In September van het jaar 1792 verkeerde geheel Parijs in een staat
van groote opgewondenheid, die weldra tot razernij oversloeg. 't Was
in de dagen der groote Revolutie. De koninklijke familie was gevangen
genomen en Frankrijk leefde al sedert 1789 als in een roes. De woorden
Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap leefden in ieders mond, maar moord
en doodslag waren aan de orde van den dag, en de gevangenissen zaten
opgepropt met menschen, die verdacht waren van koningsgezindheid, of
zich tegen de revolutie hadden verklaard. De geringste beschuldiging
was voldoende om iemand in den kerker te doen werpen, waaruit bijna
niemand ontkwam, dan op den wagen, die naar de guillotine voerde.
In September 1792 bereikte die razernij haar toppunt. 't Gerucht ging
door de stad, dat de vereenigde Pruisische en Oostenrijksche legers
Verdun hadden bemachtigd en tegen Parijs in aantocht waren. Men balde
de vuisten en knarste op de tanden. Ha! Zou dan Frankrijks laatste uur
geslagen zijn? Zouden zij dan komen, die gehate vijanden, met kogel en
strop, met vuur en brandstof, om de leiders der revolutie te dooden,
den koning op den troon te herstellen en zich op het Fransche volk
te wreken over diens vernedering?
Maar dat zou nooit,--nooit geschieden!
Hoort, de klokken luidden, niet om op dezen Zondag de menschen naar
de kerken te roepen, maar om hun met zwaren dreun te verkondigen,
dat Frankrijk in gevaar verkeerde. Schrik en woede staan op ieders
gelaat te lezen. Het volk verdringt zich onder luide kreten in de
straten, en stroomt als een menschenzee her- en derwaarts.
"Te wapen! Te wapen!" klinkt de kreet. "Op naar de gevangenissen,
waar duizenden koningsgezinden wachten op hunne bevrijding, en
eenmaal van de macht meester, zich op ons zullen werpen! Op, op,
den dood aan de landverraders!"
Dolken, zwaarden en pieken schitteren in het helle zonnelicht. Zie,
eene gevangenis wordt geopend, en dertig mannen in geestelijk gewaad
worden in zes rijtuigen geplaatst, om uit hunne voorloopige gevangenis
naar de kerkers der Abbaye te worden vervoerd. 't Zijn priesters, die
geweigerd hebben den eed op de constitutie af te leggen. De rijtuigen
zetten zich langzaam in beweging, want 't is bijna onmogelijk door den
menschendrom heen te rijden. En welke menschen! Woest is hun uiterlijk,
bloeddorstig zijn hunne blikken, vreeselijk hunne verwenschingen. Zij
dringen om de rijtuigen heen, wat hun door de wachten niet wordt belet.
"Opent de raampjes van de rijtuigen!" roepen enkele priesters,
hopende dat het grauw eerbied zal hebben voor hun geestelijk gewaad.
"Neer die ramen!" antwoordt het volk ruw.
Een van de priesters slaat met een stok op de hand van een ruwen
kerel, die het raam neerdrukt. En in 't volgend oogenblik worden de
portieren opengerukt, de geestelijken uit de wagens gesleurd en op
den grond geworpen.
't Grauw werpt zich op hen. Hunne kreten zijn aan die van verscheurende
dieren gelijk. Maar men hoort ook jammerkreten. Velen van de omstanders
smeeken om barmhartigheid, maar een woedend geraas en gegil verdooft
die bede. Dolken en sabels flikkeren,--het bloed stroomt, en weldra
bedekken dertig lijken den grond.
