I.

Het huisje in de afgelegen straat van Neuilly, waar na het invallen van

de schemering niemand meer door kwam, sliep op dat uur in den donkeren

nacht. De luiken waren gesloten, geen lichtstraal drong naar buiten

door en het was als voelde men den diepen vrede van den daarachter

gelegen ledigen, dooden, door de winterkoude verstarden tuin.

Terwijl Pierre in het rijtuig met zijn gewonden broeder naar huis reed,

was hij meermalen bang Guillaume in onmacht te zien vallen. In elkaar

gedoken leunde hij achterover en sprak geen woord. Het was een

vreeselijke stilte, zoo vol vragen en antwoorden, dat zij het nutteloos

en pijnlijk vonden ze te stellen of te geven. Toch maakte de priester

zich ongerust over de wond en vroeg hij zich af welken dokter hij zou

moeten halen; hij kon slechts een vertrouwbaren man in het geheim

nemen, daar hij zag hoe gaarne de gewonde verdwijnen wilde en zich

verborg.

Tot den Arc de Triomphe werd geen woord gesproken. Toen eerst scheen

Guillaume uit zijn verdooving te ontwaken en zeide:

“En denk erom, Pierre, geen dokter. Wij zullen dat samen wel in orde

brengen.”

Pierre wilde zich daartegen verzetten, doch hij maakte slechts een

eenvoudig gebaar, als wilde hij zeggen, dat hij het wel zou doen, als

hij het noodig achtte. Waartoe diende het op dat oogenblik te gaan

redetwisten? Maar zijn ongerustheid was toegenomen, en het was een

groote verlichting voor hem toen het rijtuig eindelijk voor het huisje

stilhield en hij zijn broer zonder bijzondere zwakheid zag uitstappen.

Vlug betaalde hij den koetsier en was erg blij, dat niemand, zelfs niet

een van zijn buurlieden, op straat was. Dan maakte hij de deur met zijn

sleutel open en steunde den gewonde, om hem de drie treden van het

bordes op te helpen.

In de vestibule brandde een klein nachtlichtje. Onmiddellijk was, bij

het opengaan van de deur, de oude dienstbode Sophie uit de keuken

gekomen. Thans zestig jaar, mager en gerimpeld, was zij reeds meer dan

dertig jaar in het huis, daar zij eerst in dienst geweest was bij de

moeder, alvorens in dien van den zoon over te gaan. Zij kende

Guillaume, dien zij als jongen man gezien had. Ongetwijfeld herkende

zij hem, hoewel hij in geen tien jaar den drempel overschreden had.

Maar zij toonde geen enkele verbazing, scheen dien plotselingen

terugkeer heel natuurlijk te vinden in het gewone discrete zwijgen, dat

zij zich eigen gemaakt had. Zij leefde geheel in afzondering en sprak

slechts, wanneer de dienst dat noodzakelijk maakte. En ook nu zeide zij

slechts:

“Mijnheer de abbé, mijnheer Bertheroy zit al een kwartier in uw

studeerkamer op u te wachten.”

“Zoo, komt Bertheroy nog altijd hier?” vroeg Guillaume, wiens gezicht

weer opklaarde. “Nu, hem wil ik wel zien; hij is een van de beste en

meest vrijzinnige geesten van den tegenwoordigen tijd. Hij is mijn

meester gebleven.”

Bertheroy, vroeger de vriend van hun vader, den beroemden scheikundige

Michel Froment, was nu op zijn beurt een der corypheeën van Frankrijk,

aan wien de scheikunde den buitengewonen vooruitgang te danken had,

welke haar tot de moederwetenschap, die bezig is het aangezicht der

aarde te hernieuwen, gemaakt hebben. Hoewel lid van het Institut en

overladen met allerlei eere-ambten, had hij toch voor Pierre een groote

genegenheid behouden en kwam hij hem dikwijls voor het diner opzoeken,

om, zooals hij zeide, wat afleiding te hebben.

“Heb je hem in mijn studeerkamer gelaten? Prachtig! We zullen naar hem

toegaan,” zeide Pierre tegen de dienstbode. “Breng een lamp in mijn

slaapkamer en maak mijn bed op, dan kan mijn broeder dadelijk gaan

liggen.”

Terwijl Sophie, zonder eenige verbazing te toonen of een woord te

zeggen, het bevel uitvoerde, gingen de twee broeders naar het vroegere

laboratorium van hun vader, waarvan Pierre een groote studeerkamer

gemaakt had. Toen de geleerde hen samen, de een steunend op den ander,

binnenkomen zag, ontving hij hen met een uitroep van blijde verbazing.

“Wat, samen!... Beste jongens, jullie kondt me geen grooter pleizier

doen. Ik heb zoo dikwijls dat nare misverstand tusschen jullie

betreurd!”

Hij was een groote, magere zeventiger met hoekige trekken. De

geelachtig geworden huid kleefde als een stuk perkament op de

vooruitspringende juk- en wangbeenderen. Hij had absoluut niets

imponeerends, zag er eerder als een oude kruidenhandelaar uit. Maar

zijn voorhoofd was mooi, breed en glad en onder zijn grijs verwilderd

haar brandden nog een paar vlammenoogen.

Toen hij de verbonden hand zag, riep hij uit:

“Wat, ben je gewond, Guillaume?”

Pierre bleef zwijgen en liet het aan zijn broer over de geschiedenis te

vertellen, zooals hij dat zelf wilde. Maar deze had begrepen, dat hij,

eenvoudig, de waarheid bekennen moest, met weglating van de bijzondere

omstandigheden.

“Ja, bij een ontploffing. Ik geloof, dat ik mijn pols gebroken heb.”

Bertheroy keek hem aan, zag, dat zijn snor verbrand was, dat zijn oogen

verschrikt stonden. Hij werd ernstig, maar trachtte toch niet door

vragen tot vertrouwelijkheden te dwingen.

