Xerxes, de machtige koning der Perzen en beheerscher van gansch
Azië, rustte zich ten strijde uit, om ook Europa aan zijne macht
te onderwerpen. Het eerst moesten de Grieken het ontgelden. Hadden
zij niet de Perzische afgezanten beleedigd en gedood? Eischte dat
geen wraak?
Zijn toerustingen waren reusachtig en vergden niet minder dan twee
volle jaren. Alle krachten van Azië moesten daartoe medewerken. Een
ontzaglijk leger werd op de been gebracht, en eene talrijke vloot van
transportschepen, met levensmiddelen beladen, zou het leger begeleiden,
opdat het in elk geval tegen gebrek beveiligd zou zijn.
Er werden bruggen opgeslagen, waarop het leger den Hellespont
moest overtrekken. De eene brug bestond uit 340, de andere uit
360 schepen. Deze schepen werden aan voor- en achterzijde door
sterke ankers vastgehouden, zoodat zij niet door den stroom konden
worden meegesleept. Op de lagere schepen werden stellages gebouwd,
om ze even hoog als de andere te maken. Over de lange rij vaartuigen
liepen dikke touwen van den Aziatischen naar den Europeeschen oever,
daarover werden boomstammen gelegd, dan weer sterke touwen, hierop
een balkenlaag, en dan volgde de bovenbouw van de brug, welke met
aarde bedekt en van borstweringen voorzien was.
Toen de bruggen gereed waren, stak er een hevige storm op, die het
grootsche werk totaal vernielde. De woede van Xerxes kende geen grenzen
en de ongelukkige bouwmeesters werden op zijn bevel onthoofd. Zelfs de
zee werd op last van den koning hevig met geeselslagen gestraft. Daarna
liet de booze vorst haar boeien, door zware kettingen in de diepte
te werpen.
Dadelijk ving men aan met het bouwen van nieuwe bruggen, en eindelijk
kon de overtocht van het reusachtige leger beginnen. Die overtocht
duurde niet minder dan zeven dagen. Toen moest het leger op last van
Xerxes worden geteld, maar dat was heel moeilijk te doen. Eindelijk
bedacht men er op, 10000 krijgslieden in dichte gelederen naast
elkander te plaatsen en daaromheen eene soort van schutting te
bouwen. Het geheele leger, moest nu die schuur doortrekken. Telkens
als zij geheel gevuld was, noteerde men weer 10000 man, en zoo kwam men
tot een totaal van 1.700.000 man. Bovendien was de geheele Hellespont
met oorlogsschepen gevuld. Voorwaar eene oorlogsmacht, die het kleine
Griekenland met angst en ontzetting moest vervullen. Hoe zouden de
Grieksche staten, die zelfs door geen onderlingen band verbonden waren,
zich tegen die groote overmacht verdedigen? Helaas, helaas, gansch
Griekenland zou verwoest, de bevolking vermoord worden. In hun angst
begaven zij zich naar Delphi, om het beroemde orakel te raadplegen.
De voorspellingen van de Pythia Aristonice waren echter verre
van bemoedigend. Op haar gouden drievoet gezeten boven den afgrond,
waaruit bedwelmende dampen opstegen, verkondigde hare stem, dat Sparta
zou worden verwoest.
"Ongelukkigen, wat toeft gij?" klonk het den Grieken toe. "Vlucht
naar de einden der aarde. Want noch het hoofd, noch het lijf, noch
de voeten, noch de handen, zelfs geen stuk in het midden van den romp
blijft ongeschonden, maar alles is weg! Want het vuur en de toorn van
Ares, die de strijdwagens der Syriërs voortstuwt, werpt alles in het
stof. Niet alleen uw burcht, neen, nog vele andere sterkten en vele
tempels der onsterfelijke goden legt hij in den asch. Voort dan uit
mijn heiligdom en bereidt uwe zielen op het naderend onheil voor!"
Deze uitspraak, die zelfs geen sprankje hoop overliet, durfde men
het Grieksche volk niet bekend maken, en men waagde het nogmaals de
uitspraak der Pythia in te roepen. De gezanten der Atheners traden
den tempel van Apollo binnen met olijftakken, die met wol omwonden
waren, ten teeken, dat men de bescherming der godheid kwam inroepen,
en verklaarden, dat zij het heiligdom niet zouden verlaten, maar er
tot hun dood toe blijven, indien de godheid zich van hen afkeerde.
