Vijftien maanden later dejeuneerden op een prachtigen, gouden
Septemberdag Bache en Théophile Morin bij Guillaume in het atelier
tegenover het onmetelijke Parijs.
Naast de tafel stond een wieg, waarvan de gordijntjes waren
dichtgetrokken; daaronder sliep Jean, een dikke jongen van vier
maanden, de zoon van Pierre en Marie. Dezen waren, eenvoudig om de
maatschappelijke rechten van het kind te beschermen, op de mairie te
Montmartre burgerlijk getrouwd, hoewel het bij hen vastgestaan had het
daarbuiten te doen, wanneer zij geen maire zouden hebben kunnen vinden,
die een oud-priester had willen trouwen. Dan waren zij, om Guillaume,
die hen bij zich had willen houden, ten einde den familiekring uit te
breiden, een genoegen te doen, in het kleine huisje blijven wonen te
Montmartre, terwijl zij dat te Neuilly overlieten aan de hoede van
Sophie, de oude dienstbode. En zoo vloot gedurende de bijna veertien
maanden, dat zij elkaar toebehoorden, het leven rustig voort.
Trouwens om het jonge paar had slechts vrede, liefde en arbeid
geheerscht. François, die met alle diploma’s de École Normale verlaten
had, zou naar een lyceum in het Westen gaan, want hij wilde zijn
verplichten proeftijd in het onderwijs doormaken, om het dan later op
te geven en zich geheel aan de wetenschap te wijden. Antoine had een
groot succes gehad met een serie bewonderenswaardige houtsneden,
gezichten op en straattooneelen uit Parijs, en zou in de volgende lente
met Lise Jahan, die dan achttien jaar zijn zou, trouwen. Maar van de
drie zoons triompheerde vooral Thomas, die dank zij een geniaal idee
van zijn vader, den beroemden kleinen motor gevonden en geconstrueerd
had. Na het ineenstorten van al zijn reusachtige en hersenschimmige
plannen had Guillaume op een ochtend de plotselinge ingeving gekregen
om de door hem ontdekte en nu nutteloos geworden springstof te
gebruiken als beweegkracht en te trachten haar voor den motor, dien
zijn oudste zoon nu al zoo lang voor de fabriek Grandidier bestudeerde,
in de plaats van petroleum aan te wenden. Hij was met Thomas aan het
werk gegaan en had een nieuw mechanisme uitgevonden, waarbij hij op
tallooze moeilijkheden stuitte, die echter na een jaar van ingespannen
arbeid overwonnen waren. Nu hadden vader en zoon het wonder
verwezenlijkt het stond daar op een eikenhouten onderstel gereed om
zich in beweging te zetten, zoodra men de laatste hand eraan gelegd
had.
In het nu zoo vroolijke, rustige huisje oefende Grootmoeder ondanks
haar hoogen leeftijd nog steeds het oppergezag uit. Allen gehoorzaamden
haar en zij was overal, zonder schijnbaar ooit haar stoel voor het
werktafeltje te verlaten. Sedert de geboorte van Jean sprak zij erover
hem op te voeden, zooals zij Thomas, François en Antoine opgevoed had.
De heerlijke dapperheid der opoffering vervulde haar en zij scheen te
gelooven, dat zij niet sterven zou, zoolang zij de haren leiden,
liefhebben, redden moest. Marie verwonderde er zich over; zij zelf was,
sedert zij haar kind voedde, ondanks haar goede gezondheid en
voortdurende opgewektheid dikwijls moe. Op die wijze had Jean twee
moeders, die naast zijn wiegje waakten, terwijl Pierre, die de hulp van
Thomas geworden was, aan den blaasbalg trok, nu en dan reeds enkele
onderdeelen maakte en zijn leertijd als werktuigkundige bijna te boven
was.
Dien dag had de aanwezigheid van Bache en Théophile Morin het dejeuner
nog vroolijker gemaakt dan gewoonlijk; de tafel was reeds afgenomen en
de koffie werd juist binnengebracht, toen een kleine jongen, de zoon
van een conciërge uit de rue Cortot, naar mijnheer Pierre Froment kwam
vragen. Met stamelende woorden vertelde hij, dat mijnheer de abbé Rose
heel ziek was, op sterven lag en mijnheer Pierre Froment vragen liet,
om dadelijk, dadelijk te komen.
Diep ontroerd ging Pierre met den jongen mede. In de rue Cortot vond
hij in den kleinen, vochtigen, op een smallen tuin uitzienden
rez-de-chaussée abbé Rose stervend, maar nog bij zijn volle bewustzijn.
Een non verpleegde hem en scheen door de komst van dezen bezoeker, dien
zij niet kende, heel verbaasd en ongerust. Pierre begreep dan ook
dadelijk, dat de stervende bewaakt werd en dat hij een list gebruikt
had, om hem door den zoon van den conciërge te laten halen. Maar toen
de abbé haar op zijn goedig ernstigen toon gevraagd had hen een
oogenblik alleen te laten, waagde zij het niet zich tegen dien laatsten
wensch te verzetten, en verwijderde zich.
“O, beste jongen, wat verlangde ik ernaar, om nog eens met je te
praten. Ga daar op dien stoel dicht bij het bed zitten, opdat je me
kunt verstaan, want dit is het einde, vanavond zal ik er niet meer
zijn. En ik heb je zoo’n grooten dienst te vragen.”
Pierre was diep geschokt hem zoo uitgeteerd en met een zoo wit gezicht
te vinden, waarin nog slechts zijn onschuldige, liefdevolle oogen
glansden.
“Maar ik zou veel eerder gekomen zijn als ik geweten had, dat u naar
mij verlangde. Waarom hebt u mij niet laten halen? Wordt u bewaakt?”
Om de lippen van den abbé speelde een verlegen glimlachje van schaamte
en bekentenis.
“Je moogt het gerust weten, beste jongen, ik heb weer domheden
uitgehaald. Ja, ik heb zonder onderzoek aan menschen, die het blijkbaar
niet verdienden, aalmoezen gegeven. Enfin een heel schandaal; in het
aartsbisschoppelijk paleis hebben ze me verweten, dat ik den godsdienst
in gevaar bracht. Toen zij hoorden, dat ik ziek was, hebben zij mij
deze goede zuster gezonden, uit vrees, dat ik op het stroo zou sterven
en de lakens van mijn bed geven zou, als ze het mij niet beletten.”
Hij hield even op om adem te halen.
“Je begrijpt, dat die goede zuster—o, zij is een heel vrome vrouw—hier
is, om mij te verplegen en mij te beletten om op mijn sterfbed nog
dwaasheden te doen. Ik moest dus door een kleine list, die God mij,
naar ik hoop, vergeven zal, haar waakzaamheid om den tuin te leiden.
Het gaat natuurlijk om mijn armen! Om over hen met jou te spreken,
verlangde ik er zoo vurig naar je te zien.”
“Spreek, ik sta tot uw beschikking met hart en ziel,” zeide Pierre met
tranen in de oogen.
