De inzegening van het huwelijk zou om twaalf uur plaats vinden, maar
reeds een half uur te voren hadden de uitgenoodigden de met een
buitengewone luxe gedecoreerde, met groene planten versierde en met
bloemengeur doorbalsemde kerk gevuld. Op het hoofdaltaar brandden
duizend kaarsen, terwijl de wijd openstaande deurvleugels in het felle
zonlicht het met palmen vol staande voorportaal, de met een breeden
looper belegde treden en de nieuwsgierige menigte, die zich op het
plein tot in de rue Royale opgehoopt had, lieten zien.
Dutheil, die nog drie stoelen voor laatkomende dames gevonden had,
zeide tegen Massot, die de namen in zijn reportersboekje opschreef:
“Wie nu nog verder komen, zullen moeten blijven staan.”
“Wie zijn die drie dames?” vroeg de journalist.
“Hertogin de Boisemont met haar twee dochters.”
“Bliksems, het geheele wapenboek van Frankrijk, de heele financieele en
de heele politieke wereld schijnt hier te zijn. Het is nog mooier dan
een echt Parijsch huwelijk.”
Inderdaad waren alle maatschappelijke kringen hier vertegenwoordigd.
Terwijl de Duvillards de geldkoningen en de politici hier brachten,
waren madame de Quinsac en haar zoon vergezeld door de grootste namen
der aristocratie. De keuze der getuigen alleen reeds drukte dezen
wonderbaarlijken mélange uit: voor Gérard zijn oom, generaal de
Bozonnet en markies de Morigny; voor Camille, de groote bankier
Louvard, haar neef, en Monferrand, minister van Financiën en
minister-president. De rustige uittarting van dezen laatste, die zich
onlangs in de zaken van den baron gecompromitteerd had en nu getuige
van zijn dochter wilde zijn, omgaf zijn triomf met den glans van
onbeschaamdheid. Om de nieuwsgierigheid als het ware nog meer te
prikkelen, zou de huwelijksinzegening geschieden door monseigneur
Martha, bisschop van Persepolis, agent van de pauselijke politiek in
Frankrijk, apostel van het ralliement, de voor het Katholicisme
veroverde Republiek.
“Wat zeg ik, een echt Parijsch huwelijk!” herhaalde Massot met een
spotlachje. “Dat huwelijk is een symbool. Ja, waarde heer, de apotheose
der bourgeoisie: de oude adel offert een van haar zonen op het altaar
van het gouden kalf, opdat de goede God en de gendarmen, die weer de
meesters van Frankrijk geworden zijn, ons van die schoften van
socialisten bevrijden. Trouwens, er zijn geen socialisten meer,”
verbeterde hij zich zelf. “Dien hebben ze gisterenavond een kopje
kleiner gemaakt.”
Dutheil vond de opmerking heel grappig.
“Maar het is niet makkelijk gegaan,” zeide hij vertrouwelijk. “Heb je
vanochtend dat smerige artikel van Sanier gelezen?”
“Ja, ja, maar ik wist het van te voren, iedereen wist het.”
En fluisterend, elkander met een half woord begrijpend, spraken zij
verder. Wat de Duvillards betreft, de moeder had den minnaar slechts
onder tranen en na een wanhopigen strijd aan haar dochter gegeven,
alleen omdat zij Gérard gelukkig en rijk wilde zien, terwijl zij
tegenover Camille haar vreeselijken haat van overwonnen mededingster
koesteren bleef. Ook madame de Quinsac had een smartelijken tweestrijd
moeten voeren; de gravin had in het huwelijk slechts toegestemd, om
haar zoon te redden uit het gevaar, waarin hij, zooals zij wist, reeds
vanaf zijn jeugd verkeerde. Zij was in haar moederlijke verzaking zóó
ontroerend, dat markies de Morigny er zich ondanks zijn
verontwaardiging bij neergelegd had getuige te zijn, zoodoende aan de
vrouw, die hij steeds lief gehad had, het grootste offer, het offer van
zijn geweten, brengend. En deze verschrikkelijke geschiedenis had
Sanier dien ochtend onder doorzichtige schuilnamen in de Voix du Peuple
verteld—ja, zooals altijd slecht ingelicht en tot leugens steeds
bereid, had hij zelfs het middel gevonden, om nog meer vuiligheid eraan
toe te voegen, want voor het succes van zijn verkoop was het noodig,
dat de dagelijks door hem geopende goot een onophoudelijk zich
verdikkende en steeds vergiftigde modder uitdruipen liet. Sedert de
overwinning van Monferrand hem gedwongen had het schandaal der
Afrikaansche sporen te laten rusten, wierp hij zich op particuliere
schandalen, bezoedelde hij families, die hij tot op het hemd toe
uitkleedde.
Plotseling vloog Chaigneux op hen af; zijn half versleten rok was
nauwelijks toegeknoopt.
“En hoe staat het met uw artikel over Silviane, mijnheer Massot? Het is
nu toch goed afgesproken, dat het in de courant komt?”
Duvillard was op het denkbeeld gekomen Chaigneux, die altijd te koop en
altijd bereid was als lakei dienst te doen, te gebruiken als een
drijver voor het aanstaande succes van Silviane. Hij had hem tot haar
beschikking gesteld en zij droeg hem allerlei vernederende werkjes op,
dwong hem heel Parijs af te loopen om een claque aan te werven en
triompheerende kritieken te krijgen. Zijn oudste dochter was nog niet
getrouwd; nog nooit hadden zijn vier vrouwen zoo zwaar op hem gedrukt;
het was een ware hel—ja, hij werd zelfs geslagen, wanneer hij den
eersten van iedere maand geen duizend francs thuis bracht.
“Mijn artikel,” antwoordde Massot, “zal niet in de courant komen,
waarde afgevaardigde. Fonsègue vindt, dat er voor den Globe te veel
ophemeling in voorkomt. Hij heeft mij gevraagd of ik wel wist voor welk
blad ik het geschreven had.”
Chaigneux werd doodsbleek. Het was een van te voren, uit een mondain
oogpunt geschreven artikel over het succes, dat Silviane ’s avonds in
Polyeucte in de Comédie zou behalen. Om haar een pleizier te doen, had
de journalist het haar zelf voorgelezen; zij was erover in de wolken en
rekende er vast op het nu gedrukt in een van de meest ernstige bladen
van Parijs te lezen.
“Lieve Hemel, wat moet er van ons worden?” mompelde de ongelukkige
afgevaardigde. “Het artikel moet in de courant komen.”
