I.

Op een ochtend in het eind van Januari stond abbé Pierre Froment, die

in den Sacré-Cœur van Montmartre een mis moest lezen, reeds voor acht

uur voor de basilica. Alvorens naar binnen te gaan, keek hij een

oogenblik naar Parijs, welks grenzenlooze zee zich aan zijn voeten

ontrolde.

Na twee maanden van vreeselijke koude, sneeuw en ijs lag Parijs nu als

het ware gedompeld in een somberen, huiverenden dooi. Uit den wijden,

loodkleurigen hemel hing een dichte nevel als een rouwsluier. Het

geheele Oosten der stad, de wijken van armoede en werk, schenen in

rosachtige dampen, waarin men den adem van werkplaatsen en fabrieken

vermoedde, gehuld, terwijl naar het Westen, naar de wijken van rijkdom

en genot, de mist òplichtte, niet meer dan een fijne, onbeweeglijke

nevelsluier was. Nauwlijks kon men raden, waar de ronde lijn van den

horizont was, het onmetelijke huizenveld geleek een chaos van steenen,

bezaaid met stilstaande poelen, die de inzinkingen met een valen

waterdamp vulden, en waartegen de muurkappen der gebouwen en de hoog

gelegen straten roetachtig zwart afstaken. Het was een mysterievol,

door wolken omsluierd Parijs, als begraven onder de asch van een ramp,

reeds half verdwenen onder het lijden en de schande van wat zijn

onmetelijkheid verborg.

Mager en droefgeestig in zijn dunne soutane stond Pierre nog te kijken,

toen abbé Rose, die zich blijkbaar achter een pilaar verscholen had, om

hem op te wachten, op hem toetrad.

“Zoo, ben jij daar eindelijk, beste jongen? Ik heb je wat te vragen.”

Hij scheen verlegen, zenuwachtig. Wantrouwend keek hij om zich heen, of

er niemand was; dan nam hij hem, alsof de eenzaamheid hem niet

voldoende gerust stelde, een paar passen mede in den ijzigen

Noordenwind, dien hij blijkbaar niet eens voelde.

“Luister eens, het betreft een armen man, over wien ze me gesproken

hebben, een ouden man van zeventig jaar, die niet meer werken kan en in

een krot in de rue des Saules van honger omkomt... En nou had ik

gedacht, beste jongen, dat jij die drie francs uit mijn naam moest gaan

brengen, dan heeft hij tenminste nog voor een paar dagen brood.”

“Maar waarom gaat u zelf uw aalmoes niet brengen?”

Weer werd abbé Rose zenuwachtig en keek met verschrikte, schuwe blikken

om zich heen.

“Neen, neen, dat kan ik niet na al die onaangenaamheden, die ik

ondervonden heb. Je weet heel goed, dat ze op me letten en dat ik weer

een standje krijgen zou, als ze merkten, dat ik zoo maar gaf, zonder te

weten aan wien ik geef. Ja, ik heb, om die drie francs te krijgen, wat

moeten verkoopen... Ik smeek je, beste jongen, bewijs mij dezen

dienst.”

Diep ontroerd keek Pierre naar den goeden, reeds geheel grijzen

priester met zijn dikken, goedigen mond, zijn heldere kinderoogen in

het ronde, glimlachende gezicht. In een opwelling van bitterheid

herinnerde Pierre zich de geschiedenis, van dezen vriend der armen, de

ongenade, waarin deze vrome, menschlievende man door zijn verheven

rechtschapenheid gevallen was. Zijn kleine rez-de-chaussée in de rue de

Charonne, waarvan hij een asyl gemaakt had, waarin hij alle ellende der

straat opnam, was ten slotte de oorzaak van een schandaal geworden. Men

maakte er misbruik van zijn goedgeloovigheid en van zijn onschuld;

zonder dat hij er ook maar iets van vermoedde, gebeurden er de

schandelijkste dingen. Snollen, die geen man gevonden hadden, om haar

mede te nemen, zochten hier haar onderkomen. De gemeenste rendez-vous

werden er gegeven, het was een afschuwelijke vermenging van geslachten.

Op een goeden nacht had de politie een inval gedaan, om een wegens

kindermoord verdacht meisje van dertien jaar te arresteeren. De

kerkelijke autoriteit had daarop abbé Rose gedwongen zijn asyl te

sluiten door hem over te plaatsen naar de St. Pierre de Montmartre,

waar hij zijn vicariaat terugkreeg. Het was geen ongenade, maar een

eenvoudige overplaatsing. Men had hem verwijten gedaan, terwijl men nu,

zooals hij zeide, zijn gangen naging; hij schaamde zich en voelde zich

ongelukkig, omdat hij nu slechts in het geheim geven kon, als een dwaze

verkwister, die bloost over zijn fouten.

Pierre nam de drie francs.

“Ik beloof u, dat ik heel graag doen zal wat u vraagt.”

“Je gaat toch zeker na je mis? Hij heet Laveuve en woont in de rue des

Saules in een huis met een binnenplaats, even voor je in de rue

Marcadet komt. Je zult het makkelijk vinden... En als je zoo goed wilt

zijn me vanavond om vijf uur in de Madeleine, waar ik naar een lezing

van monseigneur Martha ga luisteren, te komen vertellen hoe het

afgeloopen is, dan zou je me een heel groot plezier doen. Monseigneur

Martha is altijd zoo hartelijk voor me geweest. Kom jij ook niet

luisteren?”

Pierre antwoordde met een ontwijkend gebaar. Monseigneur Martha,

bisschop van Persepolis, die in het aartsbisschoppelijk paleis veel

invloed had, sedert hij als werkelijk geniaal propagandist de inkomsten

voor den Sacré-Cœur vertienvoudigde, had inderdaad abbé Rose onder zijn

bescherming genomen en doorgezet, dat men hem in Parijs liet en weer

naar de Saint-Pierre de Montmartre Verplaatst had.

“Ik weet niet of ik zal kunnen blijven,” zeide Pierre. “Maar in ieder

geval kom ik u mijn bevindingen vertellen.”

De Noordenwind en de grimmige koude doordrong hen beiden op den

eenzamen top, in den mist, welke de groote stad in een oceaan van

nevels veranderde. Maar stappen deden zich hooren; en dadelijk weer vol

wantrouwen, zag abbé Rose een zeer grooten en krachtigen man

voorbijgaan. Hij droeg overschoenen en liep blootshoofds met zijn dik,

grijs, kortgeknipt haar.

“Is dat je broer niet?” vroeg de priester.