“Kom, kom, een ontploffing... Mag ik de wond eens zien? Zooals je weet,

heb ik, voor ik mij door de scheikunde verleiden liet, in de medicijnen

gestudeerd en ben ik nog zoo’n beetje chirurg.”

“Ja, ja, kijk u eens naar de wond!” riep Pierre, niet in staat dien

uitroep te bedwingen. “Ik maak me zoo ongerust... Het is een onverhoopt

geluk, dat u hier bent.”

De geleerde keek hem aan en voelde den ernst der omstandigheden, die

men voor hem verborgen hield. En toen Guillaume glimlachend, maar

verbleekend van zwakheid, toestemde, wilde hij eerst, dat hij naar bed

ging. De dienstbode kwam zeggen, dat het bed opgemaakt was, en allen

gingen in de kamer ernaast, waar de gewonde ontkleed en op bed gelegd

werd.

“Licht mij wat bij, Pierre, en laat Sophie een kom met water en wat

linnen halen!”

En nadat hij zacht de wond gewasschen had:

“Alle duivels!... De pols is niet gebroken, maar het ziet er toch

leelijk uit. Ik ben bang, dat het been gekwetst is. Er zijn spijkers

doorgegaan, niet waar.”

Daar hij geen antwoord kreeg, zweeg hij verder. Zijn verwondering werd

grooter, hij begon aandachtig de hand, die zwart geworden was door de

vlam, te onderzoeken, en rook zelfs ten slotte aan de mouw van zijn

hemd, om zich beter rekenschap te kunnen geven. Blijkbaar herkende hij

de uitwerking van een dier nieuwe ontploffingsmiddelen, die hij zelf

zoo grondig bestudeerd en, om zoo te zeggen, geschapen had. Maar toch

moest deze hem op een dwaalspoor brengen, want er waren sporen

voorhanden, die hem onbekend waren.

“Heb je je,” vroeg hij eindelijk, medegesleept door zijn

geleerdennieuwsgierigheid, “in een laboratorium-ontploffing zoo mooi

toegetakeld?... Wat voor een gevaarlijke springstof was je aan het

fabriceeren?”

Sedert Guillaume hem zijn wond zoo zag bestudeeren, voelde hij, ondanks

zijn pijn, een toenemende onrust, alsof het echte geheim, dat hij

bewaren wilde, gelegen was in die springstof, de eerste proef waarmede

hem zoo wreed getroffen had.

“Ik verzoek u dringend, meester, mij niets verder te vragen. Ik kan u

toch niet antwoorden... Ik weet, dat u edel genoeg bent, om mij te

verplegen en toch nog van mij te houden, zonder mij de biecht af te

nemen.”

“Maar natuurlijk, beste jongen,” riep Bertheroy uit, “bewaar jij je

geheim maar! Wanneer je een ontdekking gedaan hebt, behoort die aan jou

toe, en ik weet dat je het beste gebruik daarvan zult maken. Bovendien

weet je heel goed, dat ik te zeer bezield ben door den hartstocht voor

de waarheid en het mijn principe is nooit de daden van anderen—waarin

zij ook bestaan mogen—te beoordeelen, voordat ik alle gronden daarvoor

ken.”

Een breed gebaar gaf zijn groote verdraagzaamheid, zijn verheven, van

onwetendheid en bijgeloovigheid bevrijden geest te kennen, die van hem,

ondanks de vele ordeteekenen, welke zijn borst versierden, ondanks de

universitaire en academische titels als officieel geleerde, tot den

vermetelsten, meest vrijen, en zooals hij zeide, alleen door

waarheidsliefde bezielden mensch maakte.

Hij had de noodige instrumenten niet bij zich en stelde er zich mede

tevreden de wond zorgvuldig te verbinden, nadat hij zich vergewist had,

dat er geen stukje scherf in het vleesch was blijven steken. Eindelijk

ging hij weg met de belofte den volgenden ochtend vroeg terug te komen,

en toen de priester hem uitliet, stelde hij hem gerust: als het been

niet te diep beleedigd was, zou alles wel goed afloopen.

Toen Pierre weer bij het bed terugkwam, vond hij zijn broer nog in

zittende houding; uit zijn verlangen aan de zijnen te schrijven,

teneinde hen gerust te stellen, putte hij nog eenige kracht. De

priester moest, nadat hij hem papier en potlood gegeven had, de lamp

weer nemen en hem bijlichten. Gelukkig kon Guillaume zijn rechterhand

gebruiken en aan madame Leroi, zijn schoonmoeder, die na den dood van

zijn vrouw bij hem gebleven was en haar drie kleinzoons opgevoed had,

schrijven, dat hij niet thuis komen zou. Bovendien woonde, zooals

Pierre wist, in het huis, een jong meisje van vijf of zes-en-twintig

jaar, de dochter van een vroegeren vriend van Guillaume, die haar na

den dood van haar vader opgenomen had en, ondanks het groote verschil

van leeftijd, binnenkort met haar trouwen wilde. Doch dit waren voor

den priester allemaal onduidelijke, verwarde zaken, en hij had zich

steeds gehouden, alsof hij van die verhouding niets wist.

“Wou je, dat die brief dadelijk naar Montmartre werd gebracht?”

“Ja, dadelijk. Het is nou even zeven uur, dan kunnen ze hem vóór achten

hebben... Je stuurt toch zeker een vertrouwd man?”

“Het beste zal zijn, dat Sophie met een rijtuig gaat. Met haar kan je

gerust zijn, zij zal niet praten... Ik zal het dadelijk even in orde

maken.”

Sophie werd geroepen en begreep dadelijk alles; zij beloofde, als men

haar uitvroeg, te zullen zeggen, dat mijnheer Guillaume dien nacht bij

zijn broer zou slapen, maar dat zij niet wist waarom. En zonder zelfs

een opmerking te maken, ging zij weg met de woorden:

“Het eten is klaar, mijnheer de abbé; u behoeft de soep en den ragout

maar van het vuur te nemen.”

