldens van Florence, namelijk met
aan den eenen kant het beeld van San Giovanni Battista, schutspatroon
der stad en aan den anderen kant de florentijnsche lelie.
[121] Sint Johannes, den 24en Juni.
[122] Peretola, een dorp, drie mijlen van Florence.
[123] De familie van Rabatta, afkomstig uit Mugello, behoorde vroeger
tot de oudsten en edelsten van Florence, maar door de ongelukkige
twisten tusschen de Guelfen en de Ghibellijnen moest zij naar Udine
trekken en kwam vandaar in het graafschap Gorizia.
[124] De Baronci waren in Florence bekend om hun leelijk gezicht.
[125] Niet ten onrechte schreef Vasari van Giotto: Hij was vernuftig en
zeer aardig en heel geestig in zijn uitingen, waarvan er nog velen in
de herinnering te Florence voortleven; behalve die van Boccaccio heeft
Franco Sacchetti er in zijn driehonderd novellen velen en zeer schoonen
van verhaald.
[126] Dit is een lichte spot met Pamfilo. Vergelijk dit met den noot
over de Baronci in de voorgaande vertelling.
[127] Een dubbele uitdrukking met een schertsende bedoeling, aldus
gebruikt door Scalza. De Maremma is een moerassige streek.
[128] Monseigneur Della Casa toont in zijn Galateo te gelooven, dat het
feit van die madonna Filippa waar is. Manni gelooft, dat die wijziging
van de wet van Prato waar is en laat ook nog als mogelijkheid aannemen,
dat tusschen de familie der Pugliesi en die der Guazzagliotri wegens
die liefdes-intrige deze doodelijke vijandschap geboren werd, die zeer
lang duurde. Aldus Martinelli in zijn Osservazio storiche.
[129] Deze Betto-Brunelleschi leefde werkelijk in Florence ten tijde
van Guido Cavalcanti en stierf in 1311 of omstreeks dien tijd.
[130] Deze zuilen van porfier, die nog bestaan bij de kerk van San
Giovanni werden door de Pisanen aan de Florentijnen gegeven.
[131] Het verhaal van dien broeder Cipolla gaf velen heel wat te zeggen
door een verkeerde meening, die zij opvatten over de bedoeling van den
verteller, alsof hij van plan was den draak te steken met de heilige
dingen. Tegen deze blaam begon een prelaat van de grootste reinheid van
zeden en gelijksoortige geleerdheid hem te verdedigen met verschillende
van zijn grondige lezingen door hem gehouden in de Academia della
Crusca en door Manni aangehaald in zijn toelichtingen tot die historie.
Zij bevat de aardigste en de teekenendste satire, die ooit door een
bedrieger is gemaakt. Het karakter van Frate Cipolla niet minder dan
dat van zijn metgezel kan niet beter beschreven worden dan de domheid
der goede Certaldesers. De namen der personen er in aangehaald zijn
echt, volgens de documenten door Manni aangehaald (en zij leefden
omstreeks 1300). Het feit kan aan niemand minder dan aan onzen auteur
zelf overkomen zijn volgens een overlevering in Certaldo, waar hij vaak
kwam, daar hij er een deel van zijn bezittingen had en waaraan door hem
later die gratie verleend is, die het zoo aardig hebben gemaakt
(Mannelli).
[132] Deze woordspeling is aldus bedoeld: Cipolla is de naam van den
monnik en beteekent tegelijkertijd: ui, wat in het Hollandsch niet
letterlijk schertsenderwijze te vertalen is.
[133] Te Altopascia in Lucchese was een abdij; twee maal in de week was
er groote soepuitdeeling. Vandaar werd de buitengewoon groote ketel,
waarin zij die kookten, spreekwoordelijk.
[134] Porco: het zwijn.
[135] Beteekent vermoedelijk Leugenland.
[136] Beduidt vermoedelijk Kletsland.
[137] Leugenrijk.
[138] De heele redevoering van Fra Cipolla is volgens Fanfani de
bizarste en de aardigste ter wereld. Al de opgesomde plaatsen en rijken
zijn straten en plaatsen in Florence, die denzelfden naam dragen.
[139] Namelijk als zij er saucijzen van maken.