En nu was het verdwaasde, opgehitste grauw niet meer te
houden. Waanzinnig van bloeddorst snelde het naar de gevangenissen,
maakte zich van den toegang meester en drong naar binnen. Men eischte
de gevangenisrollen, die de namen der gevangenen bevatten. En nu ving
er een drama aan, dat niet minder dan vier vreeselijke dagen zou
duren. Haastig werd in elke gevangenis eene kamer tot gerechtszaal
ingericht. Enkele bloedgierige leiders zullen als rechters dienst doen,
anderen spelen voor gerechtsdienaren, en het loeiende dolzinnige
volk buiten de hoofdpoort zijn de beulen, die de vonnissen zullen
voltrekken. En welke vonnissen! Geen enkele zaak wordt behoorlijk
onderzocht, geen getuigen worden gehoord.
Men leest een naam af. De gevangene wordt binnengebracht. Enkele
vragen worden tot hem gericht.
"Is hij een samenzweerder? Is hij koningsgezind? Niet? Welnu,
vrijgesproken! Vive la nation!"
Een volgende naam wordt gehoord.
Grendels knarsen, de deur wordt geopend, de gevangene verschijnt.
"Een samenzweerder?"
"Ja!" roept iemand.
"Ja? Welnu, breng den gevangene naar La Force over!" [2]
De ongelukkige wordt naar de hoofdpoort geleid en naar buiten
geduwd. Maar,--o God, daar staan de beulen! 't Is het grauw, dat
met dolk en spiets op zijn prooi wacht. Met hoongelach wordt het
slachtoffer begroet. Op 't volgend oogenblik valt hij met honderd
wonden ter aarde, en kleurt zijn bloed de straat! Zoo gaat het voort,
van minuut tot minuut. Het eene slachtoffer volgt op het andere. De
lijken stapelen op tot hoopen, het bloed vormt stroompjes.
Zoo ging het in die vreeselijke vier dagen in alle gevangenissen,
in La Force, in het Châtelet, in de Conciergerie en nog meer andere.
Zelfs vrouwen bevonden zich voor de hoofdpoorten, om zich te
verlustigen in het vermoorden der ongelukkigen. Neen, neen, die
menschen waren geen menschen meer, 't waren monsters geworden.
Menschen, die nog niet door die vreeselijke razernij waren aangegrepen
en de afschuwelijke moordtooneelen aanschouwden, barstten in tranen
uit en snelden ijlings heen met de handen voor het gelaat, om maar
niets meer te zien. Zelfs dappere mannen, die in heete gevechten zich
helden hadden betoond, sidderden bij hetgeen zij hier zagen.
En de arme gevangenen, die zich als prooi zagen aangewezen? Ontzet
deinsden zij terug en smeekten om erbarming, zelfs oude soldaten
vreesden dezen dood. Anderen wierpen zich snel op de pieken, om er
een kort einde aan te maken.
De prinses de Lamballe, de vriendin der koningin, wordt voor den
rechter(!) gevoerd.
"Men brenge haar over naar de Abbaye!" luidt het vonnis.
Zij wil haar kleeding een weinig verschikken, want zij lag juist te
bed, toen zij werd opgeroepen.
"Niet noodig. Gij behoeft niet ver te gaan!" voegt men haar spottend
toe.
't Was waar. Haar laatste gang was maar kort, want buiten de poort
werd zij neergesabeld en vreeselijk verminkt. Haar hoofd stak men op
een piek, zingende en tierende droeg men het door Parijs, om het aan de
koningin Maria Antoinette te toonen, die ook in de gevangenis zuchtte,
maar onder bescherming stond van de regeering. Hare gevangenis,
de Tempel, werd in die uren door een lang driekleurig lint beschut,
met het opschrift:
"Citoyens, respectez cette barrière; elle est nécessaire à la
responsabilité de vos magistrats." (Burgers, eerbiedigt deze
afscheiding; zij is noodzakelijk voor de verantwoordelijkheid uwer
magistraten).
Weer wordt een naam afgeroepen.
"Jacques Cazotte!"
De deur knarst open en een grijsaard verschijnt. Lange zilverwitte
haren golven hem op de schouders neer. Hij is reeds twee en zeventig
jaar oud. Als schrijver had hij een grooten naam verworven, wat niet
belet had, dat hij als koningsgezinde in den kerker geworpen werd.
