Gelijk steeds uit de bestanddeelen van heet ijzer, door den smidshamer
geslagen, tal van brandende vonken schitteren als schijnsels in een
glansenden kring, zoo verwekte Dante, daarna Petrarca,—mannen van de
grootste begaafdheid, die de verouderde Poëzie bewerkten, zoodat zij
den roest van vele eeuwen er uit verwijderden,—als uit een vuursteen de
flikkerende vonken van dichterlijken geest, en wiesen lichtende vlammen
in grootschen gloed. Aldus ook Zanobio da Strada, van wien wij elders
melding hebben gemaakt, en die Giovanni, van welke wij thans hebben te
spreken. Zijn vader was Boccaccio van Certaldo, een dorp in het
Florentijnsche gebied, een man beroemd door de gratie van zijn
manieren. Hij bevond zich voor zijn handelszaken te Parijs en was even
vrij en aangenaam van geest als luchtig van karakter en licht tot
beminnen geneigd. Door die aantrekkelijkheid van zijn aard en van zijn
manieren werd hij verliefd op een Parijsch meisje van een rang, het
midden houdend tusschen adellijk en burgerlijk, voor wie hij in de
hevigste liefde ontbrandde en gelijk de kenners der werken van Giovanni
het willen, verbond deze zich met hem in den echt, waaruit die Giovanni
is voortgekomen, het kind, dat onder Maëstro Giovanni, den vader van
den dichter Zanobio slechts gebrekkig de spraakkunst had geleerd. De
vader begeerde van hem en noopte hem om redenen van winstbejag zich op
de rekenkunde toe te leggen en om dezelfde redenen te reizen; zoo
zwierf hij langen tijd door vele en verschillende streken, dan hier,
dan daar. Reeds op zijn achtentwintigste jaar naar vaderlijk gebod te
Napels gekomen, vestigde hij zich te Pergola, waar hij verblijf
houdende, op een dag voor zijn genoegen wandelde en op de plaats kwam,
waar de asch van Virgilius Maron begraven is. Giovanni beschouwde deze
grafstede met bewondering en lang ook hem, dien deze omsloot en in
twijfel peinzend over de faam van dat gebeente, begon hij opeens het
noodlot verwijten te doen en zich hierover te beklagen, waardoor hij
met geweld gedwongen was zich toe te leggen op de hem antipathieke
handelszaken. Van toen af aangegrepen door een plotselinge liefde voor
de heilige Muzen, keerde hij huiswaarts, verwaarloosde zijn
koopmanschap en wijdde zich met den vurigsten ijver aan de Dichtkunst,
waarin hij in korten tijd nobele gedachten met brandenden ijver verbond
en groote vorderingen maakte. Zijn vader bemerkte dit en meende, dat de
hemelsche liefde meer op den zoon vermocht dan het vaderlijk gezag. Hij
stemde eindelijk in zijn studiën toe en hielp hem met zijn gunst, voor
zoover het mogelijk was, hoewel hij hem eerst tot de studie van het
kanonieke Recht aangespoord had.
Toen Giovanni zich vrij voelde, begon hij met de grootste zorg datgene
na te vorschen, wat voor de Poëzie noodig was en ziende, dat de
beginselen en grondslagen der dichters, welke betreffende de romans en
de fabels bestaan, zoo goed als geheel waren verloren gegaan, begaf hij
zich, alsof hij door een voorbeschikking was bewogen, op weg en
schrikte niet terug voor de vermoeiendste zwerftochten. Daartoe
doorreisde hij vele en verschillende streken, waar hij met grooten
ijver bestudeerde, wat hij van de dichters kon bemachtigen en ook legde
hij zich op de Grieksche wetenschap met groote en volhardende vlijt
toe, zoodat hij alles kon nasporen, terwijl hij zich voor de Grieksche
dichtkunst wendde tot den zeer geleerden Meester Leontius, den Graecus.
Ten slotte bracht hij alles, wat hij met zijn langdurig onderzoek kon
vinden, samen in één boekdeel, dat hij “Over den Geslachtsboom der
Goden” betitelde, waarin de commentaren over de antieke dichters met
bewonderenswaardige orde en in sierlijken stijl,—wat hij verbazend goed
verstond—in allegorischen vorm zijn verzameld, een ongetwijfeld
aantrekkelijk en nuttig werk en zeer noodig voor wie de werken der
dichters wil kennen, zonder hetwelk het moeilijk zou zijn ze te
begrijpen en hun kunst te bestudeeren. Want al de geheimenissen der
dichters en de allegorische beteekenissen, welke de historische romans
of de fabel verbergen, maakt hij met bewonderenswaardige
scherpzinnigheid openbaar en als voor aller hoofden bevattelijk. En
aangezien de namen der rivieren, bergen, wouden, meren, moerassen en
zeeën, welke in de boeken der dichters en historici beschreven worden,
veranderd waren, hetzij door willekeur in verschillende eeuwen of door
verschillende gebeurtenissen en zij dus met andere namen werden
genoemd, welke hij las of veranderde of voor twijfelachtig hield,
stelde hij een boek samen over de rivieren, de bergen en het andere
bovengenoemde, waarin met opzettelijke aanduiding elk met de namen naar
den loop des tijds was opgeteekend, wat de lezers van de studiën der
Oudheid van vele dwalingen kan bevrijden. Hij schreef ook een boek over
de lotgevallen der groote mannen en een ander over beroemde vrouwen,
waarin hij door zooveel zeggingskracht en sierlijkheid van stijl en
statie schittert, dat men kan zeggen, dat hij niet alleen de
verhevenste geesten der Ouden in die studie evenaart, maar misschien
zelfs naar verdienste overtreft.
Behalve die gezegde werken maakte hij zestien zeer schoone
herderszangen en vele brieven in verzen en in proza, welke door
geleerden niet weinig worden op prijs gesteld en zeker toonen de
boeken, welke hij schreef aan waardige en zeer begaafde mannen, hoe
groot zijn genie was. Petrarca zelfs prijst hem, die zóó zijn vriend
was, dat zij als één ziel in twee lichamen werden beschouwd, in hooge
mate naar waarheid en niet door de warmte van zijn vriendschap, gelijk
hij zegt en de dichter Zenobio, zooals die in zijn verzen bewijst, laat
aan hem de vrijheid de stof voor zijn geschriften uit te zoeken. Er
zijn nog verschillende werken door hem geschreven in volkstaal, sommige
in rijm gezongen, een ander in prozaisch verloop opgezet, waar zijn
geest behagen schept—een weinig te openlijk—in wulpsche jeugd, wat hij
later, ouder geworden, in het duister wilde laten. Maar hij kon, gelijk
hij begeerde, het vroeger uitgesproken woord niet naar de borst
terugroepen, noch het vuur, dat hij met den blaasbalg had aangewakkerd,
met den wil dooven. Naar verdienste ook paste het den grooten man met
den dichterlauwer te zijn bekroond, maar de droeve ellende der tijden,
welke de bezitters der tijdelijke goederen tot laag winstbejag had
gebracht en ook zijn armoede beletten dit. Doch de boeken, door hem
voortgebracht, waard om te worden bekroond, eeren in plaats van mirte
en klimop zijn doorluchtige slapen.
De dichter was van eenigszins zwaarlijvig postuur en groot; zijn gelaat
was glad maar met de neus boven de neusvleugels een weinig ingedrukt,
met ietwat dikke lippen, niettemin fraai en wel belijnd; de kin had een
kuil en toonde, als hij lachte, een schoonen vorm. Hij had een vroolijk
en luchthartig uiterlijk, was aangenaam in al zijn gesprekken en schiep
tamelijk veel genoegen in het praten. Hij verwierf zich door zijn
voorkomendheid vele vrienden, echter geen een, die aan zijn armoede
dacht. Hij stierf in 1375 op den leeftijd van 62 jaar en werd in het
plaatsje Certaldo in het klooster van Santo Jacopo, ook wel genoemd la
Canonica, met eerbewijzen begraven onder het grafschrift, dat hij voor
zich zelf, nog in leven, maakte en dat aldus luidde:
Onder deze steen rust de asch en het gebeente van Giovanni,
Zijn geest zetelt bij God, geëerd naar de verdienste van zijn
werken:
Sterfelijk was die van bestaan, zijn vader was Boccaccio,
Zijn vaderstad was Certaldo, zijn lust was de liefelijke
Dichtkunst.