Maar toen Pierre ditmaal weer naast het bed van zijn broer kwam zitten,

lag Guillaume, met twee kussens onder zijn hoofd, zeer moe en bleek op

zijn rug. Hij had koorts. Op den hoek van een tafel brandde de lamp met

een zacht licht; de stilte was zóó diep, dat men de groote klok in de

eetkamer ernaast kon hooren tikken. Een oogenblik omhulde die groote

vrede de beide broeders, die na een scheiding van zoovele jaren,

eindelijk weer vereenigd en alleen waren. Dan strekte de gewonde zijn

gezonde hand uit de dekens; de priester nam die en drukte haar

liefdevol in de zijne. En deze druk hield aan; de beide handen bleven

broederlijk in elkaar rusten.

“Neem me niet kwalijk, beste Pierre, dat ik hier zoo binnen kom

vallen,” prevelde Guillaume zacht. “Ik leg beslag op je huis, neem je

bed in beslag, belet je te eten.”

“Kom, praat nu niet meer en vermoei je niet verder,” viel Pierre hem in

de rede. “Waar wil je anders naar toe dan naar hier, wanneer je in

moeilijkheden bent?”

De koortsachtige hand van den gewonde drukte die van Pierre nog warmer,

terwijl zijn oogen vochtig werden.

“Ik dank je Pierre. Je bent nog precies de oude, wees zacht en

liefderijk als vroeger. Je weet niet hoe goed me dat op dit oogenblik

doet.”

Nu kwam ook voor de oogen van den priester een tranensluier. Te midden

van deze groote kalmte, van deze op zoovele heftige opwindingen

volgende stilte, was het voor die beide broeders een onuitsprekelijke

bekoring zoo in het huis van hun jeugd terug te zijn. Hier waren hun

vader en moeder gestorven—hun vader op tragische wijze door een

ontploffing in zijn laboratorium, hun moeder vroom als een echte

heilige. Hier in dit zelfde bed had Guillaume Pierre verpleegd, toen

deze, na den dood van zijn moeder zelf bijna gestorven was; en nu

verpleegde Pierre Guillaume. Alles, de onvoorziene omstandigheden van

hun ontmoeting, de vreeselijke catastrophe, waardoor zij geschokt

waren, de geheimzinnige kant van de zaak, die onopgehelderd bleef

tusschen hen; dit alles vervulde hen met een diepe ontroering. En bij

deze na een zoo langen tijd van scheiding gevolgde toenadering

ontwaakten hun gemeenschappelijke herinneringen, sprak het oude huis

van hun jeugd, van hun overleden ouders, van de verre dagen, waarin zij

lief gehad en geleden hadden. Daar, onder het raam, lag de tuin, de nu

door de vorst verstarde tuin, die vroeger in het vroolijke zonlicht van

hun spelen weerklonk. Links bevond zich het laboratorium, het groote

vertrek, waarin hun vader hun had leeren lezen. In de eetkamer rechts

zagen zij hun moeder weer boterhammen snijden. En het gevoel, dat zij

op dit oogenblik alleen waren, dit bleeke, rustige licht der lamp, de

diepe, zwijgende eenzaamheid van den tuin, van het huis, van het

geheele verleden vervulde hen met een vreemden, zachten weemoed,

waaraan zich een eindelooze bitterheid paarde.

Zij hadden willen praten, hun hart voor elkaar uitstorten. Maar wat

moesten zij elkander zeggen? Scheidde hen, niettegenstaande hun handen

nauw ineengestrengeld waren, niet een onoverbrugbare afgrond? Dat

geloofden zij tenminste. Guillaume had de overtuiging, dat Pierre een

vrome, vurig-geloovige priester was, die geen twijfel kende, die noch

in gedachte, noch in de praktijk des levens iets met hem gemeen had.

Een bijlslag had hen gescheiden—zij bewoonden twee verschillende

werelden. En evenzoo hield Pierre Guillaume voor een gedeclasseerde,

voor een man van verdachten levenswandel, die met de vrouw, bij wie hij

drie kinderen had, niet eens getrouwd was en nu op het punt stond met

dat veel te jonge meisje, dat God weet waarvandaan kwam, in het

huwelijk te treden. Bovendien schrikten hem de geëxalteerde denkbeelden

van den geleerde en van den revolutionnair, zijn ontkenning van alles,

zijn aanvaarding, ja zelfs de provocatie van de ergste gewelddaden en

het onduidelijk zich op den achtergrond vertoonende monster van het

anarchisme hem af. Op welk terrein zou de overeenstemming, de

eensgezindheid bereikt moeten worden, daar ieder van de beide broeders

zijn vooroordeel tegen den ander behield en hem aan de

tegenovergestelde zijde van den afgrond zag, zonder dat een plank dien

kon overbruggen? En hun arme harten snikten in hartstochtelijke,

broederlijke liefde.

Pierre wist, dat Guillaume indertijd reeds bijna in een anarchistisch

complot betrokken was geweest. Hij vroeg hem niets, maar als van zelf

kwam de gedachte bij hem op, dat hij zich niet zoo verbergen zou, als

hij niet bang was als medeplichtige gearresteerd te worden. Was hij

inderdaad een medeplichtige van Salvat? En Pierre beefde; want, om zich

een meening te kunnen vormen, had hij nog steeds geen ander materiaal

dan de woorden, die zijn broeder na den aanslag ontsnapt waren, den

kreet, waarmede hij Salvat beschuldigde hem een bom ontstolen te

hebben, alsmede het feit, dat hij zoo heldhaftig onder de koetspoort

van het hôtel Duvillard gevlogen was, om de lont uit te trappen. Doch

welk een duisterheden heerschten er nog! Maar wanneer men hem een

patroon van een zoo vreeselijke springstof ontstolen had, dan moest hij

ze toch fabriceeren en hebben! Zeker, zelfs wanneer hij geen

medeplichtige was, kon hij met zijn gewonde hand niets beters doen dan

verdwijnen; want wanneer men hem, die zich reeds eenmaal bloot gegeven

had, daar met zijn bloedende hand had aangetroffen, dan zou het hem

nooit gelukt zijn de wereld van zijn onschuld te overtuigen. Maar toch

bleef er nog een dichte duisternis heerschen, bleef de mogelijkheid van

een misdaad bestaan. Het was vreeselijk.