“Ja, ja, dat weet ik, mijn jongen. Daarom heb ik ook aan jou gedacht,
aan jou alleen. Ondanks alles wat er gebeurd is, heb ik slechts
vertrouwen in jou, ben jij slechts in staat mij te begrijpen en mij de
belofte te doen, die mij helpen zal rustig te sterven.”
Dat was de eenige toespeling op de wreede breuk, die tusschen hen
ontstaan was, nadat hij den jongen priester zonder soutane en in
opstand tegen de Kerk ontmoet had. Later had hij van zijn huwelijk
gehoord en wist, dat hij daarmede voor eeuwig zijn laatsten band met
den godsdienst verbroken had. Maar in dit laatste uur scheen dat niet
meer voor hem te tellen: hij kende het vurige hart van Pierre, en
verlangde slechts naar den mensch, in wien hij een zoo mooie,
hartstochtelijke naastenliefde had zien branden.
“Lieve Hemel,” ging hij voort, terwijl hij nog de kracht vond, om te
glimlachen; “het is heel eenvoudig, ik wil je tot mijn erfgenaam
benoemen. O, een mooie erfenis is het niet; ik geef je mijn armen, want
ik heb niets anders, ik laat alleen mijn armen na.”
Drie vooral lagen hem na aan het hart; het denkbeeld, dat hij ze zonder
hulp en beroofd van de enkele kruimels, die hij alleen hun gaf en
waarvan zij leefden, achter zou laten, maakte hem wanhopig. In de
eerste plaats de groote Oude, den ouden man, naar wien hij een avond
vergeefs gezocht had, om hem naar het Asile des Invalides du Travail te
brengen. Ten slotte was hij er toch opgenomen, maar drie dagen later
was hij gevlucht, daar hij zich niet aan de regelen wilde onderwerpen.
Hij was woest, onhandelbaar en had een onuitstaanbaar karakter, maar
hij kon toch niet van honger sterven. Deze kwam iederen Zaterdag en
kreeg dan twintig sous; daar had hij de geheele week genoeg aan. Dan
was er verder nog een niet meer tot werken in staat zijnde oude vrouw
in een krot in de rue du Mont-Cenis, voor wie hij den bakker betalen
moest, die haar iederen dag brood bracht. Maar vooral had hij te doen
met een arme jonge vrouw, een ongetrouwde moeder, die aan tering leed,
niet meer in staat om te werken en wanhopig bij het denkbeeld, dat haar
dochtertje na haar dood op straat zou staan. Hier was dus een dubbele
erfenis; de moeder, die tot aan haar dood gesteund, en het dochtertje,
dat later ergens fatsoenlijk ondergebracht moest worden.
“Je neemt het me niet kwalijk, beste jongen, dat ik je die
onaangenaamheden nalaat... Ik heb wel getracht de goede zuster, die mij
verpleegt, voor mijn klein wereldje te interesseeren, maar toen ik haar
van den grooten Oude vertelde, maakte zij verschrikt het teeken des
kruises. Zij is precies als mijn vriend abbé Favernier, ik ken geen
meer rechtschapen ziel en toch zou ik het hem niet durven
toevertrouwen, want hij heeft zoo zijn ideeën... Nogmaals, beste
jongen, ik ben alleen maar zeker van jou, je moet mijn erfenis
aanvaarden, als je wilt, dat ik rustig heenga.”
Pierre weende.
“Natuurlijk, met hart en ziel. Uw wil zal mij heilig zijn.”
“Goed! Ja, ik wist wel, dat je het doen zou... Dat is dus afgesproken:
iederen Zaterdag twintig sous aan den grooten Oude, brood voor de oude
vrouw, den dood van de jonge moeder verzachten en voor het dochtertje
zorgen... O, als je eens wist hoeveel lichter nu mijn hart is! Nu kan
de dood komen; hij zal zacht zijn.”
Over zijn goed, rond, sneeuwwit gezicht spreidde zich een laatste
vreugde uit. Hij nam een hand van Pierre in de zijne en hield die op
den rand van zijn bed, om in kalme liefde afscheid van hem te nemen.
Zijn stem werd nog zwakker, terwijl hij heel zacht zijn gedachten
zeide.
“Ja, ik ben blij heen te gaan... Ik kan niet meer, ik kan niet meer.
Hoeveel ik ook gaf, toch voelde ik, dat het noodig was steeds meer te
geven. Hoe treurig is die machtelooze barmhartigheid, dat geven zonder
hoop ooit het lijden te genezen!... En ik maakte me nogal zoo boos over
jouw denkbeelden, herinner je je nog wel? Ik zei toen tegen je, dat wij
elkander altijd lief zouden hebben in onze armen; en dat was waar, want
anders zou je niet hier en zoo liefdevol zijn voor mij en voor hen, die
ik achterlaat. Maar ondanks alles, ik kan niet meer, ik kan niet meer,
en ik ga liever heen, daar de smart van anderen mij overweldigde en ik
ten slotte alle mogelijke domheden beging, den geloovigen ergernis gaf,
mijn superieuren boos maakte, zonder dat het mij gelukte den altijd
grooter wordenden drom der ellende ook maar met één ongelukkige te
verminderen.... Vaarwel, mijn lief kind! Mijn arm, oud hart gaat
gemarteld in het graf, mijn oude handen zijn moe en overwonnen.”
Pierre omhelsde hem vol liefde en verliet hem met tranen in de oogen en
door een diepe ontroering aangegrepen. Nooit had hij een zoo
zwaarmoedige jammerklacht gehoord als deze bekentenis van de onmachtige
barmhartigheid door dit reine, oude kind, dat eenvoudige hart vol
verheven goedheid. O, welk een ramp—de menschelijke goedheid is
nutteloos, de wereld stuwt ondanks de uit medelijden vergoten tranen,
ondanks de uit zoovele handen gevallen aalmoezen sedert eeuwen
denzelfden stroom van nood en ellende voort. Hier werd de dood
gewenscht, hier was de Christen gelukkig aan de gruwelen van deze aarde
te ontsnappen.
Toen Pierre in het atelier terugkwam, was de tafel reeds lang
afgenomen. Bache en Théophile Morin zaten met Guillaume te praten,
terwijl de drie zoons weer aan hun gewone bezigheden gegaan waren. Ook
Marie had haar oude plekje aan het werktafeltje tegenover Grootmoeder
weer ingenomen, maar van tijd tot tijd stond zij op, om te kijken of de
kleine Jean met zijn dikke knuistjes op zijn borst gedrukt wel rustig
sliep. Pierre, die zijn ontroering in zichzelf opsloot, boog zich met
de jonge vrouw, op wier haren hij een kus drukte, over de wieg; dan
bond hij zich een schort voor en ging Thomas helpen, die bezig was den
motor voor het laatst te regelen.
