Hij had zacht gesproken, maar niet zoo zacht, of de Czaar, die op
zijne hoede was, had hem verstaan. Hij sprong eensklaps op, gaf met
zijne vuist een geweldigen slag op de tafel, en bulderde hun toe:
"Is het nog geen tijd voor u, dan is het tijd voor mij! Op, bindt
elkander de handen!"
De Czaar zag er bij die woorden zoo vreeselijk uit, dat den
samenzweerders alle moed ontzonk. Niemand durfde zich zelfs maar
bewegen.
"Bindt elkander!" bulderde de Czaar hun nogmaals toe.
En de verbijsterde mannen gehoorzaamden.
Op hetzelfde oogenblik trad de hoofdman met zijne soldaten
binnen. Buiten sloeg de klok elf uur.
De Czaar ontving hem met een vuistslag in het gelaat, nog steeds in
de meening, dat de hoofdman zijn bevel niet stipt had uitgevoerd,
maar toen de verschrikte man het schriftelijk bevel aan den Czaar
toonde, had deze dadelijk berouw van zijne daad. Peter kuste hem
op het voorhoofd en verklaarde, dat hij een wakker officier was,
die zijn plicht gedaan had. Toen beval hij hem, de samenzweerders
gevangen te nemen en naar de gevangenis te voeren. Zij werden wreed
gestraft en eindelijk onthoofd.
Vier dagen later ondernam hij zijne buitenlandsche reis. Het hoofd
van het gezantschap was Lefort, want de Czaar wilde niet als vorst,
maar als bijzonder persoon ontvangen worden. Zijne bedoeling was
verschillende vorsten te bezoeken, maar bovenal een schat van kennis
op te doen, om dien later ten bate van zijn volk te kunnen gebruiken.
Lefort heette dus het hoofd van het gezantschap, en de Czaar behoorde
tot zijn gevolg. Hij noemde zich Peter Michaëlow, opperkommandeur. 't
Was een groot gezelschap, dat zich in den vreemde begaf, bestaande uit
niet minder dan 270 personen, waaronder niet alleen vele jongelieden
uit de aanzienlijkste geslachten, maar ook officieren, ambtenaars,
soldaten en bedienden,--ja zelfs potsenmakers en dwergen.
Het voornaamste doel van de reis was, een bezoek te brengen aan
Nederland, en wel in het bijzonder aan Zaandam, dat in dien tijd om
zijn scheepsbouw tot ver in het buitenland beroemd was.
In den vroegen morgen van den 18en Augustus 1697 voer een schip van
eenigszins vreemden vorm de Zaan op, waar het al spoedig de aandacht
trok van een eenvoudigen smid, Gerrit Kist geheeten, die bezig was
met poeren. Kist was vroeger in Rusland geweest, waar hij als smid
in dienst van den Czaar had gewerkt.
't Was dan ook niet alleen de vreemde vorm van het vaartuig, die zijne
aandacht trok, maar ook de mannen, die er zich op bevonden, wekten
zijne belangstelling. Hij herkende dadelijk de Russische uniformen, wat
hem op de gedachte bracht, dat ongetwijfeld het Russische gezantschap
in aantocht was. Hij wist, dat dit komen zou, maar dat de Czaar zelf
zich als een gewoon hoveling daarbij aangesloten had, was hem onbekend.
Wie beschrijft dus zijne verbazing, toen hij zich door een der
opvarenden hoorde toeroepen:
"Smid!--Smid!--Kom bij ons!"
En zijne verbazing nam nog toe, toen hij in den man, die hem riep,
den Czaar herkende. Dadelijk roeide hij naar het vaartuig en klom
aan boord. De Czaar trad op hem toe, en zei:
"Smid, ik ben Pieter Michaëlow en kom hier, om het scheepstimmeren
te leeren. Ik zal bij u mijn intrek nemen."
Kist verkeerde in de grootste verwarring. Hij wist niet, wat hij
zeggen moest, en stamelde zoo iets van niet ruim genoeg behuisd te
zijn voor een Czaar....
Maar de Czaar stampvoette van boosheid, en zei nadrukkelijk:
"Hier is geen Czaar, hier is alleen Pieter Michaëlow, die het
scheepstimmeren komt leeren. Ik bèn geen Czaar, en wil niet zoo
genoemd worden. En uw huis is groot genoeg. Met eene kleine kamer
ben ik tevreden."
Kist miste den moed, om den Czaar langer te wederstreven. Hij keerde
naar den wal terug, en spoedde zich naar zijne nederige woning, om
het groote nieuws aan zijne vrouw mede te deelen. Zijn huis bestond
uit slechts twee kamertjes, waarvan het achterste bewoond werd door
een weduwe, Mary Freeriks geheeten. Deze liet zich voor eene goede
som overhalen, op staanden voet met pak en zak naar een andere woning
te verhuizen.