Er wordt in Florence geloof geslagen aan het gerucht, dat Boccaccio tot
de familie der Chellini’s behoorde, en dat zijn vader van de
Florentijnsche Republiek als magistraat een inkomen genoot.
Het Boek, de Decamerone [1] getiteld, bijgenaamd Vorst Galeotto [2]
vangt aan, waarin honderd novellen staan, verhaald in tien dagen
door zeven jonge dames en drie jonge heeren.
Het is menschelijk medelijden te hebben met hen, die bedroefd zijn en
hoewel dit iedereen goed staat, wordt dit het meest gevraagd van hen,
die zelf vroeger behoefte hadden aan troost en dien steeds vonden.
Onder dezen, hetzij het hem aangenaam is of dat hij eertijds er behagen
in kreeg, als iemand hem daarom vroeg, behoor ook ik. Want ik was van
af mijn eerste jeugd af tot dezen tijd toe fel ontbrand door een
verheven en edele liefde [3], misschien veel meer dan het naar mijn
lagen stand zou schijnen en passen er van te spreken.
Hoewel ik bij hen, die bescheiden waren en tot wier kennis dit kwam, er
om geprezen zou zijn en nog veel meer bekend zou wezen, had ik er
niettemin veel last van, zeker niet door de wreedheid van de beminde
dame maar wel door het te overvloedige vuur, in den geest opgehoopt,
bij een slecht geregelde eetlust, welke, omdat die mij geen enkel
oogenblik verzadigd liet, mij verscheidene malen meer belemmering deed
gevoelen dan mij lief was. In dit soort lijden brachten de opwekkende
redeneeringen van zekeren vriend en zijn lofwaardige troostgronden
reeds zooveel verzachting, dat ik de onwrikbare meening in mij omdraag,
dat ik hieraan het leven te danken heb. Maar alnaar het Hem behaagde,
die—eeuwig zijnde—aan alle wereldsche zaken door onveranderlijke wetten
een einde stelde, verminderde mijn liefde, vuriger dan elke andere na
verloop van tijd van zelf, welke geen kracht van redeneering of raad of
in het oog loopende belachelijkheid of daaruit volgend, mogelijk gevaar
kon breken of buigen. Die liefde heeft aldus in mijn ziel alleen die
vreugde achter gelaten, welke de tijd gewoon is aan hem te verschaffen,
die niet te veel nadenkt, zoodat, waar het gevoel gewoonlijk pijnlijk
was, hij alle verdriet wegnam en het aangename achter bleef.
Maar zoo de smart ophield, is daardoor de herinnering niet weggevlucht
van vroeger ontvangen weldaden, mij bewezen door hen, voor wien bij de
welwillendheid mij toegedragen van hun kant, mijn nooden als ernstig
golden en die heugenis zal, geloof ik, ook nooit vergaan, tenzij door
den dood. En omdat de dankbaarheid, naar ik meen, onder de andere
deugden hoogelijk is aan te bevelen en het tegengestelde laakbaar, heb
ik, om niet ondankbaar te schijnen, mij zelf voorgenomen met het
weinige, dat in mijn vermogen is, in ruil voor wat ik ontving, nu ik
mij vrij kan noemen, verlichting te verschaffen en zoo niet aan hen,
die mij hielpen—voor wien het door hun verstand of hun fortuin niet
behoeft—dan ten minste aan diegenen, die het wèl noodig hebben. En
ofschoon de steun of troost, die ik wil geven, vrij gering kan zijn en
is, toch schijnt het mij, dat ik die des te eerder moet schenken, waar
de behoefte grooter schijnt, zoowel omdat die er meer nut zal doen als
omdat die er meer op prijs zal gesteld worden.
En wie zal ontkennen, wie het ook zij, dat men die niet meer moet
schenken aan de schoone vrouwen dan aan de mannen? Zij houden in hun
teedere boezems vreesachtig en vol schroom de liefdevlammen verborgen,
welke zooveel meer kracht hebben dan de geopenbaarden, naar zij weten,
die dit hebben ervaren, en bovendien—gebonden door de wilsuitingen, de
luimen, de bevelen van vaders, moeders, broeders en
echtgenooten—blijven zij het grootste deel van den tijd in de kleine
ruimte van hun kamers opgesloten en schijnbaar rustig daar zittend,
willend en niet willend terzelfder ure, rollen ze in zich zelf
verschillende gedachten om, die zeker niet altijd vroolijk kunnen zijn.
En indien door dezen eenigerlei zwaarmoedigheid, ontstaan uit de vurige
begeerte, in hun hoofden opkomt, waarin deze zich gewoonlijk nestelt
met hevig verdriet, wordt die er niet uitgedreven door nieuwe
redeneeringen; buitendien zijn zij veel minder sterk dan de mannen om
dit te doorstaan. Dit gebeurt bij verliefde mannen niet, gelijk wij
duidelijk kunnen zien. Wanneer eenige melancholie of ernst van
gedachten hen bedroeft, hebben zij verschillende manieren om die te
verlichten of er zich over heen te zetten, omdat, als zij dit willen,
niets hen belet uit te gaan, veel te hooren en te zien, zich op de
vogelvangst te begeven, te jagen, te visschen, paard te rijden, te
spelen en handel te drijven. Op die wijze heeft elk de kracht hetzij
geheel, hetzij gedeeltelijk den geest tot zich zelf te roepen en hem
van trieste gedachten af te brengen, althans na eenig tijdsverloop,
waarna op de een of andere manier of troost verrast of de ontstane
smart vermindert.
Derhalve wensch ik, opdat door mij het kwaad van het Noodlot verzwakt,
waar bij minder kracht—gelijk wij bij de teedere donna’s zagen—ook
minder steun bestond, tot hulp en toevlucht van hen, die beminnen
(hoewel voor de andere vrouwen de naald en de spil en de haspel van het
spinnewiel voldoende zijn) honderd verhalen te doen of fabels of
parabels of histories, al naar we die noemen willen. In tien dagen
werden ze door een eerzaam gezelschap van zeven dames en drie
jongelieden verteld en verzonnen gedurende den voorbij geganen
sterftetijd van de pest en ook enkele liederen van gezegde dames, toen
voor hun vermaak gezongen.
In deze novellen zullen zich komische en treffende liefdegevallen
voordoen en andere gelukkige gebeurtenissen, zoowel uit de oude als uit
de nieuwe tijden, waaruit de al genoemde vrouwen, die dezen zullen
lezen, evenzeer genoegen als nuttige raad kunnen halen door de grappige
feiten daarin verhaald en leeren wat daaruit dan ook vermeden en
nagevolgd moet worden, hetgeen ik niet geloof, dat kan gebeuren zonder
verdrijving van het verdriet.
Laten wij, indien dit geschiedt, (wat God geve) Amor daarvoor danken,
welke mij uit zijn banden bevrijdend, mij gedwongen heeft die te kunnen
aanwenden tot hun genoegen.
De eerste dag van de Decamerone begint: waar aangetoond wordt, naar
de verklaring van den auteur, waarom het gebeurde, dat de personen,
die bij elkaar komen, zich moesten vereenigen om zich samen te
onderhouden. Onder de leiding van Pampinea verhaalt men van wat het
meest aan elk behaagt.