Daar verschijnt hij, terwijl zijne dochter Elisabeth teeder hare
armen om hem heengestrengeld houdt. Het meisje is niet ouder dan
twintig jaar.
"Is hij schuldig?"
"Hij heeft een schuldige briefwisseling gehouden met Ponteau,
Secretaris der civiele lijst!"
"Naar La Force!" klinkt het vonnis.
Voort gaat het naar de poort.
Ha, daar brult en krijscht het grauw zijn slachtoffer het vreeselijk
welkom toe. De bebloede pieken en zwaarden, de kreten van het volk,
die lijken daar op den grond, dat bloed,--o, dat alles zegt duidelijk,
welk lot den grijsaard hier wacht.
Hij slaat de handen voor de oogen.
Elisabeth strengelt haar beide armen om haar ouden vader heen. Hare
oogen vullen zich met tranen.
Men wil haar losrukken van den grijsaard, maar zij wil niet van hem
gescheiden worden.
"O neen, laat mij met hem sterven,--scheidt ons niet," smeekt zij
hare beulen met bevende stem.
En sterker klemt zij zich aan haar geliefden vader vast, want hare
liefde voor hem is sterker dan de dood.
Zie, zelfs het bloeddorstige grauw wordt er door getroffen.
"Laat haar! Laat haar!" wordt er geroepen.
De moordenaars grijpen beiden aan, en duwen hen juichende verder door
den menschendrom.
"Laat haar gaan! Laat haar gaan!" schreeuwt het volk.
De rijen worden geopend, en vader en dochter zijn vrij. Het leven
van den grijsaard is gered, gered door de alles overwinnende liefde
van zijn kind!
Spoedig zijn zij vergeten, want de poort wordt opnieuw geopend en--de
vreeselijke slachting gaat ongestoord voort.
Nogmaals verschijnt een eenvoudige grijsaard voor de rechters. 't
Is een edelman, genaamd Charles de Sombreuil, en evenals Cazotte
wordt ook hij door eene liefhebbende dochter vergezeld. Zij heet
Maria. Heldhaftig schrijdt zij naast haar vader voort en ondersteunt
hem bij het gaan. O, zij wil hem redden of--met hem sterven.
"Mijn vader is onschuldig!" roept zij den rechters toe, maar men
luistert niet naar haar.
Hij wordt ondervraagd en schuldig bevonden. Ook zijn vonnis luidt
als de honderden, die reeds geveld zijn:
"Naar La Force!"
Enkele seconden later staan zij voor hunne beulen.
Maar Maria vreest den dood niet. Zij plaatst zich voor haar ouden
vader, om de doodelijke stooten op te vangen, en roept de moordenaars
toe:
"Mijne vader is geen aristocraat! Hij is onschuldig!" 't Volk lacht.
"Geen aristocraat! En gij dan?"
"Neen, neen, ook ik niet. Wij haten de aristocraten. O, goede heeren,
ik wil het u bezweren!"
Een van het volk grijpt een beker en schept dien vol met het bloed
van de straat.
"Wilt gij dan aristocratenbloed drinken?" roept hij haar toe, en hij
heft den verschrikkelijken beker naar haar op.
't Volk zwijgt en ziet toe, wat er gebeuren zal.
Maria aarzelt een ondeelbaar oogenblik. Dan grijpt zij den walgelijken
beker en drinkt hem tot den bodem toe uit.
Een juichkreet weerklinkt.
"Hij is onschuldig!" tiert het uit den hoop. "Zij drinkt
aristocratenbloed. Hij ga in vrijheid!"
De opgeheven speren zakken naar den grond, de dolken worden opgestoken,
en men drukt vader en dochter tegen de bloederige borst in eene
vurige omarming. Onder gejuich worden zij in triomf naar hunne woning
gebracht.
