De hollandsche visscher.--Volendam.--De wasch.--De kinderen.--De
eenden.--De haringvangst.--De zoon van den visscher.--Een zonderling
eiland: Marken.--Te midden van het water.--De huizen.--De zeden.--De
jonge meisjes.--Vooruitzichten.--De turf en de veenderijen.--Nationaal
product.--Hoogveen en laagveen.--Plaatselijke steenkool.
Als men visschers wil vinden, moet men ze niet in Zeeland zoeken,
ondanks de drukte in Vlissingen. Men neme liever de boot, doe Kortgene,
Stavenisse en Zierikzee aan en ga van Rotterdam over den Haag, Haarlem
en Amsterdam, kalmpjes naar Volendam aan het strand der Zuiderzee;
dat is de goede manier.
Volendam is langs den straatweg 16 K.M. van Amsterdam verwijderd. Het
is een punt van bijeenkomst van schilders uit alle landen, die zich
van het havenstadje hebben meester gemaakt, om er hun kunstproducten
aan te ontleenen.
De kleederdrachten, de menschen en de huizen zijn alle geschikt om
een kunstenaarsoog, dat het schilderachtige liefheeft, te boeien.
De huizen, die door elkander gebouwd zijn langs de pier, omgeven
meertjes en binnenzeeën, kanalen, plassen en slooten, waar ze hun
steunpilaren in drijven. Door het vettige water, zwaar en vuil van
afval en allerlei ander ontuig, duikelen luidruchtige, onbeschaamde,
vraatzuchtige eenden; zij proesten en snuiven, zonder zich te storen
aan de schuiten en en bootjes, waarmee de kooplieden de nabijzijnde
dorpen bezoeken.
In de verte is de grijze, vlakke, nevelige horizon versierd met
molens, die hun vluggewiekte kruisen zwaaien, en met zilveren linten
van kanalen.
Op waschdagen wapperen linnengoed en veelkleurige bovenkleêren overal
in den wind; de huizen zijn er mee gedrapeerd, reeksen palen behangt
men er mee, en alles bolt en klatert, alsof het vlaggen waren.
Volendam is eerst echt Volendam bij stormachtige lucht en op
waschdag. Ieder is buiten. In tegenstelling met gewone steden, waar
men alleen bij noodzaak uitgaat, wordt er hier met pleizier gewandeld,
zooals in alle visschersplaatsen. Er wordt namelijk door de mannen
tusschen twee vischperioden het gemakkelijke, kalme leven geleid van
een solied rentenier. Ze zitten te praten of loopen op klompen rond,
slap en lui, tot de klok van den afslag hen roept en, als het ware,
verzamelen blaast.
In zijn buitensporig wijde broek, zijn buis en das en bontmuts,
heeft de visscher uit Volendam iets aparts, dat niet te beschrijven
is. Hij heeft iets van een Rus, een Laplander en een Mongool, maar
toont zich Hollander door de duizenderlei kleine eigenaardigheden
van zijn houding en bewegingen en woorden.
Buiten de tijden, waarop hij op de Zuiderzee zwalkt, met zijn netten
werkend in de nog al kalme golven, is er weinig verscheidenheid in
zijn werk. Zijn langzaamheid is een gewoonte. Hij flaneert altijd;
dat zegt alles. Hij heeft niet, als menschen uit andere deelen van
het land, kleine zorgen voor zijn tuintje, voor den oogst of voor
zijn industrie, en de vrouwen kunnen het huiswerk best af.
Hij flaneert dus maar, of maakt zonder haast zijn aas voor 't visschen
in orde en zijn netten; hij hurkt in de zon neer met zijn vrienden,
om welbehagelijk te rooken, of zit met zijn massieve zwaarte op de
steenen pieren en zware houten beschoeiingen, die over de zee zijn
uitgebouwd door zijn gestorven voorvaderen.
Toch is hij bezig, maar in volslagen kalmte en geniet genoegelijk de
rust der stille uren.
Dit schetsje symboliseert hem: Op een achtergrond van vastgemeerde
booten en een golvende deining, waar de wolken zich in spiegelen,
laat Frans, liggend op den achtersteven van zijn boot, zich zachtjes
wiegelen als een kindje, wachtend, tot men hem manden brengt, om
de zilverkleurige visch in te bergen, die schittert in het ruim van
zijn schuit.... Met de handen in zijn zakken, de pijp in den mond,
rust hij daar uitstekend, en men weet niet vooruit, wanneer die zoete
kalmte een eind zal nemen.
Enkele zeelui echter--maar er zijn niet vele zoo--zijn wat actiever,
laten groenten en andere levensmiddelen uit de naburige stad komen
en schuiven kalmpjes hun handkarren voort, die er mee beladen zijn,
en waarmee ze bij de huizen venten.
Kinderen loopen in troepjes rond, met veel drukte van klompengeklots,
maar zonder roepen of schreeuwen, net als in Zeeland. De kleine
meisjes dragen het kanten mutsje van den eigenaardigen om het hoofd
sluitenden vorm, de jongetjes dragen, evenals hun vaders, een wijde
broek, kort buis en bonten muts.
