Ontmoeting op straat.--De mooie ruiter.--Teleurstellend
déjeûner.--Vader Kick.
Zoodra ze getrouwd is, na de uitbundige pret van de bruiloft, bergt de
boerin in de laden alle kleine sieraden en snuisterijen, waar zij zoo
op gesteld was als jong meisje. Het gebruik wil namelijk, dat zij er
ernstig ga uitzien, juist als de vrouwen, die geen veroveringen meer
willen maken, omdat ze een levensgezel hebben gevonden. Ze bewaren
alles voor haar dochters, als die op haar beurt, bij de eeuwige
herhaling der verschijnselen, een boer aan den haak moeten slaan.
Maar kom ... ik loop te lang in Zoutelande rond, luisterend naar den
wind, die mij deze vroolijke dingen vertelt tusschen twee duwen tegen
de wieken van den grooten molen.
Een melkboer, in zijn kar als een schuit, met een groot harig paard
er voor, gaat naar het veld, en zijn wagen verbreekt de stilte.
Elders ontmoet ik even buiten het dorp een miniem klein paartje,
jongetje en meisje. Zij, zeer moederlijk en grappig, beknort den
kleinen jongen met een basstemmetje en wil hem terughouden van
den weg naar Westkapelle, waar de overmoedige Willem zich heen wil
begeven. Zij trekt hem uit alle macht bij een slip van zijn jasje,
en men herkent in haar reeds het toekomstige vrouwtje, dat haar man
afhoudt van verkeerde wegen ... beminnelijke zorg!
Een doffe galop ... Wat is dat?... Een man met blauwe oogen in een
verheugd gezicht, komt van het land terug met zijn twee paarden,
zijn vrouw en zijn meiden. Hij groet en springt op den grond,
al verblijder kijkend, wijst op zijn beesten, die er goed uitzien,
dan op mijn instrument, legt een hand op zijn borst en de andere in
de neusgaten van zijn eene paard en geeft te verstaan, dat het beeld
merkwaardig mooi moet worden.
Met een glimlach stap ik drie passen achteruit, twee naar rechts, één
naar links, mompel een goedkeuring en open het klepje van mijn camera.
"_Atsjoem!_" proest het paard nommer 1.
De ruiter, nu bepaald ten toppunt van voldaanheid, deelt mij zijn
indrukken mee, helaas, zijn ze voor mij onbegrijpelijk en gaat dan
weg met een beweging, die schijnt te zeggen: "Tot strakjes, wacht
hier op mij!"
Nieuwsgierig kijk ik eens naar de kerk, die er kaal en somber uitziet,
naar het groene veldje, waar de dooden worden begraven zonder eenige
versiering of grafteeken, want wat van de aarde komt, moet tot de aarde
terugkeeren zonder meer; heel de hollandsche philosofie ligt in dien
zin. Ik denk er juist over, het duin te gaan bestijgen, toen opnieuw
een drievoudige galop zich doet hooren. Ik bespeur mijn verheugden
ruiter, die met drie nieuwe paarden komt aanhollen. Hij zegt iets
en stijgt van het paard. Hij gaat bij het eene staan en verklaart,
dat ik nu met mijn werk kan voortgaan.
"Je maakt misbruik, vriend!" antwoord ik in het Fransch.
En om er van af te zijn, draai ik zijn hoofd om en doe alsof ik hem
kiek. Tot driemaal toe, met elk der drie paarden, herhaalde ik het
grapje; toen kreeg ik een adres, met potlood geschreven, en tegelijk
een betuiging van de grootste ingenomenheid.
_Tot werziens, tot, tot...._
Ik beklom het duin. De kinderen, uit school gekomen, toffelden in koor
op hun klompjes, klots, klots, klots.... Ik moest hen tot mij zien
te lokken door iets ongebruikelijks. Met mijn pet zwaaiend, begon ik
hard te loopen en daarbij heftig met de armen te zwaaien, het gezicht
naar de zee gekeerd, alsof ik daar iets heel bijzonders zag.
Die buitensporigheid wekte de nieuwsgierigheid. Langs alle voetpaadjes
kwamen de kinderen aanloopen; ze trokken elkander mee en kogelden in
het zand. Ik liep naar het strand tot aan den rand der golven. Zij
volgden mij. Daar nam ik plotseling een handvol centen uit mijn
zak. Zij stortten naar voren. Ik raapte wat gevallen was weer op. Een
deel van de kleinen vluchtte verschrikt weg; de rest, allen meisjes,
bleef om mij heen staan en stak de magere bloote armpjes uit.