“Ja,” antwoordde Pierre kalm; “het is mijn broer Guillaume. Nu ik in

den laatsten tijd nog al eens in den Sacré-Cœur kom, zie ik hem vrij

dikwijls. Hij woont hier nu al vijf-en-twintig jaar in de buurt, geloof

ik. Als we elkaar tegenkomen, geven we elkaar een hand. Maar ik ben nog

niet bij hem geweest... Och, tusschen ons is alles dood, we hebben

niets gemeenschappelijks meer, werelden scheiden ons...”

Het liefdevolle glimlachje van abbé Rose kwam weer terug en hij maakte

een gebaar, als wilde hij te kennen geven, dat men nooit aan de liefde

moet wanhopen. Guillaume Froment, een geleerde met een helder hoofd,

een chemicus, een afvallige, die geheel afgezonderd leefde, was nu een

van z’n parochianen geworden, en wanneer de abbé langs het huis, waarin

hij met zijn drie volwassen zonen steeds aan het werk was, kwam, voelde

hij het als een ideaal om hem voor God te heroveren.

“Maar ik laat je hier maar in dit akelige, koude weer staan, en zoo

warm ben jij ook niet gekleed... Ga je mis lezen. Tot vanavond in de

Madeleine.”

En weer rondkijkend, of niemand hem hooren kon, voegde hij er smeekend,

met zijn gezicht van een kind, dat altijd doet wat het niet doen mag,

aan toe:

“En spreek er met niemand over. Anders zeggen ze weer, dat ik me niet

goed gedraag.”

Pierre keek abbé Rose na, die zich verwijderde in de richting van de

rue Cortot, waar de oude priester op een vochtigen rez-de-chaussée, die

door het uitzicht op een tuintje opgevroolijkt werd, woonde. De asch,

waaronder Parijs begraven lag, scheen onder de vlagen van den ijzigen

Noordenwind dikker te worden. Eindelijk ging Pierre de basilica binnen.

Zijn hart weende, was vol van de bitterheid, welke dit bankroet der

naastenliefde in hem opgewoeld had. Welk een verschrikkelijke ironie,

dat deze vrome man gestraft was omdat hij gegeven had, dat hij zich

achter een pilaar verbergen moest, om te blijven geven! Niets

verzachtte het branden van deze weer open gegane wond, noch den

lauw-warmen vrede, dien hij binnentrad, noch de zwijgende plechtigheid

van het breede, diepe schip met zijn kale, nieuwe steenen. Er waren nog

geen schilderijen, geen versieringen in; de stelling, die opgericht was

voor den in aanbouw zijnden koepel, versperde half den weg. Op dit

vroege ochtenduur, in het grijze licht, dat door de hooge, smalle

vensters binnenviel, waren aan verscheidene altaren reeds verscheidene

stille missen gelezen, brandden achter in de apsis gewijde kaarsen.

Vlug liep Pierre naar de sacristie, om daar de heilige gewaden aan te

trekken en dan in de kapel Saint-Vincent-de-Paul zijn mis te lezen.

Maar nu de herinneringen eenmaal in hem teruggekomen waren, dacht

Pierre, terwijl hij machinaal de voorgeschreven gebaren maakte, slechts

aan zijn wanhoop. Sedert zijn terugkomst uit Rome—drie jaar geleden

nu—leefde hij in den vreeselijksten ziele-angst, waarin een mensch

geraken kan. Om zijn verloren geloof terug te vinden, had hij een

eerste proef genomen, was hij naar Lourdes gegaan, om daar het naïeve

kindergeloof te zoeken, dat nederknielt en bidt, het primitieve geloof

der jonge volkeren, die gebogen zijn onder het juk van hun

onwetendheid. Maar bij het zien van de verheerlijking van het absurde

en van het verval van het gezonde menschenverstand was hij nog meer in

verzet gekomen en had de overtuiging gekregen, dat het heil, de vrede

der hedendaagsche menschen en volkeren niet liggen kan in het

kinderlijk opgeven van de rede. Vervolgens had hij, weer aangegrepen

door den drang, om lief te hebben, met een tweede proef zijn laatsten

vrede op het spel gezet en was naar Rome gegaan, om te zien, of het

Katholicisme zich vernieuwen, tot den geest van het oorspronkelijk

Christendom terugkeeren, de godsdienst van de democratie, het geloof

zijn kon, dat de moderne in doodsgevaar verkeerende wereld verwachtte,

om verder in vrede te kunnen leven; maar hij had daar niets gevonden

dan puinhoopen, dan den verrotten stam van een boom, die geen nieuwe

vruchten meer dragen kan; had er niets gehoord dan het laatste kraken

van het oude, maatschappelijke gebouw, dat op het punt stond in te

storten. Weer aangegrepen door zijn grooten twijfel, waarin hij bijna

alles ontkende, was hij toen, uit naam van hun armen door abbé Rose

teruggeroepen, weer naar Parijs teruggegaan, om daar te vergeten, zich

op te offeren, te gelooven in hen, omdat zij met hun vreeselijke lijden

alleen voor hem bestonden. En van af dat oogenblik, sedert die drie

jaar was hij gestooten op dit bankroet der goedheid zelve, op de

belachelijke, nuttelooze, gehoonde naastenliefde.

Deze drie laatste jaren had Pierre in een onophoudelijk toegenomen

marteling doorleefd, waarin ten slotte zijn geheele wezen onderging.

Zijn geloof was voor altijd gestorven, ja zelfs zijn hoop, om het

geloof der menigte voor het gemeenschappelijk heil te benutten, was

geheel vervlogen. Hij loochende alles, verwachtte niets meer dan de

onvermijdelijke slotcatastrophe, opstand, moordpartijen en

brandstichting, die een schuldige en tot ondergang gedoemde wereld

moesten wegvagen. Als ongeloovig priester wakend over het geloof van

anderen, kuisch en fatsoenlijk zijn beroep vervullend, vol trotsche

droefheid, dat hij geen afstand had kunnen doen van zijn rede, zooals

hij afstand gedaan had van zijn vleesch en van zijn droom om redder der

volkeren te zijn, hield hij zich toch staande in een eenzame en wilde

grootschheid. Deze wanhopige loochenaar, die de diepte van het Niet

gepeild en aangeraakt had, behield een zoo trotsche en ernstige, door

zoo reine goedheid doorgeurde houding, dat hij in zijn parochie Neuilly

de reputatie van een door God beminden, jongen heilige gekregen had,

wiens gebed wonderen werkte. Hij was de orderegel zelf; hij bezat niet

meer dan het priesterlijk gebaar zonder de onsterfelijke ziel: hij was

niet meer dan een ledig graf, waarin zelfs de asch van de hoop niet

meer overbleef—en door smart gemartelde vrouwen, in tranen badende

parochianen aanbaden hem, kusten zijn soutane; ja, een vrouw, wier kind

thuis op sterven lag, was hem in wanhoop komen smeeken aan Jezus

genezing te vragen, zeker als zij was, dat Jezus die hem in het

heiligdom van Montmartre, waar het wonder van zijn van liefde brandend

hart vlamde, toestaan zou.