[140] Snoeimessen: pennati, een woordspeling met de uitdrukking:
pennati, ook pennuti: met vleugels uitgerust.
[141] “Scheld-me-niet-uit Alsjeblieft”.
[142] Deze vraag slaat schertsend op de bedriegerijen, die in verhalen
het onderwerp zullen zijn van den volgenden dag in de Decameron.
[143] De uitdrukking “bescio sanctio” in den oorspronkelijken tekst is
volgens verschillende commentators niet geheel helder.
[144] De naam Egano vindt men veelvuldig onder de Bologneezen en de
familie Galluzi is in Bologna zeer oud.
[145] Heilige oorlog: Kruistocht.
[146] Avignon was toen de zetel van den Paus.
[147] Behoedt mij.
[148] Zonder wacht.
[149] Dit drietal waren schilders, die ten tijde van Boccaccio leefden.
[150] De Mugnone is een stroom, die zich bij Florence in den Arno
stort.
[151] De Heliotroop is een kostbare steen evenals de smaragd rood
gevlekt, waaraan de Ouden de eigenschap toeschreven onzichtbaar te
maken wie hem droeg.
[152] Settignano en Montisci of Montici, twee streken van den Valdarno,
de eene op drie, de ander op twee en een halve mijl van Florence.
[153] Fiesole ligt op een heuvel in gezonde lucht, Sinigaglia in een
ongezond moeras vooral gedurende den zomer.
[154] De uitgang “azza” heeft door den klank in het Italiaansch iets
verachtelijks.
[155] Te Florence evenals in alle andere, middeneeuwsche republieken
noopte de staatkundige naijver der stads-partijen altijd vreemde
magistraten te kiezen.
[156] Vele commentators beweren, dat dit geval voor de helft werkelijk
is gebeurd en dat Boccaccio in den leerling zich zelf schildert, aan
wien de poets wordt gebakken door de weduwe, die hij beminde.
[157] Middeneeuwsche uitdrukking voor: naar den grond, daar de hel
onder de aarde was.
[158] Camollia, een straat in Siena.
[159] Daar de doktoren over de toga van scharlaken een mantel droegen
van bont en op het hoofd een bonten baret.
[160] Lucifer van San Gallo, een dwaasheid in scherts gezegd, evenals
mellonaggine da Legnaja. Maar hier is het noodig er bij te voegen, dat
werkelijk uit Legnaja, een dorp niet ver van Florence de beste en
grootste meloenen komen en ook komkommers. Mellonaggine beteekent
ezelachtigheid.
[161] Priester Johannes was een legendaire figuur uit de Middeneeuwen,
die een zeer machtig christelijk rijk beheerschte van het Oosten in
Aethiopië of in Indië.
[162] Dit bewijst, dat de doktoren toen ook nog drogisten waren en
geneesmiddelen bereidden en verkochten.
[163] Het schijnt dat men hier het tegenovergestelde moet lezen, maar
niet voor niets steekt Bruno den draak met de onnoozelheid van den
dokter.
[164] Vet varken.
[165] Peretola ligt misschien vier mijlen van Florence, maar aan dien
dokter schijnt dit een heel ding.
[166] Een slechte buurt in Florence.
[167] Gewoonlijk spreekt hij van groote dwaasheden om dien zot te
verbluffen. De guitaren van turksch koren, zouden volgens Martinelli,
guitaren uit riet van Turksch koren of zwart graan zijn, die de
kinderen der landbouwers vervaardigen.
[168] Bagattini, kleine venetiaansche munt.
[169] Maëstro Scipa, een spotnaam. Scipa is ongetwijfeld afgeleid van
scipito, leeghoofd, dwaas.
[170] Hoewel de commentatoren hier: “comeque’ signori” niet begrijpen,
komt mij voor, dat hiermee slechts ironisch geen andere heeren bedoeld
zijn dan Bruno en Buffalmacco zelf.
(De Vertaler.)
[171] In den gevel van de kerk van Pasignano, een dorp van het
florentijnsche graafschap, was God de Vader geschilderd. Maar de goede
dokter verbeeldde zich, dat Buffalmacco werkelijk bij deze vreeselijke
Godheid een belofte deed.