Zoo dikwijls als ik, zeer genadige donna’s, bij mezelf denkend er op
let, hoe gij allen natuurlijk ernstig gestemd zijt, zoo vaak ben ik mij
bewust, dat het tegenwoordige werk, naar uw oordeel, een ernstigen en
droeven oorsprong moet hebben gelijk de smartelijke herinnering aan de
voorbijgegane, pest verbreidende sterfte in het algemeen hinderlijk is
voor ieder, die deze mocht zien of op andere wijze kennen. Het boek
bevat vooraan deze herinnering. Maar ik wil niet, dat dit u zal
afschrikken er meer van te lezen, alsof gij altijd onder tranen en
zuchten met de lectuur zoudt moeten voortgaan. Dat vreeselijke begin
zal u niet anders aandoen dan een ruwe en steile berg reizigers treft,
wanneer een zeer schoone, zachte en aangename rustplaats volgt, welke
hun des te behagelijker zal zijn, naarmate de moeite van het bestijgen
en afdalen daarvan grooter is geweest. En gelijk het uiterste van
vreugde smart inhoudt, zoo worden de verdrietelijkheden door daarop
volgende vreugde beëindigd. Op dit korte verdriet (ik zeg kort, omdat
dit in weinige woorden vervat is) volgt spoedig het genoegen en het
genot, dat ik u bij voorbaat had beloofd en dat misschien bij een aldus
gemaakt begin niet verwacht zou worden, indien ik het niet had vermeld.
Inderdaad, indien ik op fatsoenlijke manier op een andere wijze had
kunnen komen tot wat ik verlang dan langs het ruwe pad, waarover ik dit
doe, dan had ik het graag gedaan, maar daar ik de oorzaak, door welke
de dingen geschiedden, die later zullen gelezen worden, niet kon
verklaren zonder die herinnering, breng ik mijzelf, als door
noodzakelijkheid gedwongen, er toe om dit te beschrijven.
Ik zeg dus, dat de jaren sinds de Onbevlekte Ontvangenis van Gods Zoon
al gestegen waren tot het getal dertienhonderd achtenveertig, toen in
de zeer goede stad Florence, schooner dan elke andere Italiaansche, de
moorddadige pestziekte uitbrak, welke door den invloed der
hemellichamen of voor onze zondige daden door Gods gerechten toorn
onder de stervelingen gezonden, eenige jaren te voren in het Oosten
ontstond, een ontelbaar aantal levenden wegrukte en zonder oponthoud
van de eene plaats naar de andere voortgaande, zich op allertreurigste
wijze naar het Westen heeft verbreid. [4] En hiertegen hielp geen
enkele wetenschap noch menschelijke wijsheid, hoe de stad ook gezuiverd
werd van veel onreinheid door de beambten, behalve van die, waarvan het
reeds voorgeschreven was en evenmin baatte het, dat het aan elke zieke
verboden was de stad binnen te gaan. De vele raadgevingen geschonken
voor het behoud van de gezondheid, en ook de nederige smeekbeden, niet
ééns maar vele keeren zoowel in geordende processies als op andere
wijze tot God gericht door vrome menschen, hielpen niets. Omstreeks het
begin van de lente van het voornoemde jaar begon de pest op vreeselijke
wijze en op wonderbaarlijke manier haar treurigen invloed te toonen.
Zij woedde niet, gelijk zij in het Oosten had gedaan, waarbij ieder,
dien het bloed uit den neus kwam, dit een zeker teeken was van
onvermijdelijken dood, maar bij het begin der ziekte ontstonden of in
de lies of onder de oksels—bij mannen als vrouwen op gelijke
wijze—zekere gezwellen, van welke enkelen groeiden als tot een gewone
appel, anderen als tot een ei, bij eenigen meer en bij anderen minder,
welke de menschen uit het volk pestbuilen noemden. Van de twee genoemde
lichaamsdeelen uit begon in korten tijd de reeds gezegde doodelijke
pestbuil, onverschillig waar, in een deel er van te ontstaan en op te
komen en daarna begon het uiterlijk van genoemd ziekteverschijnsel te
veranderen in zwarte of loodkleurige vlekken, welke onder de armen en
op de heupen en op elk ander lichaamsdeel verschenen, bij dezen groot
en weinig, en bij genen klein en veelvuldig. En daar de pestbuil het
eerst was geweest en nog was het zekere teeken van naderenden dood, zoo
waren die vlekken het ook bij elk, bij wien zij zich vertoonden. Het
scheen, dat tot genezing van dit soort ziekte noch raad van een dokter,
noch kracht van welk medicijn ook waarde had of verlichting bracht,
daar of de aard van den ramp het niet toeliet, of daar de onwetendheid
der geneeskundigen (van welke buiten de wetenschappelijke het aantal
zoowel van mannen als vrouwen, die nooit de medicijnen hadden
gestudeerd, enorm was geworden) de oorzaak niet kon verklaren. Daar men
bij gevolg het noodige geneesmiddel er niet voor koos, herstelden er
niet slechts maar weinigen van, maar ongeveer allen binnen drie dagen
sinds de verschijning van genoemde teekens, die wat eerder, gene wat
later, en de meesten zonder koorts of er bij komende omstandigheden,
stierven.
En de kracht van die pest was nog grooter, omdat zij van de zieken door
gemeenschappelijk samenzijn zich op de gezonden wierp, op dezelfde
wijze als het vuur doet bij droge voorwerpen of gewrevenen, als zij het
dicht genoeg zijn genaderd. En er was een nog grooter kwaad n.l. dat
niet alleen het spreken en omgaan met de zieken aan gezonden de ziekte
bracht of de oorzaak van het gewone sterfgeval werd, maar ook het
aanraken van de lakens of welk ander voorwerp ook, dat door deze zieken
beroerd werd of gebruikt, scheen die ziekte op hem, die ze betastte,
over te brengen.
Het is een wonderlijke zaak om te hooren, die ik vertellen moet en die,
indien hij niet door vele en door mijn eigen oogen gezien was, ik
ternauwernood zou durven gelooven en niet den moed zou hebben neer te
schrijven, zoo ik dit niet van betrouwbare menschen had gehoord. Ik
beweer, dat de aard van de vermelde pest van zoodanigen invloed was bij
aanraking van het eene wezen met het andere, dat niet alleen de eene
mensch den ander, maar wat erger is en duidelijk genoeg bleek, dat het
goed van iemand, die daardoor ziek was geweest of overleden, beroerd
door een ander schepsel dan van het menschelijk geslacht, het niet
alleen daarmee aanstak, maar het in zeer korten tijd doodde. Met mijn
eigen oogen heb ik waargenomen, (gelijk kort te voren gezegd is) dat op
een dag onder andere gevallen de lompen van een arm man door de ziekte
bezweken, op den openbaren weg waren geworpen, toen twee zwijnen
naderden en naar hun gewoonte die eerst met den snuit en de tanden
opnamen en om den kop schudden. Kort daarop, na een paar maal te hebben
rondgewenteld, alsof ze vergift hadden ingenomen, vielen beide op de
ongelukslompen dood ter aarde.
