Te Honda worden wij met de meest voorkomende vriendelijkheid ontvangen
door den heer Whitney, die kamers tot onze beschikking stelt en
ons in kennis brengt met de te Honda gevestigde Engelschen, zijne
landgenooten, die ons mede zeer hartelijk ontvangen.
Honda is een van de oudste steden van Columbia. Door hare ligging was
zij volkomen beveiligd tegen invallen van de Indianen, want zij was
voor zulke vijanden zoo goed als ongenaakbaar. De stad is namelijk
op een heuvel gebouwd, omringd door de Magdalena, die vlak voor de
stad eene sterke stroomversnelling vormt, en verder door twee beken
of bergstroomen, die zich hier in de rivier uitstorten. De stad
is dus bijna geheel omgeven door onstuimige snelvlietende wateren,
wier aanhoudend geruisch de lucht vervult. De muren der huizen zien
er, aan de zijde van de Magdalena, als oude vestingwerken uit. Twee
bruggen, waarvan eene ijzeren, eerst onlangs gebouwd, voeren over
de Guari, eene van de twee zoo evengenoemde beken, en vormen de
verbinding van de stad met den weg naar Caraccoli. Ten zuidwesten
verheffen zich kale en steile bergen, wier naakte wanden reusachtige
muren schijnen. Andere bergen vormen bijna een krans om den heuvel,
waarop Honda is gebouwd, dat alzoo in eene soort van kuil schijnt
te liggen. Dankt de stad daaraan haar naam, welke diep beteekent,
of aan de ravijnen, welke haar omgeven?
Den volgenden dag begeven wij ons naar Caraccoli, waar wij den
president Nuñez zullen ontmoeten, voor wien de heer de Lesseps mij
een aanbevelingsbrief heeft mede gegeven. Een aantal _caballeros_
zijn gekomen om den president te begroeten, allen gekleed met den
nationalen poncho, den grooten sombrero of panamahoed en wijde losse
broekspijpen, die tot de knie reiken en die zij uittrekken als zij
van het paard stijgen. Zoodra de president verschijnt, snellen zij
aan boord van de _Montoya_, om hem hunne hulde te brengen. Daar
worden geweren afgeschoten en vuurpijlen opgelaten, terwijl een
muziekkorps het volkslied speelt. Nadat de eerste drukte een weinig
bedaard was, laten wij gehoor verzoeken. De president ontvangt ons
zeer vriendelijk en belooft ons een brief van aanbeveling voor de
verschillende ambtenaren en voor zijne persoonlijke vrienden.
Sedert eenigen tijd is er eene maatschappij opgericht voor de
stoomvaart op de Boven-Magdalena. Zij bezit nog slechts eene enkele
boot, de _Tolima_, die haar derde reis gaat doen. De aanlegplaats
bevindt zich boven de onoverkomelijke stroomversnelling van Honda. De
rivier heeft op dat punt eene breedte van twee-en-negentig el.
Wij vertrekken den zeventienden September. Het landschap draagt hier
een geheel ander karakter dan langs de Beneden-Magdalena. Bergen
verrijzen ter hoogte van vier- of vijfhonderd el; daartusschen
strekken zich zoogenoemde llanos of open vlakten uit, waardoor de
stroom zich een bed heeft gegraven. De hellingen der bergen, waarop de
oude bosschen zijn uitgeroeid, zijn met hoog opgeschoten gras bedekt.
Onze stoomboot is even als de _Trujillo_ ingericht; zij heeft
slechts een rad aan den achtersteven en een diepgang van niet meer
dan drie voet. De kapitein en de contador zijn zeer vriendelijk en
voorkomend. De passagiers der eerste klasse zijn tamelijk gemengd. Wij
ontmoeten daar een afgevaardigde, den heer Mutis, een zeer ontwikkeld
jongmensch; voorts kolonel Blanco, doktor Lombana, een photograaf,
en een goochelaar, die, zoo ik mij niet bedrieg, met het geld dat hij
aan boord ophaalt zijn overtocht moet betalen. Hij stelt zich voor,
vertooningen te geven in de steden en dorpen langs den oever, en zoo,
door middel van zijne ontvangsten de kosten der reis bestrijdende,
Neiva te bereiken.