“Ik zou niets liever zien. Maar spreek er zelf met den patroon over...
Kijk daar staat hij tusschen Vignon en Dauvergne, den minister van
Onderwijs.”
“Dat zal ik zeker... Maar niet hier. Strakjes in de sacristie, bij de
gelukwenschen... Dan zal ik ook Dauvergne zien te spreken, want
Silviane staat erop, dat hij vanavond in de ministersloge zit.
Monferrand komt ook, hij heeft het aan Duvillard beloofd.”
Massot begon te lachen en herhaalde de grap, die na het engagement der
actrice de rondte door geheel Parijs gemaakt had.
“Het ministerie Silviane... Dat is hij zijn peet wel schuldig.”
Maar op dat oogenblik vloog de kleine prinses de Hardt als een
wervelstorm naar hen toe.
“Weet u, dat ik geen plaats heb?” riep zij.
Dutheil dacht, dat zij hier een goeden stoel wilde hebben.
“Reken niet op mij. Ik kan er niets meer aan doen. Ik heb de grootste
moeite gehad hertogin de Boisemont en haar twee dochters een plaats te
geven.”
“Neen ik spreek over de voorstelling van vanavond... Je moet me, het
koste wat het wil, een hoekje in een loge geven. Het zou beslist mijn
dood zijn, als ik onze onvergelijkelijke, onze heerlijke vriendin niet
zou kunnen toejuichen.”
Sedert zij Silviane na de terechtstelling van Salvat thuis gebracht
had, legde zij een onstuimige bewondering voor haar aan den dag.
“U zult geen enkele plaats meer vinden,” verklaarde Chaigneux
gewichtig. “Alles is uitverkocht. Ze hebben me tot driehonderd francs
voor een fauteuil geboden.”
“Dat is zoo, tot zelfs om de klapstoeltjes is gevochten,” voegde
Dutheil eraan toe. “Het spijt mij vreeselijk, maar reken niet op mij...
Alleen Duvillard zou u een plaatsje in zijn loge kunnen geven. Hij
heeft mij gezegd, dat hij er een voor mij zou reserveeren. Maar ik
geloof, dat wij maar met ons drieën zijn, zijn zoon inbegrepen... Vraag
dadelijk aan Hyacinthe of hij u laat inviteeren.”
Rosemonde, die op een avond, dat Hyacinthe haar doodelijk verveelde, in
de armen van den afgevaardigde gevallen was, begreep de ironische
bedoeling heel goed, maar riep toch verrukt uit:
“Ja, dat kan Hyacinthe mij niet weigeren! Dank je wel voor de
inlichting, beste jongen. Je bent een aardig ventje, je weet op alles
raad!... En vergeet niet, dat je mij beloofd hebt mij de politiek te
leeren. O, ik voel, dat ik mij nooit voor iets zoo hartstochtelijk
geïnteresseerd heb als voor de politiek.”
Zij ging weg, drong door de menigte heen en wist ondanks alles ten
slotte nog een plaatsje op de eerste rij te bemachtigen.
“Een leuke wildzang!” mompelde Massot.
Toen Chaigneux den rechter van instructie Amadieu tegemoet vloog, om
hem onderdanig te vragen of hij zijn fauteuil ontvangen had, fluisterde
de journalist den afgevaardigde in:
“Zeg, is het waar, dat Duvillard beginnen wil met dien beruchten
spoorweg door de Sahara? Een reusachtige onderneming: het gaat ditmaal
over honderden en nogmaals honderden millioenen... Gisterenavond haalde
op de courant Fonsègue zijn schouders ervoor op, zeide, dat het
krankzinnigenwerk was, dat hij er niet aan geloofde.”
“Dat zaakje komt in orde. Voor we acht-en-veertig uur verder zijn, zal
Fonsègue de voeten van den baron kussen,” zeide Dutheil met een
schertsend knipoogje.
En vroolijk gaf hij te verstaan welk een gouden manna weer neer zou
vallen op de trouwe vrienden, op alle mannen van goeden wil. Wanneer de
storm voorbij is, schudt de vogel zijn vleugels. En in de vroolijke
zekerheid van het te verwachten geschenk was hij opgewekt en
spraakzaam, als had de affaire met de Afrikaansche sporen hem nooit
wanhopig gemaakt.
“Bliksems,” zeide Massot, nu ernstig geworden; “dit is dus meer dan een
triomf; het is de belofte van een nieuwe oogst. Dan is het ook niet te
verwonderen, dat men hier elkaar half dood dringt.”
Op dat oogenblik hief het orgel een triomphantelijk begroetingslied
aan. Eindelijk betrad de stoet de kerk. Terwijl deze plechtig in het
heldere zonlicht de treden besteeg, ontstond onder de menigte, die tot
in de rue Royale stond en het rijtuig- en omnibusverkeer stremde, een
luid lawaai. Nu trad hij onder de hooge, echoënde gewelven en schreed
tusschen de twee dicht op elkander gedrukte rijen genoodigden naar het
hoofdaltaar. Allen waren opgestaan, allen rekten, glimlachend en
brandend van nieuwsgierigheid, hun halzen uit.
Eerst schreed, achter den prachtig uitgedosten kerkdienaar, Camille aan
den arm van haar vader, baron Duvillard, die trotsch en hoogmoedig als
een overwinnaar liep. Zij, gehuld in een sluier van bewonderenswaardige
Alençon-kant, welke vastgehouden werd door een diadeem van
oranjebloesem, in een japon van geplisseerde zijden mousseline op een
onderkleed van wit satijn, was zóó gelukkig, straalde zóó in het
bewustzijn van haar overwinning, dat zij bijna knap leek. Zij liep
rechtop; het was nauwelijks zichtbaar, dat haar linkerschouder hooger
was dan haar rechter. Dan volgde Gérard met zijn moeder, gravin de
Quinsac, aan zijn arm: hij zeer mooi en correct, zij voornaam en
waardig in haar pauwblauw met staal- en goudparelen bestikt zijden
kleed. Maar vooral was het wachten op Eve; iedereen rekte zich uit,
toen zij aan den arm van generaal de Bozonnet, een der getuigen en den
naasten bloedverwant van den bruidegom, verscheen. Zij droeg een kleed
van vieux rose taffetas met Valenciennes-kant van onschatbare waarde;
nooit had zij er jonger en blonder uitgezien. Toch zeiden haar oogen,
dat zij geweend had, ofschoon zij zich tot een lachje dwong. Met de
lijdende gratie van haar geheele persoonlijkheid deed zij aan een
weduwe denken, verried zij het smartelijke offer, dat zij met het
opgeven van den geliefden man gebracht had. Hierop kwamen de drie
andere getuigen, ieder met een dame aan hun arm. Monferrand vooral, die
zeer vroolijk en zonder eenige majesteit met zijn dame, een kleine,
lichtzinnig uitziende brunette, lachte, werd opgemerkt. In den
eindeloozen, plechtigen stoet liep ook nog Hyacinthe, wiens kostuum met
de symmetrisch geplooide rokspanden bijzonder in het oog viel.