"Hoepla!" riep ik; "dans eens voor mij!"
De een hief een liedje aan, en daar begonnen ze te dansen, blauw en
rose geteekend tegen den grijzen hemel vóór dien blauwgroenen horizon,
één en al frischheid in den koelen morgen.
Na vijf minuten werkens, gingen de kleinen om mij heen staan, en ik
legde in de roode kinderhandjes de verwachte geldstukken. Toen vlogen
ze weg als kwikstaarten en herinnerden mij tevens, dat het tijd was
voor het lunch.
Op het duin kwam de waardin uit de herberg mij zoeken. Met de handen
in de zij begon ze een lang gesprek en liet mij daarbij haar mond
en haar tanden, bijna haar maag zien. Ik ging met haar naar het
kleine kamertje met de blauwe, gebloemde borden aan den wand, waar
een hagelwit tafellaken een reeks van schaaltjes van wit porselein
droeg met deksels. Het zag er uitlokkend uit. De waard blies in alle
vriendelijkheid weer veel tabaksrook uit en bracht mij een glas bier.
Plechtig nam ik met de beste verwachtingen het deksel van het eerste
schaaltje, een taai stuk biefstuk dreef in de margarine.... Ik
ontdekte het tweede: roodbruine worteltjes.... Ik ontdekte het derde:
gekookte aardappels.... Ik deed het vierde open: gehakte kool, die
naar heliotroop rook....
De waardin lachte een goddelijk lachje, vol trots.
In verslagenheid proefde ik het vleesch en verslond het in stilte,
met ruime bijvoeging van bier, melk, eieren en boterhammen.... O,
hollandsche keuken! Wat hebt gij mij een last gegeven! Gij vindt
nergens uws gelijke, dunkt mij, of het moest zijn in de spaansche
pablas, de duitsche ham of de arabische koeskoes.
Toen ik een sigaar aanstak, om het leed over het treurig onthaal wat
te verzachten, trad er een der oude mannen binnen. Hij zag er nog
ouder uit dan alle ouden, die ik reeds had gezien. Hij ging dicht
bij het buffet zitten, liet zich een groot glas jenever geven en
ging tegenover den rustigen baas een dutje doen, afgebroken door een
paar zachte woorden. Ik had voor mijn oogen een doek van Teniers,
en ik genoot er ten volle van. Het in woorden weer te geven, is mij
onmogelijk. Geen woord zou de kalmte en rust kunnen schetsen van die
beide ouden, die al rookend hun glaasjes ledigden, en daar zaten in
hun houten leuningstoelen met rechte ruggen, alsof ze er nooit uit
zouden opstaan. Naast hen kookte de koperen ketel; door het groene
horretje vóór 't venster vloeide de zon binnen met vaag schijnsel,
dat weerkaatst werd door de borden aan den muur, en de klok, met
bedachtzame haast voortgaand, stiet met haar rooden slinger de minuten
over de hoofden van die heeren, die de kunst verstonden om het leven
te verlengen.
Na een tijd, die lang of kort of middelmatig lang duurde, wat doet
het ertoe, dronk vader Kick zijn glas tot den bodem leêg, schudde de
asch van zijn sigaar en ging heen. Hij liep omhoog in de richting van
de zee langs een voetpad tusschen groene heggen, met den rug naar de
roode pannen van de daken.
Wat zou hij daar gaan doen?... Niemand weet het denkelijk.... Op
de duinen keek hij naar den oceaan met de handen in zijn zakken en
een onverschillig gezicht. Toen ik bij hem kwam, wees hij mij een
stoomboot, welker rookpluim den horizon streepte en verzonk toen weer
in stom en diep gepeins.
En hij, vader Kick, was mij aldus een symbool van de geslachten
van Nederlanders, die als vasthoudende eilandbewoners, van de zee
hun tegenwoordig land stalen, en van eeuw tot eeuw hun steenen en
houten borstweringen, hun enorme dijken en hun eindelooze pieren
vooruitschoven in de nevelige ruimte.
In den blik, waarmee de oude vader Kick de bewegelijke eindeloosheid
peilde, scheen hij te zeggen: "Ik heb je, dochtertje, en mijn kinderen
zullen je houden!"