Hierdoor en door heel wat meer andere gelijksoortige en erger gevallen
ontstonden verschillende angsten en inbeeldingen bij hen, die gespaard
bleven en allen kwamen tot een vrij wreede gevolgtrekking, namelijk de
zieken en hun omgeving te vermijden en te ontvluchten en aldus
handelend meende elkeen zich gelijkelijk redding te verschaffen. Er
waren er eenigen, die aanrieden, dat matig leven en zich te onthouden
van alle overdaad veel weerstand gaf tegen de zich voordoende ramp, en
na een gezelschap te hebben gevormd leefden zij afgescheiden van ieder
ander en zij vluchtten in hun huizen en sloten zich op daar, waar geen
enkele zieke was, en zij gebruikten om beter te leven zeer matig de
fijnste spijzen en de beste wijnen en vermeden elke buitensporigheid
zonder te spreken of iemand te laten spreken van buiten over dood en
zieken, of eenig nieuws te hooren en bleven dáár bij muziek en bij alle
genoegens, die zij zich verschaffen konden. Anderen, van een
tegengestelde meening overtuigd, beweerden dat goed drinken en genieten
en zingend naar buiten te gaan en zich te vermaken en te voldoen aan
iedere behoefte, waar het kon en te lachen en te schertsen om al wat
gebeurde, het zekerste middel was tegen zulk een kwaad. Gelijk zij
zeiden gingen zij dag en nacht naar hun vermogen te werk, dan naar
deze, dan naar die kroeg loopend, zonder overleg en zonder maat
drinkend. Zij deden veel meer dan in alle andere omstandigheden alleen
dat, wat zij meenden, dat voor hun aangenaam en plezierig kon zijn. En
zij konden dit gemakkelijk doen, omdat ieder (alsof hij niet langer had
te leven) zijn goederen in den steek had gelaten of hij al dood wás,
waardoor de meeste huizen gemeengoed waren geworden. De vreemdeling
gebruikte die, alsof hij er behoorde en gelijk de eigen heer er gewoond
zou hebben en met die hardvochtige gedachte ontvluchtten zij, zooveel
ze konden, steeds de zieken. In zulk een rouw en ellende van onze stad
was het eerbiedwaardig gezag van de wetten, zoowel goddelijke als
menschelijke, als het ware vervallen en geheel losgelaten door de
schepenen en de uitvoerders daarvan. Deze waren gelijk andere menschen
of dood of ziek of zoo van familie beroofd, dat geen enkel ambt kon
uitgeoefend worden; daardoor stond het aan ieder vrij naar zijn
welgevallen te handelen.
Velen volgden tusschen de twee gezegde levenswijzen een gemiddelde,
zich niet onthoudend van spijzen als de eersten, nog zich te buiten
gaande aan drank en andere losbandigheden gelijk de tweeden, maar zij
gebruikten naar genoegen volgens hun begeerten de levensmiddelen en
gingen naar buiten zonder zich op te sluiten en droegen deze, bloemen,
gene, welriekende kruiden in de handen en andere verschillende
specerijen, die zij vaak aan den neus brachten, denkend, dat dit een
uitstekend middel was om met dit soort reuk de hersens te versterken;
want het was er zoo mee gesteld, dat de lucht geheel van den stank der
doode lichamen en van de ziekte en van de medicijnen doortrokken en
onrein was.
Anderen waren van een nog wreeder gevoelen (alsof dat soms veiliger zou
zijn) en zeiden, dat er geen ander en beter middel tegen de pest
bestond dan er voor te vluchten en door deze redeneering aangezet, voor
niets zorgend dan voor zichzelf, verliet een groot aantal zoowel mannen
als vrouwen hun eigen stad, hun eigen huizen, hun positie en familie en
goederen en zochten de anderen steden op of althans hun omtrek, alsof
Gods toorn over de ongerechtigheid der menschen met die pest van de
plaats, waar zij waren, niet voort kon gaan, maar Hij die alleen had
verwekt om diegenen te tuchtigen, welke zich binnen de muren der stad
mochten bevinden; zij raadden niemand er te blijven en beweerden, dat
zijn laatste uur dan gekomen was. Daar zij, die een andere meening
hadden, niet allen stierven, vluchtte daardoor niet iedereen; van beide
partijen werden er echter velen ziek. Zij versmachtten verlaten alom,
alhoewel zij, toen zij zelf gezond waren, een voorbeeld van levenswijze
hadden gegeven, aan hen, die gezond bleven. Laten wij verzekeren, dat
de eene burger den ander vermeed, en daar zoo goed als niemand voor een
ander zorgde en bloedverwanten elkaar zelden of nooit bezochten, was er
van verre met den zoo veroorzaakten schrik zulk een verbijstering
gekomen in de gemoederen der mannen en vrouwen, dat de eene broeder den
ander verliet en de neef de nicht en de zuster den broeder en dikwijls
de vrouw haar echtgenoot; en (wat erger is en haast ongeloofelijk) de
vaders en moeders vermeden hun kinderen, of het de hunnen niet waren,
te bezoeken en te helpen. Hierdoor bleef voor hen, wier aantal niet was
te schatten, zoowel mannen als vrouwen, die ziek werden, geen andere
hulp dan de barmhartigheid van vrienden (en van hen waren er maar
weinig) of de hebzucht van oppassers, die voor hoog salaris en
schandelijke overeenkomsten dienden. Hun aantal was door dit alles toch
niet groot en de mannen zoowel als de vrouwen waren dom en in vele
gevallen nooit voor dergelijke werk gebruikt, terwijl ze voor niets
anders dienst deden dan eenige dingen aan te reiken door de lijders
gevraagd of om ze bij te staan, als zij stierven. Wanneer zij die
dienst verrichtten, gingen ze dikwijls met winst en al dood. Daar de
zieken verlaten waren door buren, verwanten en vrienden en gebrek
hadden aan oppassers, ontstond een gebruik, vroeger ongehoord, dat een
vrouw, hoe bekoorlijk en schoon en lief ze ook was, wanneer zij ziek
werd, zorg droeg een man tot haar dienst te hebben, wie hij ook mocht
zijn, jong of oud, waarvoor zij zonder eenige schaamte elk lichaamsdeel
ontblootte niet anders dan zij voor een vrouw zou gedaan hebben. Want
de nood van haar lijden eischte dit, wat bij hen, die genazen,
misschien de oorzaak was van minder kuischheid in den tijd, die volgde.
Bovendien overviel de dood velen van hen slechts door tegenspoed, die
gered zouden zijn, indien ze geholpen waren.
Tengevolge daarvan, zoowel door het gebrek aan de noodige oppassing,
welke de zieken niet konden krijgen als door de hevigheid van de pest
was de massa van hen, die dag en nacht stierven zoo groot in de stad,
dat het schrikbarend was om het te hooren vertellen, als men er slechts
acht op gaf. Daardoor als van zelf ontstonden naast vroegere gewoonten
van de burgers zeden in strijd met die, welke in zwang waren gebleven.
Het was gewoonte (gelijk we het nog in gebruik zien), dat de verwanten
en de buurvrouwen zich in het huis van den doode verzamelden, en hier
met hen, die hem meer vermaagschapt waren, treurden; en van den anderen
kant vereenigden zich vóór het huis van den doode de buren en een
aantal andere burgers met zijn mannelijke familieleden en naar den rang
van den overledene kwam de geestelijkheid en werd hij op de schouders
van zijn makkers met begrafenispraal van waskaarsen en zangen gedragen
naar de kerk, voor zijn overlijden door hem aangewezen. Die gebruiken
hielden, toen de felheid van de pest begon toe te nemen, of geheel of
grootendeels op en er kwamen geen andere nieuwen voor in de plaats,
zoodat niet alleen tal van lieden stierven zonder klaagvrouwen, maar er
waren er genoeg, die zonder getuige uit dit leven scheidden en maar
zeer weinigen, wien vrome klaagzangen en de bittere tranen van zijn
familieleden bleven voorbehouden. Liever in de plaats daarvan sleten
die hun leven door zooveel mogelijk te lachen en te schertsen en
gezellig feest te vieren, welke gewoonte de vrouwen, die grootendeels
de vrouwelijke vroomheid hadden afgelegd, voor hun lijfsbehoud zeer
goed hadden geleerd. Er waren er maar weinigen, wier lichamen door meer
dan tien of twaalf van de buren ter kerk vergezeld werden, en voor
welken de eerzame en achtbare burgers, en niet een soort doodgravers,
voortgekomen uit den laagsten stand, die zich ook aldus lieten noemen
en die deze diensten voor geld verrichtten, onder de baar traden en
haar met haastige passen niet naar die kerk brachten, welke zij voor
hun dood hadden aangewezen, maar naar de meest naburige meestal achter
vier of zes geestelijken met weinig kaarslicht en menigmaal zonder één
priester. Dezen met de hulp van die doodgravers zonder zich met een te
langen of plechtigen lijkdienst te vermoeien, brachten die in de eerste
de beste grafstede, welke zij open vonden. Van den lageren stand en
misschien voor een groot deel van de middelklasse was de aanblik der
alle ellende nog veel erger, omdat die het meest door hoop of door
armoe in hun huizen werden teruggehouden of in hun buurt bleven en bij
duizenden ziek werden en noch bediend, noch geholpen met wat ook,
zonder eenige verzachting stierven. Er waren er genoeg, die op den
openbaren weg bij dag of nacht omkwamen en velen, die in hun huizen
heengingen, deden eerst door den stank van hun ontbonden lichamen dan
aan de buren bemerken, dat zij dood waren; zoowel hiervan als van
anderen, die overal bezweken, waren er een groot aantal. Er werd door
de meeste buren een middelweg gebruikt, daartoe niet minder bewogen
door vrees, opdat de besmetting van de dooden hun geen kwaad deed, als
door de barmhartigheid, die zij jegens de overledenen hadden.