Plotseling verdween voor Pierre het atelier, zag hij niet langer de
personen, die er zich bevonden, hoorde ze niet meer. Alleen de geur van
Marie bleef op zijn lippen achter. Een herinnering was voor hem
opgerezen, die aan den ijskouden ochtend, waarop de oude priester hem
voor den Sacré-Cœur aangesproken en hem angstig en schuw opgedragen had
een aalmoes te brengen aan dien ouden man, dien Laveuve, die van
ellende gestorven was als een hond op den hoek van een straat. Welk een
treurige ochtend toen, welk een strijd en marteling in hem, en welk een
opstanding daarna! Dien dag had hij een van zijn laatste missen gelezen
en hij herinnerde zich met een huivering zijn afschuwelijken angst, de
wanhoop over zijn twijfel, over zijn Niet. Het was na zijn twee
jammerlijk mislukte proefnemingen: Lourdes, waar de verheerlijking van
het absurde hem medelijden had doen krijgen met de poging van een
terugkeer tot het oorspronkelijk geloof van de jonge, onder het juk van
hun onwetendheid gebogen volkeren; Rome, dat niet in staat was tot een
herleving, dat hij stervend tusschen zijn puinhoopen had zien liggen,
dat weldra in het stof van gestorven godsdiensten vallen zou. In hem
zelf had de naastenliefde bankroet geslagen; hij geloofde niet meer aan
de genezing door de aalmoes van de oude lijdende menschheid, verwachtte
nog slechts de vreeselijke catastrophe, brand en bloedbaden, die de
oude schuldige en veroordeelde wereld vernietigen zouden.
De trotsche leugen, waarachter hij zich verscholen had, om de soutane
te blijven dragen, de valsche positie, waarin hij verkeerde als
ongeloovig priester, die kuisch en eerlijk over het geloof van anderen
blijft waken, benauwde hem. Het probleem van een nieuwen godsdienst,
van een nieuwe, voor den vrede der toekomstige democratieën nieuwe hoop
kwelde hem zonder dat hij een te verwezenlijken oplossing tusschen de
zekerheden der wetenschap en de behoefte aan het goddelijke, die de
menschheid schijnt te verteren, vinden kon. Wanneer het Christendom met
de idee der naastenliefde ineenstortte, dan bleef er niets over dan de
gerechtigheid, de kreet, die uit aller borst opsteeg, niets van den
strijd der gerechtigheid tegen de barmhartigheid in het groote, door
asch zoo verduisterde, met het vreeselijke onbekende zoo vervulde
Parijs, de strijd, waarin zijn hart en zijn rede tegenover elkander
zouden staan. Hier in Parijs lag het derde en beslissende experiment,
de waarheid, die eindelijk als de zon door de wolken breken zou, de
heroverde gezondheid, de kracht en de levensvreugde.
Maar de overpeinzingen van Pierre werden onderbroken, want hij moest
een werktuig zoeken, dat Thomas hem vroeg, en hoorde hoe Bache zeide:
“Het kabinet heeft vanochtend zijn ontslag genomen. Vignon heeft er
genoeg van. Hij bewaart zijn krachten tot later.”
“Hij is meer dan een jaar aan het bewind geweest. Dat is al heel mooi,”
zeide Morin.
Na den bomaanslag van Victor Mathis, die veroordeeld was en drie weken
later terechtgesteld werd, was Monferrand gevallen. Waarom behoefde men
een sterken man aan het hoofd der regeering te hebben, als de bommen
het land toch schrik aan bleven jagen? De voornaamste reden van zijn
val was echter geweest, dat hij de Kamer door zijn wolvenhonger tegen
zich ingenomen had en hij het deel van anderen zelf verslond. Ditmaal
was Vignon ondanks zijn hervormingsprogramma, waarvoor men al zoo lang
terugschrok, zijn opvolger geworden, maar, hoewel hij volkomen eerlijk
en oprecht was, had hij slechts weinig beteekenende hervormingen tot
stand kunnen brengen. Zijn handen waren gebonden; duizenden hinderpalen
deden zich voor. Hij had er zich in geschikt te regeeren zooals alle
anderen en men was tot de ontdekking gekomen, dat er tusschen Vignon en
Monferrand slechts een verschil in nuance bestond.
“Ze noemen Monferrand weer,” zeide Guillaume.
“Ja, hij moet veel kans hebben. Er wordt hard voor hem gewerkt.”
Dan verklaarde Bache, die zich met bitteren spot over Mège vroolijk
maakte, dat de collectivistische afgevaardigde door het doen vallen van
ministeries, zoo’n beetje voor gek speelde; beurtelings diende hij de
eerzucht van iedere partij, zonder ooit de minste kans te hebben zelf
aan het bewind te komen.
“Laten zij elkander maar verslinden,” zeide Guillaume. “In hun grimmige
eerzucht om te regeeren, om over het geld en de macht te beschikken,
strijden zij slechts om personenquaesties. Maar dat belet niet, dat de
revolutie voortgaat en de gebeurtenissen zich voltrekken. Boven alles
staat de voortschrijdende menschheid.”
Pierre werd door die woorden zeer getroffen en zonk weer in zijn
herinneringen terug. Het angstaanjagende experiment begon weer; hij was
weer midden in het onmetelijke Parijs. Parijs, dat was de reusachtige
ketel, waarin een geheele menschheid borrelde, de slechtste en de
beste, het vreeselijkste heksenbrouwsel, de kostbaarste poeders
vermengd met excrementen, waaruit de drank van liefde en eeuwige jeugd
te voorschijn moest komen. En in dien ketel zag hij in de eerste plaats
het schuim der politieke wereld: Monferrand, die Barroux den nek
omdraaide, geldwolven als Fonsègue, Dutheil en Chaigneux kocht,
middelmatigheid als Taboureau en Dauvergne uitbuitte en alles, tot
zelfs den sectarischen hartstocht van Mège en de intelligente eerzucht
van Vignon aan zijn belangen dienstbaar maakte. Dan kwam het
vergiftigende geld, de zaak met de Afrikaansche sporen, die het
Parlement verrot had, die van Duvillard den triompheerenden bourgeois,
den openbaren verleider, den kanker der financieele wereld gemaakt had.
Vervolgens kwam in juiste volgorde het gezin van Duvillard, dat hij
zelf infecteerde, de verschrikkelijke geschiedenis van Eve, die Gérard
aan haar dochter Camille betwistte, die hem haar ontstal; de zoon
Hyacinthe, die zijn maîtresse Rosemonde, een half krankzinnige, gaf aan
Silviane, een bekende hoer, met wie zijn vader zich openlijk
afficheerde. Dan kwam de oude, uitstervende aristocratie met de bleeke
gestalten van madame de Quinsac en markies de Morigny; de oude
militaire geest, welks begrafenis door generaal de Bozonnet geleid
werd; de aan de regeering onderworpen magistratuur—een Amadieu, die
zijn carrière met opzienbarende processen maakte, een Lehmann, die zijn
requisitoir schreef in het kabinet van den minister, wiens politiek hij
verdedigde; de hebzuchtige, leugenachtige, van schandaal levende pers,
de eeuwige vloed van laster en vuiligheden, dien Sanier voortstuwde, de
vroolijke onbeschaamdheid van den gewetenloozen Massot, die uit beroep
en op bevel alles aanviel en alles verdedigde.