Intusschen was het vreemde vaartuig den Dam genaderd, waar al
verscheidene menschen stonden te kijken naar het vreemde vaartuig en
de sierlijk gekleede bemanning. De Czaar, in een eenvoudig rood wambuis
gekleed, zooals de Hollandsche werklieden toen gewoon waren te dragen,
sprong met een touw in de hand aan wal, en legde het vaartuig vast. Dat
er zooveel menschen stonden, beviel hem in het geheel niet. Hij keek
erg boos, en werkte geducht met zijne ellebogen, als ze hem in den
weg stonden.
Het deftige gezantschap begaf zich aan wal en baande zich met moeite
een weg door de omstanders, die gedurig talrijker werden.
De Czaar was woedend op de nieuwsgierige Zaankanters, en stapte,
door de andere heeren gevolgd, eene herberg binnen. Daar wachtte hij
de komst van Kist af, die hem naar zijne woning zou brengen. Maar het
publiek verdrong zich voor de ramen van "De drie Zwanen", zoo heette
de herberg, en keek nieuwsgierig naar binnen.
Eindelijk trad een der heeren naar buiten, en riep het volk toe:
"Waarom zoo nieuwsgierig, mannen? Wij zijn gewone handwerkslieden,
en komen hier, om het scheepstimmeren te leeren. Gaat naar huis,
er is hier niets bijzonders voor u te zien."
Maar het volk geloofde hem niet, en lachte hem uit.
Sommigen van hen traden de gelagkamer binnen en eischten bier, doch
inderdaad was het hun slechts te doen, om de vreemde menschen te zien.
De Czaar was hevig verbolgen, en liet zich door den kastelein een
vrije kamer geven. Daar kwam Kist hem eindelijk afhalen, om hem
naar zijn huis te geleiden. De Czaar beval zijne volgelingen, hier
of daar een onderkomen te zoeken, en verliet met Kist de herberg,
om zich naar het eenvoudige huisje op het Krimp te begeven.
Den volgenden dag begaf de Czaar zich naar den scheepsbouwmeester
Lijnst Teeuwisz Rogge, aan den Hoogendijk, en werd door dezen als
gewoon werkman op de scheepswerf aangenomen. En hij ging dadelijk aan
den arbeid. Lustig en zonder een woord te spreken, hanteerde hij hamer
en beitel. Ook de heeren van zijn gevolg moesten een baas zoeken en
een handwerk leeren.
Om twaalf uur verliet Czaar Peter, evenals de andere werklieden,
die naar huis gingen om te schaften, de werf. Maar zelf gunde hij
zich daartoe den tijd niet; hij begaf zich op weg om de vrouwen te
bezoeken van de handwerkslieden, die in Rusland werkzaam waren. Hij
bracht haar hunne groeten over en deelde haar alles omtrent hen mede,
wat zij graag weten wilden.
Niemand van die eenvoudige vrouwtjes vermoedde, dat deze vriendelijke
boodschapper de Czaar zelf was. Bij een van haar gebruikte hij het
middagmaal.
Menigeen in Zaandam vermoedde wel zijn hoogen staat, en als hij
zich op straat begaf, werd hij wel met de meeste belangstelling
aangestaard, maar niemand kon toch met zekerheid zeggen, dat hij de
Czaar was. Onophoudelijk was hij in de weer, om zijn kennis uit te
breiden en alles, wat hem belangwekkend toescheen, te bekijken en te
bestudeeren. Zoo bezocht hij verschillende scheepstimmerwerven, olie-,
houtzaag- en papiermolens, lijnbanen, ankersmederijen, zeilmakerijen,
ijzer- en kompaswinkels. Overal gaf hij blijken van eene zeldzame
weetgierigheid, en was hij onuitputtelijk in het doen van vragen,
veel meer, dan men kon beantwoorden. Bijzonder werd zijne aandacht
getrokken door het doen stilstaan der molens door middel van den
vang. In een papiermolen vroeg hij, waarom men den vang, als de
molen stilstond, weer een weinig oplichtte. In den molen "de Kok",
waar men bezig was met het scheppen van papier, nam hij den schepper
over en schepte zulk een volmaakt blad papier, dat niemand het hem
had kunnen verbeteren. Zelf was hij er zoo verheugd over, dat hij
den knecht een rijksdaalder gaf, eene groote fooi voor den Czaar,
want hij was zuinig van aard.
Intusschen werd het vermoeden met den dag stelliger, dat Pieter
Timmerman, zooals hij genoemd werd, niemand anders was dan de Czaar,
en zelfs van de omliggende dorpen kwam men naar Zaandam, om hem te
zien. Dat was hem in het geheel niet naar den zin, want hij wilde
't liefst onopgemerkt blijven en voor een gewonen timmermansknecht
doorgaan.