Zij, zoowel door eigen kracht als met behulp van de dragers, zooveel ze
er van konden krijgen, sleepten de lichamen der reeds gestorvenen uit
hun huizen en plaatsten die voor hun deuren, waar vooral ’s morgens,
wie uit was gegaan, er talloos veel had kunnen zien. Zij lieten
vervolgens baren komen en er waren er, die bij gebrek daaraan, ze op
een plank legden. Er was geen baar, die niet twee of drie tegelijk er
van torste, en het kwam misschien maar één keer voor, dat van deze niet
vrij zeker kon gezegd worden, dat zij de echtgenoote en den man, de
twee of drie broeders of den vader en den zoon of op die wijze de
familie droeg. Het gebeurde zeer vaak, dat, wanneer twee of drie
priesters met een kruis voor één baar afzonderlijk liepen, dat drie of
vier baren geheven door dragers, zich daarachter voegden; en waar de
priesters geloofden, dat zij één doode begroeven, deden zij er dit zes
of acht of nog meer. Zij werden ook niet geëerbiedigd met een enkelen
traan of kaarslicht of begeleiding; ook werd de toestand van dien aard,
dat men geen andere zorg droeg voor de menschen, die stierven, dan men
voor geiten over had. Daardoor bleek het duidelijk genoeg, dat, terwijl
de natuurlijke loop der dingen bij weinige en zeldzame verliezen niet
aan wijzen kon leeren die te dragen met geduld, de grootste van de
rampen zelfs de eenvoudige zielen had kunnen maken tot verstandige en
ongevoelige lieden. Blijkbaar door de groote menigte dooden, die naar
elke kerk iederen dag en zoo goed als ieder uur, al naar het viel,
gedragen werd, maakte men, daar de gewijdde aarde voor de begrafenissen
niet voldoende was en daar men vooral aan ieder volgens de oude
gewoonte een eigen plaats wilde geven, op de akkers van de kerken,
omdat elke plek grond vol was, zeer groote kuilen, waarin men de later
aangebrachten bij honderd neerliet en in deze opgehoopt—gelijk men
koopwaren laag op laag in schepen legde—bedekte men ze met weinig aarde
zoover, dat die tot den rand van de kuil kwam. Maar opdat ik niet later
aan iedere bijzonderheid van de voorbijgegane ellende, onze stad
overkomen, nog herinner, vermeld ik, dat, toen deze booze tijd die
bezocht, zij bij haar voortduur evenmin de omliggende streek spaarde,
waar (ik laat de dorpen ter zijde, die door hun kleinheid bij de stad
begrepen waren) in de verspreide hofsteden en de velden de ongelukkige
boeren en armen en hun families zonder eenige hulp van dokter of steun
van een oppasser op de wegen en op hun akkers en in hun huizen,
onverschillig bij dag en bij nacht, niet als menschen maar als beesten
stierven. Daardoor werden zij als de poorters in hun gewoonten
bandeloos en zorgden niet meer voor hun werk of hun zaken. Allen ook
als op den dag, wanneer de dood, dien zij verwachten, zou komen, deden
hun best op allerlei wijze niet hun toekomstige winsten van vee en land
en van hun gedanen arbeid te vermeerderen maar te verkwisten, wat ze er
van in voorraad hadden. Aldus gebeurde het, dat de koeien, de ezels, de
schapen, de geiten, de zwijnen, de kippen en zelfs de honden, het
trouwst aan de menschen, uit hun eigen verblijfplaatsen verjaagd door
de velden wegliepen naar willekeur, waar ook het graan verlaten en niet
binnengehaald maar wel gemaaid was. En velen, die over dag goed gevoed
waren, dronken zich zonder toezicht van den herder ’s nachts in hun
stal zat, of ze verstand hadden. Hieraan valt nog toe te voegen
(wanneer ik het platteland ter zijde laat en tot de stad terug ga) dat,
indien het niet in die mate is en zoozeer was door de wreedheid des
hemels en misschien ten deele door die der menschen, zoowel door de
kracht van de pest als doordat vele zieken slecht waren geholpen en
hunne behoeften verwaarloosd, ook door de vrees, die vele gezonden
hadden, men het aantal menschen, die zeker binnen de muren van de stad
Florence stierven, boven de honderdduizend schat. Hoevelen zou men
misschien vóór den verderfelijken ramp niet gedacht hebben daarbij te
moeten tellen? O hoeveel groote paleizen, hoeveel fraaie huizen,
hoeveel trotsche woningen, vroeger vol families, vol heeren en dames,
bleven tot op den minsten bediende ledig! O hoeveel aanzienlijke
geslachten, hoeveel groote erfgoederen, hoeveel befaamde rijkdommen zag
men zonder den wettigen erfgenaam blijven! Hoeveel invloedrijke mannen,
hoeveel schoone vrouwen, hoeveel lieve kinderen, die door geen minderen
dan Galienus, Hippocrates of Esculaap gezond zouden geacht wezen,
ontbeten ’s morgens met hun ouders, met gezellen en vrienden, die op
den invallenden avond in de andere wereld met hun afgestorven verwanten
het avondmaal hielden!