Inmiddels was Pierre in zijn heilige gewaden de kapel van

Saint-Vincent-de-Paul binnengegaan. Hij ging de trede van het altaar op

en begon de mis; en toen hij zich met zijn tot zegenen uitgebreide

handen omkeerde, zag men zijn ingevallen gezicht, zijn door bitterheid

smaller geworden, zachten mond, zijn door lijden donker geworden,

liefdevolle oogen. Het was niet meer de jonge priester met het door

liefdevuur verteerde gelaat, die naar Lourdes—niet meer de jonge

priester met het stralende apostelgelaat, die naar Rome gegaan was.

Zijn beide in eeuwigen strijd verkeerende erfdeelen—zijn vader, van

wien hij den oninneembaren toren van zijn voorhoofd had; zijn moeder,

die hem haar naar liefde dorstende lippen gegeven had, zetten op dit nu

verwoeste gelaat, waarop in oogenblikken van vergetelheid de chaos van

zijn troostelooze wanhoop oprees, hun strijd voort, den eeuwigen

menschelijken strijd tusschen gevoel en rede. De lippen bekenden nog

den ongestilden dorst om lief te hebben, om zich voor de menschheid te

geven en te leven, een dorst, dien hij meende nooit meer te zullen

kunnen lesschen, terwijl het krachtige voorhoofd daarentegen, de

citadel, waardoor hij leed, hardnekkig weigerde zich over te geven aan

de aanvallen van de dwaling. Maar hij bleef standvastig, verborg het

verschrikkelijke van het Niet, waarin hij streed, maakte trotsch de

gebaren, sprak verheven de voorgeschreven woorden uit; en de moeder,

die daar tusschen de andere vrouwen neergeknield lag, de moeder, die

van hem een laatste tusschenkomst verwachtte, die geloofde, dat hij

sprak met God voor de redding van haar kind, zag hem door haar tranen

in een engelachtige schoonheid als een bode van goddelijke genade

stralen.

Toen Pierre na het offertorium den kelk ontblootte, werd hij door een

groote minachting voor zichzelf aangegrepen. De schok was te heftig

geweest; hij moest steeds weer aan die dingen denken. Welk een

kinderachtigheid, welk een naïveteit van een arm, wanhopig, door de

behoefte om lief te hebben en te gelooven gemarteld wezen lag er in die

beide experimenten te Lourdes en te Rome! Hoe had hij zich kunnen

inbeelden, dat de tegenwoordige wetenschap zich zou aanpassen aan het

geloof van eeuwen her; hoe had hij zoo dwaas kunnen zijn, om te

gelooven, dat hij, de eenvoudige priester, den paus tot andere

gedachten brengen, hem bewegen kon een heilige te zijn en de wereld te

veranderen. Hij voelde zich diep beschaamd; wat zou men hem uitgelachen

hebben! Ook de gedachte aan een schisma joeg hem het schaamrood naar de

wangen. Hij zag zich weer in Rome terug, vervuld van den droom, om een

boek te schrijven, waarin hij zich van het Katholicisme afscheiden zou,

om den nieuwen godsdienst der democratieën, het gelouterde,

menschelijke en levende Evangelie te prediken! Welk een belachelijke

dwaasheid! Een schisma!

Hij had te Parijs een edel voelenden en edel denkenden abbé gekend, die

dat beroemde, aangekondigde en verwachte schisma tot stand had trachten

te brengen! De arme kerel! Welk een treurige, belachelijke arbeid was

dat te midden van de algemeene ongeloovigheid, van de ijzige

onverschilligheid van sommigen, van de spotternijen en beleedigingen

van anderen! Wanneer Luther thans terugkeerde, zou hij, vergeten en

omkomend van honger op een vijfde verdieping in Batignolles sterven.

Een schisma kan niet slagen bij een volk, dat niet meer gelooft, dat

onverschillig geworden is voor de Kerk, dat zijn heil van elders

verwacht. Het geheele Christendom, ja, het geheele Christendom zou

weggevaagd worden, want het Evangelie is, afgezien van enkele moreele

principes, als een sociale codex niet meer bruikbaar. De dagen, dat de

soutane zwaarder op zijn schouders drukte, dat hij een minachting voor

zichzelf gevoelde, nu hij aldus het goddelijke mysterie der mis

celebreerde, die voor hem het gebaar van een dooden godsdienst geworden

was, kwelde die zekerheid hem nog meer.

Pierre, die den kelk half met den wijn uit de miskan gevuld had,

waschte zijn handen en zag opnieuw het innig smeekende gezicht der

moeder. Toen geloofde hij in een liefdevolle gedachte van een door zijn

eed gebonden man, dat hij voor haar priester gebleven was—een priester

zonder geloof, die het geloof der anderen met het brood der illusie

voedt. Maar deze heldhaftige houding, deze trotsche plichtsvervulling,

waarin hij zich opsloot, was voor hem niet zonder een steeds grooter

wordenden angst. Gebood de eenvoudige eerlijkheid hem niet de soutane

af te werpen en onder de menschen terug te keeren? Zijn valsche positie

vervulde hem op sommige oogenblikken met een walging voor zijn

nutteloos heroïsme, en hij vroeg zich opnieuw af of het niet laf en

gevaarlijk was de menschen in hun bijgeloof te laten verder leven.

