NEDERLAND EN ZIJNE MOHAMMEDANEN.

De dusver bereikte slotsom leidt niet tot positieve resultaten.

De echte voorstanders eener ethische koloniale politiek, zullen,

naar ik mij vlei, geene ernstige bedenkingen hebben tegen de door

mij voorgedragen beschouwingen over onze Nederlandsche Islâmquaestie

en hare oplossing; toch zullen zij denkelijk met de slotsommen,

waartoe wij tot dusver kwamen, niet tevreden zijn. Ook mijzelf voldoen

zij volstrekt niet. Immers, in het leven der Nederlandsch-Indische

Mohammedanen, zoover dat aan den invloed van het stelsel van den

Islâm onderworpen of blootgesteld is, bakenden wij één gebied, het

zuiver godsdienstige, af, waarop de Regeering en Hare ambtenaren

volstrekte vrijheid moeten handhaven; een ander, het politieke,

waarop die vrijheid in aller belang zeer beperkt behoort te worden;

weder een ander, dat van het met de religie op het innigste verbonden

gedeelte van het Mohammedaansche recht, waarin allerminst willekeurig

mag worden ingegrepen, maar waarbij toch de weg der evolutie zoo

wijd opengehouden dient te blijven als de omstandigheden het maar

veroorlooven. De modus vivendi, die door dit alles bereikt wordt,

heeft evenwel voornamelijk negatieve verdiensten: het kwade wordt

vermeden, zonder dat men zeker is, het goede te naderen.

Wij kunnen het echter niet laten bij maatregelen, die dienen om

ontevredenheid en verzet bij de bevolking te voorkomen en zoo ons

gezag te bevestigen. Niet de voorheen zoo geprezen rust is ons doel,

maar beweging. Ons gezag zal zijne rechtvaardiging moeten vinden in

de opheffing der Inlanders tot een hooger peil; onder onze leiding

moeten zij onder de volken de plaats gaan innemen, waartoe hun aanleg

hen in staat stelt.

Opvoeding en onderwijs zijn in staat, de Moslims van het Islâmstelsel

te emancipeeren.

Opvoeding en onderwijs zijn de middelen, waarmede dat doel kan

worden bereikt. Zelfs in landen van veel oudere Moslimsche cultuur

dan onze Archipel zien wij die met goeden uitslag aan het werk om

de Mohammedanen te verlossen van een deel van den middeleeuwschen

rommel, dien de Islâm reeds al te lang achter zich aan sleept. Wel

blijft dan het stelsel op de vroeger ontwikkelde historische gronden

onvatbaar voor eene afdoende hervorming, hetzij door moderniseering

der wet, hetzij door populariseering der mystiek; maar de Moslimsche

maatschappij schrijdt nochtans voort in de richting der moderne

cultuur, buiten het systeem om, doodzwijgend hetgeen zij niet durft

aantasten. Zoo gaat het in Turkije, in Egypte, in Syrië.

Als opvoeders en onderwijzers van de Oost-Indische Mohammedanen

vinden wij nu tal van factoren in ons voordeel, die men in die andere

landen niet of in mindere mate aantreft. De betrekkelijk korte tijd,

waarin het stelsel van den Islâm hier gewerkt heeft, waardoor het

vele bestanddeelen van het leven onaangetast heeft moeten laten,

vergemakkelijkt de opname van nieuwe cultuurelementen, wanneer

maar theoretische bestrijding van de godsdienstige basis achterwege

blijft. De eeuwenoude gewoonte der Inlanders, vooral op Java, om zich

met zeer uiteenloopende rassen en beschavingen te verstaan, heeft hen

bewaard voor de bekrompenheid, die het gevolg is van isolement. Men

zal moeilijk op aarde een volk vinden, dat in volgzaamheid jegens

zijne hoofden de Javanen overtreft, en even moeielijk inheemsche

bestuurders van een door vreemden overheerscht volk, williger dan de

Javaansche aristocratie om te gaan in de wegen, die de uitheemsche

regeeringsambtenaren hun wijzen.

Gunstige voorwaarden voor de werking dier middelen in Oost-Indië,

vooral op Java.

Inzonderheid wat betreft de aan hunne kinderen te geven opleiding

winnen de Inlandsche ambtenaren gaarne den raad der Europeesche

in niet alleen, maar zij volgen dien ook met bijna aandoenlijk

vertrouwen op. Vroeger gaven dezen hun meestal het advies, aan

hunne zonen slechts eene vrij primitieve opleiding te laten geven,

daar het opdoen der kennis, die Europeanen noodig hadden om door de

wereld te komen, voor hen bij hunnen beperkten werkkring geen nut

zou opleveren. Zelfs zulke raad werd gehoorzaam ter harte genomen,

al dacht menigeen er meesmuilend het zijne van. Sedert de kentering

in de Europeesche opinie over de intellectueele, welhaast ook over de

moreele waarde van den Inlander, aan wiens vorming de noodige zorg

besteed wordt, bleek de lust der hoogere klassen op Java om zich

geheel in de richting der hedendaagsche beschaving te ontwikkelen

buitengewoon groot, veel te groot alras voor de gelegenheid, die hun

van regeeringswege daartoe geboden werd.

Nadat eenmaal een zeker aantal jonge Inlanders zich aan de vruchten

van den boom der kennis verzadigd hadden, volgden anderen in scharen,

die nog veel grooter zouden zijn, indien niet te diep ingewortelde

behoudzucht der Europeesche bureaucratie den stroom voorloopig weer

had gestuit.

Gebrek aan krachtige leiding van den gunstigen stroom.

Men heeft hier een nieuw droevig voorbeeld van datzelfde gebrek aan

organiseerend talent, diezelfde halfheid en besluiteloosheid, die wij

bij de beschouwing der Vreemde-Oosterlingen-politiek ontmoetten, die

telkens in ons koloniaal bestuur aan den dag treedt, wanneer de bakens

verzet moeten worden, die de koloniale regeering daar, waar eene kloeke

beslissing dringend vereischt wordt, na vele adviezen en jaren durende

overwegingen doet komen tot een antwoord, dat noch ja noch neen zegt.

Toen de aandrang van Inlandsche kinderen naar de Europeesche lagere

scholen groot werd, weerde men hen op gronden, die, als zij ernstig

bedoeld waren, tevens tal van kinderen van Europeesche afstamming

van die scholen verwijderd zouden moeten houden, gronden dus, die den

indruk van voorwendsels maakten. Men troostte de teruggedrongenen door

voor hen scholen van eene nieuwe soort op te richten, die in geenen

deele aan de behoefte voldeden. Met betrekkelijk milde hand gaf men op

onderwijsgebied aan de Chineezen, die brutaal schreeuwend eischten,

terwijl hetgeen aan de bescheiden vragende Inlanders ten deel viel,

doet denken aan het stuk beschimmeld roggebrood uit Gellerts fabel,

dat door den rijkaard met verheven gebaar aan den hongerigen bedelaar

werd toegeworpen.

Zou men nu uit zulke feiten de gevolgtrekking willen maken, dat

de Regeering onverschillig was voor den snel toegenomen drang der

Inlandsche wereld naar hoogere geestesontwikkeling, dan stonden

daartegenover herhaalde officieele uitingen van ingenomenheid met en

aanmoediging van diezelfde intellectueele beweging. Zoo eerlijk gemeend

als die betuigingen van welwillendheid waren, zoo onoverwinnelijk was

de indolentie der regeeringsorganen, die de strooming hadden moeten

bevorderen en leiden. Het pijnlijkst kwam die tegenstelling uit in

de behandeling van verscheidene jongelieden, die den nieuwen koers

met succes, zoover het van hen afhing, gevolgd waren.

Voorbeelden van betreurenswaardige onbeslistheid.

Iemand van Inlandsche geboorte, maar zoo goed als geheel Europeesche

opvoeding, wordt na afgelegd examen voor ambtenaar bij het Europeesche

corps voor eene benoeming als zoodanig ter beschikking van den

Landvoogd gesteld. Hij treedt inderdaad als bestuursambtenaar

op, maar wordt na korten tijd bij den specialen diensttak van

het landbouwcrediet onder dak gebracht. Een ander, die na hem

denzelfden weg van opleiding was gevolgd, werd van den aanvang af

bij het credietwezen geplaatst, zoodat het niet verwonderen kan,

dat in de Inlandsche ambtenaarswereld de meening post vatte,

als wilde de Regeering alle Inlanders, die aan de eischen van

het grootambtenaarsexamen voldaan hadden, tot specialiteiten in

credietzaken maken. Die zich met die hoop vleiden, hadden evenwel

wederom buiten den waard gerekend, want nu volgde er een jeugdige

Inlander, die na een zeer goed grootambtenaarsexamen te hebben

afgelegd, al zijne Europeesche kameraden, die boven en beneden hem

op de ranglijst voorkwamen, met hunne plaatsing kon gelukwenschen,

zonder dat van zijn bestaan ook maar de geringste notitie werd

genomen. Ten slotte gelukte het hem, na veel getob, eene matige

plaatsing bij het Inlandsche bestuur te krijgen, die natuurlijk bij

vele zijner landgenooten de vraag deed rijzen, of het wel de moeite

loonde, hunne zoons op zoo kostbare wijze te laten opleiden, wanneer

toch de Regeering daaraan zoo weinig waarde scheen te hechten.

Men begrijpe mij niet verkeerd. De wenschelijkheid der plaatsing

van Inlanders bij het Europeesche bestuurscorps wil ik geenszins

betoogen. Maar wanneer de wettelijke bepalingen die plaatsing toelaten

en de gelegenheid om de daarvoor vereischte kennis op te doen en

daarvan bij examen te doen blijken aan Inlanders geschonken wordt,

dan is eene behandeling van drie geslaagde candidaten op de daareven

genoemde wijze niet te verantwoorden.

Een ander zeer begaafd jong Inlander wilde in de rechten gaan

studeeren, wanneer hij zekerheid had, dat hij na aan alle wettelijke

eischen te hebben voldaan, niet om zijnen landaard uitgesloten zou zijn

van eene plaatsing bij de rechterlijke macht in zijn vaderland. Een

jaar voordat hij over de keuze zijner studierichting moest beslissen,

vroeg men voor hem dienaangaande bij de Regeering om inlichting. Twee

jaren van overweging had de Regeering noodig om een antwoord te geven,

waarbij de hoofdquaestie eigenlijk nog onopgelost bleef.

Onvoldoende, immers voorloopig en voorwaardelijk was eveneens het

bescheid, dat ten deel viel aan eenen Inlander, die voor ingenieur

wilde studeeren en officieele zekerheid wenschte te hebben omtrent

zijne vooruitzichten bij den staatsdienst in dat vak.

Een enkele daad der Regeering, die scheen te wijzen op een ontwakend

besef van Hare plichten in verband met de intellectueele beweging

onder Hare Inlandsche onderdanen, was de oprichting der Rechtsschool

voor Inlanders. Kort na de geboorte gaf Zij echter dit jeugdige

wezen aan verkwijning prijs door trots allen aandrang na te laten, de

vooruitzichten der geslaagde kweekelingen dezer instelling behoorlijk

te regelen, zoodat vaders niet met gegronde gerustheid hunne zoons

van goeden aanleg aan haar konden toevertrouwen.

Hetgeen andere koloniale mogendheden met veel moeite aan hare

onderdanen trachten op te dringen: eene opvoeding, die hen geschikt

maakt om op hunne wijze het leven hunner overheerschers mee te leven,

dat wordt van ons op Java en in een deel der Buitenbezittingen door

de inheemsche bevolking afgesmeekt. Zou het niet eene onuitwischbare

schande zijn voor ons koloniaal bestuur, indien wij die geestelijke

goudmijn lieten liggen, zooals een concessionaris zonder kapitaal,

die zijn zaakje schijnbaar aan den gang houdt, totdat een energiek

syndicaat het van hem komt overnemen?

In associatie der Inlanders aan onze cultuur ligt de oplossing der

Islâmquaestie.

Wat deze dingen nu eigenlijk met de Islâmquaestie van Nederland te

maken hebben? Niet minder dan alles. De eenige ware oplossing van dat

probleem ligt in de associatie der Mohammedaansche onderdanen van den

Nederlandschen staat aan de Nederlanders. Gelukt deze, dan bestaat er

geene Islâmquaestie meer; dan is er genoeg eenheid van cultuur tusschen

de onderdanen der Koningin van Nederland aan het Noordzeestrand en die

van Insulinde om aan het verschil in godsdienstige belijdenis zijne

politieke en sociale beteekenis te ontnemen. Moest zij mislukken,

dan zou de onvermijdelijk toenemende intellectueele ontwikkeling der

Indonesiërs hen noodwendig hoe langer hoe verder van ons af voeren,

want dan zouden anderen dan wij de leiding in handen krijgen.

De openbare meening in Nederland behoort in die richting krachtig

te spreken.

De opgedane ervaring verbiedt ons, het totstandbrengen dier oplossing

alleen of in de eerste plaats van de Regeering te verwachten; het

ontbreekt Haar daartoe niet aan de noodige sympathie voor de zaak,

maar wel aan de vereischte kracht. Hoe het komt, kunnen wij daarlaten,

maar Zij is nu eenmaal een log lichaam, waarin in den regel slechts

ruwe schokken wat beweging vermogen te brengen. Een krijgszang van

Max Havelaar, een alarmkreet van Wekker in de Avondpost lokken

maatregelen uit, die het daarvóór aan bezadigde vertoogen niet

gelukte te voorschijn te roepen; half-oproerige Chineezen zien

wenschen vervuld, die kalm berustende Inlanders vergeefs slaken. Er

is echter nog een andere weg, die met minder rumoer en misschien iets

minder snel tot het doel kan leiden, maar die toch op den duur niet

vruchteloos bewandeld wordt: de eindelijk onweerstaanbare druk, dien

eene krachtige openbare meening op de Regeering pleegt uit te oefenen.

Eerst moet dus in wijde kringen van het Nederlandsche volk de

overtuiging zijn doorgedrongen, dat associatie van het leven der

Inlandsche bevolking van den Indischen Archipel aan het onze in

beider belang tot stand gebracht behoort te worden, en dat de

tegenwoordige intellectueele beweging van de hoogere klassen der

Inlandsche maatschappij de krachtige bevordering dier associatie

onzerzijds urgent maakt, dat er periculum in mora is. En dan mag het

niet blijven bij uiting dier overtuiging in woorden, er moet ook in

die richting gewerkt worden, wij moeten er offers voor over hebben

in geld en in arbeid. Als de Regeering het alleen moest doen, dan zou

het gevaar te groot te worden, dat zij met het haar eigen gebrek aan

besluitvaardigheid ten slotte door de omstandigheden overrompeld werd,

nadat de goede tijd om de leiding der beweging in handen te nemen en

te houden voorbij was, om niet terug te keeren.

De eenigen, die blijk geven het te beseffen, zijn de zendingsvrienden.

Tot dusver is het inzicht, dat wij hier met een dringend volksbelang te

doen hebben, bij ons tot vrij enge kringen beperkt, en zijn eigenlijk

de eenigen, die blijk geven, het levendig te beseffen, de actieve

zendingsvrienden. Of liever: zij streven naar eene associatie van

veel hoogere orde dan de zooeven door ons bedoelde, eene eenheid, die,

als zij tot stand kwam, alle belemmeringen der eenheid van beschaving

en nationaal bewustzijn tusschen het Oosterlijk en het Westelijk deel

van het rijk der Nederlanden zou opheffen.

Als zij tot stand kwam! Maar de groote bewondering, waarmee wij den

zelfopofferenden arbeid der zendelingen gadeslaan, en onze groote

waardeering van de offervaardigheid, waarmede velen in het moederland

dien arbeid steunen, mag ons niet doen vergeten, hoe gering het

uitzicht op belangrijk succes voor de Christelijke zending is in

landen, waarop de adem van den Islâm neergestreken is. Zelfs de

verstandige mannen der zending maken zich daaromtrent geene illusie,

al geven zij daarom het werk niet op. In geen geval mag er voor ons

volk en onze regeering sprake van zijn, de taak der associatie aan

de Christelijke zending over te laten, met veronachtzaming der voor

hare vervulling zoo uiterst gunstige beweging in de Inlandsche wereld,

die thans in gang is.

De Moslimsche Inlanders wenschen wel politieke en nationale, geen

religieuze associatie.

Die beweging wijst ondubbelzinnig op de practische mogelijkheid

der verwezenlijking eener schoone politieke en nationale gedachte,

namelijk die der wording van een Nederlandschen staat, bestaande uit

twee geographisch ver uiteenliggende, maar geestelijk innig verbonden

deelen, het eene in Noordwest-Europa, het andere in Zuidoost-Azië. Dit

is geen utopistisch ideaal, maar een doel, waarvan Regeering en volk

van Nederland het zich duurzaam zouden verwijten, het niet bijtijds

in het oog gevat te hebben, wanneer zij de thans zich opdringende

gelegenheid om het na te streven ongebruikt lieten voorbijgaan. Hier

en nu geldt in volle kracht het woord van Goethe:

"Was du ererbt von deinen Vatern hast,

Erwirb es, um es zu besitzen".

Onze erfenis, die hier bedoeld wordt, dat waren schoone en rijke

wingewesten; de staatkundige band, die ze met ons verbonden hield, was

overheersching. Wil de eenheid tegen de stormen van den tijd bestand

blijken, dan moet nu de materieele inlijving door de geestelijke

gevolgd worden.

Hoe ver kan de associatie gaan?

Om teleurstelling en verwarring te voorkomen is het noodig, dat

wij ons onbevangen rekenschap geven van de grenzen, waarbinnen de

geestelijke annexatie uitvoerbaar is. De godsdienst, hoe gewichtig

ook voor ons volks- en staatsleven, is zelfs in het kleine Westelijke

Nederland de band niet, die ons samenhoudt. Onze eenheid wortelt

in algemeenere cultuurgedachten, tot welker vorming het Christendom

ongetwijfeld veel heeft bijgedragen, maar onder welker heerschappij

niet slechts Christenen van de meest uiteenloopende confessies, maar

ook Joden en vrijdenkers, met gelijke aanspraken op eerbiediging van

hetgeen aan elke dier categorieën in het bijzonder eigen is, zich thuis

gevoelen. Thuis gevoelen in die mate, dat zij zich verzetten met alle

kracht, zelfs met opoffering van goed en bloed, tegen iedere poging

om hen tot eene andere nationaliteit of tot een ander staatsverband

te doen overgaan.

Hieruit vloeit vanzelf voort, dat noch van onzen staat, noch

van ons volk eene propaganda kan uitgaan, die zich voorstelt, de

Mohammedaansche Inlanders over te halen tot eene religie, die onder

ons eenen, zij het nog zoo grooten, kring van belijders telt. Eene

poging om de grondslagen te ondermijnen van het Islâmstelsel, dat

het leven der Inlanders deels beheerscht, en gaarne geheel zou willen

beheerschen, kan alleen van eene religieuze gemeenschap, eene kerk of

eene vereeniging voor zending, uitgaan; de staat kan daarbij slechts

toezien, dat niemand in zijne vrijheid van beweging belemmerd worde.

Niet ongeoorloofd noch misplaatst is daarentegen in het gegeven geval

eene actie, die bedoelt, de Inlanders op veel steviger wijze dan tot

dusver het geval is, bij ons staatsverband en bij onze nationaliteit

in te lijven. Immers, een eigen zelfstandig politiek of nationaal

leven hebben zij al sinds eeuwen niet meer; en wij, die hun lang

geleden ontnamen, wat zij van die aard bezeten mogen hebben, hun

daarbij eerbiediging hunner godsdienstige instellingen belovende,

wij aanvaardden daarmede tevens de moreele verplichting om hen tot

deelname aan ons staats- en volksleven op te voeden. Hunnerzijds ruimen

zij elk voorwendsel voor uitstel van het vervullen dier verplichting

uit den weg, waar zij zelve op die geestelijke annexatie in toenemende

mate bij ons aandringen. Men geeft er zich onder ons lang niet genoeg

rekenschap van, hoe sterk die aandrang inderdaad wel is. Het zijn niet

alleen de Inlandsche ambtenaren en in het algemeen de aristocratie, die

hunne kinderen in de eerste plaats Nederlandsch willen laten leeren,

en vervolgens zooveel mogelijk van hetgeen, waartoe de kennis dier taal

hun den weg effent; zelfs onder de Mohammedaansche schriftgeleerden

neemt het aantal toe dergenen, die hunne zoons voor onderwijs en

opvoeding liever geheel aan Europeesche leiding toevertrouwen dan dat

zij hen laten opleiden in de wetenschappen van den Islâm. Telkens kan

men van Inlanders op Java vernemen, dat de toeloop naar de pesantrèns

sterk afneemt en dat alles tegenwoordig heendringt naar de school. De

vroeger in eenigszins vrome kringen vaak gekoesterde vrees, dat zulke

toenadering tot de Hollandsche cultuur het van de vaderen geërfde

geloof in gevaar zou brengen, maakt meer en meer plaats voor de

overtuiging, dat men aan de religieuze denkbeelden en gebruiken van

voorheen getrouw kan blijven zonder in de oude onwetendheid voort te

leven, en dat er geen beter middel is om van deze laatste verlost

te worden dan zich met vol vertrouwen over te geven aan opleiding

in de Europeesche school, ja, als de omstandigheden het toelaten,

tevens aan opvoeding in het Europeesche gezin.

Bezwaar tegen gesubsidieerde Christelijke scholen met gedwongen

deelneming aan het godsdienstonderwijs.

Niet onvoorwaardelijk is dit vertrouwen, wanneer de Inlander zich

wegens gebrek aan plaats op andere scholen of om finantieele redenen

genoopt ziet, zijne kinderen te zenden naar eene Christelijke school,

waar het deelnemen aan het godsdienstonderwijs voor alle leerlingen

verplichtend is. Dat velen over dit bezwaar heenstappen, is wel een

krachtig bewijs voor de diep gevoelde behoefte aan onderwijs. Het zou

gevaarlijk zijn, er andere conclusies aan vast te knoopen. Als een

bezwaar wordt het wel degelijk gevoeld, en de omstandigheid, dat velen

dit door den nood gedwongen terzijde stellen, mag niet verleiden tot

de verwachting, dat gesubsidieerde Christelijke scholen van de zooeven

bedoelde soort het geschikte middel zullen vormen om aan de enorme

vraag naar Europeesch onderwijs voor Inlanders op Java te voldoen.

Het is waar, de aan onverschilligheid grenzende religieuze tolerantie

van de groote meerderheid der Javaansche aristocratie, gepaard met

de eeuwenoude gewoonte der lagere klassen van de bevolking aan het

verkeer met menschen van allerlei ras en geloof, maakt, dat de zending

hier vele moeilijkheden, die zich in vele andere Moslimsche landen aan

haar in den weg plegen te stellen, niet of toch in mindere mate dan

elders ondervindt. De meerderheid der Mohammedaansche schriftgeleerden

daarentegen, hoewel gewend om zich in den regel binnen hare eigen

enge sfeer te houden, wordt door eene krachtige missionnaire actie

tot reactie geprikkeld. Zij ziet in dat pogen om Mohammedanen tot

Christenen te maken een streven der Europeesche wereld om, nadat zij

den Inlanders al zoovele aardsche bezittingen ontnomen heeft, hen nu

ook van datgene te berooven, dat Allah in de andere wereld voor hen

heeft weggelegd. Zou de Regeering nu hen, die onderwijs in Westerschen

zin zoeken, naar uit de staatskas ondersteunde scholen drijven, waar

aan de leerlingen Christelijk godsdienstonderwijs opgedrongen werd,

dan kan men zeker zijn, dat weldra een voor de zaak der associatie

hoogst bedenkelijke tegenstand zou ontstaan, die òf de beweging in de

richting onzer cultuur zou stuiten òf voor het minst zou uitloopen

op den nadrukkelijken eisch, dat indien aan gesubsidieerde scholen

met eene specifiek godsdienstige kleur ook voor Inlanders de voorkeur

werd geschonken, de kleur voor de Mohammedaansche Inlanders die van

den Islâm zou zijn.

Hoogstens zou men daardoor komen tot eene belangrijke tempering

van den drang naar intellectueele ontwikkeling, daar de Inlandsche

maatschappij vooralsnog niet over de middelen beschikt om op groote

schaal scholen te stichten, die zich om subsidie konden aanmelden. Van

deze omstandigheid misbruik te maken om aan de Inlandsche Mohammedanen

inrichtingen van onderwijs op te dringen, die voor een goed deel

uit door hen opgebrachte belastingpenningen bekostigd werden en die

mede dienstbaar waren aan directe propaganda voor het Christendom,

dat zou, dunkt mij, noch met het beginsel der vrije school, noch met

eene wijze staatkunde overeen te brengen zijn.

Nog eens: de sterke neiging om in ons cultuurleven te worden opgenomen,

die de Inlandsche maatschappij in de jongste kwarteeuw aan den dag

legt, werkt geheel buiten het gebied van den godsdienst. Wij hebben

ons erin te verheugen, dat de Inlanders zich door het stelsel van

den Islâm, dat eigenlijk tegen zulke associatie gericht is, niet

laten weerhouden van het zoeken dier ook voor ons zoo gewenschte

toenadering. Als volk en als staat moeten wij hun daartoe de hand

reiken op in godsdienstig opzicht neutraal terrein, het zoeken van

toenadering van veel hoogeren en intiemeren aard overlatende aan de

verschillende lichamen en instellingen, tot welker bijzondere roeping

dit behoort.

Ons onderwijs en onze opvoeding moeten vooreerst de hoogere klassen

der Inlandsche maatschappij in het oog vatten.

Onderwijs dus en opvoeding in Europeeschen zin, aangepast zooveel

noodig aan de bijzondere behoeften der Mohammedaansche Inlanders,

dat zijn de aangewezen en tevens de door henzelve gevraagde middelen,

niet om den Islâm te bestrijden, niet om zijne belijders tot eene

andere religie over te halen, maar om hen te steunen in hunne

zelfbevrijding van die gedeelten van zijn stelsel, die zonder tot

het specifiek-godsdienstige domein te behooren, het deelnemen aan

het tegenwoordige beschavingsleven der volken belemmeren, zoo niet

onmogelijk maken. Blijft de vraag, hoe en aan wie men die middelen

in de eerste plaats zal hebben toe te dienen.

Bij de beantwoording dezer vraag willen wij ons stellen op het nuchtere

standpunt der practijk, en ons niet begeven in casusposities, welker

oplossing voor het oogenblik niet als dringend te beschouwen is.

Men hoort tegen de meening, dat voldoening aan de steeds luidere

vraag van meer ontwikkelde Javanen en Maleiers naar beter onderwijs

een urgente plicht van ons volk is, wel eens de tegenwerping, dat men

daardoor alleen de hoogere klassen der bevolking bereikt, terwijl de

oneindig veel breedere schare der kleine luiden onaangeraakt blijft,

en men wijst er dan bovendien op, dat daardoor eene vroeger ongekende

kloof ontstaat tusschen de beschavingshoogte der aristocratie en die

der groote menigte, zoodat het onderling verband erbij verloren dreigt

te gaan.

Het zou ongetwijfeld gunstig zijn voor den goeden uitslag van het werk,

als men van alle zijden tegelijk kon beginnen; als men de wegen kende

en over de middelen beschikte om in denzelfden tijd door doelmatig

onderwijs de massa der kleine Javaansche landbouwers tot een hooger

intellectueel peil te verheffen en de aristocratie van Java zoo dicht

mogelijk naar onze eigen geestelijke atmosfeer heen te trekken. Dit

gaat echter boven onze kracht, al ware het alleen omdat de psychologie

van den kleinen man ons daartoe te vele, voor het oogenblik niet

oplosbare raadselen biedt; bij gebrek aan de noodige gegevens voor

eene betrouwbare diagnose kon het recept wel eens glad verkeerd

uitvallen. Bij iedere poging, die wij in de bestaande omstandigheden

kunnen doen om den desaman tot een hoogeren graad van beschaving te

brengen, loopen wij veel gevaar hem iets op te dringen, dat hij niet

wenscht, zonder dat wij de stellige overtuiging mogen koesteren,

dat het voor hem deugen zal.

De onlangs opgerichte desascholen.

Van inrichtingen als de onlangs opgerichte desascholen heb ik

geene hooge verwachting; kwaad zullen zij wel niet teweegbrengen,

maar als een reuzenschrede in de richting der associatie zal ook

de grootste optimist deze instelling niet beschouwen. Belangrijke

nieuwe proefnemingen op dit gebied zag ik liefst uitgesteld totdat wij

daarbij gebruik kunnen maken van de voorlichting eener talrijke groep

van hoog ontwikkelde Javanen, die aan Westersche wijsheid Oostersche

ervaring paren; dezen zullen met minder gevaar van dwaling dan wij

kunnen vaststellen, hoe de kleine landbouwers onder hunne rasgenooten

gebracht kunnen worden tot deelname aan het huidige verkeersleven

binnen de grenzen, die de natuur voor hen daaraan stelt.

Men begint een werk toch liefst van die zijde, die de grootste kans

van slagen biedt; bij de hoogere klassen der bevolking van Java heeft

men van den uitslag genoegzame zekerheid, mits men de middelen,

die de ervaring nu reeds als probaat deed kennen, op veel ruimere

schaal dan tot nog toe geschiedde aanwendt, en ze tevens meer aan de

bijzondere plaatselijke behoeften aanpast.

Studie van begaafde Inlanders in Nederland.

De meest belovenden onder het jongere geslacht moedige men aan en

steune men om die hoogere studiën, waartoe hun vaderland nog geene

gelegenheid biedt, in Nederland te maken; men bouwt dan voort op

reeds bestaande grondslagen, want hier te lande studeeren al eenige

tientallen Inlanders aan verschillende inrichtingen van hooger

onderwijs, zonder dat ooit aan een hunner van Regeeringswege tot

het inslaan van dien weg aanleiding gegeven werd. Vooral zorge men

ervoor, dat die studeerenden hier vertrouwde raadslieden vinden en

sympathieke, degelijke kringen om in te verkeeren en wake men tegen het

gevaar, waaraan zij allen hier blootstaan, dat er namelijk in allerlei

opzichten met hen gesold wordt, dat men ze als curiositeiten aangaapt

of aan het bewonderende publiek vertoont, dat men ze verlokt tot

optreden in kringen, waarin zij nog niet behooren, tot schrijven over

onderwerpen, die zij nog niet kunnen beheerschen, eene behandeling,

tengevolge waarvan begaafde Inlanders begrijpelijkerwijze wel eens

uit hun evenwicht geraakt en moreel te gronde gegaan zijn.

Europeesch onderwijs voor Inlanders, die tehuis blijven.

In Indië opene men voor hen zoo wijd mogelijk alle, vooral de beste,

inrichtingen van Europeesch onderwijs; ook daardoor drukt men

slechts het stempel der goedkeuring op hetgeen de Inlanders zelve

tot stand brachten, want tot nu toe hebben zij de deuren van alle

scholen om zoo te zeggen geforceerd, en was het er zeer ver vandaan,

dat de autoriteiten hen dwongen om in te gaan. Soms had het er al

te veel van, alsof zij die pioniers op het pad der associatie als

rustverstoorders beschouwden. Men richte bovendien speciaal voor hunne

behoeften berekende scholen van middelbaar en technisch onderwijs op,

maar men berekene niet te angstvallig en vooral niet te lang, opdat

niet in afwachting van het resultaat generaties van de gewenschte

opleiding verstoken blijven. Beter eene school, die niet dadelijk aan

alle op den duur te stellen eischen voldoet, dan in het geheel geene.