Guillaume moest aan het beven van de vochtig-klamme hand, die nog

altijd in de zijne rustte, iets van de neerslachtigheid merken, waarin

dit door den twijfel reeds verpletterde en nu door de catastrophe

geheel tegen den grond geworpen arme wezen gevallen was. Het graf was

ledig, zelfs de asch was er uitgeveegd.

“Mijn arme Pierre,” begon hij weer langzaam; “neem me niet kwalijk, als

ik je niets zeg. Ik kan je niets zeggen.... En bovendien, waartoe dient

dat? Wij zouden elkaar toch zeker niet begrijpen.... Laten we niets

zeggen, laten we slechts genieten van de vreugde samen te zijn, en

ondanks alles elkaar liefhebben.”

Pierre keek naar hem op, en lang rustten hun blikken in elkaar.

“Hoe vreeselijk is dat alles!” stamelde hij.

Maar Guillaume had de stomme vraag goed begrepen. Zijn oogen gaven er

het antwoord op, terwijl zij zich niet afwendden en een zeer reine,

hooge vlam erin òplichtte.

“Ik kan je niets zeggen,” antwoordde hij. “Maar laten we elkaar toch

blijven liefhebben, Pierre!”

Toen voelde Pierre een oogenblik, dat zijn broeder boven alle lage

ongerustheid, boven de vrees van den schuldige, die voor zichzelf

siddert, verheven was; integendeel, de hartstocht voor een groot doel,

de edele bezorgdheid, om zijn verheven idée, het geheim te bewaren,

hief hem boven de gewone stervelingen op. Maar ongelukkigerwijze was

dat slechts het vluchtige visioen van een vage hoop op overwinning en

verlossing; want reeds zonk alles weer weg in den twijfel, in het

wantrouwen van den mensch, die zichzelf niet kent.

Plotseling rees de herinnering aan een ontzettend schouwspel in Pierre

op en dreigde hem krankzinnig te maken.

“Broeder,” stamelde hij, “heb je onder de deur dat blonde kind, dat met

haar opengereten buik en haar aardig verwonderd glimlachje op den rug

lag, gezien?”

Op zijn beurt rilde Guillaume nu ook. En zacht en moeilijk zeide hij:

“Ja, ja, ik heb haar gezien. Het ongelukkige kind! O, die

verschrikkelijke noodzakelijkheden, de verschrikkelijke dwalingen der

gerechtigheid!”

Toen viel Pierre in een vreeselijke rilling over het voorgevallene, in

zijn verbijstering over de gewelddaad aan den rand van het bed op zijn

knieën. Hij snikte wanhopig en liet zijn hoofd op de dekens vallen.

Zwak als een kind lag hij daar in deze plotselinge crisis, die zijn

oogen met tranen overstroomde. Alles, wat hem sedert den ochtend zoo

had doen lijden, brak als het ware samen; de vreeselijke smart over de

ongerechtigheid, het leed over de wereld barstte los in dien

tranenvloed, welken niets scheen te kunnen tegenhouden. Guillaume, die

eveneens zijn ontroering niet bedwingen kon, had met het gebaar,

waarmede hij vroeger het haar van het kind gestreeld had, zijn hand

gelegd op het hoofd van zijn broeder, om hem te kalmeeren, en zweeg,

daar hij geen troost wist. Hij legde zich neer bij de ieder oogenblik

mogelijke uitbarsting, die de langzame evolutie in de natuur altijd

verhaasten kan. Maar welk een lot voor de ongelukkige schepsels, voor

de levens, die de lava met milliarden medesleept! Te midden van de

diepe stilte begonnen ook zijn tranen te stroomen.

“Pierre,” zeide hij eindelijk zacht, “ik wil datje eet... Kom, ga eten.

Bedek het licht wat en laat mij alleen. Dat zal mij goed doen.”

Pierre moest hem zijn zin geven. Maar hij sloot de deur van de eetkamer

niet, en geheel krachteloos van den honger, dien hij tot dusver niet

eens opgemerkt had, at hij staande, steeds scherp toeluisterend, of

zijn broer niet steunde of hem niet riep. De stilte scheen nog grooter

te worden, het kleine huis scheen geheel in de zachte melancholie van

het verleden weg te zinken.

Toen Sophie tegen half negen van Montmartre terugkwam, hoorde Guillaume

haar ondanks haar zachte loopen. Hij begon te woelen, wilde weten hoe

het daar was. Pierre ging het hem onmiddellijk zeggen.

“Maak je maar niet ongerust. Sophie is ontvangen door een oude dame,

die, na den brief gelezen te hebben, eenvoudig tegen haar gezegd heeft,

dat het goed was. Zij heeft haar niets gevraagd en scheen heelemaal

niet nieuwsgierig te zijn.”

Guillaume, die voelde, dat zijn broer zich over die kalmte verwonderde,

zeide eveneens heel kalm:

“O, het is voldoende als grootmoeder gewaarschuwd is. Zij weet, dat ik,

als ik niet thuis kom, dat ook niet kan.”

Maar hij kon den slaap niet vatten. Het hielp niet, of het licht van de

lamp bedekt werd, steeds weer opende hij zijn oogen, keek rond en

scheen door de muren heen in de richting van Parijs te luisteren. De

priester moest de dienstbode laten komen en haar vragen, of zij, toen

zij naar Montmartre ging, niets buitengewoons opgemerkt had. Zij scheen

verbaasd over die vraag; neen, zij had niets opgemerkt. Trouwens het

rijtuig had over de bijna verlaten buitenboulevards gereden.