Zeker de leugen van een God van gerechtigheid en waakzaamheid, van een

toekomstparadijs, waar al het aardsche lijden weer goed gemaakt worden

zou, was voor de arme menschheid met haar lijden lang een

noodzakelijkheid geweest; maar welk een bedrog, welk een tyrannieke

exploitatie der volkeren was het geweest, hoeveel manlijker zou het

zijn de volkeren brutaalweg te opereeren, door hun den moed te geven

het leven, al was het dan onder tranen, te leven! Keerden zij zich niet

van het Christendom af, omdat zij een behoefte gevoelden aan een

menschelijker ideaal, aan een godsdienst van gezondheid en vreugde, die

geen religie des doods zijn zou? Den dag, waarop de idee der

naastenliefde ineenstorten zou, zou ook het Christendom ineenstorten,

want het was gebouwd op de goddelijke barmhartigheid, die als het ware

een correctie is van de noodlottige ongerechtigheid en voor hem, die in

dit leven leed, het uitzicht op een toekomstige belooning opende. En de

naastenliefde stortte in, de armen gelooven er niet aan, maken zich

boos over het leugenachtige paradijs, de belofte waarvan zoo lang hun

geduld gestaald had, eischen, dat men hen voor de regeling van hun

aandeel in het geluk niet naar het hiernamaals verwees. Een kreet naar

gerechtigheid stijgt van aller lippen op: gerechtigheid op deze aarde,

gerechtigheid voor allen, die honger hebben, die de aalmoes na achttien

eeuwen moede is nog langer te helpen en die nog altijd geen brood

hebben om te eten!

Toen Pierre, met zijn ellebogen op de altaartafel geleund, den kelk, na

er eerst de hostie in gebroken te hebben, geledigd had, voelde hij een

nog grootere troosteloosheid over zich komen. Deze laatste strijd van

de gerechtigheid tegen de barmhartigheid in dit groote, door asch

omsluierde, met het vreeselijke Onbekende gevulde Parijs—deze strijd,

waarin zijn hart en zijn rede slag leveren zouden—was dus het laatste

experiment, dat thans begon. De behoefte aan het goddelijke worstelde

in hem nog tegen het alles overheerschende verstand. Hoe zou men ooit

den dorst der menigten naar het mysterie kunnen lesschen? Zou,

uitgezonderd dan de elite, de wetenschap voldoende zijn de begeerte te

bevredigen, het lijden in slaap te wiegen, de droomen te

verwezenlijken? En wat zou er van hem zelf worden in het bankroet der

naastenliefde, die alleen hem in de drie laatste jaren staande

gehouden, al zijn tijd in beslag genomen, hem de illusie, dat hij voor

anderen nuttig was, gegeven had?

Plotseling voelde hij den grond onder zijn voeten wegzinken; hij hoorde

nog slechts den kreet van het volk, dien grooten Zwijgende, die

gerechtigheid eischte, gromde en bromde en dreigde het hem door geweld

en list ontnomen deel terug te nemen. Niets meer kon de onvermijdelijke

catastrophe, den broederoorlog der klassen, die de oude, onder haar

opstapeling van misdaden tot verdwijnen gedoemde wereld zou wegvagen,

tegenhouden. Ieder uur verwachtte hij de instorting, Parijs in bloed en

vlammen onder te zien gaan. Zijn afgrijzen voor gewelddaden deed hem

huiveren; hij wist niet waar hij het nieuwe geloof moest zoeken, dat

het gevaar bezweren kon, want hij was zich zeer goed bewust, dat het

sociale en religieuze probleem één waren, dat het in den vreeselijken

en dagelijkschen arbeid van Parijs daarom alleen ging; maar hij zelf

was nog te verward van begrip, stond door zijn priester zijn te veel

buiten het werkelijke leven, werd te zeer door twijfel en het gevoel

van zijn machteloosheid verscheurd dan dat hij zou kunnen zeggen, waar

waarheid, gezondheid en leven te vinden waren. O, gezond zijn, leven,

eindelijk zijn hart en zijn rede bevredigen in vrede, in den zekeren,

eerlijken arbeid, dien de mensch op aarde te verrichten heeft.

De mis was ten einde en Pierre verliet het altaar, toen de in tranen

badende moeder, langs wie hij kwam, met bevende handen zijn misgewaad

greep en het vurig kuste, zooals men de reliquie van een heilige kust,

waarvan men heil verwacht. Zij dankte hem voor het wonder, dat hij

bewerkt hebben moest, overtuigd als zij was thuis haar kind genezen te

zullen vinden. Deze liefde, dat vurige geloof troffen hem diep ondanks

de pijnlijke troosteloosheid, die zich van hem meester maakte, dat hij

niet de verheven priester was, voor wien zij hem hield, dien zij in

staat achtte een uitstel van den dood te verkrijgen. Maar hij liet haar

getroost en versterkt gaan en smeekte de ongekende, bewuste kracht,

indien er tenminste een bestond, vurig het arme schepsel te hulp te

komen. Toen hij zich in de sacristie verkleed had en, gezweept door den

winterstorm, weder voor de basilica stond, werd hij opnieuw door een

rilling doorhuiverd en verstijfd, terwijl hij door den nevel heen

trachtte te zien of de orkaan van toorn en gerechtigheid Parijs niet

had weggevaagd, de verwachte catastrophe, die het eenmaal verwoesten

zou, zoodat onder den loodgrijzen hemel niets over blijven zou dan een

verpeste poel van zijn puinhoopen.

Pierre wilde zich onmiddellijk van de opdracht van abbé Rose kwijten.

Hij volgde op den kam van Montmartre de rue du Norvins, kwam in de rue

des Saules en liep tusschen bemoste muren de sterk hellende straat af.

De drie francs, die hij in den zak van zijn soutane in zijn hand hield,

vervulde hem met een diepe ontroering en tevens met een woede tegen de

nuttelooze barmhartigheid. Maar naarmate hij verder in de hoeken der

ellende afdaalde, snoerde het zien daarvan steeds meer zijn keel dicht,

maakte een eindeloos medelijden zich van hem meester. Langs de sedert

de groote werken aan den Sacré-Cœur aangelegde groote straten was een

geheele nieuwe wijk in aanbouw. Te midden van de omvergewoelde tuinen,

tusschen de nog door staketsel omgeven bouwterreinen verhieven zich

reeds burgerhuizen, die met hun royale, glanzend witte gevels de oude,

wankele gebouwen—verdachte kroegen met bloedroode muren, lijdensplekken

met zwarte, bezoedelde krotten, waarin het menschelijke vee zich

ophoopte—nog somberder en bouwvalliger maakten. Dien dag stroomde onder

den lagen hemel de modder over het door de wagens stukgereden

plaveisel, deed het dooiweer de muren een koud vocht uitsijpelen,

terwijl uit al die vuilheid en al dat lijden een vreeselijke triestheid

opsteeg.

Pierre, die tot de rue Marcadet geloopen was, keerde weer om en ging,

zeker als hij was zich niet te vergissen, de binnenplaats van een soort

kazerne of hospitaal binnen, die door drie onregelmatige gebouwen

omgeven was. Deze binnenplaats was een soort riool, waarin zich

gedurende de twee maanden van hevige vorst het vuil blijkbaar opgehoopt

had; nu smolt dit alles en een afschuwelijke stank steeg uit het

moddermeer op. De gebouwen waren half ingevallen; de vestibules gaapten

als kelderholen; vuile ramen waren met bonte papieren bedekt, smerige

lampen hingen overal als doodenvanen. Achter in het pothuis, dat als

portiersloge dienst deed, zag Pierre slechts een ziekelijken man, die

in de flarden van een voormalige paardendeken gewikkeld was.