Toen sprak de Pythia:
"Pallas beproeft tevergeefs den Olympischen Zeus te verzoenen,
ofschoon zij onophoudelijk en met het meeste overleg hare beden tot hem
richt. Nog eenmaal doe ik u een woord vernemen, dat onverzettelijk is
als staal. Ziet, wanneer alles wat het gebied van Cecrops en de bocht
van den heiligen berg Cithaeron in zich bevat, den vijand in handen
valt, dan beschermt de opperbestuurder Zeus toch den houten burcht van
Athene, uwe toevlucht en die uwer kinderen, tegen de verwoesting. Toeft
niet, totdat de ruiters en de golvende drommen voetvolk naderen,
rustig op het vasteland. Neen, wijkt en keert den vijand den rug
toe: later komt de tijd om hem het hoofd te bieden. Goddelijk eiland
Salamis, voorwaar, gij verdelgt de zonen der vrouwen, hetzij Demeter
zich verstrooit of verzamelt."
Deze geheimzinnige woorden, veel op een raadsel gelijkende, werden
natuurlijk op verschillende wijzen uitgelegd, maar het gevolg ervan was
toch, dat de Atheners besloten zich tot het uiterste te verdedigen en
afgezanten naar de andere staten te zenden, om hen uit te noodigen,
zich met hen te vereenigen en zich krachtig tot den strijd uit te
rusten. De Atheners rustten in den tijd van vier weken eene vloot uit
van niet minder dan 147 schepen en waren niet van plan, zich met een
minder getal dan 200 tevreden te stellen.
Jammer, dat in de andere Grieksche staten niet dezelfde geestdrift
heerschte. Men vreesde de overmacht van den Perzischen koning en
durfde zich niet verdedigen. Sommige staten zelfs namen het droevige
besluit, den vijand zout en aarde aan te bieden, ten teeken van
hunne onderwerping.
Ook in den machtigen staat Sparta was men lauw en laksch. Eerst
twistten zij met de Atheners, wie leger en vloot zouden aanvoeren,
en toen de Atheners grootmoedig de eer daarvan aan Sparta hadden
gelaten, verscholen zij zich achter het voorwendsel, dat de nadering
van de Olympische spelen hun belette, eene krijgsmacht van eenige
beteekenis naar de grenzen te zenden. Slechts 300 Spartanen, onder
bevel van hun koning (aanvoerder) Leonidas, werden aangewezen, om
ten strijde te trekken.
Dapperder man dan Leonidas had men in gansch Griekenland niet
kunnen vinden. Hij schaamde zich voor zijne landgenooten over hunne
nalatigheid en vertelde op zijn tocht door Midden-Griekenland aan
ieder, die het hooren wilde, dat zijn mannen slechts de voorhoede
vormden van het groote leger, dat uit Sparta aanrukte. Zijne kleine
schare werd dientengevolge nog door hopliten uit andere staten
versterkt, zoodat hij eindelijk 8000 man onder zijne bevelen had.
Doch wat konden 8000 man beginnen tegen een leger van bijna twee
millioen?
Xerxes met zijn ontzaglijk leger naderde. Wel was zijn marsch moeilijk
geweest, wel had de Olympus met zijn met sneeuw bedekten kruin,
zijne nauwe passen en zijne dichte wouden hem in zijn voortgang
belemmerd, maar eindelijk had hij toch de noordelijke helling van
het Oetagebergte bereikt.
Nu voerde zijn tocht echter door een zeer smallen doorgang, den pas
van Thermopylae. Het hooge gebergte met zijn steile rotswanden strekte
zich tot bijna aan de zee uit. Eerst wanneer men vlak voor den pas
stond, zag men den ingang naar den weg tusschen de zee aan de eene
en de hooge rotsen aan de andere zijde. En die weg was zoo smal,
dat er slechts één wagen over kon gaan. Door die nauwe poort kwam
men in den eigenlijken pas, waar twee waterrijke heete zwavelbronnen
ontsprongen, waaraan de pas zijn naam ontleende. Op korten afstand van
die bronnen naderden de rotsen ten tweeden male bijna de zee, zoo dat
de doortocht ook daar slechts door weinigen tegelijk kon geschieden,
en bovendien vormde de zee bijna langs de geheele lengte van den pas
een onpeilbaar moeras, waaruit niemand levend wederkeerde.
Koning Leonidas was besloten, dezen smallen dam, den eenigen
weg, die toegang gaf tot Midden-Griekenland, met zijne mannen te
verdedigen. Hier baatte Xerxes zijn ontzaglijk leger niet, want
Leonidas zou immers nooit meer dan slechts enkele vijanden tegelijk
te bekampen hebben?