"Vive la nation!" brult het volk!--
Naast deze beide schoone daden van kinderliefde vinde hier eene
daad van ouderliefde eene plaats. 't Gebeurde ook tijdens de groote
Révolutie in Frankrijk, ruim een jaar later. Getrouw elken avond
verscheen de vreeselijke kar voor de poorten der gevangenissen, om
de veroordeelden af te halen, die naar de guillotine moesten worden
gevoerd. Voor het traliehek in de gevangenis werd de lijst afgelezen
van hen, die aan de beurt waren om hun hoofd onder de valbijl te
leggen. Vreeselijke ure! De gevangenen verdrongen zich achter het
traliehek om te hooren, of ook hun naam zou worden afgeroepen.
In de gevangenis bevond zich ook Loiserolles, een edelman,
gewezen luitenant-generaal, als zoovele anderen beschuldigd van
landverraad. Hij wist, dat hij sterven moest, maar hij was zich zijn
lot getroost. Toch droppelde den ouden man menigmaal een traan uit het
oog, als hij dacht aan zijn zoon, die zich met hem in de gevangenis
bevond en die, evenals hij, ten doode opgeschreven was. O neen,
over zichzelven weende hij niet. Hij had het leven achter zich en
moest toch eenmaal sterven. Maar dat ook zijn zoon, de fiere, jonge
edelman, die wellicht nog een lang leven vóór zich had, het hoofd
op het schavot zou moeten laten, o, dat schrijnde hem door de ziel,
en telkens, als de bode kwam, om de namen af te lezen, sidderde hij
bij de gedachte aan zijn dierbaar kind.
De deur werd geopend, en ook thans weer schreed de bode tot aan het
traliehek voort, met het verschrikkelijke papier in de hand.
Angstig keek de vader rond, om te zien, waar zijn zoon zich
bevond. Ach, de ongelukkige sliep, onbewust van het gevaar, dat ook
nu weer, als elken avond, dreigde. Zou hij hem wekken?--Neen, waartoe
zou het dienen? Om hem weer het angstige oogenblik te laten doorleven,
dat geregeld elken avond terugkeerde?
Hij begaf zich naar het traliehek, waar de bode zijne taak begon. Voor
de deur hadden gewapende dienaren plaats genomen, om de afgeroepenen
naar de kar te brengen.
Hij luistert ademloos, als de anderen.
Eentoonig klinkt de stem van den bode, maar soms wordt zij
afgebroken door de kreten der veroordeelden, wier namen worden
afgeroepen. Vrienden omhelzen elkander voor de laatste maal, men
hoort snikken, er vloeien tranen.
De oude man luistert met gebogen hoofd.
Maar plotseling vaart hem een schrik door de leden. Daar hoort hij
den naam aflezen van zijn kind, dat daar ginds slapende nederligt.
Hij wordt doodsbleek, en zijn tanden klapperen.
Niemand geeft antwoord.
Nogmaals roept de bode denzelfden naam.
Iedereen zwijgt.
O God, moet de vader zijn eigen zoon wekken, om hem den slaap des
doods te doen ingaan?
Hij beeft over al zijne leden en het angstzweet bedekt zijn lichaam.
Daar klinkt ten derden male de naam zijns zoons, en reeds
maakt men zich gereed binnen te treden, om den veroordeelde te
zoeken. Ongetwijfeld is hij een lafaard, die zich schuil houdt.
Maar nu klinkt het plotseling zacht van de lippen des ouden mans:
"Loiserolles,--die ben ik."
Hij werpt een laatsten, onbeschrijflijk droevigen blik op zijn
slapenden zoon, murmelt enkele woorden van afscheid, en wendt zich naar
de deur, waar de gerechtsdienaren hem aangrijpen en naar de kar voeren.
De bode verdwijnt, de deuren worden gesloten. De kar rijdt heen
met zijn droevigen last, en even later sterft een vader onder de
guillotine, zich opofferende voor zijn zoon, wien weldra de vrijheid
hergeven werd.