En evenals insecten, die een ander stervend insect, dat zijn poot
gebroken heeft, zien, dat den genadestoot geven en het opvreten, zoo
had deze geheele woekering van begeerten, belangen en hartstochten zich
op een ongelukkigen dwaas gestort, dien armen Salvat, wiens dolzinnige
misdaad allen in hun gulzigen honger, om uit zijn mager karkas van
hongerlijder hun deel te krijgen, samengebracht had. En dat alles—die
begeerten, gewelddaden en ontketende begeerten—borrelde in den
reusachtigen ketel van Parijs; het was het onnoembare mengsel van de
scherpste giststoffen, waaruit de wijn der toekomst stroomen zou in
groote, zuivere golven.
Nu werd Pierre zich den wonderbaren arbeid, die zich op den bodem van
den ketel onder de onreinheden en het afval voltrekt, bewust. Zijn
broeder had het zoo juist gezegd: wat beteekenden in de politiek de
gebreken der menschen, de zelfzuchtige en genotzuchtige drijfveeren,
wanneer de menschheid met haar langzamen, maar hardnekkigen stap
voorwaarts schrijdt. Wat beteekende die verdorven en ten onder gaande
bourgeoisie, welke even goed op sterven ligt als de aristocratie, wier
plaats zij ingenomen heeft, indien achter haar onophoudelijk de
onuitputtelijke menschenreserve uit de stads- en landbevolking
opstijgt. Wat beteekenden de ontucht, de verdorvenheid van het al te
groote kapitalisme en van de al te groote macht, het geraffineerde,
ontuchtige, bij sexueele afwijkingen verwijlende leven, waar het
bewezen schijnt te zijn, dat al de hoofdsteden, al die koninginnen der
wereld, slechts ten koste van de uiterste overbeschaving, van den
godsdienst van schoonheid en genot, geregeerd hebben? Wat beteekenden
zelfs de onvermijdelijke omkoopbaarheid, de gebreken en dwaasheden der
pers, waar zij aan den anderen kant het bewonderenswaardigste
instrument van ontwikkeling, het steeds openstaande, openbare geweten
is en de rivier vormt, die, al stuwt zij nog zooveel vuiligheid voort,
toch verder stroomt en alle volkeren naar de groote broederzee der
toekomstige eeuwen brengt.
De menschelijke droesem zinkt op den bodem van den ketel; men mag niet
willen, dat het goede dagelijks zichtbaar triompheert, want dikwijls
zijn er jaren voor noodig, dat zich uit de vuile gisting een werkelijke
hoop losmaakt. En ook al blijft de loonarbeid in de diepte van verpeste
fabrieken een vorm der antieke slavernij, ook al sterven de Toussaints
nog altijd als lam geworden dieren op hun armzalige sponde van honger
en ellende, toch is de vrijheid op een stormachtigen dag uit den
reusachtigen ketel gekomen, om haar vlucht door de wereld te beginnen.
Waarom zou nu ook op haar beurt niet de gerechtigheid te voorschijn
komen, zich losmaken van de slakken en in eindelijk oplichtende
helderheid de volkeren herscheppen?
Maar weer verhieven de stemmen van Bache en Morin, die nog steeds met
Guillaume praatten, zich en wekten Pierre uit zijn gepeins. Zij spraken
over Janzen, die weer bij een tweeden aanslag te Barcelona betrokken
was en naar Parijs teruggekeerd was; Bache meende hem den vorigen dag
gezien te hebben. Een zoo heldere geest, een zoo koelbloedige energie,
zulke gaven werden voor een zoo verfoeilijke zaak verspild!
“Wanneer ik bedenk,” zeide Morin op zijn langzamen toon; “wanneer ik
bedenk, dat de verbannen Barthès in zijn armzalig klein kamertje in
Brussel leeft, in de bevende hoop, dat de vrijheid eindelijk zal
heerschen! Hij, aan wiens hand geen druppel bloed kleeft en die twee
derde gedeelten van zijn leven in de gevangenis gezeten heeft, opdat de
volkeren vrij worden!”
“Vrijheid, vrijheid, zeker! Maar die beteekent niets, als zij niet
georganiseerd wordt!” zeide Bache, terwijl hij medelijdend zijn
schouders ophaalde.
En hun eeuwige discussie begon opnieuw. De eene hield het met
Saint-Simon en Fourier, de ander met Proudhon en Auguste Comte. De vage
godsdienstigheid van den vroegeren communard, die tegenwoordig lid van
den gemeenteraad was, kwam in zijn behoefte aan een troostgevend geloof
weer boven, terwijl daarentegen de professor, de voormalige
Garibaldiaan, een wetenschappelijke starheid, het geloof aan den
mathematischen vooruitgang der wereld behield.
Bache beschreef het laatste herinneringsfeest ter eere van de
nagedachtenis van Fourier. De groep van trouwe leerlingen had kransen
gebracht en redevoeringen gehouden; het was een ontroerende bijeenkomst
geweest van hardnekkig aan hun overtuiging hangende, van de toekomst
zekere apostelen, die vast geloofden aan het nieuwe heilswoord. Dan
maakte Morin zijn zakken leeg, die steeds met kleine positivistische
vlugschriften gevuld waren, waarin de naam van Auguste Comte en zijn
leer als de eenig mogelijke grondslag van den verwachten godsdienst
verheerlijkt werden.
En nu herinnerde Pierre zich hun vroegere disputen in zijn huisje te
Neuilly, toen hij zelf, wanhopig en zoekende naar een zekerheid, de
balans van de denkbeelden der eeuw trachtte op te maken. Te midden van
de tegenspraken en onsamenhangendheden van al die voorloopers had hij
den vasten bodem onder zijn voeten voelen wegzinken. Fourier mocht uit
Saint-Simon voortgekomen zijn, hij verloochende hem toch gedeeltelijk,
en terwijl de leer van dezen zich verstarde tot een soort mystiek
sensualisme, scheen die van genen uit te loopen op een onaannemelijken
codex van inlijving. Proudhon brak af zonder opnieuw op te bouwen.
Comte, die het methodische in het leven riep en de wetenschap haar
plaats aanwees door haar tot de eenige heerscheresse uit te roepen, had
zelfs geen flauw vermoeden van de sociale crisis, welker golven alles
dreigden mede te sleuren, en stierf, door de vrouw ter aarde geworpen,
als een illuminaat der liefde. En ook deze twee mengden zich in den
strijd en vochten met zoo groote verbittering en verblinding tegen de
beide anderen, dat de door hen gemeenschappelijk aan het licht
gebrachte waarheden verduisterd, misvormd, onherkenbaar werden.