Het is wezenlijk een genot voor de oogen. Als zij in een lange rij
dansen over de planken van de pier of vroolijk huppelen met de ronde,
tevreden gezichtjes, moet men op mijn woord wel belang in hen stellen,
en men krijgt grooten lust ze mee te nemen, die aapjes van Volendam, om
ze in zijn vaderland eens te laten zien als zeldzaamheden van waarde.
Er zijn verrukkelijke paartjes, precies gelijkend op personnages van
oude schilderijen, die ons doen glimlachen, omdat er zooveel goed
humeur en vroolijkheid van hen afstralen, zooveel gezondheid ook
en gemoedsrust.
De vrouwen zijn zeer druk in beweging in Volendam, drukker dan op
andere plaatsen. Zij leven veel minder binnenshuis opgesloten en
doen meer mee aan wat buitenshuis geschiedt. Sommigen wasschen het
huishoudwaschgoed in zeewater aan den rand der op een rij liggende
booten, anderen hangen de stukken uitgespreid op aan lijnen, die
daarvoor tusschen palen zijn gespannen, terwijl de wind om haar
henen blaast.
Onze fransche visschersvrouwen babbelen, met het breiwerk in de hand,
uren aaneen; maar deze vrouwen zijn alleen uit noodzaak buiten. Waar
zouden ze ook gaan praten? Aan alle kanten is slechts water, in
slooten en plassen en vaarten. Buiten de pier en de beide wegen van
Edam en Monnikendam, is alles water of moeras.
De eenden, die bij duizenden tusschen houten hekwerk gehouden worden,
kwaken onafgebroken. Het plaatselijke leven concentreert zich op de
pier, waar de mannen rondloopen bij het gebouw van den vischafslag.
Zijn dit dus de afstammelingen van de beroemde hollandsche zeelieden,
die oudtijds de wereld vervulden met den klank van hunne heldendaden,
toen zij den bezem voerden in den mast, om de zee schoon te vegen,
en die de vloten van Frankrijk en van Engeland konden weerstaan?
Mijn God, ja ze zijn het wel, en hun schijnbare apathie verbergt
waarschijnlijk een verrassende wilskracht. Is Nederland niet
door hen groot geworden; heeft het aan hen niet zijn bestaan te
danken?... Het vlakke, vochtige land had geen koren, geen steenen
en geen hout; zij hebben er die noodzakelijke dingen aan geschonken,
door er den buit der zee voor in te ruilen. Zij hebben van de zee en
haar rijkdommen geprofiteerd en profiteeren er nog van, als van een
grooten voorraadsschuur vol geconserveerde levensmiddelen.
Naar den aard der visschen, die in iedere haven het veelvuldigst
voorkomen, onderscheidt men verschillende takken van de vischvangst. De
haring is door den overvloed, die ervan gevangen wordt, en door zijn
goeden naam in het verleden, een echt nationaal product, zoo goed
als turf en tulpen.
De Hollanders onderscheiden drie soorten van haringen, den pekelharing
of gekaakte haring (kaken is het opensnijden van den haring met
een mes en de visschen dan in lagen leggen, in vaten, op zout);
den steurharing, die in den herfst op de kusten van Engeland wordt
gevischt, en den panharing of versche haring, dien men in de Zuiderzee
vangt en die tot voedsel dient van de armere klassen der bevolking.
Die laatste categorie is het interessantst, want zij is het groote
middel van bestaan voor de visschers van Volendam, van de andere
havens der kust en van de bewoners der eilanden Urk en Marken.
De haven van Vlissingen hield zich het eerst met de haringvangst
bezig in lang vervlogen tijden, zoo in de buurt van de 12_de_
eeuw. In 1360 vond een man uit Zeeland, genaamd Willem Beukelszoon,
de kunst uit van het haringkaken, dus het bereiden van den haring
en het bewaren in zout, waardoor hij een grooten stoot gaf aan de
plaatselijke industrie. Die ontdekking werd het uitgangspunt voor
de ontwikkeling van geheele streken en legde den grond tot dien
publieken rijkdom, waardoor de bataafsche natie in staat is gesteld,
de enorme belastingen te betalen, noodig geworden door het onderhoud
van de werken, tegen de zee opgericht.
Te Hoorn werd in 1416 het eerste groote net gemaakt, waarvan het nut,
gevoegd bij dat van het inzouten, tot in 't oneindige de opbrengst
der zee vermeerderde.
Die netten, echte reuzen in hun soort, wekken de gedachte aan de
milliarden visschen, eeuwen aan een door de naburige volken verslonden,
en men begrijpt, waardoor Holland ondanks de armoede van zijn grond
een rijk, soliede en welbehagelijk land heeft kunnen worden.
Er gebeurde bovenmatig veel voor de haringvangst. Geschiedschrijvers
zijn er niet over uitgepraat en geven wonderbaarlijke statistieken,
volgens welke men moet aannemen, dat het geheele volk zich bezighield
met het vangen, zouten en verkoopen van haring.... In verordeningen
werd het manna van de zee genoemd het Peru van de Bataafsche
Republiek.... Premies tot aanmoediging werden tot aanzienlijke bedragen
gegeven aan de Broederschap der Haringvisschers, tot schade van andere
takken van vischvangst. Geen ander dan een geboren Hollander mocht zich
met het kaken bezighouden.... In 't kort, de uitvoerigste reglementen
beschermden op allerlei manieren deze al te interessante industrie.