Ik zelf voelde aandrang om tusschen zooveel ellende te gaan zwerven en
nu wil ik achterwege laten, wat ik gerust weglaten kan. Ik zeg dan,
dat, terwijl onze stad in dien toestand was, bijna leeg van bewoners,
(gelijk ik later van een betrouwbaar persoon vernam) toevallig in de
eerbiedwaardige kerk van Santa Maria Novella op een Dinsdagmorgen zeven
jonge dames bijeen kwamen, toen er haast niemand anders was en nadat
zij den heiligen dienst er gehoord hadden in rouwgewaad, gelijk in die
omstandigheden vereischt werd. Allen waren aan elkaar verbonden door
vriendschap, nabuurschap of verwantschap en geen een was er ouder dan
achtentwintig of jonger dan achttien; elk van hen was ontwikkeld, van
edel bloed, mooi gevormd, rijk van kleederdracht en van fatsoenlijk
uiterlijk. Het is mij niet veroorloofd hun ware namen te melden, indien
de reden althans gegrond is. Ik wil dit niet, opdat zij over de dingen,
die volgen en die door hen verhaald en gehoord zijn, in de toekomst
zich niet hoeven te schamen. Want de wetten op de vermaken zijn thans
wat streng, en waren toen door de bovenvermelde oorzaken niet slechts
voor hun leeftijd maar ook voor een veel rijperen zeer zacht. Ook wil
ik aan nijdigaards geen gelegenheid geven, die gereed zijn ieder
fatsoenlijk leven te bezoedelen, door eenigerlei daad de eerbaarheid
der waardige dames te verkleinen met schadelijke praatjes. En opdat
ieder later zonder verwarring kan begrijpen, wat elk van hen hun
vertelde, ben ik van plan door namen, die met hun hoedanigheid of
geheel of ten deele overeenkomen, ze aan te duiden. Aldus zullen wij
niet zonder reden de eerste en de oudste Pampinea noemen, en de tweede
Fiammetta, de derde Filomena, de vierde Emilia, en wij zullen Lauretta
als de vijfde aanduiden en de zesde zullen wij Neifila en de laatste
Elisa noemen. Dezen, die nog geen besluit hadden genomen, maar
toevallig in een deel der kerk bijeen waren gekomen en als in een kring
zich geplaatst hadden om te zitten, begonnen na heel wat zuchten en
nadat zij het prevelen van paternosters hadden gestaakt, met elkaar te
redeneeren over den aard der vele en verschillende tijdsomstandigheden
en na eenige oogenblikken, toen de anderen zwegen, begon Pampinea aldus
te spreken:
Mijn lieve donna’s, gij kunt als ik meermalen gehoord hebben, dat
niemand kwaad doet, die goed zijn verstand gebruikt. Het is natuurlijk
van iedereen, bij wat er op deze aarde gebeurt, zooveel mogelijk zijn
leven te sterken en te behouden en te verdedigen. Men geeft dit zelfs
zoover toe, dat het een enkele maal al is voorgekomen, dat zonder
eenige schuld menschen om dit te behouden elkaar hebben gedood. En
indien de wetten dit veroorloven, in wier betrachting het voor ieder
sterveling goed is te leven, hoeveel te meer zonder iemand te hinderen
is het voor ons en ieder ander niet zedelijk voor het behoud van ons
leven die middelen te kiezen, welke in ons vermogen zijn? Ieder
oogenblik, dat ik onze wijze van doen van dezen morgen beschouw en ook
die van vroeger en bedenk, hoedanige en welke onze redeneeringen zijn,
begrijp ik—en gij kunt het eveneens begrijpen,—dat ieder van ons aan
zich zelf moet twijfelen: en dit nog verwondert mij niet, maar sterk
verbaast mij (in aanmerking nemend, dat wij alle vrouwelijk gevoel
hebben), dat wij zelf niet bemerken eigenlijk ieder voorbehoedmiddel te
vreezen. Wij blijven hier, naar het mij schijnt niet anders dan om er
de geheel vrijwillige en noodzakelijke getuigen van te zijn hoeveel
dooden hier ten grave worden gedragen en om te hooren of de broeders
van hier binnen, van welke het aantal haast tot nul is geworden, op de
verplichte uren hun dienst afzingen, of om aan ieder, die hier
verschijnt, onzen rang en de grootte van onze ellende te doen zien.
Ook: indien wij van hier weggaan, of de lijken of de zieken van buiten
zien vervoerd worden of hen aanschouwen, die het gezag der publieke
wetten vroeger tot ballingschap dwong voor hun misdaden, en die daar
als ’t ware mee spotten, dewijl zij gewaar worden, dat de uitvoerders
daarvan dood of ziek zijn en met weerzinwekkende brutaliteit het
grondgebied afloopen of het schuim der stad, dat op ons bloed verhit is
en zich doodgravers noemt en om ons te beleedigen paard rijdt en overal
rondgaande met gemeene liedjes onzen trots kwetst. Wij hooren hier
niets anders dan: die zijn dood en de anderen zijn er om te sterven,
en, indien er iemand in staat zou zijn om ze te hooren, zouden wij
overal droevige klachten vernemen. Indien wij naar onze huizen
terugkeeren (ik weet niet of u gebeurt, wat mij overkomt) ontstel ik
bij de gedachte van een groot gezin er niemand te vinden dan mijn
knecht en ik voel al mijn haren te berge rijzen, en het schijnt mij,
dat, waar ik er ga of sta, ik er hun schimmen zie en zij mij
verschrikken en niet met de gewone herinnering, die ik van hen pleeg te
hebben, maar met een afschuwelijk uiterlijk, niet begrijpend, wat hen
zoo deed veranderen. Daarom schijnt het mij niet goed zoowel hier als
hier buiten of thuis te blijven, en het komt mij nog meer zoo voor van
ons dan van iemand, die geen toevluchtsoord heeft en die daarheen niet
gaan kàn als wij, die er wel een hebben, en die tòch hier gebleven
zijn. Ik heb meermaals gezien en gehoord, (indien er toch enkelen zoo
zijn) dat deze zonder eenig onderscheid te maken tusschen fatsoenlijke
en onfatsoenlijke dingen, dat doen, wat de begeerte hen ingeeft, zoowel
alleen als in gezelschap en bij dag als bij nacht wat hun het best
bevalt. En niet slechts de wereldsche lieden maar ook de in kloosters
afgezonderden, die zich zelf wijs maken, dat goed is, wat hun bevalt en
slechts aan de anderen mishaagt, denken zich op die wijze te bevrijden,
nadat zij de gehoorzaamheid aan de regels verbroken hebben, zich aan de
lusten des vleesches hebben overgegeven; en ze zijn wulpsch geworden en
wellustig. Indien (wat duidelijk blijkt) dit zoo is, wat zullen wij
hier dan doen? Waarop wachten wij? Wat denken wij? Waarom zullen wij
voor ons heil trager en langzamer zijn dan het geheele overig deel van
de burgers? Achten wij ons minder goed dan al de anderen? Of gelooven
wij, dat ons leven met een sterker keten aan ons lichaam is gebonden
dan dat bij anderen zoo is en in die mate, dat wij er in ’t geheel geen
zorg voor behoeven te dragen, die de macht schenkt het te verdedigen?
Wij dwalen, wij zijn bedrogen: hoe groot is onze overmoed, indien wij
dit onderstellen? Zooveel keeren als wij ons zouden herinneren
hoedanige en welke de jongelieden en de meisjes geweest zijn, die door
deze wreede pest bezweken, zouden wij daarin een zeer overtuigend
argument vinden. En opdat wij door domheid of traagheid daartoe niet
vervallen, waaruit wij gelukkig op eenigerlei wijze, als we het maar
willen, kunnen ontsnappen (ik weet niet of u dit zoo zal voor komen als
aan mij), zou ik het opperbest gedaan achten, dat wij uit dit gebied
vertrekken zóó als we hier bij elkaar zijn, gelijk wij vele malen al
hebben gedaan en plegen te doen. Laten wij als de dood de slechte
voorbeelden hier ontvluchten en met eere naar onze buitenplaatsen in de
provincie gaan, met welke ieder van ons rijkelijk bedeeld is, om daar
te blijven en opdat wij daar die feestelijkheid, die vreugde, dat
genoegen smaken, wat wij kunnen zonder met eenige daad de grens van wat
betaamt, te overschrijden. Daar hoort men de vogeltjes zingen; daar
zullen wij de heuvels en de velden zien groenen en de akkers van graan
zien golven gelijk de zee en van boomen op wel duizend manieren. En de
hemel ziet men er ruimer, die, hoewel hij vertoornd is, daarom er niet
zijn eeuwige schoonheden verbergt, welke daar veel heerlijker zijn om
te aanschouwen dan de verlaten muren van onze stad. Daar is de lucht
veel frisscher dan hier en de dingen, thans noodig om te leven zijn er
in grooter overvloed en het verdriet is er minder. En wel, omdat,
hoewel daar de boeren sterven als hier de burgers, de rouw er minder
is, waar de huizen en de bewoners zooveel meer verspreid zijn dan in de
stad. En anderzijds hier, zoo ik goed zie, verlaten wij niemand, zoo,
dat zelfs wij eerder kunnen zeggen in waarheid hier verlaten te zijn,
omdat de onzen hetzij stervend hetzij den dood ontvluchtend, alsof wij
de hunnen niet waren, ons in al dien rouw hebben achtergelaten. Er kan
dus geen enkel verwijt op ons vallen, indien wij dien raad volgen en
zoo niet, dan zou smart en verdriet en misschien de dood ons kunnen
verrassen. En daarom, wanneer het u goed dunkt, geloof ik, dat wij door
onze bedienden mee te nemen en die met de benoodigdheden te laten
volgen heden ginds, morgen elders en door die vroolijkheid en
feestelijkheid te genieten, die deze tijd kan verschaffen, wel doen,
wat goed is om gedaan te worden en door zoo te blijven handelen, tot
wij zien (indien wij niet van te voren door den dood worden
achterhaald), wat eindelijk de hemel na deze omstandigheden voor ons
bewaart. Ik herinner U er aan, dat hij ons niet zoozeer verbiedt op
eerzame wijze heen te gaan, als wel aan de anderen om voor een groot
deel op schandelijke wijze hier te blijven.