Om negen uur begreep Pierre, dat zijn broer niet slapen zou, als hij

hem zonder nieuws liet. In zijn opkomende koorts begon de gewonde

angstig te worden, liet het verlangen om te weten, of Salvat

gearresteerd was en hij gesproken had, hem niet meer los. Hij bekende

dat niet en scheen niet ongerust voor zijn eigen persoon, en dat was

ongetwijfeld waar ook, maar zijn groot geheim verstikte hem, hij rilde

bij de gedachte, dat een zoo hoog doel, zooveel werk en zooveel

verwachtingen afhingen van dezen door de ellende verblinden

ongelukkige, die de gerechtigheid met het werpen van bommen herstellen

wilde. Vergeefs trachtte de priester hem aan zijn verstand te brengen,

dat men op dit oogenblik nog niets weten kon, maar Guillaume werd van

minuut tot minuut onrustiger, zoodat hij eindelijk besloot ten minste

een poging te wagen, om hem gerust te kunnen stellen.

Maar waar moest hij heengaan? Waar aankloppen? In den loop van het

gesprek noemde Guillaume, die naging aan wien Salvat onderdak had

kunnen vragen, den naam Janzen, en een oogenblik dacht hij erover daar

te laten informeeren. Doch dan bedacht hij, dat Janzen, als hij den

aanslag vernomen had, er niet de man naar was om de politie bij zich

thuis af te wachten.

“Ik zou de avondbladen wel voor je willen gaan koopen,” zeide Pierre,

“maar daar staat natuurlijk toch niets in. In Neuilly ken ik bijna

iedereen, maar ik weet niemand, die... ja toch misschien Bache...”

“Ken je Bache, het lid van den gemeenteraad?” viel Guillaume hem in de

rede.

“Ja, we hebben samen voor liefdadigheidsinstellingen gewerkt.”

“O, Bache is een van mijn oude vrienden. Ik ken geen vertrouwder man.

Ga hem halen, als je wilt!”

Een kwartier later kwam Pierre met Bache, die in een naburige straat

woonde, terug. Maar hij bracht niet alleen hem mede, maar ook Janzen,

dien hij tot zijn groote verbazing bij Bache aangetroffen had. Zooals

Guillaume vermoedde, was Janzen, die aan het diner bij prinses de Hardt

den aanslag gehoord had, zoo voorzichtig geweest niet naar zijn kleine

woning in de rue des Martyrs, waar de politie wel eens een val voor hem

opengezet kon hebben, terug te gaan. Zijn betrekkingen tot de

anarchisten waren bekend, hij wist, dat hij nagegaan werd en dat hij,

als buitenlandsch anarchist ieder oogenblik gearresteerd en uitgewezen

kon worden. Hij had het dan ook verstandiger geoordeeld voor enkele

dagen gastvrijheid te gaan vragen aan Bache, een zeer dienstvaardig en

behulpzaam man, aan wiens handen hij zich zonder vrees toevertrouwde.

Nooit zou hij bij Rosemonde gebleven zijn, dat bekoorlijke, maar half

onwijze vrouwtje, dat hem in haar razende begeerte naar sensaties nu

reeds een maand lang in opspraak bracht.

Guillaume was in de wolken, toen hij Bache en Janzen binnenkomen zag en

wilde weer rechtop gaan zitten. Maar Pierre eischte, dat hij rustig met

zijn hoofd op het kussen zou blijven liggen en vooral dat hij zoo

weinig mogelijk sprak. Terwijl Janzen zwijgend bleef staan, nam Bache

een stoel en ging onder een stortvloed van vriendschapswoorden naast

het bed zitten. Het was een dikke zestiger met een breed en bol

gezicht, een vollen, grijzen baard en lang grijs haar. Zijn kleine

oogjes keken droomerig en om zijn dikken mond lag een vriendelijk,

hoopvol glimlachje. Zijn vader, een vurig aanhanger van Saint-Simon,

had hem in den eeredienst van het nieuwe geloof opgevoed, terwijl hij

zelf, ofschoon hij den eerbied voor dat geloof steeds hield, door een

persoonlijke behoefte aan orde en godsdienstigheid, tot de denkbeelden

van Fourier overgegaan was, zoodat men in hem als het ware een

opeenvolging en verkorting van die beide doctrines vond. Op

dertigjarigen leeftijd had hij zich ook met spiritisme bezig gehouden.

Hij bezat een klein, maar goed belegd vermogen en had in zijn leven

geen ander avontuur gehad dan dat hij in 1871, zonder zelf precies te

weten hoe en waarom, deel had uitgemaakt van de Commune. Hoewel hij tot

de gematigden behoorde, was hij toch bij verstek ter dood veroordeeld

en had hij tot de amnestie in België gewoond. Neuilly, dat zich die

dingen herinnerde, had hem naar den gemeenteraad afgevaardigd—echter

minder, om het slachtoffer der burgerlijke reactie te verheerlijken dan

wel om den rechtschapen, in de geheele wijk populairen man te beloonen.

In zijn verlangen naar nieuws moest Guillaume den bezoeker alles wel

vertellen; de geschiedenis van de bom, de vlucht van Salvat, de manier,

waarop hij gewond werd, toen hij de lont wilde uittrappen. Janzen met

zijn koel gezicht, zijn blonden, mageren Christuskop en zijn krullende

haren, die naar hem luisterde, zeide eindelijk:

“Zoo, is het Salvat?... Ik dacht, dat het de kleine Mathis zou zijn...

Salvat, dat verwondert me. Hij was het niet van plan.”

En toen Guillaume, angstig, hem vroeg, of hij dacht, dat hij spreken

zou, riep hij eerst:

“O, neen, geen quaestie van!”

Doch dan, iets van minachting in zijn heldere, chimerische, harde

oogen:

“En toch weet ik het zoo zeker niet... Salvat is sentimenteel.”

Bache, die door den aanslag geheel van streek was, werd ongerust en

overlegde dadelijk hoe zij, in geval van verklikking, Guillaume, van

wien hij heel veel hield, buiten de zaak houden zouden. En deze leed er

bij het zien van Janzen’s minachtende koelheid onder, dat men hem voor

vreesachtig aanzien en gelooven kon, dat het eenige, waar hij aan

dacht, was zijn eigen leven te redden. Maar wat moest hij tegen hen

zeggen, hoe zou hij hun de bezorgdheid, die hem rillen deed,

begrijpelijk kunnen maken, zonder hun het geheim toe te vertrouwen, dat

hij zelfs voor zijn broeder verborgen had?