Nadat het bruidspaar voor de voor hen bestemde bidstoelen en de beide
families op de groote, roodfluweelen en vergulde fauteuils plaats
genomen hadden, begon de ceremonie met buitengewone pracht. De pastoor
der Madeleine officieerde zelf; zangers van de Opera versterkten het
koor voor de gezongen mis, die het orgel met een voortdurend jubellied
begeleidde. Al de luxe, alle mogelijke mondaine en kerkelijke pracht
werd ten toon gespreid, als had men van dit huwelijk een openbaar
feest, een overwinning, de apotheose van een klasse willen maken. Ja,
zelfs de onbeschaamdheid en het uittartende van dit verschrikkelijke,
aan iedereen bekende en op deze wijze geafficheerde huiselijke drama
gaf aan de plechtigheid den glans van een afschuwelijke grootschheid.
Doch vooral voelde men dit, toen monseigneur Martha, in koorhemd en
stola, zelf het huwelijk kwam inzegenen.
Hoog opgericht, blozend en frisch, glimlachte hij half en sprak de
sacramenteele woorden met de verheven zalving van een hoogepriester,
die gelukkig is de twee groote rijken, wier erfgenamen hij vereenigde,
te verzoenen. Met ongeduld verbeidde men zijn toespraak tot de
jonggehuwden. Hij overtrof er zichzelf in; zij werd een triomf voor
hem. Had hij in deze kerk niet de moeder gedoopt, de nog zoo mooie
blonde Eve, de door hem tot het Katholieke geloof bekeerde Jodin? Had
hij niet in deze kerk zijn drie beroemde causerieën over den nieuwen
geest gehouden, waarvan, naar zijn meening, het bankroet der
wetenschap, het ontwaken van het Christelijk spiritualisme, de
verzoeningspolitiek, die uitloopen moest op de verovering der
Republiek, het gevolg was. Hij mocht zich wel de vrijheid veroorlooven
zich met fijne toespelingen met zijn werk geluk te wenschen, nu hij een
armen zoon der aristocratie verbond met de vijf millioen van deze
burgerlijke erfgename, in wie de overwinnaars van 1789, die thans
meesters der macht waren, triompheerden. Alleen de bedrogen, bestolen
vierde stand, het volk, maakte het feest niet mede.
Monseigneur Martha bezegelde in deze echtgenooten het nieuwe verbond,
verwezenlijkte de politiek van den paus, den heimelijken drang van het
Jezuïtische opportunisme, dat de democratie, de macht en het geld
verbindt, om er zich dan meester van te maken. In zijn peroratie wendde
hij zich tot den glimlachenden Monferrand en scheen het woord tot hem
te richten, toen hij het jonge paar een geheel in de vrees van God
opgaand leven van Christelijken deemoed en Christelijke gehoorzaamheid
toewenschte. Hij bezwoer de ijzeren hand Gods, de ijzeren vuist, als
die van den gendarm, welke belast is met de handhaving van den
wereldvrede. Iedereen was op de hoogte van de diplomatieke
verstandhouding tusschen den bisschop en den minister; er moest het een
of ander geheim verdrag bestaan, waardoor beiden hun autoritairen
hartstocht, hun heerschzucht bevredigen konden.
“Wat zou de oude Justus Steinberger pleizier hebben, als hij zag, dat
zijn kleindochter trouwde met den laatsten de Quinsac!” fluisterde
Massot, die bij Dutheil was blijven staan.
“Maar zulke huwelijken zijn juist goed,” antwoordde de afgevaardigde.
“Het is de mode. Joden, Christenen, bourgeoisie en adel hebben alle
reden om zich te vereenigen, ten einde de nieuwe aristocratie te
vormen. We hebben er een noodig, anders zou het volk ons boven het
hoofd groeien.”
Massot moest desniettemin lachen om het gezicht, dat Justus Steinberger
gezet zou hebben, als hij monseigneur Martha gehoord had. Inderdaad
liep het gerucht, dat de oude Joodsche bankier sedert de bekeering van
zijn dochter Eve, met wie hij niet meer omging, zich voor alles, wat
zij zeide of deed, interesseerde, als zag hij in haar meer dan ooit een
wapen van wraak en verovering tegen deze Christenen, van wier
verwoesting zijn ras, naar men zeide, droomde. Nu hij Duvillard, door
haar aan hem tot vrouw te geven, niet, zooals hij gehoopt had, had
kunnen veroveren, troostte hij zich blijkbaar met het buitengewone
geluk van zijn bloed, dat zich nu vereenigde met dat van zijn vroegere
hardvochtige meesters, welke daardoor geheel ten gronde gericht werden.
Was dat niet de definitieve overwinning der Joden, waarover men sprak?
Een laatste triomflied van het orgel besloot de plechtigheid. De beide
families en de getuigen gingen naar de sacristie, waar de trouwacte
geteekend werd en de gelukwenschen in ontvangst genomen werden.
Intusschen bleven de menschen staan en vormden zich opgewekt pratende
groepjes. Monferrand werd dadelijk door velen omringd. Massot maakte er
Dutheil op opmerkzaam hoe onderdanig de advocaat-generaal Lehmann hen
kwam begroeten. Bijna onmiddellijk daarna verschenen de rechter van
instructie Amadieu en ook de vice-president van het Hof de
Larombardière, hoewel deze laatste een der laatste getrouwen van den
salon der gravin was. Zij waren de vleiende en gehoorzame leenmannen
der regeering, die bevordert, benoemt en afzet. Men beweerde, dat
Lehmann in de zaak der Afrikaansche spoorwegen Monferrand een grooten
dienst bewezen had, door sommige dossiers te laten verdwijnen. En had
men den glimlachenden, door en door Parijschen Amadieu niet het hoofd
van Salvat te danken?