De nederlandsche haring trotseerde aldus langen tijd alle vreemde
concurrentie en deed meer voor de grootheid van het land dan de
beste kanonnen.
Toen volgden de oorlogen van het Rijk. Groot-Brittannië, altijd
zoekend naar de beste gelegenheden om handel te drijven, verleende
vrijstelling aan de geheele vischvangst, schafte het systeem der
premies af en bracht, door den haring voor minder geld te verkoopen,
aan den hollandschen handel groot nadeel toe.
In hun weelde als verstijfd, gingen de eigenaars der hollandsche
haringbuizen niet met hun tijd mee en zagen langzamerhand hun handel
verloopen. De zaken gingen zelfs zoozeer achteruit, dat de regeering
op haar beurt de premies moest afschaffen.
Tegenwoordig heeft de haringvangst geen nationale beteekenis meer,
en al is zij nog voor den visscher een bron van eerlijke inkomsten,
zij is niet meer een voorwerp van algemeene zorg.
De echte haringvisscher brengt zoo weinig mogelijk tijd aan den wal
door. De zee is voor hem alles: zijn bruid, zijn vrouw, zijn wieg. Met
zijn bijbel en zijn pijp zou hij naar het eind der wereld gaan en
weer nieuwe werelden ontdekken, als er nog nieuwe waren. Er werd te
Volendam met eerbied gesproken over een zekeren Hans Ouderke, tegen
wien men eens in een herberg gezegd had: "Je moest eens naar Indië
gaan." De brave man ging zijn logger de volgende dagen bemannen en
ging er heen.... Een anderen keer vond hij den weg naar Californië,
zonder andere hulp dan zijn kompas.
Als de visscher niet op den gewonen tijd thuis komt, beschouwt men hem
als verloren, en zijn vrouw mag, als er drie jaren zijn voorbij gegaan,
een nieuw huwelijk sluiten. Vroeger schreef de wet een tusschentijd
van tien jaren voor; maar toen de zedelijkheid daaronder leed, werd
de bepaling verzacht.
De zoon van den visscher wordt visscher. Van den leeftijd van vijftien
jaar af kent hij volkomen de kunst van 't ophalen der volle netten,
het omgaan met de zeilen en de beheersching van het roer.
Zeer onafhankelijk, zeer godsdienstig en zeer aan oude gewoonten
gehecht, volgt hij in alles 't voorbeeld van zijn vader, die
zelf dat van den zijnen volgde. Op zee drinkt hij nooit; aan land
drinkt hij betrekkelijk weinig, behalve op de kermisdagen, die echte
bacchanaliën met zich brengen. Op die dagen nemen de herbergiers de
meubels weg uit hun zalen en laten er enkel een tafel staan en stoelen
en banken. Nacht en dag verzonken in een onrustbarende dommeligheid,
met tusschenpoozende oogenblikken van groote bewegelijkheid, waarin
hij hartstochtelijk aan het dansen deelneemt, gaat de visscher zich
in zulke tijden te buiten aan sterken drank en slaap.
Hij trouwt al vroeg.
De kustvischvangst omvat de vangst van versche visch van allerlei
soort en die van den haring, bestemd om te worden gerookt.
Een gewone boot voor die vangst kost drie tot vijf duizend gulden. Zij
behoort òf aan den visscher zelven òf aan den reeder. De bemanning
krijgt een groot net met touwen; het overige moet zij zich zelve
aanschaffen en zij moet in haar eigen onderhoud voorzien. De
onderhouds- en reparatiekosten van het schip worden gelijk verdeeld;
wat boven de klamp is, dat is buiten het water, komt voor rekening
van de bemanning en wat onder water is, voor dat van den eigenaar of
reeder, op grond van het beginsel, dat het eerste door veronachtzaming
kan lijden, en dat het laatste geleidelijk slijt. Voor de zeilen
zorgt de eigenaar.
De vangst van versche visch maakt slechts vrij korte tochten
noodig. Zoodra ze terug zijn, ontschepen de mannen hun buit en
verkoopen dien dadelijk op het strand aan de kooplieden uit de buurt of
brengen de vangst naar den vischafslag, als er zulk eene inrichting
bestaat. De visch wordt dan naar de naburige steden vervoerd in
wagens met sterke honden er voor, die met merkwaardigen ijver hun
werk doen. Die ambitie heeft ons wel eens een glimlach ontlokt over
de sentimentaliteit van onze landgenooten, die een verbod hebben
uitgevaardigd tegen het gebruik van trekhonden.
De vangst van versche visch houdt op met het einde van den zomer en
maakt plaats voor de haringvangst tot in December.