Den volgenden dag komen wij, tegen den avond, te Ambalema. Blijkbaar
zag men daar met zekere spanning de komst van de boot te gemoet,
die, daar zij eerst hare derde reis volbrengt, nog een voorwerp
van nieuwsgierigheid is voor de bewoners van het stedeke. Toen
wij aankwamen, stond bijna de geheele bevolking langs den oever
geschaard. Ambalema is niet meer dan een dorp, op een lagen heuvel
gebouwd. Een vrij ruim vierkant plein, dat den top van dien heuvel
inneemt, is door enkele vrij steile, slecht geplaveide straten met
de rivier verbonden.
Omstreeks twee uren in den namiddag van den twintigsten September
bereiken wij den salto del Gallinaso, dien wij niet zonder moeite en
eerst na herhaalde vruchtelooze pogingen kunnen passeeren. Terwijl
wij daarmede bezig waren, hadden de bewoners der omliggende hoeven
en boerderijen zich langs de oevers verzameld, en sloegen ons met
stomme verbazing gade. Vooral werd onze aandacht getrokken door
eene breedgeschouderde indiaansche vrouw, die zich bijzonder druk
maakte. Een laag uitgesneden hemd zonder mouwen, van blauwe stof,
dat tot de knieën reikt, is haar eenige kleedingstuk. Wij hebben den
val reeds achter den rug, en nog altijd loopt zij, als eene bezetene,
langs den oever de boot na, haar lange zwarte haren en haar kleed
fladderende in den wind.
Het verval wordt voortdurend sterker; het land rijst meer en meer,
doch het landschap blijft in hoofdzaak onveranderd. De eilanden en de
lage aangespoelde oevers zijn bedekt met weelderige plantsoenen van
bananen of plataneros. De bananen vormen een hoofdbestanddeel van de
volksvoeding: van onrijpe maakt men sancocho; de rijpe vruchten worden
gebakken of als beignets gegeten: zij zijn dan ook een belangrijk
handelsartikel. De bezitters van plataneros maken van de stammen
van bananen vlotten, waarop zij zich met hun produkten inschepen, om
ze in het naburige dorp te gaan verkoopen. Even boven Purification
zien wij zulk een vlot, waarop zich een gezin met een klein kind
bevindt. Een ezel, achter op het vlot aan een paal vastgebonden,
kijkt met droomerigen blik naar het geelachtige water in de rivier,
dat voor zijne voeten wegstroomt, en schijnt in het minste niet
verbaasd over deze wijze van beweging.
Langs de oevers ziet men nog enkele boschjes van bamboe. De
overblijfselen der oude bosschen, die nog hier en daar de berghellingen
bekleedden, verminderen en verdwijnen met den dag. De inboorlingen
schijnen het er op gesteld te hebben, tot den laatsten boom te
verbranden, om weilanden aan te leggen. Overal stijgen reusachtige
rookwolken in de lucht, hetgeen vooral des nachts een zonderling effect
maakt. De hemel is rood gekleurd door deze tallooze branden. Indien
dit uitroeien der bosschen ongehinderd wordt voortgezet, is het dan
niet te vreezen, dat de regen zal ophouden en dit heerlijke land in
eene woestijn worden herschapen? Maar de onmetelijke wouden van de
reusachtige Andesketen zijn niet zoo gemakkelijk uit te roeien. De
temperatuur is zeer hoog in deze vallei van de Boven-Magdalena:
elken namiddag teekent de thermometer in mijne kamer vijf-en-dertig
graden.--Wij maken eenige uitstapjes in den omtrek en bezoeken
verschillende dorpen, die allen op elkander gelijken. De woningen
of hutten zijn overal naar hetzelfde model gebouwd, en ook de
kleederdracht is overal dezelfde. De mannen dragen voor het meerendeel
kleederen van fransch maaksel; in plaats van een vest en een jacquette
dragen zij echter den nationalen poncho. Hunne bloote voeten steken in
eene soort van schoenen, bestaande uit een lederen zool en twee lappen
doek, die den voet en den hiel omvatten. De vrouwen dragen hetzelfde
schoeisel, een jurk van dun katoen en een dikken shawl. Op haar hoofd
dragen zij een puntigen panamahoed, met breede randen, waarvan het
breede lint van voren met een gesp of een strik is versierd. Dit
is de gewone kleeding van de muchachos, de vrouwen en meisjes uit
de volksklasse, die er over het algemeen niet onaardig uitzien. De
boerinnen met haar platte hoeden zien er niet minder aardig uit. De
vrouwen van meer gegoeden stand zijn op europeesche wijze gekleed,
met uitzondering van den hoed.