Op dat oogenblik kwam Sophie aan haar meester zeggen, dat mijnheer

Théophile Morin en een andere mijnheer hem wilden spreken. Zeer

verwonderd over dat late bezoek, ging Pierre naar de kamer ernaast om

ze te ontvangen. Hij had Morin na zijn terugkeer uit Italië leeren

kennen en hem geholpen bij de vertaling en bewerking van zijn

uitstekend résumé der tegenwoordige wetenschappen voor de Italiaansche

scholen. Als zoon van Franche-Comté was hij een landsman van Proudhon,

met wiens arme familie hij, de zoon van een horlogemaker, veel had

omgegaan, opgegroeid in diens denkbeelden, een warm vriend der armen,

en koesterde hij een instinctieven haat tegen rijkdom en bezit. Later

was hij als onderwijzer naar Parijs gekomen, had daar een waren

hartstocht opgevat voor de studie en zich met geheel zijn ziel aan

Auguste Comte gegeven. Op die wijze zou men in hem, den vurigen

positivist, den vroegeren aanhanger van Proudhon, den persoonlijken

opstand van den arme, den haat tegen de ellende terug kunnen vinden.

Overigens hield hij zich aan het wetenschappelijk positivisme, daar hij

in zijn afkeer van alles wat naar mystiek zweefde, den in latere jaren

zoo godsdienstig geworden Comte verloochend had. Zijn rechtschapen,

eentonig en droefgeestig leven had slechts één roman gekend—den

plotselingen koortsaanval, die hem medegesleept had om gedurende de

legendarische epopee der Duizend aan de zijde van Garibaldi op Sicilië

te strijden. En daarna was hij weer het Parijsche onderwijzertje

geworden, dat in vergetelheid zijn droevig brood verdiende.

Toen Pierre weer in de slaapkamer terugkwam, zeide hij met ontroerde

stem tegen zijn broer:

“Morin heeft Barthès medegebracht, die in gevaar meent te zijn en mij

gastvrijheid vraagt.”

“Nicolas Barthès, die held, die antieke geest!” riep Guillaume vol

geestdrift uit. “Ik ken en bewonder hem... Je moet je huis wijd voor

hem open zetten.”

Bache en Janzen hadden elkaar glimlachend aangekeken. Dan zeide de

laatste langzaam en op zijn koud-ironischen toon:

“Waarom verstopt mijnheer Barthès zich? Velen beschouwen hem als dood,

en hij is een spook, waarvoor niemand meer bang is.”

Barthès, die nu vier-en-zeventig was, had bijna vijftig jaar in de

gevangenis doorgebracht. Hij was de eeuwige gevangene, de

vrijheidsheld, dien alle regeeringen van de eene vesting in de andere

gebracht hadden. Van af zijn jongelingsjaren leefde hij in zijn droom

van broederschap, streed hij voor een ideale republiek van waarheid en

gerechtigheid en kwam ten slotte steeds in de gevangenis, waar hij

achter slot en grendel zijn humanitaire droomen voortzette. Als

Carbonaro, als republikein, als evangelisch sectariër had hij altijd en

overal samengezworen, zonder ophouden gestreden tegen iedere mogelijke

macht. En toen de Republiek gekomen was, die Republiek, welke hem

zooveel jaren kerkerstraf gekost had, had ook deze hem in de gevangenis

gezet en nog meer donkere jaren aan de zoovele zonlooze toegevoegd. Hij

bleef de martelaar der vrijheid en verlangde ondanks alles naar

haar—naar haar, die nooit bestond.

“Je vergist je leelijk,” zeide Guillaume, geprikkeld door Janzen’s

spottenden toon. “Men wil Barthès, wiens intransigente rechtschapenheid

onze politici hindert, weer een tijdje opsluiten; hij heeft groot

gelijk voorzorgsmaatregelen te nemen.”

Nicolas Barthès kwam binnen, een groote, magere, slanke grijsaard met

een adelaarsneus en nog vurige oogen. De tandenlooze, maar nog fijn

geteekende mond verdween bijna geheel onder zijn sneeuwwitten baard,

terwijl zijn haar, dat glansde als een aureool, in dichte lokken op

zijn schouders viel. Achter hem kwam bescheiden Théophile Morin met

zijn grijze bakkebaarden, zijn grijze, en brosse geknipte haren, zijn

bril, zijn geel, verweerd onderwijzersgezicht. Zij schenen volstrekt

niet verbaasd te zijn of een verklaring te verwachten, toen zij den

gewonde met zijn verbonden pols op bed zagen liggen; voorgesteld werd

niemand: zij, die elkaar kenden, glimlachten elkaar toe.

Barthès boog zich over Guillaume en kuste hem op zijn beide wangen.

“O,” zeide deze laatste; “het doet me goed je te zien, dat geeft me

weer moed.”

Maar de beide nieuw aangekomenen brachten eenig nieuws. Op de

boulevards heerschte een buitengewone opwinding; de tijding van den

aanslag had zich van café tot café verspreid, en men ontrukte elkaar de

late uitgave van een courant, waarin het verhaal heel slecht en met

ongelooflijke details gedaan werd. Per slot van rekening wist men niets

met zekerheid.

Pierre, die Guillaume bleek zag worden, dwong hem weer te gaan liggen.

Maar toen hij de heeren mede wilde nemen naar de kamer ernaast, zeide

de gewonde zacht:

“Neen, neen, ik beloof je, dat ik me niet meer bewegen en geen woord

meer zeggen zal. Blijf hier en praat fluisterend. Heusch het zal mij

goed doen niet alleen te zijn en jullie te hooren.”