“Er moet hier een oude werkman, Laveuve, wonen. Welke trap? Welke

verdieping?”

De man antwoordde niet, zette slechts een paar verwonderde, verschrikte

idiotenoogen op. Ongetwijfeld zou de conciërge wel in de buurt zijn. De

priester bleef even wachten, maar ging, toen hij achter op de

binnenplaats een klein meisje zag, op zijn teenen door het riool

loopend, naar haar toe.

“Ken jij in het huis ook een ouden werkman, die Laveuve heet, beste

meid?”

Het kleine meisje, dat slechts in een verfomfaaid rose linnen jurkje

gekleed was, rilde van de koude, haar handen waren met kloven overdekt.

Zij keek met haar, ondanks de winterwonden, aardig gezichtje naar hem

op.

“Laveuve, weet niet, weet niet!”

En met haar onbewust bedelaarsgebaar stak zij een van haar arme,

verkleumde en gezwollen handjes uit. Toen hij haar een klein geldstukje

gegeven had, begon zij, als een uitgelaten geit door de modder te

hollen en met een schel stemmetje te zingen:

“Weet niet, weet niet, weet niet!”

Hij besloot haar te volgen. Zij was in een der gapende vestibules

verdwenen en hij klom achter haar een donkere, stinkende trap op. De

treden waren half gebroken en zoo glibberig door den hier neergeworpen

groentenafval, dat hij zich aan het vettige touw, waarmede men zich

naar boven heesch, moest vasthouden. Maar alle deuren waren gesloten;

hij klopte vergeefs aan de meeste en kreeg bij de laatste niets dan een

dof gebrom te hooren, als was er een dier in opgesloten. Toen hij weer

op de binnenplaats was, aarzelde hij even, doch ging toen een andere

trap op. Ditmaal werd hij bijna verdoofd door een doordringend

geschreeuw, het geschreeuw van een kind, dat vermoord wordt. Hij liep

in de richting van dat geluid en kwam eindelijk terecht voor een

groote, openstaande kamer, waarin een alleen gelaten kind, dat,

blijkbaar om niet te vallen, op zijn klein stoeltje vastgebonden was,

aan één stuk door zat te huilen. Hij wilde weer naar beneden gaan,

verstard door zooveel gebrek en verwaarloozing.

Maar op dat oogenblik kwam een vrouw, die een paar aardappelen in haar

schort had, thuis; toen hij haar naar Laveuve vroeg, keek zij

wantrouwend naar zijn soutane.

“Laveuve, Laveuve, ik weet het waarachtig niet. Als de conciërge er

was, zou zij het u misschien wel kunnen zeggen... Er zijn hier zooveel

trappen, dat je elkaar niet kent, en bovendien wisselt het ieder

oogenblik... Maar kijk eens achterin.”

De achtertrap was nog erger dan de andere, de treden waren weggerot, de

muren kleefden als sijpelde er angstzweet door. Op ieder portaal

wasemden de goten en bestekamers een verpestenden stank uit; uit iedere

kamer klonk gejammer en getwist. Een deur ging open, en op den drempel

verscheen een man, die een vrouw aan haar haren voortsleepte, terwijl

drie kleine kinderen huilden. Op de bovenste verdieping zag hij in een

kamer een ziekelijk, hoestend meisje met een reeds verlepte borst, dat,

wanhopig omdat zij geen melk meer had, door op en neer te loopen een

zuigeling tot rust trachtte te brengen. In een kamer ernaast werd hij

pijnlijk getroffen door den hartverscheurenden aanblik van drie in

lompen gekleede wezens, aan wie geen leeftijd of geslacht meer te

onderscheiden was en die midden in de kale kamer gulzig uit denzelfden

schotel een voer aten, waar honden hun neus voor opgetrokken zouden

hebben. Zij lichtten nauwelijks hun hoofd op, bromden iets, maar gaven

geen antwoord op zijn vragen.

Pierre wilde weer naar beneden gaan, toen hij heelemaal in de hoogte

bij het begin van een gang, een laatste poging waagde en aan een deur

klopte. Een vrouw deed open; haar ongekamd haar werd al grijs, hoewel

zij niet ouder dan veertig was; haar bleeke lippen, haar omkringde

oogen en haar geel gelaat drukten een groote moeheid uit, iets als

voortdurende, aanhoudende vrees onder de steeds blijvende ellende. Bij

het zien van de soutane werd zij verlegen en stamelde:

“Kom binnen, mijnheer de abbé, kom binnen!”

Maar een man, die Pierre eerst niet gezien had, een werkman van een

jaar of veertig, groot, mager, kaal met enkele verkleurde baard- en

snorharen, maakte een heftig, dreigend gebaar, als wilde hij den

priester de deur uitgooien. Maar hij hield zich in, ging naast de

wankele tafel zitten en deed, alsof hij de aanwezigheid van den

geestelijke negeerde. In de kamer was verder nog een blond meisje van

een jaar of elf, twaalf, met een lang, zacht gezichtje en de

intelligente, eenigszins ouwelijke uitdrukking, die de ellende en

groote armoede aan kinderen geeft; hij riep het en hield het tusschen

zijn knieën, als om het tegen de aanraking met de soutane te

beschermen.

Ofschoon de ontvangst Pierre allesbehalve aanmoedigde en hij uit het

kale, onverwarmde vertrek en de terneergeslagenheid van deze drie

wezens de diepe ellende der familie begreep, besloot hij toch zijn

vraag te herhalen.

“Kent u ook een ouden werkman Laveuve in dit huis?”

De vrouw, die, nu zij zag, dat haar man er boos om was, beefde, omdat

zij hem had laten binnenkomen, trachtte schuchter de zaak goed te

maken.

“Laveuve, Laveuve, neen... Ken jij hem soms, Salvat?”

Salvat haalde zijn schouders op maar het kleine meisje kon niet

zwijgen.

“Zeg moeder Théodore, misschien is het de philosoof wel.”

“Een vroegere schilder,” ging Pierre voort: “een oude, zieke man, die

niet meer kan werken.”

Nu begreep madame Théodore dadelijk alles.

“Ja, dat is hij, dat is hij... Wij noemen hem den philosoof, een

bijnaam, dien zij hem gegeven hebben, maar daarom kan hij best Laveuve

heeten.”