Daarna is de tijd der gedwongen werkstaking daar, en daar de visscher
zelden zich eenigen welstand heeft kunnen verwerven, ontstaat er groote
armoede en ellende, die door de autoriteiten moet worden weggenomen
door geregelde ondersteuning.
De Zuiderzee vormt, zooals bekend is, een golf van de Noordzee. De
massa harer wateren beslaat een ruimte van 54 vierkante mijlen en
bespoelt de provincies Friesland, Gelderland, Utrecht en Noord-Holland,
waarvan zij indertijd bij hooge vloeden groote stukken heeft
afgeslagen, daarbij op alle kusten dood en vernieling brengend.
In de open zee vormen de eilanden Urk en Marken nog overblijfselen
van die verzwolgen landen.
Marken, het grootste, ligt tegenover de stad Monnikendam. In één uur
kan men met goeden wind er per boot worden heengebracht.
Dat uur legt vele eeuwen tusschen de bewoners van het eiland en die
van het vasteland. Het verschil in kleeding en zeden en gewoonten
is zelfs zoo groot bij dien verbazend kleinen afstand, dat men
aan verschillende afkomst heeft gedacht. Sommigen beweren, dat de
eilandbewoners afstammelingen zijn van de Marsotten, van wie Plinius
en Tacitus melding maken. Zij bezetten een stuk gronds dicht bij het
meer Flevo. Een overstrooming scheidde dit deel van het vasteland op
't eind van de 13_de_ eeuw.
De ruimte er tusschen was eerst slechts smal en een gewone houten
brug onderhield de gemeenschap; maar langzamerhand vrat de zee meer
land weg, meer velden en polders, en de boeren moesten, om te kunnen
leven, visschers worden....
Ik nam de boot naar dat eiland tegen vijf uur 's avonds en voer weg
van de aanlegplaats te Monnikendam. Twee jonge knapen met korte, wijde
broeken en buizen van een grove stof en ronde hoeden, zijn aan het
laden van allerlei eetwaren; zij hebben met hun vader een geregelden
dienst tusschen het eiland en den vasten wal in 't leven geroepen.
Met een voor Hollanders ongewone vlugheid voerden zij de verschillende
handgrepen uit voor 't zeilklaar maken van de boot, heschen het groote,
bruine zeil, maakten de touwen in orde, tot eindelijk de schuit bewoog
en zich naar de open zee wendde.
De oudste der matrozen had de boom in de hand genomen en stond
te duwen, kijkend naar de stad, die achteruit week in het rossige
schijnsel.
Er hing een nevel over 't water, voorbode van de vallende schemering;
het klokkenspel in den toren gaf in heldere klanken den tijd aan;
daartusschen hoorde ik 't geklots der golven, door ons scheepje
uiteen gedreven, en dit oogenblik had iets geheimzinnig ernstigs,
alsof wij naar een onbekend land gingen.
Langzamerhand hadden wij niet anders om ons heen dan water en
nevels. Een der jongens floot een wijsje. De touwen van den mast
knarsten onder den druk van den koelen wind; toen doken schaduwen op,
eerst onduidelijk, toen helderder. Het waren puntdaken van huizen en
masten, uit zee oprijzend; zonder duinen of rotsen lag Marken daar,
als een zeer groot vlot op het water, half ondergedoken.
De boot stopte aan de kade en werd vastgelegd. Ik sprong aan land. Er
waren daar twee of drie mannen, gekleed als mijn varensgasten, en
jonge meisjes met lange losse haartressen leunden tegen een brug. Een
groote stilte heerschte er in het haventje, dat daar lag te midden der
bewegelijke zee. Ik moet er wel een zonderlingen indruk hebben gemaakt,
zoo weinig was ik in harmonie met die houten huizen, op palen gebouwd,
en die zonderlinge menschen.
De meisjes keken mij aan. In de avondschemering hadden haar oogen
met de lange wimpers tusschen de hangende krullen langs hun hoofd
diepten als van den oceaan, en toen zij ernstig het hoofd bogen bij
mijn voorbijgaan, kon ik denken, dat ik zeegodinnen vóór mij had,
jonkvrouwen, zoo dikwijls door dichters bezongen. Ik haastte mij,
mijn weinige bagage te deponeeren in het eenige logement, en ik
stapte de straatjes binnen, met steenen geplaveid, die naar de zeven
buurtschappen voeren, kunstmatige hoogten van leem en veen, waar de
huizen der bewoners staan.
De zee had, zooals dikwijls gebeurt, den vorigen dag de magere
weiden overstroomd, die om de terpen tusschen de lage dijken lagen,
zoodat ik aan beide zijden door water was omringd, en de huizen
in den echten zin des woords uit het water opstaken zonder eenigen
horizon van land. Hoog gras groeide op sommige plaatsen en herbergde
kakelende eenden, terwijl de halmen ritselden in den wind en de
intense somberheid verhoogden van dat waterland.
Zoo liep ik een uurtje rond, tot het volkomen donker was, en nam
die duizenderlei gevoelens in mij op, die het onmogelijk is om weer
te geven, gevormd door 't onverwachte, 't onbekende, plotselinge
kleurnuances, en altijd groetten mij de vrouwen met de diepe oogen,
die zonder woorden spraken. Toen keerde ik naar de herberg terug,
waar een vroolijke dienstmeid, forsch en in kleurige kleedij, mij
een stevig maal voorzette.