Zeker, hij wist, dat hij in dezen strijd geen overwinnaar kon blijven,
want elk gevecht zou hem eenige zijner dapperen kosten, maar hier zou
het hem toch mogelijk zijn, het machtige leger in zijn voortgang te
stuiten. Daardoor konden zijne landgenooten in de gelegenheid worden
gesteld, zoo mogelijk hunne maatregelen ter verdediging te nemen.
Hij wist ook, dat hij en zijne dappere strijders sterven gingen. Want
een Spartaan keerde immers nooit, dan als overwinnaar, uit den
strijd terug?
Men berichtte hem, dat er nog een tweede weg was, die toegang tot
Midden-Griekenland gaf. Die weg bestond uit een smal voetpad over
een berg. Natuurlijk moest ook deze weg verdedigd worden. Leonidas
droeg die taak op aan 1000 Phocensers, die zich hiertoe vrijwillig
aanboden. De verdediging van dit smalle voetpad kon hun niet moeilijk
vallen.
Zoo stonden de twee legers, als een ontzaglijke reus en de kleinste
der dwergen tegenover elkander.
Een overlooper, die in het Spartaansche kamp kwam, vertelde dat hij
het Perzische leger gezien had, en zei:
"Het is zoo talrijk, dat de zon door de pijlen der boogschutters
verduisterd zal worden."
"Wat zou dat?" antwoordde een van de Spartanen. "Zooveel te beter. Dan
zullen wij in de schaduw vechten."
Leonidas was gereed, om den vijand af te wachten. En deze zou ook
komen, doch eerst zond koning Xerxes zijn gezantschap, om de wapens
der Grieken op te eischen.
"Kom ze halen!" gaf Leonidas lakonisch ten antwoord.
Toen beval Xerxes zijne Meden, om met den aanval te beginnen. Hij
twijfelde niet, of dezen zouden spoedig een schitterende overwinning
op het kleine hoopje vijanden hebben behaald, maar--hoe onstuimig
hun aanval ook was, zij konden geen duimbreed gronds op de dappere
Grieken veroveren.
Met woede zag hij van zijn hoogen zetel, dien hij had laten oprichten
om het gevecht te kunnen zien, hoe zijne krijgers teruggeworpen werden,
zich weer verzamelden en opnieuw aanvielen, doch nogmaals en nogmaals
teruggeworpen werden.
Nieuwe troepen moesten hen vervangen. Benden geduchte boogschutters
werden op den vijand afgezonden, maar ook zij moesten met groote
verliezen terugdeinzen. Toen zond Xerxes zijne keurbende. Deze
onsterfelijken werden eveneens teruggejaagd en in hun vlucht zelfs
door de Grieken achtervolgd. Toen de Grieken eindelijk terugkeerden,
wat op last van Leonidas den schijn van een vlucht moest hebben, vielen
de Perzen hen onder luid gejuich aan, tot de Grieken zich plotseling
omkeerden en hen door een onstuimigen aanval in het moeras joegen,
waar zij den dood vonden.
Toen de avond daalde, telde Xerxes 6000 krijgers minder en was hij
zijn doel nog geen stap naderbij gekomen.
Doch ook de Grieken telden duizend dooden.
Den volgenden dag werd de strijd hervat. Weer volgde Xerxes van zijn
hoogen zetel den gang van het gevecht en tot zijn groote woede zag hij,
dat ook nu weer zijn krijgers herhaalde malen teruggeworpen werden
en dat de Grieken niet tot wijken gedwongen konden worden. Reeds was
den geheelen morgen gestreden, maar door de zijnen nog geen enkel
voordeel behaald.
In matelooze woede stond hij van zijn zetel op en strekte hij de
gebalde vuisten in de richting van de strijdenden uit.
Ha, was dan zelfs zijn machtwoord niet in staat zijne soldaten de
overwinning te bezorgen?
Op dit oogenblik trad een dienaar eerbiedig nader, en zeide:
"Machtige koning, een Griek wenscht u te spreken."
"Een Griek?" vroeg de koning.
"Ja, Heer, een Griek,--een slaaf."
"Laat hem komen."
De slaaf wierp zich voor den koning ter aarde.
"Wie zijt gij?"
"Ephialtes, o koning, een slaaf."
"En wat wilt ge?"
"U een anderen weg wijzen, machtige koning. Een smal voetpad over
den berg brengt u veilig aan den overkant."
De koning bedacht zich een oogenblik. Zou hij dezen slaaf, die zijn
eigen vaderland kwam verraden, gelooven? Wachtte hem misschien geen
valstrik?
De koning besloot hem te vertrouwen.