“Die drie komen hun bedankje halen voor hun geguillotineerde van
gisteren,” prevelde Massot. “Monferrand is dien ongelukkige wel grooten
dank verschuldigd, want eerst heeft hij met zijn bom den val van het
ministerie verhinderd, en later, toen het er om ging een man te vinden,
wiens vuist sterk genoeg was om het anarchisme te worgen, heeft hij hem
het voorzitterschap van den ministerraad verschaft. Wat een strijd, hè:
Monferrand aan den eenen en Salvat aan den anderen kant! Een hoofd
moest ten slotte vallen! Hoor, zij praten er nu over!”
Inderdaad werden de drie magistraten, die den almachtigen minister
gingen begroeten, door dames, wier nieuwsgierigheid door de verslagen
in de bladen koortsachtig geprikkeld was, uitgevraagd. Amadieu, die
qualitate qua de terechtstelling bijgewoond had, gaf antwoord, blij,
dat hij nog eenmaal gewichtig doen kon, en vastbesloten, dat, wat hij
de legende van den heldenmoed van Salvat noemde, te vernietigen.
Volgens hem had die misdadiger volstrekt geen waren moed getoond;
slechts trots had hem staande gehouden; maar hij was zoo bang en
angstig geweest, dat hij reeds dood was alvorens hij onder de bijl
kwam.
“Ja, dat is de waarheid,” riep Dutheil. “Ik was er bij.”
Massot trok hem aan zijn arm, verontwaardigd, hoewel hij altijd met
alles spotte.
“Jij hebt er niets van gezien. Salvat is zeer dapper gestorven; het is
gemeen dezen armen drommel tot in den dood te bezoedelen.”
Maar deze voorstelling van Salvat’s laffen dood was veel te vleiend
voor de ijdelheid van vele menschen. Het was als het ware het laatste
brandoffer, dat men, om Monferrand aangenaam te zijn, aan diens voeten
legde. Hij bleef kalm lachen als een dapper man, die slechts wijkt voor
de noodzakelijkheid. Zeer vriendelijk toonde hij zich ten opzichte van
de drie magistraten, die hij bedanken wilde voor de dapperheid,
waarmede zij hun taak tot het einde toe vervuld hadden. Den vorigen dag
had hij, na de terechtstelling, in de Kamer een overweldigende
meerderheid verkregen. Overal heerschte orde, alles ging in Frankrijk
zoo goed als het maar gaan kon. Toen Vignon, die als kalm speler de
huwelijksplechtigheid bij had willen wonen, naderbij kwam, sprak de
minister hem aan en fêteerde hem, deels uit coquetterie, deels uit
taktiek, daar hij ondanks alles nog steeds bang was, dat de naaste
toekomst aan dezen zoo intelligenten jongen man zou toebehooren. Toen
een gemeenschappelijke vriend hun mede kwam deelen, dat het met
Barroux’ gezondheid heel slecht stond en de doktoren aan zijn herstel
wanhoopten, deden zij heel meewarig. Die arme Barroux! Sedert de
zitting, waarin hij gevallen was, nam hij van dag tot dag af: de
ondankbaarheid van het land trof hem midden in zijn hart; hij stierf
aan de afschuwelijke beschuldiging van geschacher en diefstal—hij, die
zoo rechtschapen, zoo eerlijk was, die zijn leven voor de Republiek
gegeven had!
“Maar wie bekent ook?” herhaalde Monferrand. “Het publiek begrijpt dat
niet.”
Op dat oogenblik kwam Duvillard, zijn vaderrol in den steek latend,
naar hen toe; van nu af aan werd de triomf van den minister nog grooter
door den zijne. Was hij niet de meester, was hij niet het geld, de
eenige vaste, eeuwige macht, die boven deze ééndaagsche macht, boven
die zoo snel van hand tot hand gaande ministerportefeuilles stond?
Monferrand regeerde en zou verdwijnen; Vignon zou regeeren en
verdwijnen—Vignon, die reeds aan zijn voeten lag, daar hij zeer goed
wist, dat men zonder de millioenen der financieele mannen niet regeeren
kan. Was hij dus niet de eenige triomphator, die voor vijf millioen een
zoon der aristocratie kocht, die als het ware de belichaming van de
almachtig geworden bourgeoisie geworden was, die heerschte als
onbeperkt koning, als meester van den algemeenen rijkdom en niets
daarvan wilde prijsgeven, zelfs niet onder het springen van bommen. Dit
feest was zijn feest; hij alleen zette zich aan het festijn, weigerde
toe te stemmen in een nieuwe deeling, nu hij alles veroverd had, alles
bezat en nog slechts tegen zijn zin aan de arme drommels van arbeiders,
die de Revolutie vroeger bedrogen had, de kruimels van zijn tafel
overliet.
Van dit oogenblik af was de zaak der Afrikaansche spoorwegen nog
slechts een oude, in een commissie begraven, weggegoochelde zaak. Al
degenen, die erin gecompromitteerd waren, de Dutheils, de Chaigneux, de
Fonsègue’s lachten in hun vuistje, nu zij bevrijd waren door de ijzeren
vuist van Monferrand en mede omhoog geheven werden door den triomf van
Duvillard. Het gemeene artikel van Sanier, dat de Voix du Peuple dien
ochtend gepubliceerd had, die vuile onthullingen, telde zelfs niet meer
mede; men haalde er slechts zijn schouders voor op, zoo moe was het met
modder gevoede, met onthullingen en laster oververzadigde publiek al
die sensatie-schandalen geworden. Nog slechts één koortsachtige
gruweling maakte zich van de menigte meester; het gerucht van het
eerstdaags tot stand komen van de beroemde Trans-Sahara-baan, die
millioenen op de trouwe vrienden zou doen regenen.
Terwijl Duvillard amicaal met Monferrand en Dauvergne, die zich bij hen
gevoegd had stond te praten, zeide Massot fluisterend tegen zijn
hoofdredacteur Fonsègue:
“Dutheil heeft mij daareven verteld, dat hun Trans-Sahara-baan klaar is
en ze de zaak in de Kamer zullen wagen. Zij zeggen zeker te zijn van
het succes.”
Maar Fonsègue was skeptisch gestemd.
“Onmogelijk; zij zullen niet zoo gauw opnieuw durven beginnen.”
Toch had de tijding hem ernstig gemaakt. Ten gevolge van zijn
onvoorzichtigheid met de Afrikaansche sporen was hij zoo bang geworden,
dat hij zichzelf gezworen had in den vervolge zijn voorzorgsmaatregelen
te nemen. Maar dat behoefde niet zoo ver te gaan, om zich buiten alle
zaken te houden. Men moest wachten, ze bestudeeren, maar mededoen, aan
alles mededoen.