Den volgenden dag had het water zich teruggetrokken, en ik kon het
eiland bekijken, want het is, in 't groot beschouwd, één eiland.
De haven is het meest vaste deel van Marken. Overal door steen en
hout stevig omringd, liggen er een honderdtal visschersschuiten veilig
voor anker.
De huizen, geteerd en met pannen daken, zijn uit planken opgetrokken en
staan op een veenbedding. De woningen van binnen te bekijken, behoort
tot de werkzaamheden der vreemdelingen. De grootste zindelijkheid
heerscht er tot in alle hoekjes; glimmen doet het vaatwerk aan de
wanden, en alle koper straalt u tegen als een spiegel. Het is de glorie
van ieder huisgezin, en ik zag telkens jonge meisjes mij met den vinger
wenken, dat ik de mooie properheid van de woningen zou bewonderen. Die
teekens en de glimlachjes, die er bij behoorden, waren, helaas,
slechts vermomde verzoeken om geld, en ik moest met mijn bezoeken
zuinig zijn, uit vrees van anders al mijn geld er achter te laten.
De meeste huizen hebben slechts één vertrek, waar geslapen, gekookt
en gewerkt wordt; vele hebben geen plafond en staan rechtstreeks met
den zolder in gemeenschap. Ook zijn er, die geen schoorsteen hebben;
tegenover het grootste venster ligt een steenen of ijzeren plaat met
een rij steenen er omheen; een opening in het dak laat den rook door,
die zich over den zolder verspreidt, waar de netten drogen en de
voorraad wordt bewaard.
Borden en schotels van oud porselein zijn er in de kleinste woning
te vinden. Die smaak voor porselein en kristal, voor gestreepte
bedgordijnen en kleurige dekens is een eigenaardige trek in het
hollandsch karakter en komt vooral sterk uit op Marken. Hij wijst op
de bekrompenheid van het bestaan der bewoners.
De bodem van het eiland is vrij vruchtbare kleigrond. Hij brengt hooi
en riet voort, waarvan door de bewoners groote hoeveelheden worden
uitgevoerd. Het hooi wordt verkocht en dient voor een deel voor de
voeding der weinige koeien van het eiland.
Daar de putten van Marken slechts zoutig water leveren, zijn de
bewoners genoodzaakt, regenwater te gebruiken, om hun beesten mee te
drenken en hun eigen voedsel te bereiden.
Ze zijn zeer onontwikkeld in maatschappelijke aangelegenheden. Zij
leven van vischvangst en brengen het overige van den tijd door
met onbeduidende werkjes, die alleen voor henzelven van belang
zijn. Ze hebben in 't geheel geen handel; aardappels, groenten,
kruidenierswaren, turf, drank, alles wordt hun uit Monnikendam gebracht
of uit Hoorn of Amsterdam.
De bewoners van Marken trouwen altijd onder elkander. Er wordt verteld,
dat ze vroeger bij gebrek aan vrouwen eens hun booten bewapenden en
een razzia hielden, om vrouwen uit Edam te halen, maar die geschiedenis
is niet te bewijzen.
Gewoonlijk trouwt men tusschen het vier-en-twintigste en het
acht-en-twintigste jaar, en er wordt gelet op overeenkomst in leeftijd
en neiging.
Over 't algemeen zijn de meisjes lomp en ruw; maar er zijn wel
aankomende deerntjes, die iets expressiefs hebben en door hun half
wilde gratie de leelijkheid der anderen doen vergeten. Timide zijn
ze niet en lachen doen ze graag.
Op mijn wandelingen kwamen ze in hun bonte kleeding dikwijls om
mij heen staan, ze drongen mij tegen een muur en hielden mij met
uitgestrekte armen tegen, of stelden mij, terwijl haar krullen tegen
mij aanwoeien, allerlei vragen, die ik niet verstond, maar die zeker
grappig waren, want ze lieten haar tanden zien en lachten vroolijk. Ik
gaf in het Engelsch antwoord of in 't Duitsch en 't Arabisch en kneep
haar in de armen. Toen ik even de kin van een meisje in de hand had
genomen, begonnen twee anderen verbaasd te gillen en riepen een paar
huismoeders te hulp. Toen omhelsde ik het kind bij verrassing. Nooit
heb ik zulk een gekrijsch gehoord. Zij stonden om mij heen, zwaaiden
met de bloote armen, de lange lokken in den wind, de japonnen wijd
uitslaande, den hemel tot getuige roepend bij mijn onbeschaamdheid. De
omhelsde vooral zette woedende oogen op; deze brutaliteit riep om een
voorbeeldige straf voor den misdadiger, een bliksemslag bij voorbeeld
of een verzinking in den grond.
Daarom klom ik op een vat en sprak ze aldus aan:
"Vrouwen van Marken," riep ik, "ik ben hier gekomen, om uwe
gastvrijheid in te roepen. Mijn hoedanigheid van vreemdeling geeft
mij dus het recht, te proeven van uwe vruchten, ook van de perziken
uwer wangen.... Ik verzoek stilte en beloof, u presentjes te zullen
geven ... boem, boem, boem!"