Salvat, die een van zijn vuisten naar den hemel balde, scheen te

protesteeren tegen de gruwelen van een wereld en van een God, die de

oude werklieden als afgejakkerde paarden van honger liet crepeeren.

Maar hij zeide geen woord; hij verviel weer in een woest, diep zwijgen,

in die soort van pijnlijk peinzen, waarin hij verzonken was, toen de

priester binnenkwam. Hij was een werktuigkundige. Zijn oog rustte

voortdurend op een zak met gereedschappen, een kleine, lederen zak,

waarin iets òpbultte, waarschijnlijk het een of ander voorwerp, dat hij

moest terugbrengen. Blijkbaar dacht hij aan het lange stilliggen van

het werk, hoe hij gedurende de twee laatste maanden van den

verschrikkelijken winter vergeefs naar het een of ander karweitje

gezocht had. Of misschien dacht hij in het brandstichtende gepeins, dat

zijn groote, vreemde, onvaste en brandende blauwe oogen in vlam zette,

aan de nabije en bloedige vergeldingsmaatregelen der hongerlijders.

Plotseling zag hij, dat zijn dochter den zak genomen had en dien

trachtte open te maken, om te zien wat erin zat. Hij rilde, een

plotselinge ontroering maakte hem bleek en met een bitter vertrokken

mond zeide hij:

“Wil je dat wel eens laten, Céline? Ik heb je al zoo dikwijls verboden

aan de gereedschappen te komen.”

Hij nam den zak en zette dien heel voorzichtig achter zich tegen den

muur.

“Nu, woont Laveuve op deze verdieping?” vroeg Pierre.

Madame Théodore raadpleegde met een schuwen blik Salvat. Zij vond het

niet goed grof te zijn tegenover priesters, wanneer zij zich de moeite

gaven te komen, want dikwijls kon je een paar sous van hen los krijgen.

Toen zij uit Salvat’s zwijgen opmaakte, dat hij haar haar gang liet

gaan, bood zij Pierre dadelijk aan hem den weg te wijzen.

“Als mijnheer de abbé het goed vindt, ga ik wel even mede. Het is juist

aan het einde van de gang. Maar je moet den weg weten, want je moet nog

een paar treden op.”

Céline, die een tijdverdrijf zag, ontsnapte aan de knieën van haar

vader en ging ook met den priester mede. Salvat bleef alleen achter in

het vertrek van armoede en lijden, van ongerechtigheid en toorn; hij

had geen vuur, geen brood, en hield, door zijn vurige droomen vervolgd,

zijn blikken gevestigd op den zak, alsof daarin met de gereedschappen

het heil der wereld lag.

Inderdaad moesten zij nog eenige treden op en dan stond Pierre achter

madame Théodore en Céline in een soort smal dakkamertje van een paar

meter in het vierkant, waarin men niet rechtop kon staan. Het licht

viel slechts door een klapvenster binnen, maar daar de sneeuw hoog

tegen het raam lag, moest men, om wat te kunnen zien, de deur wijd open

laten. In plaats van het daglicht kwam de dooi naar binnen, smolt de

sneeuw, die droppel voor droppel naar beneden viel en den vloer

overstroomde. Na die lange weken van bittere koude doordrong de

vochtigheid nu alles met een rilling. En daar nu lag, zonder een stoel,

zonder een stuk plank zelfs, in een hoek van den kalen vloer op een

hoop smerige lompen Laveuve als een half gecrepeerd dier tusschen een

stapel vuil.

“Dat is hij,” zeide Céline met haar zingende stem, “dat is de

philosoof.”

Madame Théodore had zich over hem heen gebogen, om te hooren of hij nog

leefde.

“Ja, hij ademt, ik geloof, dat hij slaapt. Als hij alle dagen maar wat

at, zou hij wel gezond zijn. Maar wat zal ik u zeggen? Hij heeft

niemand meer, en wanneer je naar de zeventig loopt, zou het het beste

zijn je maar in het water te gooien. Schildersknechts kunnen op hun

vijftigste jaar dikwijls al niet meer op ladders staan. Eerst heeft hij

nog werk op den beganen grond gevonden. Daarna heeft hij nog geluk

gehad werkplaatsen te mogen bewaken. Maar nu is het uit: hij heeft

overal gedaan gekregen en nu is hij twee maanden geleden hier in dezen

hoek komen neervallen, om er te sterven. De huisbaas heeft hem nog niet

op straat durven zetten, ofschoon hij er wel zin in heeft. Wij hier op

dezelfde verdieping brengen hem nu en dan wat wijn en een paar korsten

brood. Maar hoe kan je, wanneer je zelf niets hebt, aan een ander wat

geven?”

Vol ontzetting keek Pierre naar de ruïne, die vijftig jaar van hard

werken, armoede en sociale onrechtvaardigheid van een mensch gemaakt

hadden. Eindelijk kon hij het witte, afgejakkerde, platgedrukte,

misvormde hoofd onderscheiden, den onverzorgden baard, die de

gelaatstrekken bedekte, het gezicht als van een oud paard, dat niet

meer geroskamd wordt, de wangen, die scheefgetrokken waren, sedert de

tanden waren uitgevallen, de glazige oogen, den neus, die over den mond

hing, en vooral de uitdrukking van een door het zware werk uitgeput,

verlamd en gebroken dier, dat alleen nog maar goed was voor het

abattoir.

“De arme kerel!” prevelde de priester rillend. “En men laat hem hier

maar alleen en hulpeloos van honger omkomen! Geen hospitaal, geen asyl

heeft hem opgenomen!”

“Ach,” antwoordde madame Théodore met haar klagend-berustende stem; “de

hospitalen zijn er voor zieken, en hij is niet ziek, hij lijdt alleen

maar aan verval van krachten. En bovendien is hij allesbehalve

makkelijk, laatst hebben ze hem nog in een asyl willen opnemen, maar

hij wil zich niet laten opsluiten, geeft onbeschofte antwoorden aan de

personen, die hem wat vragen, afgezien nog van het feit, dat hij den

naam heeft te drinken en kwaad te spreken van de bourgeois... Maar

Goddank, hij zal spoedig uit zijn lijden verlost zijn!”

Pierre had, toen hij zag, dat Laveuve zijn oogen opende, zich over hem

heen gebogen, sprak liefdevol tegen hem, vertelde hem, dat hij hem uit

naam van een vriend wat geld brengen kwam om te koopen wat hij het

meest noodig had. Bij het zien van de soutane had de oude man eerst

scheldwoorden gebromd, maar ondanks zijn groote zwakheid behield hij de

spotzucht van den Parijschen arbeider.