Toen de andere donna’s Pampinea gehoord hadden, prezen zij niet alleen
haar raad, maar verlangend dien te volgen waren zij al begonnen onder
elkaar afzonderlijk op die wijze te praten, zoodat zij hierop van hun
zetels zich verheffend als het ware hand in hand op weg wilden gaan.
Maar Filomena, die de voorzichtigste was, zei: Dames, hoewel het betoog
door Pampinea op uitstekende wijze is uiteengezet, is het toch niet
goed heen te gaan gelijk zij beweert, dat gij moet doen. Ik herinner u
er aan, dat wij alle vrouwen zijn en er is er geen hier zulk een kind,
dat zij wel kan weten, hoe de vrouwen te samen verstandig zijn, en dat
zij toch niet zonder het overleg van een enkelen man kunnen handelen.
Wij zijn bewegelijk, weerbarstig, ergdenkend, kleingeestig en
bangelijk; daarom betwijfel ik zeer of ons gezelschap niet te spoedig,
indien wij geen anderen gids dan den onze nemen, uiteen gaat en met
minder eer dan hier vereischte is. En daarom is het goed zich hierbij
te bezinnen, voor wij beginnen. Toen sprak Elisa: Inderdaad zijn de
mannen het hoofd der vrouwen en zonder hun leiding komt slechts zelden
een werk van ons tot een lofwaardig einde; maar hoe kunnen wij ons die
mannen verschaffen? Ieder onzer weet, dat de meesten dood zijn en dat
de anderen, die zijn blijven leven, deze hier en gene daar in
verschillende groepen—zonder dat wij weten waarheen—dat ontvlieden, wat
ook wij ontwijken en het uitnoodigen van onbekenden zou niet eerbaar
zijn. Daarom, als wij tot onze redding ze willen volgen, is het noodig
een middel te vinden, waardoor wij zoo onze zaken regelen, dat ons,
waar wij voor ons genoegen of onze rust heengaan, geen verdriet of
schandaal volgt.
Terwijl de dames onder elkaar zoo redekavelden, kwamen drie jongelieden
in de kerk, waaronder er geen minder dan vijfentwintig jaar oud was als
de jongste en onder welken noch de boosheid des tijds, noch het verlies
van vrienden of ouders, noch vrees voor zich zelf, de liefde had kunnen
uitblusschen of afkoelen. Een van hen heette Pamfilo, de tweede
Filostrato en de laatste Dioneo, elk heel aardig en welgemanierd en zij
gingen tot hun besten troost in zooveel verwarring hun donna’s zoeken,
die toevallig alle drie zich onder de genoemde zeven bevonden, terwijl
de anderen allen daaraan verwant waren. En dezen vielen de anderen nog
niet in het oog of genen waren ook door hen opgemerkt, zoodat Pampinea
toen glimlachend begon: Kijk, de fortuin is voor ons begin gunstig en
heeft hier bij voorbaat bescheiden en dappere jongelieden gebracht, die
gaarne zoowel gids als dienaar willen zijn, als wij ze voor dien dienst
niet zullen ontvluchten. Neifile, toen van schaamte over het geheele
gelaat vuurrood, omdat elk van hun door een der jongelui bemind werd,
zei: Pampinea, bij God, let op wat je zegt; ik weet zeker, dat men
niets dan het beste van elk van hen kan zeggen en ik meen evenzeer, dat
wij hun gezelschap en de eer daarvan moeten hooghouden, die niet voor
ons, maar voor veel schooner en hooger geplaatste dames dan wij bestemd
zijn. Maar omdat het duidelijk is, dat zij enkelen van ons, die hier
zijn, beminnen, vrees ik, dat schande en verwijt hierop volgt buiten
onze of hun schuld, indien wij ze meenemen.
Daarop zei Filomena: Dat beduidt niets; daar waar ik eerbaar leef, zal
het geweten mij over niets kwellen, wie ook het tegendeel wil beweren;
God en de waarheid zullen dan voor mij de wapens opnemen. Mochten ze nu
maar gereed zijn om te komen, opdat wij, gelijk Pampinea beweerde,
waarlijk kunnen zeggen, dat de fortuin voor onzen tocht gunstig is. De
anderen, welke haar zoo hoorden spreken, zwegen niet slechts maar met
eenparige toestemming vonden zij goed, dat die zouden geroepen worden,
dat men hun het plan zou meededen en dat men hun zou vragen of het hun
mocht behagen bij den aldus voorgestelden tocht ze gezelschap te
houden. Hiertoe richtte zich zonder een woord meer Pampinea, die
opgestaan was en die hun allen door haar bloed verwant was, tot deze
heeren, die haar voortdurend stonden aan te kijken en na hen met
vriendelijk gelaat te hebben gegroet, maakte zij hun dit plan bekend en
verzocht hen elk afzonderlijk ze met reine en broederlijke geest
gezelschap te houden, indien zij zich verplicht voelden zich daartoe
gereed te maken. Eerst geloofden de jongelui, dat ze voor den mal
werden gehouden, maar toen zij merkten, dat de donna van plicht sprak,
antwoordden zij verheugd, dat zij bereid waren en zonder eenig uitstel
te maken bij het plan—daar zij ook vertrokken—gaven zij orders voor wat
ze bij hun uittocht te doen hadden. Nadat zij alles ordelijk in
gereedheid hadden gebracht en wisten, waar zij plan hadden heen te
gaan, begaven zich den volgenden morgen, namelijk Woensdag, bij het
krieken van den dag de dames met eenige van hun bedienden en de drie
jongelieden met drie van hun knechts, uit de stad trekkend, op weg. Zij
verwijderden zich van haar niet meer dan twee kleine mijlen, tot ze de
plaats bereikten door hen aangewezen. Die plek bevond zich boven een
kleinen berg van alle kanten ver van onze wegen, vol van verschillende
lage boomen en planten, allen met groen gebladerte, bekoorlijk om te
zien. Op den top daarvan was een paleis met een schoonen en grooten hof
in het midden en met terrassen en zalen en kamers, allen afzonderlijk
zoo fraai mogelijk en met aanlokkelijke, merkwaardige schilderijen en
getooid met weiden daarbuiten en wonderbare tuinen en met zeer frissche
waterputten en met gewelven vol kostbare wijnen, meer geschikt voor
belangstellende drinkers dan voor matige en eerbare jonkvrouwen. Toen
het was gereinigd en de bedden in de kamers waren opgemaakt en alles
met bloemen, welke men naar het seizoen kon krijgen, en net was
versierd, genoot de aanstaande club niet weinig. En toen zij zich voor
de eerste vergadering hadden neergezet, zeide Dioneo, die meer dan elke
andere jonkman bekoorlijk en welbespraakt was: Dames, uw verstand meer
dan onze voorzichtigheid heeft ons hierheen geleid; ik weet niet welke
van uw gedachten gij hier wilt toepassen; ik liet de mijnen achter in
de poort van de stad, toen ik voor kort met u naar buiten ging. Daarom:
of gij zijt bereid met mij te samen te schertsen en te lachen en te
zingen (zooveel, bedoel ik, als aan uwe waardigheid past) of gij staat
mij toe, dat ik tot mijn gedachten terugkeer en in de geteisterde stad
blijf. Daarop antwoordde Pampinea op geen andere wijze dan de anderen
insgelijks uit zich zelf gezegd zouden hebben, vriendelijk: Dioneo, gij
spreekt zeer goed, men wil vroolijk leven en geen andere oorzaak dan
verdriet heeft ons doen ontvluchten. Maar omdat de dingen, die zonder
eenig plan bestaan, niet lang kunnen duren, acht ik, die de eerste was
bij de gesprekken, waardoor dit goede gezelschap is bijeengebracht, het
noodig overeen te komen, dat er één hoofd zij, dat wij zoowel eeren als
gehoorzamen als meerdere en bij wien bovenal de gedachte voorstaat, dat
men hier er zich op toe moet leggen om vroolijk te leven. Opdat ieder
het gewicht van deze zorg begrijpt naast het genoegen van de
heerschappij en diensvolgens van de eene zoowel als van de andere zijde
beschouwd het niet mogelijk is, dat, wie het ook zij, jaloersch wordt,
stel ik voor, dat ieder voor één dag de verantwoordelijkheid en de eer
zelf aanvaardt. Ten eerste is voor ons verplichtend: de verkiezing van
een onzer uit hen, die nog volgen, wanneer het avonduur zal naderen.