"Boem, boem!" herhaalden de geestdriftige jonge meisjes, zonder dat
ze een woord verstaan hadden.
Daar zij mij nog altijd tegenhielden, begreep ik wel, dat ze tolgeld
wenschten te ontvangen; maar ik zwaaide mijn camera op de manier van
een tomahawk, uitte een gil en sprong op den dijk. Daar richtte ik
het instrument, en de menigte zette het op een loopen als haringen,
door de haringbuizen achtervolgd, behalve de drie jonge kinderen,
die bleven en die in stijve houdingen door mij zouden gekiekt worden.
"Ik zie, jonge meisjes," ging ik voort, genietend van de heerlijkheid,
te kunnen praten zonder te worden verstaan, "ik zie, dat mijn
edelmoedig aanbod welwillend is ontvangen. Sla dus uw oogen op mij
en gun mij glimlachjes."
Toen ik met centen geschud had in mijn zak, spitsten zij de ooren,
gingen met mij in den zonneschijn en ik legde voor de toekomst haar
vreemde trekken vast, waarna ik haar een handvol centen gaf en zij
verheugd verdwenen.
Soms zijn de kleine meisjes heel aardig. Als ze naar school gaan
met jongens, de kleurige pakjes boven de polders vertoonend als in
een groen décor, arm in arm voortstappend, krijgt men er pleizier
in, zooals voor een schilderij vol frissche kleuren en prettige
gezichten. Sommigen dragen in plaats van rokjes de wijde broeken van
de broertjes, wat ze er kluchtig doet uitzien.
Op bruiloften, verlovingsfeesten en kermissen ziet men een
kleurenrijkdom als nergens elders. Alle tinten uit een kleurendoos
voor waterverfteekening zijn uitgestrooid over de jurken, de mutsen
en de boezelaars, en men knipt met de oogen, zonder te weten waar
men ze rust zal geven.
Maar die dagen zijn uitzonderingen. Gewoonlijk is het op het eiland
nog al somber, en het leven vloeit er voort bij peuterigen arbeid,
die altijd eender is.
De mannen visschen of halen de ponten of schuiten binnen met turf
en proviand, boeten de netten, schilderen hun muren over, terwijl de
vrouwen het huis schoonhouden, linnen wasschen, met de kleine kinderen
buiten wandelen of aan het lossen van de booten helpen.
Langs de vaarten ziet men ze soms rustig voortglijden, in booten
gezeten, waar ze dan even uitstappen, om telkens de ophaalbruggen
op te lichten, die bij de overgangen en kruisingen van wegen over
't water liggen.
In den winter staat de helft van het eiland onder water, en de
menschen gaan in booten naar elkander toe, bezoeken op die manier de
kerk en de school, en worden per boot begraven. Het kerkhof ligt op
de hoogste werf of terp van het eiland.
Men vraagt zich wel eens af, waarom toch de dijken zoo laag zijn; als
men ze ophoogde, zou men die lastige overstroomingen vermijden. Maar
kenners beweren, dat de grond, die niet heel vast is, geen zwaardere
belasting dragen kan.
De gewoonte is een tweede natuur. Als men van de Markers ging
vertellen, dat zij er slecht aan toe zijn, zou dat verloren moeite
zijn. Zij voelen er zich op hun gemak; zooveel te beter.
Bij den toeloop van toeristen, die in den laatsten tijd al grooter en
grooter wordt, vooral in den zomer, beginnen zij zich als merkwaardige
curiositeiten te beschouwen en droomen misschien den uitlokkenden
droom van geheel onderhouden en verzorgd te worden door de penningen
der vreemdelingen. Zij verkoopen hun kleêren al, en het zal wel niet
lang duren, of ze verruilen ze tegen hoeden en moderne broeken....
Het eiland Marken zal zijn bescheiden plaatsje wel blijven innemen
tegenover het vasteland; zijn huizen, in het zoute water staande;
zijn steenen straatjes in den mist; zijn hoogste punt, waar de dooden
rusten, en zijn vier gehoornde beesten, wadend door den sponsachtigen
grond ... tenzij op een dag, gelijk aan dien, waarop de Zuiderzee
ontstond, het ook op zijn beurt worde weggevaagd, verzwolgen in den
storm en neergelegd op den bodem van de Zuiderzee.
Zoo'n einde zou voor zulk een plekje uit het verleden, dat onder de
modernen is verzeild geraakt, een natuurlijk en passend slot zijn,
en men zou dan mogelijk een verklaring hebben van die zonderlinge
aantrekkingskracht, die de oogen der meisjes van Marken bezitten
des avonds, wanneer zij het hoofd buigen en den vinger waarschuwend
opheffen, als spoken uit een wereld, die reeds afgedaan heeft,
opgestaan uit hun graven, om u een groet te brengen....
De Hollander heeft ongetwijfeld minder verbeeldingskracht dan de
Franschman. Hij is realist in den echten zin des woords en rekent in
plaats van te droomen. Zoo denkt hij er niet aan, dat met de turf die
hij dagelijks uit het water haalt, hij ook de overblijfselen van zijn
bloedverwanten en vrienden opneemt, om aan hen de warmte te ontleenen,
die ze bij hun leven hadden. Hij vindt de turf een geschikte brandstof,
gebruikt die en heeft daar gelijk in, zooals hij ook, in tegenstelling
met onze soms onverstandige gevoeligheid, zijn honden gebruikt voor
het trekken van geriefelijke karretjes.
Van Holland spreken zonder het over de turf te hebben, zou zijn een
der eigenaardigste karaktertrekken van het land over 't hoofd te zien.
Uit geologisch oogpunt is de bodem zeer arm; hij bevat geen steenkool,
noch ijzer, noch andere mineralen. Bosschen zijn er weinig en men
moest, om dijken en huizen te bouwen, zijn toevlucht nemen tot
pijnboomen uit Noorwegen en tot duitsche boomen, langs den Rijn
aangevoerd.
Men kon er niet aan denken, dat hout te gebruiken als brandstof; dat
zou te schadelijk zijn geweest. Daarom ging men het veen gebruiken,
na er turf van te hebben gemaakt.
Veen is een soort van zachte, zwartachtige aarde, die men aantreft
onder lagen leem of zand, 't zij bij den aanleg van kanalen, 't zij
bij het bouwen der huizen. Op enkele plaatsen blijkt de aanwezigheid
van veen door den onvasten toestand van den grond. De veerkrachtige
bodem, opgezwollen en verzadigd van water, buigt door onder den voet
en herstelt zich dadelijk weer. Dan zeggen de menschen: "Hier zit
veen in den grond."
De opgraving van het veen is een kunst, die al sinds overoude tijden
bekend is. Plinius en Tacitus gewagen ervan, de eene met een zucht,
omdat een volk genoodzaakt is zijn eigen land te verbranden, de tweede
met bewondering voor zooveel snuggerheid.
De veengraverij verschaft werk aan duizenden individuen. Het is
een brandstof van niet heel veel beteekenis, donker en lastig in 't
gebruik; daarbij verkoolt ze meer, dan dat ze vlamt en brengt zwaren
rook voort.
Veen wordt zoo wat overal in Holland aangetroffen. Men behoeft maar
een weinig te graven om het te ontdekken.
Als de eigenaar van een stuk grond besloten heeft, zijn akker tot een
veld van exploitatie te maken, laat hij parallelle insnijdingen maken
om de aarde te ontlasten van het water, waarmee zij gedrenkt is. Die
slooten, die eerst ondiep zijn, worden dieper en dieper gemaakt,
tot het water er uit is.
Er zijn zes à acht jaren noodig om het land droog te leggen en het
water met slooten en sluizen te leiden naar het toekomstige kanaal.
Daarna gaat men het veen te lijf met daarvoor bestemde schoppen,
snijdt het in brokken, die men als steenen laat drogen en die op
elkaar gestapeld worden en gedroogd in den wind.
Niet zelden vindt men in de veenlagen, diep in den grond, boomen,
die goed geconserveerd zijn, overblijfselen van oude bosschen, door
overstroomingen of hooge vloeden verwoest. Ze worden gebruikt voor
wat ze waard zijn, meestal als brandstof, soms ook voor fundeeringen.
De lagen aarde, die den veengrond bedekten, worden op het land
teruggebracht, vlak uitgespreid en leveren den bebouwbaren grond,
waarop aardappelen en koren zullen worden verbouwd.
Zoo gaat het bij de hooge venen. In de lage venen gaat alles gauwer,
en men behoeft zich daar geen moeite te geven, het land eerst te
draineeren. Men tast direct den grond aan. Als gras en leem eerst
zijn verwijderd, dus als twee of drie voet van den bouwgrond zijn
afgegraven, legt men de veenlaag bloot, die doortrokken is met water,
een soort van vette brij. De arbeiders, met groote laarzen aan,
scheppen dan de toekomstige brandstof zoo maar op en plonsen die in
groote schuiten. Het veen ziet er dan bruin uit, en men herkent er nog
wortels in en verrotte takken. Het wordt in groote bakken geschept,
gemengd en bewerkt, gestampt met zware stampers of getreden met groote
platte trappers, ontdaan van steenen en wortels, gekneed als deeg
en te drogen uitgespreid op riet. Als het begint droog te worden,
snijdt men het in brokken en stapelt de turf in hoopen op elkaâr.
Drie maanden zijn ongeveer noodig, om de brandstof volkomen droog te
maken. Dan wordt de turf in schuiten geladen en naar de verschillende
markten gebracht, waar zij koopers vindt.
De hoedanigheid der turf is zeer uiteenloopend. Er is turf met meer of
minder houtige bestanddeelen, meer of minder poreus van aard, zwaarder
of lichter op 't gewicht. De huisvrouwen herkennen snel aan de kleur
en den vorm de eigenaardige hoedanigheden van de brandstof. Er is een
soort, die voor de keuken dient, een andere voor de open haarden,
een derde voor fabrieken. In 't algemeen geeft men de voorkeur aan
de turf uit de lage venen boven die uit de hooge venen. De bakkers
bakken hun brood met turven, die niet zeer dicht zijn en daardoor
spoedig vlam vatten. De turf dient ook nog als voedsel voor kalkovens,
pannebakkerijen en wordt in bierbrouwerijen enz. gebruikt.
Bij steenkool vergeleken, geeft de turf wel de helft minder warmte;
maar alles in aanmerking genomen, is zij als brandstof toch veel
goedkooper.
Het grootste bezwaar is het volume, dat lastig en bezwarend wordt. Turf
neemt drie- of viermaal zooveel ruimte in als steenkool. Men heeft
geprobeerd de turf samen te persen, en men is daarin goed geslaagd,
maar naar beweerd wordt, is de moeite te groot voor de belooning;
de kosten overtroffen de waarde der koopwaar, en de eigenschappen
van die laatste verbeterden er niet genoeg door.
Voor stoombooten en voor de grootindustrie moest men wel weer tot de
steenkool terugkeeren.
Hoe het ook zij, turf is eeuwen lang bijna de eenige brandstof der
bewoners geweest. De kool van turf heeft aanleiding gegeven tot de
zuiver nationale gewoonte der warme stoven. In den winter hebben de
hollandsche dames in haar eigen vertrekken, zoowel als in de kerk,
onder haar rokken een stoof met een kool er in, wat, naar men zegt,
het teint van de dames een gele tint geeft. Zij, die deze opvatting
koesteren, zijn ernstige menschen, kalm gezeten in hun groote stoelen
van riet of mandwerk, met een groote pijp in den mond en een glas
bier vóór zich, hoog schuimend in het glas. Zij zouden toch iets
dergelijks niet beweren, als ze er niet volkomen zeker van waren
door allerlei gezegden en opmerkingen, zorgvuldig bijeenverzameld
uit intieme gesprekken, en men zou verkeerd doen, zich bij zulk een
oordeel sceptisch te toonen. De rook van de turf maakt het teint der
hollandsche dames geel, zooals de rook van droog hout aan hammen die
bruine kleur geeft, die ze zoo lekker doet smaken. Ze worden er dus
geen haar minder om; integendeel.
De asch dient bovendien tot mest; met het roet reinigt men ijzerwaren
en tin; de rook dient tot conserveering van gezouten vleesch en haring,
tot bereiding van beenzwart, inkt en vernis; kortom, het veen is een
der grondslagen van de hollandsche huishouding.
Inderdaad maakt men er de fondamenten van het huis van. Daartoe
brengt men de steenen en het metselwerk aan op een onderlaag van
stukken brandbare aarde, in den vorm van een pyramide opgestapeld. Die
veenlaag zwelt op onder het water en vormt zoo een onwankelbare basis,
die door het vocht niet meer wordt aangetast. Na eeuwen, als het huis
van ouderdom bezweken is, vindt men de veenachtige substantie zoo goed
bewaard als op den eersten dag en nog geschikt, om verstookt te worden.
Uit een en ander volgt, dat veen het product is van de langzame
vertering van plantaardige stoffen, van riet en biezen en mossen,
die, op elkander gestapeld, vergingen en door de vochtigheid ontbonden
werden.
De provincies, die het meest te danken hebben aan het bestaan van
veengrond, zijn Friesland, Groningen, Drenthe en Overijsel.
Als de veenlaag geëxploiteerd is, blijft er ongelukkig veel water
over, dat moet worden verwijderd met behulp van veel molens en veel
slooten. Daar het onderhoud van die molens nog al kosten meebrengt,
moet men zich er niet over verbazen, dat in Holland de prijzen der
levensmiddelen tamelijk hoog zijn....
Desondanks heeft een oud dichter, Vondel genaamd, in geestdrift
over het succes, met de turf verkregen, aan het hoofd van een zijner
werken dit hoog welsprekend woord geplaatst: "Gelukkig het land, waar
't kind zijn moêr verbrandt!"
Besluit.--Dit alles toont duidelijk aan, dat er volstrekt niet in
Holland alleen water is, zooals men zou kunnen gelooven, als men
zich slechts onderrichten liet door fantastische berichten. Holland,
door duizenden kanalen doorsneden, omgeven door eilanden, golven,
inhammen, heeft inderdaad wel zeer veel water, maar dit oppermachtige
water, dat alles kan overweldigen, dat rijst en daalt en tot zoo
ver het oog reikt, zijn net van bewegelijke wegen uitspreidt, waar
onophoudelijk booten, schuiten, ponten, stoombooten en eenden varen,
dat water is de onuitputtelijke bron van den bataafschen rijkdom,
en men zou wel een prachtig, kostelijk woord willen vinden, in een
lijst van metalen lettergrepen, om dat kleurloos, vloeibaar ding mee
aan te duiden, dat alle tinten van de wolken overneemt, dat de molens
en de polders weerspiegelt en dat van Holland maakt het waterrijkste
van de waterrijke en 't merkwaardigste van alle vlakke landen.