Den vier-en-twintigsten September komen wij op de hoogte van Natagaima,
waar wij hout innemen. Overigens heeft de boot hier noch reizigers,
noch goederen op te nemen of af te zetten, zoodat wij onze vaart
vervolgen naar Aipé, het voorlaatste station van eenige beteekenis. Wij
hadden geene gelegenheid om het dorp te bezoeken, dat op eenigen
afstand van de rivier ligt, aan den voet van een steilen berg, de piek
van Pacandé, die op grooten afstand langs de rivier zichtbaar is.--De
vaart wordt uitermate bezwaarlijk; elk oogenblik raken wij aan den
grond. Wij maken gebruik van den minsten was, om eenige kilometers
vooruit te komen, en telkens stuiten wij op nieuwe hinderpalen,
hetzij rotsen, die de bedding versperren, hetzij stroomversnellingen.
Te Aipé, waar wij den derden October aankomen, huren wij
muilezels en begeven wij ons over land naar Neiva, een afstand
van zestig kilometers. De weg is een zeer oneffen, moeielijk pad,
dat onophoudelijk rijst en daalt. Onze bagage volgt in eene prauw,
onder opzicht van onzen bediende Apatou. Ten tien uren des avonds
komen wij te Neiva.
Wie eene stad van Columbia heeft gezien,--met uitzondering van
de hoofdstad, waarvan ik niets zeggen kan,--kent al de andere. Het
eenige verschil bestaat in de meerdere of mindere oneffenheid van den
grond en in den meerderen of minderen welstand der woningen. De vorm
der huizen en der openbare gebouwen is steeds dezelfde. Eigenlijk
zien allen er even ellendig uit, en missen gelijkelijk alles wat,
uit een historisch of uit een artistiek oogpunt, eenig belang zou
kunnen inboezemen.--De bevolking van Neiva bedraagt tusschen de
drie- en vierduizend zielen. Melaatschheid is hier zeer algemeen,
en kropgezwellen komen zoo veelvuldig voor, dat het schijnt als
of de meerderheid der inwoners door die afschuwelijke ziekte is
aangetast. Naar het mij voorkomt, zijn de vrouwen daaraan meer
onderhevig dan de mannen.--De stad en het omliggende land is zeer arm,
hoewel er eene groote menigte panamahoeden worden vervaardigd en in
den handel gebracht.
De Magdalena heeft voor de stad eene breedte van
honderd-negen-en-twintig el en eene gemiddelde diepte van
drie el; de gemiddelde snelheid van den stroom bedraagt twee el
honderd-vijf-en-vijftig streep. Neiva ligt vijfhonderd-zes-en-vijftig
el boven de zee.
De gouverneur van Neiva raadt mij af, om de bronnen van de rio Uaupes
te gaan opsporen. Naar zijn zeggen, liggen die bronnen op grooten
afstand van de Andes, en zijn zij bij de Indianen onbekend. Ik
weet dat de vaart op deze rio, ten gevolge van de watervallen,
zeer moeielijk is en dat de rivier voor een deel is onderzocht;
maar de Goyabero of Guaviare is nog nimmer onderzocht. Te Columbia
zal men ons omtrent deze rivier nadere inlichtingen kunnen geven:
wij moeten dus naar Columbia gaan.
Den zesden October, des morgens te elf uren, vertrekken wij van
Neiva. Het is reeds donker als wij te Union aankomen; onze arrieros
brengen ons naar hutten, waar wij een onderkomen vinden voor den nacht.
Den volgenden morgen trekken wij het gebergte in; wij volgen
steenachtige, ongebaande paden, die onze arrieros met den weidschen
titel van _cumineos reales_, koninklijke wegen, aanduidden. Wij
moeten ons een weg banen door zware bosschen, waar de boomen zoo
dicht op elkander staan, dat onze kleederen aan de takken blijven
haken. Voortdurend zitten wij voorovergebogen op onze zadels, of
wel richten wij ons op in de stijgbeugels, om bij het afdalen langs
loodrechte hellingen ons evenwicht niet te verliezen. Na een rit
van elf uren, komen wij ten zeven uren des avonds te Las Aminas,
eene boerderij toebehoorende aan den generaal Lucio Restrepo,
directeur van de exploitatie-maatschappij van Colombia, voor wien
wij een aanbevelingsbrief bij ons hebben. De generaal heeft op deze
boerderij omstreeks vijfhonderd prachtige runderen.
Hij geeft last om voor onze muildieren te zorgen en een maaltijd voor
ons gereed te maken; vervolgens neemt hij kennis van onzen brief. De
generaal is een man van tusschen de vijf-en-dertig en veertig jaren,
met een zeer innemend voorkomen. Nadat wij hem met ons voornemen
hadden bekend gemaakt, verklaart hij zich bereid om ons naar vermogen
behulpzaam te zijn. Hij stelt ons voor, den nacht bij hem door te
brengen en den volgenden dag naar Colombia te gaan.
Den volgenden morgen ten zeven uren zijn wij dus op weg naar Colombia,
steeds langs steile en moeielijke paden. Omstreeks twee uren in den
namiddag krijgen wij het dorp in het gezicht, waarvan de woningen
verspreid liggen op een soort van plateau, dat ongeveer tien el boven
de rivier ligt. Met uitzondering van het huis, waarin het kantoor
van de maatschappij is gevestigd en de woning van den directeur,
zien alle overige hutten er even armoedig uit; gelukkig is het er
zindelijk. Leemen, wit gepleisterde muren dragen het rieten dak, dat
vooruitsteekt en eene soort van veranda vormt, die op eenige palen
rust. Alle woningen zijn naar hetzelfde model gebouwd. De inwoners
zijn allen in dienst van de maatschappij; zij zijn sterk en krachtig
en zien er veel gezonder uit dan de bewoners van de Magdalena-vallei.
Colombia ligt zevenhonderd-tachtig el boven de zee; onweders, met
hevige stormen gepaard, komen hier veelvuldig voor.
Don Lucio komt ons den volgenden dag bezoeken. Hij zegt dat wij langs
twee wegen de Goyabero (Guaviare) kunnen bereiken: vooreerst kunnen
wij de Areare afzakken, een van de zijrivieren van de Guaviare, die te
San-Juan de los Llanos ontspringt. Wij hebben zes dagen noodig om deze
rivier te bereiken, en nog vijf om aan hare uitmonding in de Guaviare
te komen. Deze laatste rivier is nog door niemand bevaren; wij kunnen
haar in drie dagen bereiken. Verdere inlichtingen kan men ons niet
geven. Don Lucio weet alleen, dat zich even voor de samenvloeiing
van de Goyabero met de Areare, een _raudal_, een gevaarlijke plaats,
bevindt, waaromtrent hij ons echter geene verdere bijzonderheden kan
mededeelen. Wij hebben dus tusschen twee wegen te kiezen, waarvan
de een betrekkelijk gemakkelijk, de andere volslagen onbekend is:
zonder aarzelen kiezen wij den laatsten.
Wij zullen de Goyabero afzakken, en als wij slagen in onze onderneming,
zullen wij aan deze rivier den naam geven van rio de Lesseps, ter
eere van onzen doorluchtigen landgenoot, wiens aanbeveling ons alle
deuren heeft geopend in Columbia, waar zijn naam even bekend is als
die van den bevrijder Bolivar.
Wij moeten ons nu bezig houden met de toebereidselen voor onze
reis. Don Lucio bewijst ons een wezenlijken dienst, door ons muilezels
en zadels te bezorgen, benevens de peons of drijvers, die wij noodig
hebben. Zonder zijne tusschenkomst zouden wij er waarschijnlijk
niet in zijn geslaagd, muildieren te krijgen om over de Andes te
trekken. De wegen zijn bij uitnemendheid slecht, en men is niet zeer
bereid om de dieren af te staan voor een tocht, die hen voor goed kan
bederven. De generaal zendt ook boodschappers vooruit om als het ware
kwartier voor ons te maken. Te Duda zullen wij levensmiddelen vinden
en mannen, die ons den weg zullen wijzen van Yavia tot de Goyabero.
Tegen den middag van den twaalfden October bezorgt men ons acht
muildieren, waarvan vier bestemd zijn om door ons en onze bedienden
bereden te worden, en vier de bagage moeten dragen. De twee péons, die
bij de muildieren behooren, dragen aan hun lederen gordel een machete,
een soort van hakmes of bijl, en een cuchillo, een dolkmes. Een uur
later begeven wij ons op weg naar Totuma, waar wij zullen overnachten.