Juist toen hij naar den groep van Duvillard en de twee ministers keek,
zag hij een ronselen van Chaigneux, die in de sacristie recruten werven
bleef voor de tooneelvoorstelling van dien avond. Hij stak den
loftrompet over Silviane, wakkerde de nieuwsgierigheid aan, voorspelde
een enorm succes. Dan ging hij naar Dauvergne en zeide, terwijl zijn
lange ruggegraat in tweeën boog:
“Waarde minister, ik moet u een verzoek doen uit naam van een schoone
dame, wier overwinning vanavond niet volkomen zijn zou, wanneer u u
niet verwaardigt uw goedkeuring daaraan te hechten.”
Dauvergne, een mooie, groote, blonde man met achter een lorgnet
glimlachende blauwe oogen luisterde met de grootste welwillendheid. Hij
had als minister van Openbaar Onderwijs veel succes, hoewel hij
absoluut niets wist van de universiteit; maar als echt Parijzenaar uit
Dijon was hij, naar men zeide, uiterst taktvol en handig, gaf feesten,
waarop zijn jonge en zeer bekoorlijke vrouw schitterde, en ging als een
verlicht vriend van schrijvers en kunstenaars door. Het engagement van
Silviane aan de Comédie, tot nog toe zijn voornaamste werk, dat iederen
anderen minister ten val gebracht zou hebben, had hem door een
zeldzamen samenloop van omstandigheden populair gemaakt. Men vond dat
iets onverwachts en amusants.
Toen hij begrepen had, dat Chaigneux alleen maar zekerheid wilde
hebben, dat hij ’s avonds in zijn loge in de Comédie zou zitten, werd
hij dubbel vriendelijk.
“Maar dat spreekt van zelf, waarde heer. Wanneer je een zoo bekoorlijk
petekind hebt, laat je haar in de ure des gevaars niet in den steek.”
Monferrand, die met één oor geluisterd had, draaide zich plotseling om.
“Zeg haar, dat ik ook van plan ben te komen, zoodat zij twee vrienden
meer in de zaal zal hebben.”
Duvillard boog verrukt en met van ontroering en dankbaarheid
schitterende oogen, alsof de ministers hem persoonlijk een
onvergetelijken dienst bewezen.
Nu eerst kreeg Chaigneux, die zelf eveneens hartelijk bedankt had,
Fonsègue in het oog. Hij vloog naar hem toe en nam hem wat ter zijde.
“O, waarde collega, die zaak moest beslist in orde komen. Zij is van
het allerhoogste belang.”
“Maar wat dan?” vroeg Fonsègue verbaasd.
“Dat artikel van Massot natuurlijk, dat je niet wilt opnemen.”
Ronduit verklaarde de directeur van den Globe, dat het artikel niet
opgenomen zou worden. Hij verdedigde de waardigheid en den ernst van
zijn blad: voor een courant, waarvan hij met zooveel moeite een
voornaam orgaan van onaanvechtbare moraliteit gemaakt had, zouden
dergelijke loftuitingen op een snol, ja een gewone snol, bezoedelend en
bevuilend schijnen. Overigens lachte hij om de heele zaak, sprak in
ruwe termen over Silviane, zeide, dat zij gerust in het openbaar haar
rokken op mocht lichten, daar had hij niets tegen. Maar de Globe was
iets heiligs.
“Kom, waarde collega, doe het alleen maar om mij een genoegen te doen,”
drong Chaigneux wanhopig aan. “Als het artikel niet in de courant komt,
zal Duvillard denken, dat het mijn schuld is. En u weet, dat ik hem
noodig heb. Het huwelijk van mijn dochter zal er weer door uitgesteld
worden—ik weet waarachtig niet meer wat ik doen moet.”
En toen hij zag, dat zijn persoonlijk ongeluk Fonsègue volkomen koud
liet:
“Maar in uw eigen belang dan, waarde collega, in uw eigen belang.
Duvillard heeft het artikel gelezen en juist omdat het zoo ophemelend
is, staat hij erop, dat het in den Globe verschijnt. Bedenk toch, dat
hij zeker met u breken zal.”
Een oogenblik bleef Fonsègue zwijgen. Dacht hij aan den
Trans-Sahara-spoorweg? Zeide hij tot zichzelf, dat het hard zou zijn op
dit oogenblik oneenigheid te krijgen, zijn deel niet te ontvangen bij
de aanstaande verdeeling onder de trouwe vrienden? Maar de gedachte,
dat hij voorzichtig moest zijn en afwachten, behaalde blijkbaar de
overwinning.
“Neen, neen, ik kan niet, het is een gewetensquaestie.”
Intusschen bleven de gelukwenschen toestroomen. Het leek wel, alsof
geheel Parijs defileerde. En steeds weer dezelfde glimlachende
gezichten, dezelfde handdrukken. Het jonge paar en de beide families
moesten, hoewel doodmoede, een verrukt gezicht blijven zetten. De hitte
werd ondragelijk, een fijn stof steeg op van den bodem als bij het
voorbijtrekken van groote kudden.
De kleine prinses de Hardt, die God weet waar en God weet waarmede zich
verlaat had, sprong plotseling te voorschijn, viel Camille om den hals,
gaf ook Eve een zoen en hield Gérard’s handen in de hare, terwijl zij
hem overdreven complimenten maakte. Dan zag zij Hyacinthe, maakte zich
van hem meester en nam hem mede in een hoek.
“Ik heb je iets te vragen.”
Hyacinthe zeide dien dag geen woord. Het huwelijk van zijn zuster vond
hij een verachtelijke, onzegbaar vulgaire ceremonie. Weer eene en weer
een, die deze vuile en gemeene wet der geslachten erkenden en de
menschelijke absurditeit der wereld vereeuwigden. Hij had dan ook
besloten het huwelijk zwijgend en met een hautain, afkeurend uiterlijk
bij te wonen.
Ongerust keek hij Rosemonde aan, want hij was blij met haar gebroken te
hebben, vreesde, dat de een of andere luim haar weer tot hem
terugbrengen zou. Voor de eerste maal zeide hij dien dag iets.
“Als vriend wil ik alles voor u doen.”
Zij begon te lachen en zeide, dat het haar dood zou zijn, als zij het
debuut van Silviane, wier vriendin en hartstochtelijke bewonderaarster
zij was, niet zou kunnen bijwonen; zij bezwoer hem aan zijn vader te
vragen haar uit te noodigen in zijn loge, waarin, zooals zij wist, nog
een plaatsje vrij was.