Goede lagere Europeesche scholen stelle men in grooten getale tot

hunne beschikking, zoodat de velen, die dit wenschen, gelegenheid

vinden om Nederlandsch zóó te leeren, dat in die taal het werktuig

vinden om zich in verschillende richtingen verder te ontwikkelen.

Opvoeding buiten de school.

Dikwijls draagt het onderwijs, dat Inlandsche kinderen en jongelieden

genieten, niet de gewenschte vruchten omdat zij buiten de schooltijden

verkeeren in eene omgeving, die voor hunne opvoeding eer schadelijk

dan bevorderlijk is. Eene doelmatige huisvesting is, vooral uit dit

oogpunt bezien, voor hen van overwegend belang. Vooralsnog, in deze

eerste periode der associatiebeweging, zal men hun die niet licht

anders dan in een degelijk Europeesch gezin kunnen verschaffen. Dit

is eene der grootste moeilijkheden, die de bevorderaars der associatie

te overwinnen hebben, maar onoverkomelijk mag zij niet zijn.

De zending zou hiertoe kunnen medewerken.

Hier zou ik bijna geneigd zijn, al is het onbevoegd, een verzoek

te doen, ja tevens een raad te geven aan de mannen en de vrouwen,

die zich aan zendingswerk wijden. De zending werkt terecht

dikwijls langs philanthropische omwegen: onderwijs, geneeskunde,

landbouw worden door haar gebezigd als middelen om Inlanders met het

Christendom in aanraking te brengen. Onderwijs is als zendingsmiddel

in Mohammedaansche landen, naar ik meen, niet bijzonder effectief

bevonden, althans niet in dien zin, dat bekeeringen er het gevolg

van waren, ofschoon de Moslims, wier eigen onderwijs zeer achterlijk

is, er gaarne gebruik van maken, vooral wanneer de leerlingen niet

gehouden worden aan het Christelijke godsdienstonderwijs deel te

nemen. Toch gaat men in die richting voort, aanvankelijk tevreden met

verbreiding van den Christelijken geest onder hen, die van de leer des

Christendoms nog niet gediend zijn. Met de medische zending is het vaak

niet anders. Nu zijn op Java, en weldra ook elders in den Archipel

huisgezinnen en hospitia noodig om ernstige leiding te geven aan de

opvoeding der steeds talrijker jongelieden uit Inlandsche familiën,

die de verschillende inrichtingen van onderwijs bezoeken. Ligt het

niet op den weg der zending, in dien nood te helpen voorzien? Te

helpen zorgen, dat die jongelui tegen matige betaling opname kunnen

vinden in eenvoudig levende, Christelijke gezinnen, geschikt en

bereid om hen te gewennen aan het leven in eene atmosfeer, waar de

practische geest van het Christendom heerscht, zonder dat de leer aan

andersdenkende huisgenooten wordt opgedrongen? Mij wil het voorkomen,

dat de missie hier een veelbelovend arbeidsveld zou vinden.

De Inlandsche vrouw en hare opvoeding.

Aan dit ongevraagd advies voeg ik nog een ander toe. De hoofdreden,

waarom in dezen eersten tijd voor jonge Inlanders, die door onderwijs

op den weg der associatie gebracht worden, het verblijf in een

degelijk Europeesch gezin dringend gewenscht is, ligt hierin, dat

het Inlandsche gezin nog niet geschikt is om aan de naar Europeeschen

trant opgeleide jeugd den noodigen moreelen steun te verleenen. Dit

moet anders worden, maar daartoe is in de eerste plaats verhooging

noodig van het opvoedingspeil der vrouw.

De Inlandsche vrouw moet beter onderwezen, maar bovenal beter gevormd

en in moreelen zin ontwikkeld worden. Hiertoe kan de school iets

bijdragen, maar het meeste moet komen van de persoonlijke leiding

van degelijke Europeesche vrouwen. Tot dusver zijn er wel een zeker

aantal meisjes uit voorname Inlandsche familiën, die gedurende

eenige jaren Europeesche scholen bezoeken, maar de bekendheid met

het Nederlandsch en met Europeesche maatschappelijke vormen, die ze

mee naar huis nemen, is in den regel niet veel meer dan een vernis,

dat dient om haar niet al te misplaatst te doen zijn als echtgenooten

van Westersch opgevoede Inlanders. Zij verlaten de school veel te vroeg

en buiten de school wordt aan hare karaktervorming veel te weinig zorg

besteed om er waardige levensgezellinnen dier Inlanders van te maken,

die met hare mannen zullen samenwerken om het Inlandsche gezin te

brengen tot associatie aan ons familiewezen. Zonder geestelijk hoog

ontwikkelde Inlandsche vrouwen is deze associatie onuitvoerbaar;

met hare hulp mag men die verzekerd achten. Wie wil medewerken aan

de vorming van eenige honderden meisjes van Java in dezen geest, die

mag zich vleien met de gegronde hoop, later als vrucht van zijn werk

het monogame leven op Java als het normale in de Inlandsche wereld

erkend te zien, en Javaansche ouders ernstig te zien arbeiden aan

den opbouw van het leven hunner kinderen.

Is deze taak niet schoon genoeg om vrouwelijke zendingskrachten aan te

lokken tot zelfopofferende toewijding, zelfopofferend ook in dien zin,

dat zij bij dezen arbeid haar oogmerk willen bepalen tot de zeker

bereikbare staatkundig-nationale associatie, en die niet in gevaar

willen brengen door ontijdige pogingen tot bekeering?