[172] Woordspeling van meloen met mellonaggine, de onnoozelheid van den
dokter. Sommige, vroegere navorschers hebben echter beweerd, dat
imparar sulla mela en sul mellone een dubbelzinnige en verachtelijke
beteekenis had en misschien bedoelde Buffalmacco het ook zoo.
[173] Namelijk wanneer de winkels gesloten zijn en er geen zout te koop
is, wat gelijk staat met hem voor dwaas uit te schelden.
[174] Civillari was in Florence een plaats, waar zekere kuilen waren om
de uitwerpselen te bewaren en er de omliggende tuinen van te voorzien.
Die naam en allen, die volgen, als Laterina (wat een streek is in het
gebied van Arezzo maar hier latrine beteekent), Tamagnino, Meta enz.,
zijn van Florentijnschen tongval en zinspelen weinig geschaafd op
faecaliën, uitwerpselen en ander vuil van dit soort.
[175] Werktuigen van het edele gilde der putscheppers.
[176] Hier spreekt Boccaccio zich tegen, want in den aanvang der
historie heeft hij gezegd, dat de dokter in Florence was geboren.
[177] Er bestond werkelijk destijds een orde van gedoopte (eigenlijk
gebaadde) ridders, die zeer gezien en beroemd was en die de gewoonte
had de nieuwelingen openlijk in de kerk in een bad te dompelen. De
plechtigheid had met zeer groote praal plaats en daarom waren de kosten
zeer hoog. Derhalve om hem niet wegens zijn gierigheid te verschrikken,
verzekeren de schelmen, dat de gravin de kosten zal betalen, maar zij
maken een woordspeling met dubbele beteekenis, want het bad, wat zij
van plan zijn hem te geven, is er geen in water, maar in een ...
welriekende stof!
[178] Jancofiore, Biancofiore, Witte Bloem.
[179] In geheel Italië gedurende de Middeneeuwen en ook twee eeuwen nog
daarna waren er blanke en oostersche slaven, wat wet en kerk
toestonden.
[180] De kamers in de badhuizen waren zonder eenig raam om er de warmte
in te bewaren en daardoor geheel donker.
[181] Het was toen gewoonte aan de zuilen van het bed eenige kleine
instrumenten toe te voegen in den vorm van vogels, die door middel van
zekere toestellen gemoduleerde klanken voortbrachten als het gezang van
werkelijke vogels. In het oude gedicht Fabusso en Breusso, is in
bijzonderheden zulk een bed beschreven. (Fanfani.)
[182] Volgens het systeem van Ptolemeus, in de Oudheid en de
Middeneeuwen algemeen aangenomen, was de hemelsfeer met de vaste
sterren, die zich bevond onder de zeven hemelronden der planeten, de
achtste en gaf aan het uitspansel de kleur van azuur.
[183] Deze streek, uitgehaald met den onnoozelen Calandrino wordt op
goede gronden door Manni voor zeer waar gehouden, zoodat hij er toe
komt er den datum van te berekenen, n.l. omstreeks 1320.
[184] Kogels om te werpen met den voetboog, wat men deed door te
steunen op de aarde.
[185] Maëstro Scimmione is een schertsnaam voor meester Simone en
beteekent groote aap.
[186] Chiarea is een drank, waarvan men tot nu toe de samenstelling
niet te weten kwam, waarschijnlijk was het een purgeermiddel of
eenvoudig: helder water afgeleid van chiaro, chiara? [De Vertaler.]
[187] Hiermee zijn bedoeld de kamhoutjes, waarop de snaren worden
gespannen; er is dus mee uitgedrukt, dat Calandrino lange tanden heeft.
[188] De titel baron staat in den oorspronkelijksten tekst. Juist om de
naïveteit van dien middeneeuwschen term is dit geheel in den stijl van
dien tijd. (De Vertaler.)
[189] Cattajo of Cathay. Zoo pleegde men in de Midden-Eeuwen de landen
te noemen van het Uiterste Oosten en in het bijzonder China.
[190] Deze Neri was evenwel toch Ghibellijn.
[191] Zoo heette in de Midden-Eeuwen Caïro.
[192] Vierde Dag. Eerste Vertelling van Gianni Lotteringhi.
[193] Twee beruchte drinkebroers.