Maar thans, na de langzame evolutie, die hem zelf veranderd had,
schenen Pierre deze gemeenschappelijke waarheden verblindend,
onwederlegbaar toe. In de evangeliën van deze sociale Messiassen, in
den chaos van tegenstrijdige beweringen waren gelijkluidende woorden,
die steeds weer terugkwamen: de verdediging van den arme, de idee van
een nieuwe en rechtvaardige verdeeling der aardsche goederen, het
zoeken vooral naar een arbeidswet, welke deze nieuwe deeling onder de
menschen op rechtvaardige wijze mogelijk zou maken. Vormden dus deze
waarheden, waarover alle geniale voorloopers het eens waren, niet den
grondslag van den toekomstigen godsdienst zelf, het noodzakelijke
geloof, dat deze eeuw aan de volgende zou nalaten, opdat het daaruit
den menschelijken eeredienst van vrede, gemeenschapszin en liefde
scheppen zou?
Met een plotselingen sprong van zijn gedachten zag Pierre zich terug in
de Madeleine, waar hij luisterde naar het slot van monseigneur Martha’s
causerie over den nieuwen geest. De bisschop verkondigde, dat het weer
Christelijk geworden Parijs dank zij den Sacré-Cœur de meester der
wereld zijn zou. Neen, neen! Parijs heerschte slechts door zijn vrijen
geest; het was een leugen, dat men het met het kruis, met die mystieke
dwaasheid van een bloedend hart overwonnen had. Ook al mochten zij
Parijs onder de monumenten van hun trots en van hun heerschzucht willen
verpletteren, ook al mochten zij, in de hoop de hand op de komende eeuw
te leggen, trachten de wetenschap in den naam van een gestorven ideaal
weg te vagen—de wetenschap zal hun oude heerschappij van den troon
stooten en hun basilica zal door den storm der waarheid ineenstorten
zonder dat het noodig is haar met een vinger aan te raken. De proef is
genomen: het Evangelie van Jezus is een bouwvallige sociale codex,
waarvan de menschheid slechts enkele moreele grondstellingen kan
overhouden. Het oude Katholicisme valt aan alle kanten in het stof, het
oude Katholieke Rome is nog slechts een veld met puinhoopen, de
volkeren wenden er zich van af en willen een godsdienst, die niet een
godsdienst van den dood is. In vroegere tijden ontsnapte de gebogen,
door een nieuwe hoop verteerde slaaf uit zijn kerker en droomde van een
hemel, waarin zijn ellende met eeuwige genietingen beloond zou worden.
Nu de wetenschap echter dezen leugenachtigen hemel, dat bedrog van een
leven na den dood vernietigd heeft, is de slaaf, de arbeider, het moede
te sterven, om gelukkig te worden, eischt gerechtigheid en geluk op
aarde. Dat is na de achttien eeuwen van onmachtige naastenliefde de
nieuwe hoop: de gerechtigheid. O, hoe zal men, wanneer na duizend jaar
het Katholicisme niets meer is dan een zeer oud, dood bijgeloof, zich
verbazen, dat de voorvaderen dien godsdienst van kwelling en van het
Niet hebben kunnen dulden: God een beul, de mensch gecastreerd,
bedreigd, gemarteld, de natuur een vijandin, het leven vervloekt, de
dood alleen zoet en bevrijdend! Twee duizend jaar lang zal het
voorwaarts schrijden der menschheid belemmerd zijn geweest door de
afschuwelijke idee, dat men den mensch al het menschelijke, dat hij
bezit, ontnemen moet: begeerten, hartstochten, den vrijen geest, den
wil, de daad, zijn geheele kracht. Maar welk een blij ontwaken zal het
zijn, wanneer de maagdelijkheid geminacht, de vruchtbaarheid weer een
deugd zal worden, wanneer onder het hosanna der bevrijde natuurkrachten
de begeerten geëerd, de hartstochten nuttig gemaakt, de arbeid
verheerlijkt, het leven bemind zal worden en de eeuwige schepping der
liefde verwekken zal!
Een nieuwe godsdienst! Een nieuwe godsdienst! Pierre herinnerde zich
dezen kreet, die hem te Lourdes ontsnapt was, dien hij te Rome bij het
zien van de ineenstorting van het oude Katholicisme herhaald had! Maar
het was niet meer dezelfde koortsachtige haast, de kinderlijke,
ziekelijke hardnekkigheid, waarmede hij vroeger verlangde, dat een
nieuwe God zich dadelijk openbaren, een nieuw ideaal met zijn dogma’s
en zijn eeredienst als het ware uit den grond oprijzen zou. Zeker, het
goddelijke schijnt voor den mensch even onmisbaar te zijn als brood en
water; de naar het mysterievolle smachtende mensch heeft zich daar
steeds weer op geworpen en schijnt geen anderen troost te hebben dan in
het onbekende onder te gaan. Maar wie zou kunnen zeggen of de
wetenschap niet eenmaal dien dorst naar het hiernamaals lesschen zal?
Wanneer zij de veroverde waarheid is, dan is zij en zal zij ook altijd
de te veroveren waarheid zijn. Zal voor haar niet altijd een ruimte
overblijven voor de begeerte om te weten, voor de zuivere, ideale
hypothese? En is bovendien die behoefte aan het goddelijke niet
eenvoudig de behoefte om God te zien?
Maar wanneer de wetenschap dezen wensch om alles te weten en te kunnen,
steeds meer bevredigt, kan men dan niet gelooven, dat hij eens
bevredigd worden en samensmelten zal met de liefde voor de bevredigde
waarheid? Een godsdienst der wetenschap, dat is de aangewezen, zekere,
onvermijdelijke oplossing van den langen marsch der menschheid naar het
weten. Wanneer zij eenmaal door alle verschrikking der onwetendheid
heen gegaan is, zal zij daar als in een natuurlijke haven aankomen en
haar vrede eindelijk in zekerheid vinden. En was het als het ware niet
reeds een aanwijzing van dezen godsdienst, dat de idee der dualiteit,
van God en van het heelal, op zijde gezet wordt, de idee der eenheid,
van het monisme hoe langer men op den voorgrond treedt, de eenheid de
solidariteit met zich brengt, de eenige levenswet door de evolutie, uit
het eerste aetherpunt, dat zich verdicht heeft om de wereld te
scheppen, ontstaat?
Maar al hebben voorloopers, geleerden en wijsgeeren als Darwin, Fourier
en anderen, den godsdienst van morgen gezaaid door het heilswoord toe
te vertrouwen aan den toevallig voorbijstrijkenden wind—hoeveel eeuwen
zullen er niet noodig zijn voor de oogst opkomt? Men vergeet altijd,
dat het Katholicisme vier eeuwen noodig gehad heeft om zich te vormen
en in een langdurigen, onderaardschen arbeid te ontkiemen, alvorens het
opgroeide en in de volle zon heerschte. Laat men dan eeuwen geven aan
dezen godsdienst der wetenschap, waarvan het kiemen overal merkbaar is,
en men zal zien, dat de bewonderenswaardige denkbeelden van een Fourier
zich tot een nieuw Evangelie vormen: de begeerte zal weer de hefboom
zijn, die de wereld beweegt; de arbeid wordt weer door allen erkend,
geëerd en als het mechanisme van het natuurlijke en wetenschappelijke
leven geregeld; de hartstochtelijke krachten van den mensch worden
geprikkeld, bevredigd en ten slotte voor het menschelijk geluk
dienstbaar gemaakt.