Nu begon onder het slapende licht der lamp een op fluisterenden toon

gevoerd gesprek. De oude Barthès sprak naar aanleiding van dien

aanslag, welken hij schandelijk en idioot vond, met de verbazing van

een dier legendarische strijders voor de vrijheid, die van de nieuwere

tijden niets begrijpen. Zou de eindelijk veroverde vrijheid niet voor

allen voldoende zijn? Bestond er een ander probleem dan de stichting

der ware Republiek? Toen het gesprek op Mège en diens redevoering van

dien middag in de Kamer kwam, viel hij heftig het collectivisme aan,

dat hij een der democratische vormen van het despotisme noemde.

Théophile Morin verklaarde zich ook tegen de collectivistische

inlijving der sociale krachten, maar zijn haat richtte zich toch nog

meer tegen de verfoeielijke gewelddaden der anarchisten, want hij

verwachtte slechts vooruitgang van de evolutie en toonde zich vrij

onverschillig voor de politieke middelen, die de toekomstige

wetenschappelijke maatschappij moesten verwezenlijken. Ook Bache scheen

met de anarchisten niet veel op te hebben; toch voelde hij iets voor

hun idyllischen droom, voor de humanitaire hoop, die op den bodem van

hun vernielingswoede kiemde. Ook hij ging heftig te keer tegen Mège,

dien hij beschuldigde na zijn intrede in de Kamer een rhetor, een van

de dictatuur droomende theoreticus geworden te zijn. Janzen was nog

steeds blijven staan en luisterde naar hem met zijn ironisch vertrokken

mond in zijn ijskoud gezicht; slechts nu en dan sprak hij een kort

woord, dat sneed als een vlijmscherp lemmet, om zijn anarchistische

meeningen te verdedigen: alles moest verwoest worden, om alles weer te

kunnen opbouwen.

Pierre, die naast het bed was blijven zitten, luisterde eveneens met

hartstochtelijke aandacht. In de instorting van al zijn overtuigingen,

in het Niet, waartoe hij gekomen was, roerden deze mannen, die uit alle

vier punten der denkbeelden van de eeuw gekomen waren, het

verschrikkelijke probleem, waaronder hij leed, van het probleem van het

nieuwe, door de democratie van de komende eeuw verwachte geloof. Welke

onophoudelijke ideeëngolven volgden elkander op, stootten tegen elkaar

aan sedert de onmiddellijke voorgangers, sedert Voltaire, sedert

Diderot, sedert Rousseau! De eene verwekte de andere en alle braken in

een storm, waarin het moeilijk was helder te zien. Vanwaar woei de

wind? Waarheen ging het scheepje des heils, naar welke haven moest men

zich inschepen? Reeds had hij tot zichzelf gezegd, dat hij de balans

der eeuw opmaken, dat hij, nadat hij de erfenis van Rousseau en andere

voorloopers aanvaard had, de denkbeelden van Saint-Simon, Fourier, van

Cabet zelfs, van Auguste Comte, van Proudhon en ook van Karl Marx,

bestudeeren moest, om zich ten minste rekenschap te geven van den

doorloopen weg, van het kruispunt, dat men bereikt had. Bood zich niet

een prachtige gelegenheid aan, nu een toeval in zijn huis deze mannen,

deze vertegenwoordigers der levende, tegengestelde doctrines, die hij

wilde onderzoeken, samenbracht?

Maar toen Pierre zich omkeerde, zag hij, dat Guillaume zeer bleek was

en zijn oogen gesloten hield. Had hij zelf, in zijn geloof in de

wetenschap, den twijfel der elkaar tegensprekende theorieën, de wanhoop

te zien, dat de strijd voor de waarheid de dwaling deed toenemen, langs

zich voelen gaan?

“Heb je pijn?” vroeg de priester ongerust.

“Ja, een beetje. Ik wil probeeren te slapen.”

Allen gingen weg met een zwijgenden handdruk. Alleen Nicolas Barthès

bleef; hij sliep in een kamer op de eerste verdieping, die Pierre voor

hem klaar gemaakt had. Om bij zijn broer te kunnen blijven, ging Pierre

op een canapé liggen. En het kleine huis verviel weer in zijn grooten

vrede, in de stilte van de eenzaamheid van den winter, waarin de

zwaarmoedige huiveringen der jeugdherinneringen beefde.

Den volgenden ochtend om zeven uur moest Pierre de couranten gaan

halen. Guillaume had slecht geslapen, er was een zware koorts

opgekomen. Maar toch moest Pierre hem de eindelooze artikelen over den

aanslag voorlezen. Het was een buitengewone dooreenhaspeling van

waarheid en verzinsels, van juiste berichten, die verdronken in de

meest onverwachte uitspattingen der phantasie. De Voix du Peuple, het

blad van Sanier, vooral onderscheidde zich door zijn hoofdjes en

onderhoofdjes in groote letters. Plotseling had het de beruchte lijst

der twee-en-dertig in de zaak der Afrikaansche sporen gecompromitteerde

Kamer- en Senaatsleden tot later uitgesteld; daarentegen hielden de

bijzonderheden over den aanblik der koetspoort van het hôtel Duvillard,

van het weggeslagen plaveisel, van het uit elkaar gesprongen plafond

der eerste verdieping en van de uit haar hengsels gerukte deur niet op.

Dan kwam het verhaal der twee als door een wonder gespaard gebleven

kinderen van den baron, van den intact gebleven landauer, terwijl de

ouders, naar men beweerde, zich verlaat hadden bij de zoo interessante

conférence van monseigneur Martha. Een geheele kolom was gewijd aan het

eenige slachtoffer, het blonde, knappe loopmeisje van de modiste, welks

identiteit nog niet vastgesteld was, hoewel een zwerm reporters naar

haar patrones op de avenue de l’Opera en daarna naar den faubourg

Saint-Denis, waar men meende, dat de grootmoeder van het ongelukkige

schepseltje woonde, gevlogen was. In een ernstig, blijkbaar door

Fonsègue geïnspireerd artikel, werd een beroep gedaan op het

patriotisme der Kamer, om te midden van de smartelijke gebeurtenissen,

die het land doormaakte, iedere ministerieele crisis te vermijden. Het

ministerie zou nog enkele weken rustig voortleven.