“Dan zou ik graag een glas wijn drinken,” zeide hij met een duidelijke

stem, “en wanneer er dan genoeg overblijft, een stuk brood, want dat

heb ik in geen twee dagen geproefd.”

Céline bood aan het te gaan halen en madame Théodore zond haar uit om

voor het geld van abbé Rose een brood en een liter wijn te koopen.

Intusschen vertelde zij aan Pierre, dat Laveuve opgenomen had moeten

worden in het Asile des Invalides du Travail, een

liefdadigheidsinstelling, aan het hoofd waarvan baronesse Duvillard

stond; maar het voorgeschreven onderzoek was blijkbaar zoo uitgevallen,

dat men de zaak verder had laten rusten.

“Baronesse Duvillard, maar die ken ik,” riep Pierre, wiens hart

bloedde, uit. “Ik zal vandaag nog naar haar toe gaan. Men mag een

mensch niet langer in een dergelijken toestand laten.”

Toen Céline met het brood en den wijn terugkwam, richtten zij met hun

drieën Laveuve op zijn hoop lompen op, hielpen hem met eten en drinken

en lieten het overschot van den wijn en het brood—een groot brood van

vier pond—bij hem staan met den raad het niet dadelijk op te eten, als

hij niet wilde stikken.

“Mijnheer de abbé moest zijn adres maar geven voor het geval ik hem

iets moet laten weten,” zeide madame Théodore, toen zij weer voor haar

eigen deur stond.

Daar Pierre geen kaartje bij zich had, gingen zij alle drie weer naar

binnen. Maar Salvat was daar niet meer alleen. Hij stond heel zacht en

heel vlug te praten met een jongen, ongeveer twintigjarigen man. Deze

was slank en donkerbruin, had rondgeknipte haren, het begin van een

baard, heldere oogen, een rechten neus en magere lippen in een bleek,

intelligent en eenigszins sproetig gelaat en een hard, eigenzinnig

voorhoofd. Hij rilde van de koude in zijn versleten jasje.

“Mijnheer de abbé wil zijn adres achter laten met het oog op den

philosoof,” legde madame Théodore, die het onaangenaam vond hier

menschen aan te treffen, uit.

De twee mannen keek eerst den priester en dan elkaar met een

vreeselijken blik aan. Plotseling spraken zij geen woord meer. Heel

voorzichtig nam Salvat zijn zak met gereedschappen op.

“Ga je weer werk zoeken?”

Hij antwoordde niet, maakte slechts een toornig gebaar, als om te

kennen te geven, dat hij niets meer van werk wilde weten, nu het werk

zoo lang niets van hem had willen weten.

“Tracht in ieder geval wat mede te brengen, want je weet, dat er niets

meer in huis is... Hoe laat ben je terug?”

Met een tweede gebaar antwoordde hij, dat hij terug zou komen als hij

kon, misschien heelemaal niet. Ondanks zijn heldhaftige pogingen waren

er tranen in zijn blauwe oogen, waarin een vlam brandde. Hij nam zijn

dochter Céline op, gaf haar een zoen en ging dan, gevolgd door zijn

jongen vriend, met zijn zak onder zijn arm weg.

“Céline,” begon madame Théodore weer; “geef je potlood aan mijnheer den

abbé, en ga u hier zitten, mijnheer, dan kunt u makkelijker schrijven.”

Toen, Pierre op Salvat’s stoel voor de tafel was gaan zitten, ging zij,

om de onbeleefdheid van haar man te verontschuldigen, voort:

“Hij is niet kwaad, maar hij heeft in zijn leven allerlei

beroerdigheden aan zijn kop gehad, en daardoor is hij wat stuursch

geworden. Het gaat hem net zoo als den jongen man, dien u daarnet

gezien hebt, Victor Mathis. Dat is er ook een, die niet gelukkig is.

Het is een zeer goed opgevoede, heel beschaafde man, wiens moeder, een

weduwe, net genoeg bezat om droog brood te eten. Enfin, u kunt wel

begrijpen, dat dat hun hoofd op hol brengt en zij de heele wereld in de

lucht willen laten vliegen. Ik ben het er niet mede eens, maar ik

vergeef het hun heel graag!”

Door al het onbekende en vreeselijke, dat hij om zich heen voelde,

verontrust en tevens geïnteresseerd, haastte Pierre zich niet om het

adres te schrijven en trachtte haar tot verdere vertrouwelijke

mededeelingen te verlokken.

“Als u alles eens wist, mijnheer de abbé! Die arme Salvat is een

vondeling, zonder vader of moeder; in den beginne heeft hij alles

moeten aanpakken, om zijn brood te verdienen. Daarna is hij

werktuigkundige geworden en nu is hij, daar sta ik voor in, een knappe,

flinke werkman. Maar toen reeds had hij zijn eigen denkbeelden, maakte

ruzie, wilde zijn kameraads tot staking aanzetten, zoodat hij nergens

kon blijven. Toen hij dertig was, heeft hij de stommiteit uitgehaald

met een uitvinder naar Amerika te gaan, die hem daar zoo uitgebuit

heeft, dat hij zes jaar later ziek en zonder een sou terugkwam... Nu

moet ik u nog vertellen, dat hij met mijn jongste zuster Léonie

getrouwd was, die vóór zijn vertrek naar Amerika stierf en hem met de

kleine eenjarige Céline achterliet. Ik leefde toen met mijn man

Théodore Labitte, een metselaar; en niet om mijzelf te prijzen—maar het

hielp niets of ik mij al half blind naaide, hij sloeg me zóó, dat ik

voor dood op den vloer liggen bleef. Ten slotte heeft hij mij laten

zitten en is er met een jonge meid van twintig jaar van door gegaan,

wat me, eerlijk gezegd, meer pleizier dan verdriet deed... En toen

Salvat bij zijn terugkomst uit Amerika mij met zijn kleine Céline, die

hij mij voor zijn vertrek had toevertrouwd en die mij moeder noemde,

alleen terug vond, zijn we als van zelf ook samen gaan leven. Wij zijn

niet getrouwd, maar dat komt op hetzelfde neer, niet waar, mijnheer de

abbé?”