Nu begon hij bij de gedachte, dat dit een einde van zeldzame en
symbolische aesthetiek zou zijn, zelf te glimlachen. Die Silviane zou
hem van Rosemonde bevrijden; deze beide vrouwen zouden de onvruchtbare
liefde belichamen. Hij was—in naam der schoonheid—voor het
éénslachtelijke huwelijk, dat geen kinderen voortbrengt.
“Afgesproken. Ik zal het tegen papa zeggen; er zal een plaats voor je
zijn.”
Daar het défilé eindelijk verminderde en de sacristie wat leeggeloopen
was, konden het jonge paar en de twee families eindelijk tusschen de
roezemoezige menigte, die gedeeltelijk staan bleef, om hen nog eenmaal
te zien, ontsnappen.
Gérard en Camille zouden dadelijk na de lunch naar een landgoed, dat
Duvillard in Eure bezat, vertrekken. Deze lunch in het op enkele
schreden van de Madeleine gelegen koninklijke hôtel in de rue
Godot-de-Mauroy gegeven werd, was een nieuwe verrukking. De eetzaal op
de eerste verdieping was herschapen in een buffet van wonderbaren
overvloed en weelde, terwijl de groote roode salon, de kleine salon in
blauw en zilver en al de openstaande luxueuze vertrekken een grootsche
receptie mogelijk maakten. Hoewel men gezegd had, dat slechts de
intieme vrienden der beide families uitgenoodigd waren, waren meer dan
driehonderd personen aanwezig. De ministers hadden zich wegens drukke
ambtelijke bezigheden verontschuldigd, maar men zag de journalisten, de
magistraten en de afgevaardigden, kortom een groot gedeelte van den
stroom, die door de sacristie gevloeid was, terug. Onder de
uitgehongerden, die op den aanstaanden buit afkwamen, voelden de enkele
gasten van madame de Quinsac zich het allerminst thuis; generaal de
Bozonnet en markies de Morigny hadden haar naar een canapé in den
grooten rooden salon gebracht en verlieten haar geen oogenblik.
Eve, die gebroken was van moeheid en wier physieke en moreele kracht
zoo goed als uitgeput was, had plaats genomen In den kleinen blauwen
salon, welken haar hartstocht voor bloemen in een grooten ruiker rozen
veranderd had. Zij viel bijna, zij voelde den vloer onder haar voeten
beven; maar toch glimlachte zij, zag zij er mooi en bekoorlijk uit, zoo
dikwijls een gast haar begroeten kwam. Een onverwachte hulp kreeg zij,
toen zij monseigneur Martha zag, die zich verwaardigde de lunch met
zijn tegenwoordigheid te vereeren. Hij schoof een fauteuil naast haar
en begon op zijn gewone vriendelijke en innemende manier met haar te
praten. Ongetwijfeld kende hij het afschuwelijk drama, den vergeefs
bestreden zielsangst, die dit arme schepsel verteerde, want hij was vol
vaderlijke zorg en troost voor haar. Zij sprak als een ontroostbare
weduwe, die van de wereld afstand doet, en liet doorschemeren, dat God
alleen nog haar toeverlaat kon zijn. Dan kwam het gesprek op het Oeuvre
des Invalides du Travail, en zij zeide vast besloten te zijn haar rol
als presidente in den vervolge zeer ernstig op te vatten en zich
daaraan geheel te zullen wijden.
“Ik zou u in dit opzicht gaarne een raad vragen, monseigneur... Ik heb
iemand noodig, om mij daarbij ter zijde te staan, en ik had gedacht
daarvoor een priester te nemen, dien ik bewonder, een echten heilige,
abbé Pierre Froment.”
De bisschop werd ernstig en keek verlegen voor zich, toen de kleine
prinses, die met Dutheil voorbij kwam, den naam hoorde. Met haar gewone
onstuimigheid trad zij op het tweetal toe.
“Abbé Pierre Froment... O ja, dat heb ik u nog niet eens verteld; ik
ben hem in jacquet en broek tegengekomen. En zij hebben me verteld, dat
hij met een meisje in het Bois de Boulogne fietst... Niet waar Dutheil,
we hebben hem gezien.”
De afgevaardigde boog glimlachend, terwijl Eve verschrikt haar handen
vouwde.
“Maar dat is niet mogelijk! Zoo’n vurige naastenliefde, zoo’n
apostelgeloof!”
Eindelijk kwam de bisschop tusschenbeide:
“Ja, de Kerk wordt dikwijls door diepen rouw getroffen. Ik heb van den
waanzin van den ongelukkige, over wien u spreekt, gehoord; ik heb het
zelfs mijn plicht geacht hem te schrijven, maar hij heeft mijn brief
onbeantwoord gelaten. Ik had zoo gaarne een dergelijk schandaal willen
vermijden. Maar er bestaan nu eenmaal van die afschuwelijke krachten,
die wij niet overwinnen kunnen. De aartsbisschop heeft dezer dagen het
interdict over hem moeten uitspreken... U zult een ander moeten kiezen,
madame.”
Het was verschrikkelijk. Eve keek Rosemonde en Dutheil aan, maar durfde
geen bijzonderheden vragen; zij kon zich een schepsel, dat het gewaagd
had een priester afvallig te maken, niet voorstellen. Zeker de een of
andere schaamtelooze deerne, een van die wulpsche schepsels! En het
scheen haar toe, dat een dergelijke misdaad haar eigen ongeluk
voltooide.
En met een gebaar, dat haar groote luxe, de geurige rozen, waarin zij
zich baadde, en de menigte gasten, die zich bij het buffet verdrongen,
tot getuigen nam, prevelde zij:
“Ja, overal heerscht bederf. Men kan zich op niemand meer verlaten.”
Op dat zelfde oogenblik was Camille, op het punt met Gérard te
vertrekken, alleen in haar jonge meisjeskamer, toen haar broer
Hyacinthe bij haar kwam.
“Zoo ben je daar, jongen?... Je moet je haasten, als je me nog een zoen
wilt geven... Ik ga dadelijk weg.”
Hij gaf haar een zoen en zeide dan heel pedant:
“Ik had je voor sterker aangezien. Sinds vanochtend toon je een
vreugde, die mij tegen de borst stuit.”
Zij bleef hem met een kalme minachting aankijken.
“Je weet heel goed,” ging hij voort, “dat zij je Gérard, dien jij met
je oogen verslindt, toch weer ontneemt, zoodra je terug bent.”