Op een middag had hij pruimen gekocht. Hij had ze in zijn hoed laten
doen, en liep er op straat van te eten. Al spoedig had hij een drom van
Zaansche jongens om hem heen, die hem om een pruim vroegen. Sommigen
kregen er een, maar anderen gooide hij met de pitten. 't Werd al
spoedig een standje. De jongens gooiden hem met de pitten terug, de
Czaar werd boos, grooteren bemoeiden zich met de ruzie, en eindelijk
zag hij zich genoodzaakt, zich in eene herberg aan den oploop te
onttrekken. Een en ander had tengevolge, dat de omroeper op last van
de burgemeesteren bij bekkenslag aan de Zaandammers bekend maakte,
dat het verboden was "sommige voorname personen, die vreemdelingen
zijn en onbekend willen blijven, te gooien met steenen en vuiligheid,
op de hoogste boeten en straffen, daartoe staande."
Nu begreep iedereen, dat de geruchten waarheid bevatten en dat
de vreemdeling niemand anders was dan de Czaar. De toevloed van
nieuwsgierigen werd zoo groot, dat de toegangen tot het Krimp, waar
de Czaar woonde door wachten moesten worden afgezet. Hij begreep zelf
ook wel, dat hij zijn waren staat nu niet langer verborgen kon houden.
De voornaamste ingezetenen van Zaandam, o.a. de heeren Calff en
Bloem, maakten kennis met hem, en al spoedig schonk hij hun zijn
geheele vertrouwen.
Met Bloem maakte hij eens in een boeier een zeiltochtje op de Zaan. De
vele molens, die hij zag, wekten terstond zijne aandacht. Hij bracht
een bezoek aan een stijfselmakerij en een pelmolen, en toen hij zag,
dat men aan den Kalverdijk bezig was een molen te bouwen, kwam de
begeerte bij hem op, daar een kijkje te nemen. Men voer er heen,
en de Czaar stapte aan wal. Dadelijk nam hij eenig gereedschap ter
hand en--werkte ijverig mede. Deze molen, een pelmolen, werd door
den eigenaar ter herinnering aan deze gebeurtenis, "de Czaar van
Moscoviën" genoemd,--en thans nog is hij aanwezig, maar hij heet nu
"de Grootvorst".
Dat zeiltochtje was den Czaar zoo goed bevallen, dat hij dadelijk
ook een jacht kocht met al zijn toebehooren. Hij maakte er zelf een
nieuwen boegspriet aan, en deed er verscheidene tochtjes mede.
De schepen, die op de werven aan de Binnenzaan gebouwd werden, moesten
door middel van den overtoom over den Dam worden gesleept, omdat de
sluizen in den Dam veel te smal waren, om zeeschepen door te laten. Dat
overbrengen van een schip was altoos een belangwekkend schouwspel,
dat vele nieuwsgierigen lokte. Ook tijdens het verblijf van den
Czaar zou een schip overgehaald worden, en men had hem uitgenoodigd,
daarvan getuige te zijn. Er kwam echter bij deze gelegenheid zooveel
volk op de been, dat de Czaar niet te bewegen was, zijn huisje te
verlaten. De duizenden, die toegestroomd waren om den Czaar te zien,
moesten ongetroost naar huis gaan.
Reeds den volgenden morgen bracht de Czaar zijn plan ten uitvoer. Hij
kon in Zaandam niet rustig en ongestoord zijn gang gaan, zooals hij
zich dat had voorgesteld. Daarom vertrok hij naar Amsterdam, waar het
stadsbestuur hem toestond op de Admiraliteitswerf te arbeiden. Maar
nog menigmaal bezocht hij Zaandam, welke plaats hem bijzonder lief was.
Hij bleef in ons land tot den 18 Januari 1698 en vertrok toen naar
Engeland. Reeds in Mei d. a. v. kwam hij hier terug om afscheid
van zijne vrienden te nemen, en toen vertrok hij naar Rusland. Daar
legde hij door zijne uitgebreide kennis den grondslag voor de latere
macht van het Russische rijk. Hij was de leermeester van zijn volk en
trachtte met alle kracht, waarover hij beschikken kon, zijne onderdanen
de zegeningen te brengen van de beschaving, die hij op zijne reis bij
andere volken had leeren kennen. Wel stuitte hij op veel tegenwerking
en onwil, want zijn volk begreep hem niet, maar hij rustte niet en gaf
den moed nooit verloren. Zijn land breidde hij uit tot aan de Oostzee,
hij stichtte een oorlogsvloot, verbeterde de rechtspraak, bevorderde
het onderwijs, vernietigde de macht van den adel, en beloonde den adel
van den arbeid. Eindelijk begon hij aan den bouw van eene nieuwe stad,
van St. Petersburg, welke stad, aan zee gelegen, voorbestemd was om
de hoofdstad van zijn rijk te worden.
Met groote vreugde begroette hij het eerste koopvaardijschip, dat
deze nieuwe plaats aandeed. Hij zelf voer het schip tegemoet, en bood
zich aan als loods. Gaarne werd van zijne diensten gebruik gemaakt,
maar groot was de verbazing der schepelingen, toen zij 's avonds bij
den Czaar op een feest genoodigd, bemerkten, dat de Czaar zelf de
loods geweest was.
Waarlijk, van deze krachtige figuur is met recht getuigd:
"Niets was den grooten man te klein."