Den volgenden morgen hervatten wij den tocht. Eene vrij bouwvallige
brug voert ons over de rio Blanco, en wij trekken het gebergte
in. Welk eene prachtige natuur, welk een rijkdom van planten van
allerlei soort, van reusachtige boomen, van struiken en heesters,
van orchideeën, bromeliaceeën, lianen, varens; welk een schat van
bloemen en weelde van vormen. Bij de heerlijkheid der plantenwereld
komt het bijna volslagen gemis aan dieren te meer uit: bijna nooit
vernemen wij eenig ander geluid dan het gekraak van verdorde takken
die afbreken, of den zwaren, doffen slag van eeuwenoude boomen,
die soms met donderend gerucht ter aarde storten.
In de laatste vallei, die wij doortrekken eer wij te San-Pedro komen,
vinden wij eene brug over een bergstroom, die nu bijna geheel droog
is en waarvan de bedding met geweldige rotsblokken is bezaaid. Aan
de overzijde zien wij een kamp, bewoond door een landmeter en
zijne helpers, die, naar ik meen, de grenzen moeten bepalen van het
territoir, dat aan de maatschappij van Colombia ter exploitatie is
afgestaan. Wij praten eenigen tijd met hen en koopen van hen een
hond, naar men zegt een brak van echt ras, die ons op onze reis zal
volgen. Hij zal voor ons op de jacht gaan, als hij kan, en zal ons
van dreigende gevaren verwittigen, als hij durft. Hij ontvangt den
naam van Toutou.
Na nog een berg te zijn overgetrokken, komen wij aan eene open
plek in het woud en bespeuren den rancho waar wij den nacht zullen
doorbrengen. Wij bevinden ons op eene hoogte van dertienhonderd-zestig
el. De rancho van San-Pedro bestaat uit eenige houten palen, die
een dak van palmbladeren dragen. Andere palen, in de binnenruimte
aangebracht, geven gelegenheid tot het bevestigen van hangmatten.
Met het krieken van den dag begeven wij ons den volgenden dag weer
op weg. De wegen, als men ze zoo noemen mag, worden al slechter en
onbegaanbaarder; op sommige punten is er een begin van plaveisel,
dat geheel los is geraakt. Nu en dan zien wij langs den weg het
geraamte van een rund, overblijfsel van opgebroken kampementen van
de Kineros-Indianen.
Tegen den middag bereiken wij de kam van de Cordillera; de beken, die
wij nu verder zullen ontmoeten, nemen haar weg naar den Orinoco. Wij
bevinden ons op eene hoogte van negentienhonderd-tien el. Naar het
oosten is het, zoo ver we zien kunnen, eene aaneenschakeling van
met bosch begroeide bergen, die zich beneden ons in dichte rijen
scharen. Ter linkerhand verrijzen eenige hoogere toppen, waarom witte
wolken drijven. Wij gebruiken hier het middagmaal en beginnen daarna
te dalen.
Omstreeks twee uren komen wij aan de hacienda del Tigre, waar men
van onze komst verwittigd is. Wij nemen een bad in de rio Tigre,
die ongeveer een kilometer van de hacienda verwijderd is; het water,
dat van de bergen afdaalt, is heerlijk koel. De hoeve ligt op eene
hoogte van duizend el.
In den morgen van den vijftienden gaan wij op weg naar Yavia, en
moeten verschillende beken en stroompjes oversteken, die wel niet
diep zijn, maar vrij breed en waarin een sterke stroom gaat. Sommigen
kunnen wij op onze muilezels zittende doorwaden; anderen moeten
wij overvaren. Wederom bestijgen wij eene hoogte, van waar wij
een prachtig uitzicht hebben, aan de eene zijde op de keten der
Andes, aan de andere op de golvende, met bosschen bedekte, door een
heuvelreeks doorsneden vlakte. Eindelijk komen wij aan de boerderij
van Yavia, waar wij niemand aantreffen dan eene zieke vrouw en een
bediende. Het overige personeel is op de boerderij van Duda, waar
wij de ons toegezegde mondbehoeften vinden en de noodige inkoopen doen.