De algemeene kreet naar gerechtigheid, die steeds luider en luider uit
den grooten Zwijgende, uit het zoo lang bedrogen en uitgezogen volk
oprijst, is slechts een kreet naar dat geluk, waarnaar alle wezens
streven. Het leven moet om zichzelfswille in vrede en in de expansie
van alle krachten en alle vreugden geleefd worden. De tijden zullen
komen, dat het koninkrijk Gods op aarde heerschen, dat het andere
leugenachtige Paradijs dus gesloten zal zijn, zelfs wanneer de armen
van geest een oogenblik onder den dood van hun illusie moeten lijden,
want het is een noodzakelijkheid de blinden op wreede wijze te
opereeren, om hen aan hun ellende, aan den langen, vreeselijken nacht
van hun onwetendheid te ontrukken.
Plotseling werd Pierre door een groote vreugde overstroomd. De zachte
kreet van een kind, de kreet van den wakker wordenden Jean had hem uit
zijn overpeinzingen gewekt; en plotseling had de gedachte zich van hem
meester gemaakt, dat hij gered was, buiten de leugen stond, tot de
goede en gezonde natuur teruggekeerd was. Met welk een huivering zeide
hij tot zichzelf, dat hij zich verloren, weggevaagd uit het leven, in
het Niet van den onmenschelijken God weggezonken gewaand had en dat een
wonder der liefde hem daaruit gered had! Ondanks zijn vrees voor het
niet te vernietigen stigma bezat hij nog zijn kracht; immers daar lag
dat lieve, dierbare, flinke, vroolijke kind, geboren uit hem! Het leven
had leven verwekt, de waarheid straalde triomphantelijk als de zon. Het
derde experiment was genomen met Parijs en dat was beslissend,
beteekende niet, zooals dat met de beide anderen, met Lourdes en Rome,
een armzalige mislukking, met nog meer duisternis, nog meer smart.
Eerst had de wet van den arbeid zich aan hem geopenbaard; hij had zich
een taak gesteld, o zeker een zeer nederige, dit zoo laat geleerde
handwerk, maar toch in ieder geval een taak, waarbij hij geen dag
ontbreken mocht, die hem de rust, dat hij zijn plicht deed, geven zou.
Want het leven zelf was niets dan arbeid, de wereld bestond slechts
door arbeid. Daarna had hij liefgehad, zijn redding was door het kind
volkomen geworden. O, welk een lange omweg om tot deze natuurlijke en
eenvoudige oplossing te komen. Wat had hij geleden; hoeveel dwalingen
en aanvallen van woede hadden hem van streek gebracht, voor hij
eenvoudig dat deed wat alle menschen doen! Deze radelooze, met zijn
rede strijdende liefde, die liefde, welke door de absurditeiten van de
wondergrot gebloed had en welke door het trotsche verval van het
Vaticaan nog meer aan het bloeden gebracht was, werd eindelijk
bevredigd in den echtgenoot en den vader, in den man, die in den arbeid
volgens de rechtvaardige wet van het leven vertrouwde. Daarin lag de
onbetwistbare waarheid, de oplossing van het geluk in de zekerheid.
Maar Bache en Théophile Morin, de kalme, van de verre toekomst zekere
apostelen, waren intusschen weggegaan met de belofte weer spoedig een
avond te zullen komen praten. Daar Jean nog harder begon te schreeuwen,
nam Marie hem in haar armen en maakte haar onderlijfje los, om hem de
borst te geven.
“De schat! Het is zijn tijd, hij vergeet het niet!... Kijk eens,
Pierre, ik geloof, dat hij sedert gisteren nog dikker is geworden.”
Zij lachte en Pierre kwam ook lachend naar haar toe, om het kind een
zoen te geven. Dan kuste hij, door een onweerstaanbare ontroering
aangegrepen, nu hij dit kleine, rose en gulzige wezentje op dien
mooien, door melk opgezwollen vrouwenboezem zag, ook de moeder. Een
heerlijke geur van gelukkige vruchtbaarheid steeg daaruit tot hem op en
bedwelmde hem met levensvreugde.
“Maar hij zal je opeten,” zeide hij vroolijk. “Wat zuigt hij!”
“Ja, hij bijt me wel wat. Maar dat hindert niets, dat bewijst, dat hij
het lekker vindt.”
Nu mengde zich ook Grootmoeder in het gesprek, terwijl een glimlachje
haar gezicht verhelderde.
“Zeg, ik heb hem vanochtend gewogen. Hij is weer honderd gram zwaarder
geworden. En als je eens wist, hoe zoet die lieve schat is! Het zal een
zeer verstandig, braaf kereltje worden, zooals ik ze gaarne zie. Als
hij vijf is, zal ik hem leeren lezen en op zijn vijftiende zal ik hem
vertellen, hoe men een man wordt... Niet waar Thomas? Niet waar
Antoine? Niet waar François?”
De drie groote zoons keken lachend op en knikten toestemmend, dankbaar
voor de heldhaftige lessen, die zij hun gegeven had. Zij schenen er
geen oogenblik aan te twijfelen, of zij zou nog twintig jaar leven, om
ze ook aan Jean te geven.
In verrukking over hun liefde was Pierre voor Marie blijven staan, toen
hij voelde hoe Guillaume zijn handen op zijn schouders legde. Hij keek
om en zag, dat ook hij straalde en zeer gelukkig was hen zoo gelukkig
te zien. De zekerheid, dat zijn broeder genezen was, dat in het
werkzame huis niets dan gezondheid en blijde hoop heerschte,
verdubbelde zijn geluk.
“Herinner je je nog, Pierre,” zeide Guillaume op zachten toon, “dat ik
je zeide, dat je enkel en alleen door den strijd van je hart tegen je
rede leedt, en dat je de rust terug zoudt vinden, wanneer je liefhadt
en begreep? Je moest in jezelf onze moeder en onzen vader verzoenen,
wier strijd, wier smartelijk misverstand tot in het graf voortduurde.
Dat is nu geschied; zij rusten nu eindelijk in vrede in jouw tot rust
gebracht hart.”
Deze woorden ontroerden Pierre diep. Een blos van vreugde kleurde zijn
thans zoo opgewekt en energiek gelaat. Wel bezat hij nog steeds zijn
torenvormig voorhoofd, de oninneembare vesting van de rede, die hij van
zijn vader had, evenals de teedere kin, de goede lippen en oogen, die
zijn moeder hem gegeven had. De twee eerste mislukte proeven waren in
hem de aanvallen der moeder, de weenende teederheid, die diep bedroefd
was, omdat zij niet gestild kon worden; de derde had slechts tot geluk
geleid, omdat hij dien brandenden liefdeshonger bevredigd had in de
vrouw, in het kind, in den werkzamen en vruchtbaren arbeid, waarbij hij
gehoorzaamde aan de souvereine rede, aan den vader, die zoo luid in hem
sprak. De rede alleen bleef de koningin.