Hij gebood zijne keurbende, den verrader te volgen, en zijn bevel
werd den volgenden morgen vroeg uitgevoerd.
De verrader Euphialtes wist niet, dat Leonidas de bewaking van dit
smalle voetpad aan 1000 Phocensers had opgedragen, in de stellige
meening, dat niemand beter dan zij daartoe geschikt waren, omdat hun
woonplaats het eerst in de handen der Perzen zou vallen, indien de
vijand langs dezen weg binnenrukte.
Helaas, de Phocensers sliepen, toen de vijand naakte. Het geluid der
voetstappen en het ritselen der bladeren wekte hen uit hun slaap. In
hun verregaande zorgeloosheid hadden zij zelfs verzuimd schildwachten
uit te zetten.
Thans, nu het te laat was, sprongen zij ijlings op en grepen naar de
wapenen. Maar zij werden met een pijlenregen begroet en waren geheel
verward en ontsteld. Zij waagden het niet, den strijd te beginnen en
gaven met een schandelijke laaghartigheid het voetpad prijs. Op een
naburige hoogte brachten zij zich in veiligheid.
De Perzen vervolgden hen niet eens, maar daalden zoo snel mogelijk
den berg af.
Een bode bracht de jobstijding aan koning Leonidas, die dadelijk
begreep, dat hij thans verloren was. Immers, de vijanden zouden hem nu
van twee kanten tegelijk aanvallen en zijn geheele leger vernietigen?
Maar nòg was de gelegenheid tot een terugtocht niet afgesneden. Nog
was hij in de gelegenheid, het gros van zijn leger te redden, maar
dan moest hij zich haasten. Hij gaf dan ook onmiddellijk bevel tot
den terugtocht. Maar om te verhoeden, dat de krijgers door de vijanden
zouden worden ingehaald en gedood, beval hij zijne dappere Spartanen
te blijven. Hij was besloten, den pas zoo lang mogelijk te verdedigen,
om het gros van zijn leger gelegenheid te geven, zich in veiligheid
te stellen.
De uitslag kon niet twijfelachtig zijn: hij en zijne trouwe Spartanen
zouden sterven, maar 't zou een schoone dood zijn.
Zijn bevel om af te trekken werd uitgevoerd,--doch niet door
allen. Demophilus, de aanvoerder der dappere Thespiërs, verklaarde,
onder levendige toejuiching van zijn landgenooten, dat hij bij den
koning wilde blijven en met hem sterven, omdat zijn vaderland toch
verloren was, als de Perzen den pas binnenrukten. Ook zijne krijgers
bleven, zoodat Leonidas met ruim 1200 hopliten den laatsten strijd
zou strijden. Het overige leger, nog slechts uit 3000 man bestaande,
trok terug, om zoo mogelijk het leven te redden.
De krijgers, die achterbleven, tooiden zich met kransen van bloemen
en bladen, alsof zij gereed stonden om feest te vieren ter eere van
een of andere godheid.
Leonidas besloot den aanval van de vijanden niet af te wachten. Hij
plaatste zich aan de spits van zijn dappere schare en drong den pas
binnen, de Perzen tegemoet. Nu ontstond er een vreeselijk gevecht. De
Spartanen wisten van geen wijken. Zij zochten slechts een eervollen
krijgsmansdood op het veld van eer. Zij wedijverden onderling in
onverschrokken dapperheid en in verachting van elk doodsgevaar.
Leonidas, de dappere, viel al spoedig doodelijk gewond ter aarde,
waar hij weldra stierf. Zijn val vuurde de woede der Grieken nog aan,
en er ontstond een vreeselijk gevecht om het bezit van zijn lijk. De
lansen vlogen aan splinters, de zwaarden flikkerden in het heldere
zonnelicht. De aanval der Grieken was zoo hevig, dat de Perzen tot
viermaal toe tot wijken werden gedwongen.
Toen drongen de Perzen, die den omweg over het smalle bergpad hadden
volbracht, den pas van de andere zijde binnen, en werden de Grieken
dus van twee kanten aangevallen. En de dapperen konden zich niet
meer verdedigen, want niemand hunner bezat meer eene lans, velen geen
zwaard, anderen slechts een gedeelte daarvan.
Meer en meer versmolt de kleine schare. De laatst overgeblevenen
verzamelden zich op eene kleine hoogte en wachtten daar rustig de
komst der vijanden af. Tot op den laatsten man werden zij neergehouwen.
Zoo stierf de dappere Leonidas met zijne getrouwe Spartanen den
heldendood, zich opofferende om 3000 spitsbroeders het leven te
redden. De Perzen telden niet minder dan 20000 dooden.