Namelijk hij of zij, die aan Hem of Haar daartoe behagen zal, welke
dien dag de heerschappij heeft gehad. Deze volgens zijn wil beveelt en
bepaalt den tijd, dat zijn heerschappij duurt en de plaats en de wijze,
waarop wij hebben te leven.
Deze woorden bevielen uitermate en eenparig kozen zij haar den eersten
dag, en Filomena, haastig naar een laurierboom geloopen, maakte haar
een eervollen en in het oog loopenden krans, opdat, toen zij genoeg had
hooren spreken over zoodanige eer, die groen loof waard was, zij die op
haar beurt de éér waard was, naar verdienste daarmee bekroond werd;
welk sieraad op het hoofd verder in hun gezelschap het duidelijke
teeken was voor iedereen van koninklijke heerschappij en meerderheid.
Pampinea, tot koningin gemaakt, beval dat elk man zou zwijgen, nadat
zij de knechts van de drie jongelui en hun bedienden, die vier in
aantal waren, had voor zich laten roepen en hun stilte gebiedend sprak
zij: Opdat ik aan u allen het voorbeeld geve, waardoor alles op zijn
best zal voortgaan en ons gezelschap ordelijk en met genoegen en zonder
eenige schande zal bestaan en dit zal duren, zoolang het ons behaagt,
stel ik vóór alles Parmeno, knecht van Dioneo, aan tot mijn hofmeester
en draag aan hem de zorg op en de verantwoordelijkheid voor ons geheele
huishouden en wat tot den zaaldienst behoort. Ik wil, dat Sirisco, de
knecht van Pamfilo, onze betaal- en penningmeester is en de bevelen
gehoorzaamt van Parmeno. Tindaro, in dienst van Filostrato en van de
andere twee, moet op hun kamers passen, wanneer de anderen, door hun
dienst op hun beurt belemmerd, dit niet zouden kunnen doen. Misia, mijn
bediende en Licisca van Filomena, zullen steeds in de keuken bezig zijn
en zullen voor u met zorg die spijzen gereed maken, welke hun door
Parmeno zullen worden opgegeven. Wij wenschen, dat Chimera van Lauretta
en Stratilia van Fiammetta voor het beheer der kamers van de dames
gereed zullen staan, en wij hechten aan de reinheid der vertrekken en
in het algemeen begeeren en bevelen wij, dat ieder, die op onze gunst
gesteld is, waar hij handelt, ga of sta, wat hij hoort of ziet, geen
ander dan vroolijk nieuws hier aanbrengt. En toen deze bevelen
uitdrukkelijk waren gegeven, welke namens allen waren uitgevaardigd,
zeide zij verheugd recht op staande: Hier zijn tuinen, hier zijn
velden, hier zijn andere plaatsen bekoorlijk genoeg, waar ieder tot
zijn genoegen zich ga vermaken en als het drie uur slaat, zij ieder
hier, opdat men voor het koel wordt, eten zal.
Toen aldus de vroolijke bende door de nieuwe koningin was vrij gelaten,
gingen de jongelui pratend met de schoone dames over vroolijke
onderwerpen met langzamen tred door een tuin. Zij vlochten zich schoone
kransen van verschillend loof en zongen op verliefde wijze. Nadat zij
hier bleven, zoolang de tijdruimte duurde door de koningin toegestaan,
vonden zij huiswaarts gekeerd, dat Parmeno ijverig aan zijn personeel
order had gegeven, zoodat, toen zij in een gelijkvloersche zaal traden,
zij hier de tafels gedekt zagen met puurwitte lakens en met bekers, die
van zilver schenen en alles met bloemen van priemkruid getooid. Daarna,
toen het water voor de handen was uitgereikt, gelijk het aan de
koningin behaagde, en naar hetgeen Parmeno geschikt had, gingen allen
zitten. Spijzen, heerlijk toebereid, werden opgedragen en de fijnste
wijnen waren opgezet en de drie knechts bedienden zwijgend. Toen de
maaltijd was afgeloopen, beval de koningin (daar het er zoo mee gesteld
was, dat al de dames konden dansen en ook de jongelui en een deel van
hen zeer goed kon muziek maken en zingen) dat de instrumenten zouden
komen, en op haar order nam Dioneo een luit en Fiammetta een viool en
begonnen zacht een dans te spelen. Hierop vormde de koningin met de
andere dames te samen en twee jongelui een balfiguur en begonnen met
langzamen pas, nadat zij de knechts om te eten hadden weggezonden, een
rondedans. Toen dit geëindigd was, zongen zij lieve en blijde liedjes.
Dit duurde zoo voort, tot het tijd voor de koningin werd om te gaan
slapen: hierop, na aan allen de vrijheid te hebben gegeven, begaven
zich de drie jongelieden naar hun kamers, van die der donna’s
gescheiden, waar zij de bedden opgemaakt en die vol met bloemen vonden
gelijk de zaal en insgelijks de dames hun vertrekken: hierop gingen
zij, na zich ontkleed te hebben, te bed.
Het was niet ver van negen uur, toen de koningin ontwaakt, al de
anderen deed opstaan, ook de jongelui, daar zij beweerde, dat het
nadeelig was te veel overdag te slapen. Aldus begaven zij zich naar een
kleine weide, waar het gras groen en hoog was en men nergens de zon
zag, en toen, terwijl ze een luwe wind voelden komen, plaatsten allen
gelijk de koningin het verlangde, zich in een cirkel, tot wien zij
aldus sprak:
Gelijk gij ziet, is de zon hoog en de warmte groot, en toch hoort men
niets dan den krekel onder de olijfboomen; hierom zou het zonder
twijfel dwaas zijn zich naar een andere plaats te begeven. Hier is het
mooi en frisch verblijven en hier gelijk gij ziet, zijn betaalmeesters
en schatkamers [5] en ieder kan, al naar het hem bevalt, zich genoegen
verschaffen. Maar als het mij schijnt, dat iets volgt, wat niet behaagt
en dat aan den geest van de eene partij bevalt wat met niet al te veel
genoegen den andere dus minder schikt of waarvan het twijfelachtig is,
zullen we (hoewel het zich kan voordoen, dat een verteller het geheele
gezelschap, dat toehoort, vermaakt) het verhalen gedurende dit heete
gedeelte van den dag uitstellen. Gij zult geen historie behoeven te
eindigen, voordat de zon gedaald is en de warmte verdwenen en wij
kunnen, wanneer het U aangenamer is, pret gaan maken en wanneer, wat ik
u zeg, u bevalt, (daar ik bereid ben uw zin te volgen) doet dat dan, en
wanneer het u mishaagt, zal ieder doen tot het avonduur wat hem
goeddunkt. De dames en de heeren vonden het alle even goed te verhalen.
Dan, zeide de koningin, als dat u aanstaat, dan wil ik, dat ieder den
eersten dag vrij zij om de stof te kiezen, die hem het aangenaamst is.
En naar Pamfilo gekeerd, die rechts van haar zat, zeide zij
vriendelijk, dat hij voor de anderen den aanvang maakte met een van
zijn vertellingen, waarop Pamfilo dadelijk, het bevel vernomen hebbend,
door allen aangehoord, aldus begon: