TWEEDE ORDE.

DE GLASBUISSPONSEN (Hexactinellidae).

De meeste der met den naam Glasbuissponsen aangeduide Sponsen

kenmerken zich daardoor dat hun kiezelskelet op een fijn spinwerk van

glas gelijkt. De gedaante, welke aan deze vormen ten grondslag ligt,

is de as-ster van de kubus; dit is altijd het geval, al overtreffen

ook de gedurende hun leven afgescheiden kiezelvormen, geïsoleerd van

elkander bestaand of met elkander ineengesmolten en samenhangende,

aan sierlijkheid alle menschelijke producten.

De gedaanteverwisseling der stralen schept vormen van eene elegance en

verscheidenheid, zooals de stoutste fantasie zich nauwelijks kan denken

en slechts de later te beschrijven Radiolariën overtreffen hen hierin.

De fraaiste van alle Sponsen wegens haar wonderbaarlijk fijn

kiezelvlechtwerk zijn de Euplectelliden, de "Fraaigewevene",

waaronder Euplectella aspergilium. Deze fraaie Sponsen hebben een

buisvormig kiezelskelet; de wand der buis bestaat uit een zeer

regelmatig traliewerk van kiezelmazen. Het kiezelskelet der soorten

van Euplectella wordt gevormd door een enkele zoodanige buis, die

gewoonlijk min of meer gekromd is. Bij groote exemplaren kan die buis

tot 30 cM. lang en 4 cM. breed zijn. Het traliewerk van den wand is

uiterst sierlijk en regelmatig en gelijkt op een fraai kantwerk. Het

is samengesteld uit overlangs en loodrecht daarop overdwars loopende

kiezelvezelen, waardoor vierkante mazen begrensd worden, waarin

zich nog diagonaal loopende balkjes vertoonen, zóó geplaatst in

een gedeelte der mazen, dat er ronde openingen overblijven, die

vermoedelijk de uitstroomingsopeningen zijn. Langs de buitenvlakte

der buis verheffen zich (bij E. aspergilium, niet bij E. cucumer

Owen) min of meer regelmatig spiraalsgewijs loopende en groote,

vrije tusschenruimten openlatende dunne kammen, die zelve ook uit

kiezelspicula zijn samengesteld. De bolle, horlogeglasvormige plaat,

die het boveneinde bedekt, bestaat uit een dergelijk traliewerk

van minder regelmatige mazen met iets grootere openingen, welke

waarschijnlijk als de uitstroomingsopeningen mogen beschouwd worden. De

buis vernauwt zich benedenwaarts en is aan haar ondereinde bezet

met bundels van dunne kiezelharen, die een vrij aanmerkelijke lengte

(10 cM. en meer) bereiken.

De meest bekende soort, Euplectella aspergilium, is afkomstig uit de

zee bij de Philippijnsche eilanden, waar zij op vrij aanmerkelijke

diepte leeft.

Niet zelden wordt zij door twee soorten van Schaaldieren bewoond,

behoorende tot de geslachten Aega en Palaemon, die daar blijkbaar een

parasitisch leven leiden en die in hun eerste jeugd in de spons moeten

zijn geraakt, toen zij nog klein genoeg waren om door de openingen

van het kiezelskelet te dringen. Vooral voorwerpen van Palaemon,

een garnaal, komen er vrij regelmatig in voor als gevangenen.

Het Leven der Dieren: Deel 3.8, De Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen · 第 20 / 21 题