Haar wangen werden bleek, haar oogen schoten vuur en met gebalde
vuisten kwam zij naar haar broeder toe.
“Zij! Zij zal hem mij weer ontnemen, zeg je?”
Zij spraken over hun moeder.
“Eerder vermoord ik haar, versta je? Laat zij op die vuiligheid niet
rekenen, want den man, dien ik eenmaal heb, houd ik... En jou zou ik
aanraden je gemeene praatjes voor je te houden, want je weet, dat ik je
ken; je bent niet meer dan een snol en een domkop.”
Hij week achteruit, als had een adder haar scherp, zwart kopje voor hem
opgericht. En in zijn gewone bangheid voor haar vond hij het beter den
terugtocht te aanvaarden.
Terwijl de laatste gasten het buffet bleven plunderen, kwam het jonge
paar afscheid nemen alvorens naar het station te vertrekken. Generaal
de Bozonnet had een vrij grooten kring om zich verzameld en was weer
over den militairen dienstplicht, die hem wanhopig maakte, begonnen;
markies de Morigny moest hem terughalen op het oogenblik, dat gravin de
Quinsac met bevende handen en zoo ontroerd, dat de markies de vrijheid
nam haar te steunen, haar zoon en haar schoondochter Camille omhelsde.
Hyacinthe was zijn vader gaan zoeken, dien men nergens vinden kon.
Eindelijk ontdekte hij hem in een vensternis in een druk gesprek met
Chaigneux, tegen wien hij op een heftige manier tekeer ging; hij was
woedend toen hij de gewetensbezwaren van Fonsègue hoorde, want wanneer
het artikel niet verscheen, was Silviane in staat het hem alleen te
wijten en als straf haar deur weer voor hem te sluiten. Onmiddellijk
had hij zijn triomphantelijk uiterlijk weer teruggevonden en snelde
toe, om zijn dochter een kus op haar voorhoofd te geven, zijn
schoonzoon de hand te drukken en hun beiden op schertsenden toon
prettige dagen toe te wenschen. Eindelijk kwam het afscheid van Eve,
naast wie monseigneur Martha glimlachend was blijven staan. Zij toonde
een ontroerende dapperheid en putte uit haar wil, om tot het einde toe
mooi te zijn, een kracht, die haar in staat stelde vroolijk en
moederlijk te wezen.
Vol goedheid en waarlijk heldhaftige verzaking nam zij de eenigszins
bevende hand van Gérard in de hare en hield die een oogenblik vast.
“Tot ziens, Gérard, blijf gezond en wees gelukkig!”
Dan wendde zij zich tot Camille en kuste haar op beide wangen, terwijl
de bisschop met toegeeflijke sympathie naar haar beiden keek.
“Tot ziens, kind!”
“Tot ziens, moeder!”
Maar haar stemmen beefden, haar blikken hadden elkaar als flikkerende
zwaarden gekruist, en toen zij elkaar kusten, hadden zij elkaars tanden
gevoeld. O, die woede van Camille haar ondanks haar jaren en haar
tranen nog altijd mooi en begeerlijk te zien. En welk een marteling
voor de moeder te moeten aanschouwen, hoe dat jonge meisje, dat ten
slotte overwonnen had, voor eeuwig haar liefde medenam! Wederzijdsche
vergiffenis was onmogelijk; zij zouden elkaar haten tot in het
familiegraf, waarin zij eenmaal naast elkander rusten zouden.
’s Avonds echter verontschuldigde barones Duvillard zich, om naar de
opvoering van Polyeucte te gaan. Zij was moe, wilde vroeg naar bed gaan
en huilde den geheelen nacht met haar hoofd in haar kussen.
In de loge van Duvillard, een avant-scène de balcon, zaten dus alleen
de baron, Hyacinthe, Dutheil en de kleine prinses de Hardt.
Reeds om negen uur was de zaal gevuld met het gewone roezemoezige,
schitterende publiek, dat groote tooneelgebeurtenissen bezoekt. Geheel
Parijs, dat ’s ochtends in de sacristie van de Madeleine gedefileerd
had, vond men hier terug met dezelfde koortsachtige nieuwsgierigheid,
hetzelfde verlangen naar het ongewone en buitenissige; men zag dezelfde
gezichten, dezelfde glimlachjes, vrouwen, die elkaar met kleine knikjes
van verstandhouding groetten, mannen, die elkander met een woord of een
gebaar begrepen. Fonsègue zat met twee bevriende echtparen in de loge
van den Globe. In de stalles had de kleine Massot zijn gewonen
fauteuil. Ook zag men den rechter van instructie Amadieu, een der
trouwe habitués der Comédie, generaal de Bozonnet en advocaat-generaal
Lehmann. Maar vooral werd de aanwezigheid van Sanier, den
verschrikkelijken Sanier met zijn dikken, apoplectischen kop,
opgemerkt, waar hij dienzelfden ochtend nog zoo’n schandelijk artikel
geschreven had. Chaigneux, die voor zichzelf slechts een bescheiden
klapstoeltje gereserveerd had, liep door alle gangen, vertoonde zich op
alle verdiepingen en wakkerde nog voor de laatste maal de geestdrift
aan. Toen in de loge tegenover die van Duvillard de twee ministers
Monferrand en Dauvergne hun plaatsen innamen, ging er een zacht
huiveren door de zaal, kwam er een glimlachje op alle gezichten, want
iedereen kende de rol, die zij bij het succes der debutante spelen
zouden.
Toch hadden den vorigen dag nog booze praatjes de rondte gedaan: Sanier
had verklaard, dat het debuut van Silviane, een algemeen bekende hoer,
in de Comédie-Française, en nog wel in de zeer moreele rol van Pauline,
een openlijke uittarting van het algemeen schaamtegevoel was. De
buitensporige gril van het mooie meisje had trouwens al heel wat stof
in de pers opgeworpen. Maar men sprak er nu al een half jaar over en
Parijs, dat er al aan gewend was, stroomde in zijn behoefte, om
verstrooid te worden, toe. Nog voor het gordijn opging, merkte men aan
de stemming in de zaal, dat het publiek vriendelijk gezind en
goedlachsch was, bereid om te applaudisseeren, als het vermaakt werd.
En werkelijk was het een buitengewoon schouwspel. Toen Silviane, kuisch
gedrapeerd, in de eerste acte optrad, verbaasde zij het publiek door
het zuivere ovaal van haar madonnagezichtje met den onschuldigen mond
en de vlekkeloos reine oogen. Maar in het bijzonder de manier, waarop
zij de rol opgevat had, verbijsterde eerst, maar bekoorde vervolgens.