Maar Guillaume werd slechts door één bijzonderheid getroffen: de dader

van den aanslag bleef onbekend: Salvat was blijkbaar niet gearresteerd

en werd evenmin verdacht. Integendeel scheen men juist op een verkeerd

spoor te zijn: een buurman beweerde een goedgekleed heer met

handschoenen aan op het oogenblik van de ontploffing het hôtel te

hebben zien binnengaan. En Guillaume scheen een weinig gerust gesteld

te worden, toen zijn broer hem een andere courant voorlas, waarin

bijzonderheden gegeven werden over de helsche machine, die blijkbaar

gebruikt was: een betrekkelijk klein conservenbusje, waarvan men de

overblijfselen gevonden had. Doch de angst kwam weer boven, toen hij

hoorde, dat men zich erover verwonderde, dat een zoo kleine helsche

machine zulke geweldige verwoestingen had kunnen veroorzaken, en dat

men vermoedde hier met een nieuwe onberekenbaar krachtige springstof te

doen te hebben.

Om acht uur kwam Bertheroy weer. Hij was ondanks zijn zeventig jaar

frisch en opgewekt als een jong student in de medicijnen, die een

vriend den dienst bewijst een kleine operatie te doen. Hij had een

verbandtasch, linnen en pluksel bij zich. Maar hij werd boos, toen hij

den gewonde zoo rood, zenuwachtig en koortsachtig vond.

“Ik zie wel, beste jongen, dat je niet verstandig geweest bent. Je hebt

natuurlijk veel te veel gepraat en je opgewonden.”

Nadat hij de wond onderzocht en zorgvuldig gesondeerd had, zeide hij

onder het verbinden:

“Het been is beleedigd en ik sta voor niets in, als je niet verstandig

bent. Iedere complicatie zou een amputatie noodzakelijk maken.”

Pierre rilde, terwijl Guillaume eenvoudig zijn schouders optrok, als

wilde hij zeggen, dat hij zich gaarne liet amputeeren, als alles om hem

heen instortte. Bertheroy was gaan zitten en keek hen beiden scherp

onderzoekend aan. Nu wist hij alles van den aanslag, dacht daar het

zijne over.

“Beste jongen,” begon hij plotseling op zijn kort-aangebonden manier,

“ik ben overtuigd, dat jij die afschuwelijke stommiteit in de rue

Godot-de-Mauroy niet uitgehaald hebt. Maar ik geloof wel, dat je in de

buurt geweest bent... Neen, je behoeft je niet te verdedigen. Ik weet

niets en wil niets weten, zelfs niet de formule van die verdomde

springstof, waarvan jouw hemdsmouw de sporen droeg en die zulk

verschrikkelijk werk gedaan heeft.”

En toen de twee broers verrast en ondanks zijn verzekeringen van angst

verstijvend zwegen, voegde hij er met een breed gebaar aan toe:

“Ach, beste jongens, als je eens wist, hoe nutteloos zoo’n daad mij

toeschijnt—nog meer nutteloos dan misdadig. Ik heb een souvereine

minachting voor het ijdele drijven van de politiek, zoowel van de

revolutionnaire als van de conservatieve. Is de wetenschap niet

voldoende? Waartoe dient het den tijd te willen verhaasten, terwijl een

schrede der wetenschap de menschheid veel nader brengt tot de stad van

gerechtigheid en waarheid dan honderd jaar politiek en sociaal verzet?

Kom, alleen de wetenschap vaagt de dogma’s weg, stoot de goden van hun

voetstuk, brengt licht en geluk... Ik, lid van het Institut, rentenier,

gedecoreerde, ik ben de eenige revolutionnair.”

Hij begon te lachen en Guillaume begreep de vriendelijke ironie van dat

lachje. Ook al bewonderde hij in hem den grooten geleerde, toch had het

hem pijn gedaan te zien, dat hij als een bourgeois door het leven ging,

dat hij hooge betrekkingen en eerbewijzen aanvaardde, dat hij onder de

republiek republikein was, maar steeds bereid onder onverschillig

welken meester de wetenschap te dienen. En nu ontpopte zich deze

opportunist, deze gehiërarchiseerde geleerde, deze arbeider, die uit

alle handen rijkdom en roem aannam, zich als een kalme, besliste

revolutionnair, die zich bewust was, dat zijn werk ondanks alles de

wereld verwoesten en weer hernieuwen zou.

Hij stond op en ging weg.

“Ik kom nog terug. Weest verstandig en houdt veel van elkaar!”

Toen zij weer alleen waren en Pierre naast het bed zat, zochten hun

handen elkaar weer en bleven ineengestrengeld in een druk, waarin al

hun angst brandde. Hoeveel onbekends, hoeveel dreigende wanhoop was er

om en in hen! De sombere winterdag viel binnen, ze zagen de zwarte

boomen van den tuin, terwijl het kleine huisje van stilte huiverde. Een

dof geluid van stappen liet zich slechts boven hun hoofden hooren, de

stap van Nicolas Barthès, den heldhaftigen vriend van den vrede, die,

nadat hij hier geslapen had, bij het aanbreken van den dag weer

begonnen was als een leeuw in zijn kooi te loopen, het gewone

heen-en-weer-loopen van den eeuwigen gevangene. Op dat oogenblik vielen

de blikken der twee broeders op een courant, die opengeslagen op het

bed was blijven liggen en bezoedeld was met een potloodteekening, die

de pretentie had het doode loopmeisje met haar opengereten buik, naast

de doos en den hoed, voor te stellen. En het was zoo vreeselijk, zoo

ontzettend van leelijkheid, dat weer twee dikke tranen uit Pierre’s

oogen rolden, terwijl de omsluierde, wanhopige en in de verte starende

blikken van Guillaume de toekomst zochten.

De drie steden: Parijs · 第 11 / 35 题