“Je hebt daarmede,” ging Guillaume voort, “een goed en mooi werk
gedaan, voor jou, voor ons allen, voor onze dierbare ouders, wier tot
rust gekomen en één geworden schimmen nu zoo rustig in het kleine
huisje van onze jeugd zijn. Ik denk zoo dikwijls aan ons lief huisje te
Neuilly, dat de oude Sophie voor ons bewaakt, en ik stel mij voor, dat
de veelgeliefde dooden in het duister van de groote werkkamer heerlijk
rusten en op ons wachten. Welk een vrede voor hen in dat kleine,
verlaten huisje! Maar al heb ik uit egoïsme jullie hier willen houden,
omdat ik het geluk om mij heen wilde zien, toch moet Jean er eenmaal in
gaan wonen, om het weer jong te maken.”
Op zijn beurt had Pierre de handen van Guillaume in de zijne genomen.
En oog in oog vroeg hij hem:
“Ben jij gelukkig?”
“Ja, ik ben gelukkig, heel gelukkig, veel gelukkiger dan ik ooit
geweest ben—gelukkig, omdat ik je liefheb, zooals ik je liefheb, omdat
jij mij liefhebt, zooals niemand anders mij liefhebben kan.”
Hun harten vereenigden zich in deze innige broederliefde—de meest
volkomen en heldhaftigste liefde, die den eenen mensch in den anderen
kan doen opgaan. Zij omhelsden elkaar, terwijl Marie, haar kind aan
haar borst houdend, glimlachend en met tranen in haar oogen naar hen
keek.
Thomas had intusschen de laatste hand aan den motor gelegd en bracht
dien eindelijk in beweging. Het was een wonder van lichtheid en kracht
en had, gezien de buitengewone energie, die hij ontwikkelde, zoo goed
als geen gewicht. Hij werkte met volkomen rust, geruisch- en reukloos.
De heele familie stond verrukt om hem heen, toen een bezoeker, de
geleerde en steeds hartelijke Bertheroy binnenkwam. Guillaume
verwachtte hem, want hij had hem gevraagd naar de functionneering van
den motor te komen kijken.
Onmiddellijk uitte de groote scheikundige een kreet van bewondering, en
toen hij het mechanisme nagekeken en de toepassing van de springstof en
beweegkracht begrepen had, wenschte hij Guillaume en Thomas
geestdriftig geluk.
“Het is een wonder, dat je daar geschapen hebt, waarvan de toepassing
een onberekenbare sociale en menschelijke beteekenis krijgen zal. Ja,
zeker, in afwachting van den electrischen motor, dien we nog niet
hebben, is dit de ideale motor. Thans bezitten wij de mechanische
trekkracht voor alle soorten voertuigen, is de luchtvaart mogelijk, het
probleem van de op haar plaats blijvende kracht definitief opgelost.
Welk een reuzenstap, welk een plotselinge vooruitgang! Afstanden
bestaan nu bijna niet meer, alle wegen zijn geopend, de menschen kunnen
eindelijk broederlijk met elkaar verkeeren... Dit is een groote
weldaad, een mooi geschenk, dat je aan de wereld geeft.”
Dan sprak hij schertsend over de nieuwe, een zoo geweldige kracht
bezittende springstof, waarvan de ontdekking nu op deze weldadige
toepassing uitgeloopen was.
“En ik dacht nog al, Guillaume, dat jij met al je geheimdoenerij de
formule ervan voor mij verbergen wilde, omdat je heel Parijs in de
lucht wou laten vliegen.”
Guillaume werd ernstig.
“Daar heb ik ook een oogenblik aan gedacht,” zeide hij, even
verbleekend.
Maar Bertheroy bleef lachen en deed, alsof hij daarin slechts een
scherts zag, hoewel hij een koude rilling over zijn lichaam huiveren
voelde.
“Nu beste vriend, je hebt er beter aan gedaan de menschheid dit wonder
te schenken, waarvan de uitvoering zeker niet zonder moeite en gevaar
geweest is. We hebben hier dus een springstof, die de menschen
vernietigen moest en nu ten slotte hun welzijn verhoogen zal. Alles
loopt altijd goed af, dat herhaal ik uit den treure.”
Bij het hooren van deze verheven en verdraagzame gemoedelijkheid werd
Guillaume geroerd. Het was zoo: wat vernietigen moest, diende den
vooruitgang—de bedwongen vulkaan werd arbeid, vrede, beschaving. Hij
had zelfs zijn oorlogs- en overwinningsmachine opgegeven en zich
tevreden gesteld met deze laatste uitvinding, die de uitputting der
menschheid verlichtte, haar arbeid tot de noodzakelijke en voldoende
krachtsinspanning beperkte. Hij zag daarin een weinig meer
gerechtigheid, al de gerechtigheid, die hij voor zijn deel had kunnen
scheppen. En toen hij zich omkeerde en de basilica van den Sacré-Cœur
zag, kon hij zich de besmetting van den waanzin, die zich een oogenblik
van hem meester gemaakt had en hem van een dwaze, nuttelooze
vernietiging had doen droomen, niet begrijpen. Een booze, uit de
ellende, uit de verspreide giststoffen van woede en wraak ontstane
ademtocht was langs hem gestreken. Maar welk een verblinding om te
gelooven, dat verwoesting en moord een vruchtbare daad kon zijn, die
den bodem bezaaide voor een rijke en gelukkige oogst! Men bereikt het
doel der gewelddaad dadelijk en zij dient nergens anders voor dan dat
zij zelfs bij hen, voor wie men doodt, het gevoel van solidariteit
prikkelt. Het volk, de groote menigte komt in verzet tegen den
enkeling, die gerechtigheid meent uit te oefenen. Een vulkaan, o zeker,
maar de vulkaan is de geheele aardkorst, de geheele volksmassa, die
door den onweerstaanbaren druk der inwendige vlam opgeheven wordt, om
een vrije maatschappij opnieuw te scheppen. En hoe groot de
heldhaftigheid van hun waanzin ook zijn mag, moordenaars zijn nooit
iets anders dan moordenaars, wier daad afschuw zaait.
En op zijn beurt lachend, verklaarde Guillaume, dat hij geheel genezen
was.
“U hebt gelijk, alles eindigt altijd goed, want alles schrijdt de
waarheid en gerechtigheid tegemoet. Maar er zijn soms duizend jaren
mede gemoeid. Wat mij betreft, ik zal mijn nieuwe springstof eenvoudig
in den handel brengen, opdat zij, die het verlof daartoe krijgen, zich
door de vervaardiging ervan rijker kunnen maken... Ik zie er van af de
wereld te revolutionneeren.”
Maar daar kwam Bertheroy tegen in verzet. Met een hartstocht, waarin de
kracht van zijn zeventig jaar duidelijk aan het licht kwam, wees hij op
den kleinen motor.