Toch scheen zij zich er eenigszins over te geneeren, en om te laten

zien, dat zij heele nette bloedverwanten had, vertelde zij verder:

“Ik heb niet veel geluk gehad, maar ik heb een andere zuster, Hortense,

die met een ambtenaar, mijnheer Chrétiennot getrouwd is en prachtig op

den boulevard Rochechouart woont. We waren met ons drieën uit een

tweede huwelijk, Hortense, de jongste, Léonie, die gestorven is, en ik,

Pauline, de oudste... Verder heb ik nog een halfbroer Eugène Toussaint,

die tien jaar ouder is; ook een werktuigkundige, die nu na den oorlog

bij dezelfde firma werkt, in de fabriek van Grandidier, honderd pas

verder in de rue Marcadet. Jammer genoeg heeft hij laatst een beroerte

gehad... Ik heb heele zwakke oogen, die ik bedorven heb met het tien

uur per dag naaien. Nu kan ik zelfs geen verstelwerk meer doen, zonder

dat mijn oogen dadelijk beginnen te tranen. Daarom heb ik geprobeerd

werkhuizen te vinden, maar dat lukt ook al niet, alles loopt ons tegen.

Zoo komt het, dat we aan alles gebrek hebben, dikwijls krijgen we twee

of drie dagen niets te eten; neen, we leiden echt het leven van een

hond, die zich voedt met wat hij toevallig vindt, en in de twee laatste

maanden hebben we met die hevige koude dikwijls gedacht, dat we ’s

morgens niet meer wakker zouden worden... Wat zal ik u zeggen? Gelukkig

ben ik nooit geweest, eerst mishandeld en geslagen, en nu weggeveegd in

een hoek, terwijl ik zelf niet weet waarom ik eigenlijk leef.”

Haar stem was treurig geworden; in haar roode oogen kwamen tranen, en

Pierre voelde, dat de brave, willooze, uit het leven eigenlijk reeds

verdwenen vrouw haar geheele bestaan beweende.

“O, ik heb heelemaal niet over Salvat te klagen,” zeide zij nog. “Het

is een brave kerel; hij droomt er slechts van iedereen gelukkig te

maken; hij drinkt niet en hij werkt, wanneer hij kan... Maar dat is

zeker, als hij zich minder met politiek bemoeide, zou hij nog meer werk

vinden. Je kan niet met je kameraads disputeeren, naar vergaderingen

gaan en in de werkplaats zijn. Dat is een gebrek van hem, dat is niet

tegen te spreken... Maar dat neemt niet weg, dat hij gelijk heeft als

hij klaagt; je kan je zoo’n voortdurenden tegenslag niet voorstellen.

Een heilige zou er dol om worden en het is heel goed te begrijpen, dat

een arme pechvogel ten slotte er de brui aan geeft... In twee maanden

heeft hij nu net één goed mensch getroffen, een geleerde, die daarboven

op den heuvel woont, mijnheer Guillaume Froment, die hem wat werk

gegeven heeft, zoodat we nu en dan wat soep konden maken.”

Verbaasd den naam van zijn broer te hooren, wilde Pierre nog het een en

ander vragen, maar een vreemd gevoel deed hem zwijgen. Hij keek Céline,

die met haar ernstig, ziekelijk gezichtje voor hem had staan luisteren,

aan, en toen madame Théodore zag, dat hij tegen het kind glimlachte,

zeide zij nog:

“Ja ziet u, de gedachte aan de kleine brengt hem buiten zich zelf van

woede. Hij aanbidt haar, hij zou iedereen kunnen dooden, wanneer hij

haar zonder avondeten naar bed ziet gaan. Zij is zoo lief en ze leert

zoo goed op school! Maar nu heeft zij zelfs geen hemd meer, om erheen

te gaan!”

Pierre, die eindelijk zijn adres geschreven had, liet een

vijffrancsstuk in de hand van het kind glijden en zeide, om

dankbetuigingen af te snijden, vlug:

“U weet nu waar u mij vinden kunt, als u mij voor Laveuve noodig hebt.

Maar ik zal vanmiddag nog over hem spreken en hoop, dat men hem

vanavond nog zal komen halen.”

Madame Théodore luisterde niet meer, maar putte zich uit in

zegenwenschen, terwijl Céline, die schrok van de vijf francs in haar

hand, mompelde:

“Die arme papa is nog al uitgegaan, om een paar sous te verdienen. Als

ik hem eens naliep, om te zeggen, dat we voor vandaag genoeg hebben.”

En de priester, die reeds in de gang was, hoorde de vrouw antwoorden:

“Hij zal al een eind weg zijn. Misschien komt hij wel terug.”

Toen Pierre met kloppende slapen en een met droefheid vervuld hart uit

het vreeselijke huis der ellende kwam, zag hij tot zijn verbazing

Salvat en Victor Mathis in een hoek van de vuile, als een verpest riool

stinkende binnenplaats staan. Zij waren naar beneden gegaan om het in

de kamer afgebroken onderhoud voort te zetten. Weer praatten zij zacht

en vlug met een vuur, dat ook in hun oogen brandde. Maar zij hoorden

het geluid van voetstappen; toen zij den abbé herkenden, zwegen zij

plotseling en gaven elkander een stevigen handdruk. Victor ging de

richting van Montmartre uit; Salvat weifelde op de manier van iemand,

die het noodlot raadpleegt. Dan sloeg hij, het grimmige toeval tegemoet

gaande, de rue Marcadet in en liep, zijn mager, moe, hongerig en

afgewerkt lichaam oprichtend, met zijn zak onder zijn arm naar Parijs.

Een oogenblik voelde Pierre den lust in zich opkomen hem te zeggen, dat

zijn dochtertje hem terugriep. Maar hetzelfde vreemde gevoel van

daareven, iets als discretie en angst tegelijk, de zekerheid, dat niets

het noodlot tegenhouden kon, had zich weer van hem meester gemaakt. Hij

zelf bezat niet meer de kalmte, de ijskoude en wanhopige

troosteloosheid van dien ochtend. Toen hij weer in den huiverenden

nevel van de straat stond, voelde hij opnieuw zijn koorts, het vuur der

barmhartigheid, dat de aanblik van zooveel afschuwelijke en steeds weer

nieuwe ellende in hem had doen ontbranden. Neen, neen, er bestond te

veel lijden: hij wilde nog strijden, Laveuve redden, een weinig vreugde

bereiden aan zooveel arme menschen. Het nieuwe experiment lag in dit

Parijs, dat hij zoo mysterieus en zoo angstaanjagend onder de dreigende

hand van de onvermijdelijke gerechtigheid had zien liggen. En hij

droomde van een heldere, gezondheid gevende en bevruchtende zon, die

van de stad het groote, vruchtbare veld zou maken, waaruit de betere

wereld van morgen zou opschieten.

De drie steden: Parijs · 第 5 / 35 题