Van af haar vertrouwlijke bekentenis aan Stratonice en haar verhaal van
den droom maakte zij van Pauline een mystieke droomgestalte, een soort
kerkraamheilige, die de door de wolken rijdende Brünnhilde van Wagner
op haar zadel medegenomen hebben zou. Het was volmaakt idioot, tegen
alle rede en waarheid in, maar het publiek scheen er zich daardoor des
te meer voor te interesseeren. Het volgde daardoor de mode, maar werd
bovendien nog meer geprikkeld door het scherpe contrast tusschen deze
reine lelie en de deerne met haar ignobele neigingen. Van af dat
oogenblik werd het succes van bedrijf tot bedrijf grooter, in het
tweede gedurende haar verklaring met Sévère, in het derde in haar scène
met Félix, in het vierde in haar tooneel met Polyeucte, om het toppunt
te bereiken in de zoo verheven tragische en hartverscheurende scène met
Sévère. Een zacht gefluit, waarvan men Sanier verdacht, verzekerde de
overwinning. Monferrand en Dauvergne gaven, zooals de couranten
berichtten, het sein tot toejuichingen; de geheele zaal geraakte in
vuur, Parijs klapte in zijn handen, half uit amusement, half uit
ironie. Het huldigde daarbij ook Duvillard en de sterke vuist van het
ministerie-Silviane, waarover men in de entr’actes gelachen had.
In de avant-scène van den baron heerschte een koortsachtig gedrang.
“Zeg,” kwam Dutheil vertellen; “die invloedrijke criticus, met wien we
eens gesoupeerd hebben, is woedend. Hij blijft volhouden, dat Pauline
een burgermeisje is, dat slechts op het laatste oogenblik door het
wonder aangeraakt wordt, en dat het een moord is op de rol door haar
dadelijk als heilige maagd op te vatten.”
“Laat hij maar kletsen,” zeide Duvillard hoogmoedig, “dan wordt erover
gepraat... De hoofdzaak is, dat morgen het artikel van Massot in den
Globe komt.”
Maar op dat punt waren de berichten allesbehalve gunstig. Chaigneux,
die weer naar Fonsègue gegaan was, vertelde, dat deze ondanks het
succes, dat hij belachelijk vond, nog aarzelde. De baron werd boos.
“Ga aan Fonsègue zeggen, dat ik het wil en dat ik een goed geheugen
heb.”
Achter in de loge delireerde Rosemonde van enthousiasme.
“Ik smeek je erom, Hyacinthe, breng mij naar de loge van Silviane. Ik
kan niet wachten. Ik moet haar een zoen geven.”
“Maar wij gaan er allen heen,” riep Duvillard, die het gehoord had,
uit.
De couloirs waren propvol, men verdrong zich tot bij het tooneel. Doch
dan deed zich een hinderpaal voor: de deur der loge was gesloten; en
toen de baron klopte, antwoordde de kleedster, dat mevrouw den heeren
verzocht te wachten.
“O, een vrouw komt er niet op aan,” zeide Rosemonde. en gleed vlug naar
binnen. “En jij kan ook binnenkomen, Hyacinthe, dat komt er even weinig
op aan.”
Silviane, half naakt, liet haar schouders en haar borst afvegen, zoo
warm had zij het. Vol geestdrift vloog Rosemonde op haar af, kuste
haar, en in den gloed der vlammende gaslichten en den bedwelmenden geur
der bloemen, waarmede het kleine vertrek gevuld was, praatten zij bijna
mond tegen mond. Hyacinthe hoorde, hoe zij met van bewondering en
hartstocht brandende woorden afspraken elkaar bij den uitgang te zien
en dat Silviane ten slotte Rosemonde uitnoodigde een kop thee bij haar
te komen drinken.
“Je rijtuig wacht op den hoek van de rue Montpensier, niet?” zeide hij
met een welwillend glimlachje tegen de actrice. “Welnu, dan zal ik de
prinses daarheen brengen. Dat is wel zoo eenvoudig, dan kunnen jullie
samen naar huis rijden.”
“Hoe schattig van je,” riep Rosemonde uit. “Afgesproken.”
De deur ging open; de mannen traden binnen en putten zich uit in
loftuitingen. Maar men moest weer gauw terug naar de zaal voor het
vijfde bedrijf. Het werd een triomf. Het publiek juichte, toen Silviane
het beroemde: “Je vois, je sais, je suis désabusée” met de
zielsverrukking van een heilige martelares declameerde. Toen men de
artisten terugriep, bracht Parijs aan deze theatermadonna, die volgens
Sanier zoo goed de rol van hoer speelde, een laatste ovatie.
Onmiddellijk ging Duvillard met Dutheil achter de coulissen, om
Silviane te halen, terwijl Hyacinthe Rosemonde naar het op den hoek van
de rue Montpensier staande rijtuig bracht. Dan bleef de jonge man
wachten en scheen het heel aardig te vinden, toen zijn vader met
Silviane kwam en deze hem met een gebaar tegenhield, toen hij ook wilde
instappen.
“Neen, vanavond niet. Ik heb bezoek van een vriendin.”
Het lachende gezichtje van Rosemonde was achter in het rijtuig
opgedoken. Hij bleef met open mond staan, toen het rijtuig met de beide
vrouwen wegreed. Hij, die sedert zooveel dagen in de weer was, om in
genade aangenomen te worden.
“Wat zal ik je zeggen!” zeide Hyacinthe tegen Dutheil, die zelf wat
gechoqueerd was. “Zij hing mij de keel uit en toen heb ik haar aan
Silviane gegeven.”
Verbijsterd stond Duvillard nog steeds op het trottoir; toen Chaigneux,
die uitgeput naar huis ging, hem herkende; hij vloog op hem toe en
zeide, dat Fonsègue zich bedacht had en het artikel van Massot opnemen
zou.
Hyacinthe nam zijn vader mede en troostte hem als een verstandig
kameraad, voor wien de vrouw een onrein dier is.
“Ga mee naar huis... Nu dat artikel verschijnt, kan je het haar
morgenochtend brengen. Ze zal dan zeker open doen.”
De beide mannen, die loopen wilden, wandelden rookend en slechts nu en
dan een woord wisselend, de op dat uur verlaten en droefgeestige avenue
de l’Opéra op, terwijl over het ingeslapen Parijs een eindelooze
weeklacht streek, de doodsstrijd van een wereld.