“Maar dat is de revolutie, de ware, de eenige revolutie. Hiermede en
niet met bommen brengt men de revolutie in de wereld! Niet door
verwoesten, maar door scheppen heb je een revolutionnaire daad
verricht... Hoe dikwijls heb ik het je niet gezegd, de wetenschap
alleen is revolutionnair, de eenige, die boven de armzalige politieke
gebeurtenissen en het ijdele drijven van partijgangers en eerzuchtigen
uit, aan de toekomstige menschheid werkt en voor haar de waarheid, de
gerechtigheid en den vrede voorbereidt... O beste jongen, als je aan de
wereld wat meer geluk geven wilt, dan behoef je slechts in je
laboratorium te blijven, want het toekomstige geluk kan slechts uit de
ovens der geleerden geboren worden.”
Hij zeide het op eenigszins schertsenden toon, maar men voelde dat hij
tot in het diepst van zijn ziel overtuigd was van wat hij zeide; met
minachting zag hij op alles wat geen wetenschap was, neer. Hij had zich
zelfs niet verwonderd, toen Pierre zijn soutane afgelegd had, en nu hij
hem hier met vrouw en kind vond, bleef hij even vriendelijk als altijd.
De motor snorde ondanks zijn wonderbare snelheid nauwlijks merkbaar,
als een bromvlieg in de zon. De geheele gelukkige familie stond er
omheen en glimlachte vol vreugde over deze overwinning. Daar zag
plotseling de kleine Jean, die eindelijk genoeg gedronken had en nog
een melkbaard om zijn mondje had, de machine, het mooie, van zelf
loopende speelgoed. Zijn oogen schitterden, in zijn wangen kwamen
kuiltjes en met gilletjes van vreugde stak hij zijn kleine knuistjes
uit.
Marie deed lachend haar onderlijfje dicht en droeg hem erheen, opdat
hij het speelgoed beter zou kunnen zien.
“Dat is mooi, hè schat? Dat draait, dat is sterk, dat leeft, zie je
wel?”
Allen hadden schik om het verbaasde en verrukte gezicht van het kind,
dat de machine had willen aanraken, om te begrijpen.
“Ja,” herhaalde Bertheroy; “het leeft en is sterk als de zon, als de
groote zon daar, die over het reusachtige Parijs straalt en daar
menschen en dingen doet rijpen. Parijs zelf is ook een motor, Parijs is
de ketel, waarin de toekomst kookt, en waaronder wij, geleerden, het
eeuwige vuur onderhouden... Met dit wonder, dat den arbeid van ons
groote Parijs in de geheele wereld nog uitbreiden zal, ben jij, beste
Guillaume, de stoker, de scheppende arbeider der toekomst.”
Pierre werd door die woorden zeer getroffen, en weer rees voor hem de
voorstelling op van den reusachtigen ketel, den van den eenen rand van
den horizont tot den anderen gevulden ketel, waarin de komende eeuw
geboren zou worden uit de buitengewone vermenging van goed en kwaad.
Maar nu zag hij boven de hartstochten, de eerzuchtige pogingen, de
gebreken uit den geweldigen gepraesteerden arbeid, den heldhaftigen
handenarbeid en de fabrieken en werkplaatsen, het glorierijke zoeken
van de intellectueele jeugd, die hij aan het werk wist, die in stilte
studeerde, geen enkele verovering der ouderen prijs gaf en niets liever
wilde dan het gebied daarvan uitbreiden. Dat is de exaltatie van
Parijs, in welks reusachtigen schoot de toekomst zich ontwikkelt,
waaruit deze, licht als het morgenrood, zal springen. Evenals de oude
wereld het nu in doodsstrijd liggende Rome bezeten had, zoo heerschte
Parijs nu onbeperkt over den modernen tijd; het is het middelpunt der
volkeren in die voortdurende beweging, welke hen met de zon van het
Oosten naar het Westen, van beschaving tot beschaving draagt. Het is
het brein—een geheel groot verleden heeft het voorbestemd om onder alle
steden de inwijdster, de beschaafster, de bevrijdster te zijn. Gisteren
riep het den naties den kreet “Vrijheid” toe, morgen zou het haar den
godsdienst der wetenschap, de gerechtigheid, het door de democratieën
verwachte nieuwe geloof brengen. Het was ook de goedheid, de
vroolijkheid, de zachtmoedigheid, de hartstocht om alles te weten, de
edelmoedigheid, om alles te geven. In de werklieden van zijn
voorsteden, in de boeren van zijn omliggende landerijen bezit het
onuitputtelijke hulpbronnen, oneindige reserven aan menschen, waaruit
de toekomst zonder te tellen putten kan. De eeuw ging met Parijs ten
einde, de volgende eeuw zou met Parijs beginnen.
Marie uitte een zachten kreet van bewondering en wees met een gebaar op
Parijs.
“Kijk toch eens, kijk toch eens! Parijs geheel in goud, Parijs bedekt
door zijn goudoogst.”
Allen stonden verrukt, want werkelijk was het lichteffect buitengewoon
prachtig. Het was het effect, dat Pierre reeds meer gezien had: de
schuin staande zon overstroomde het onmetelijke Parijs met een
goudstof. Maar ditmaal was het niet meer het uitzaaien, waarbij de
chaos der daken en gebouwen op een bruinen, door den een of anderen
reuzenploeg omgewoelden akker geleek en de goddelijke zon handenvol
stralen uitwierp als goudkorrels, die overal heenvlogen.
Het was ook niet meer de stad met haar duidelijk onderscheiden
wijken—in het Oosten de door grauwen rook omgeven arbeiderswijk, in het
Zuiden de rustig-vroolijke studentenwijk, in het Westen de breede wijk
der rijken, in het midden de koopliedenwijk met haar sombere straten.
Het scheen alsof hetzelfde kiemen van het leven, hetzelfde bloemenveld
de geheele stad bedekt had, in harmonie bracht en er één grenzenloos,
met dezelfde vruchtbaarheid bedekt veld van maakte. Graan, graan
overal, een oceaan van graan, waarvan de gouden deining van het eene
einde van den horizont naar het andere rolde. Zoo baadde de schuin
staande zon Parijs in gelijke pracht: het was de oogst na het zaad.
“Kijk toch eens, kijk toch eens!” riep Marie weer. “Geen hoekje, dat
zijn garve niet heeft; tot zelfs de laagste daken zijn vruchtbaar. En
overal dezelfde rijkdom van aren, alsof er niet meer dan één enkele
verzoende en broederlijke aarde is... Jean, kleine Jean, kijk toch eens
hoe mooi het is!”
Pierre was bij haar komen staan en drukte zich bevend tegen haar aan.
Grootmoeder en Bertheroy glimlachten over deze toekomst, die zij niet
meer zien zouden, terwijl achter Guillaume de drie groote zoons ernstig
en vol hoop stonden.
Toen hief Marie in een mooi, geestdriftig gebaar het kind met haar
beide armen in de hoogte, bood het aan het onmetelijke Parijs, gaf het
hem als een verheven geschenk.
“Daar Jean, kleine lieveling! Jij zult dat alles oogsten en den oogst
in de schuur zetten!”
Het door de goddelijke zon met licht bezaaide, vlammende Parijs droeg
in haar glorie den toekomstigen oogst van waarheid en gerechtigheid.