Wie op de kerstening der Inlandsche Mohammedanen hoopt--ik zeide reeds,

waarom ik die verwachting niet kan deelen--moet de politiek-nationale

annexatie dier Nederlandsche onderdanen als een eersten stap in de

door hem gewilde richting toejuichen en de gelegenheid om zelf daaraan

mede te werken met beide handen aangrijpen. De zendeling zal, zoowel

als ieder ander Nederlander, onverschillig van welke levenssfeer,

zich aan geassocieerde Inlanders gemakkelijker verstaanbaar kunnen

maken dan aan de overheerschten van het oude régime, dat, naar wij

hopen, zijnen tijd gehad heeft.

Aan hooger ontwikkelde Inlanders moet een belangrijk aandeel in den

Staatsdienst verzekerd worden.

Niet minder urgent dan de snelle vermenigvuldiging der gelegenheden

voor Inlanders om de door hen verlangde hoogere vorming te

verkrijgen, is het voor de Regeering, de verdeeling van den arbeid der

staatsdienaren zóó te herzien, dat al het werk, dat door die modern

ontwikkelde kinderen des lands verricht kan worden, ook inderdaad

aan hen worde toevertrouwd.

Het gaat niet aan, den bestaanden toestand te bestendigen, waarbij

de jonge Inlanders, die als de beste producten der nieuwe richting

voor den dag komen, door de bureauchefs in Indië als schrikbeelden

worden beschouwd, die men na lange aarzeling in een of anderen hoek

duwt om niet langer door hunnen aanblik verontrust te worden. Zij

vallen immers niet als meteoorsteenen uit de lucht, men ziet ze jaren

tevoren aankomen, en men heeft dus geene enkele verontschuldiging,

wanneer men zich onvoorbereid door hen laat verrassen. De Indische

Regeering mag aan de departementen van Binnenlandsch Bestuur en van

Onderwijs geene rust gunnen, voordat zij de hiermede samenhangende

vraagstukken tot eene bevredigende oplossing hebben gebracht. Bezwaren

opperen is gemakkelijk genoeg; ze uit den weg te ruimen, dat is de

taak der leidende ambtenaren in de kolonie.

Kleinmoedige bezwaren tegen de associatie.

Kleinmoedigen hebben vaak getracht, den voorstanders van de associatie

schrik aan te jagen door de voorzegging, dat het voortgaan op den

door hen gewezen weg dit rampzalige gevolg zal hebben, dat er eene

klasse van Inlanders zal ontstaan, die hun evenwicht kwijt zijn, die

uit den band springen, die den samenhang met hunne eigen maatschappij

verloren hebben, zonder in een ander sociaal geheel te passen.

Zulke bedenkingen zijn van oudsher overal vernomen, waar eene

menschengroep zich uit eene levenssfeer, die haar te eng werd,

naar boven trachtte te werken, maar nooit hebben zij bewerkt, dat de

eenmaal ontwaakte drang naar licht bezworen werd. Ook onder ons hebben

wijzigingen in het politieke en sociale leven in de werkelijkheid

niet zoo kalm en geleidelijk plaats als zij op het papier ontworpen

waren. Bij die tochten naar de hoogte maken altijd sommige deelnemers

ongedachte, duizelingwekkende sprongen, die oogenblikken van algemeene

verwarring teweegbrengen. Wij zijn erop voorbereid, dat dit ook in

Oost-Indië zal gebeuren, en dat de waarzeggers van daareven dan gereed

zullen staan om triomfantelijk daarop te wijzen als op de vervulling

hunner sombere profetie. De zeldzaam vredelievende aard der Inlanders

doet ons alleen hopen, dat het geene al te groote vaart zal loopen,

en dat onder wijze leiding het evenwicht spoedig herwonnen zal zijn.

Stuiting der beweging niet mogelijk.

Men stelle echter de zaak niet voor, alsof wij ons nu nog bij een

kruispunt in de ontwikkelingsgeschiedenis van de Indonesiërs bevonden,

en de beslissing, of het verder links of rechts zal gaan, van den

wil van onze Regeering afhankelijk ware. Het proces is begonnen

zonder dat de Regeering of het volk van Nederland het uitlokten,

ja deels in weerwil van officieuze tegenwerking. Het is niet langer

de vraag, of de voor hooger ontwikkeling meest toegankelijke deelen

der bevolking van den Archipel ons op intellectueel gebied al of niet

op zijde zullen streven, de vraag is alleen nog, of de voortzetting

der krachtig begonnen beweging zal geschieden met onze medewerking

en onder onze leiding, dan wel in weerwil van onzen tegenstand,

en dan onder leiding van anderen, die zich niet lang zullen laten

wachten. Mij dunkt, het antwoord op deze vraag kan geen onderwerp

eener langdurige discussie zijn.

Samenvatting onzer beschouwingen.

Wij naderen het einde van onzen gemeenschappelijken tocht, waarop

ik naar vermogen getracht heb, u achtereenvolgens de voornaamste

problemen te laten zien, die de Islâmbelijdenis van vijfendertig

millioen Nederlandsche onderdanen aan onze Regeering en aan ons volk

voorlegt, en tevens de richting aan te geven, waarin de oplossing dier

vragen te vinden zal zijn. Het zij mij vergund, in eenen terugblik

op den afgelegden weg onze uitkomsten nog eens samen te vatten.

Onze beschouwing van de wijze, waarop de Islâm zich over de aarde

verbreid heeft, maakte ons verschillende daarmee samenhangende of

daaruit voortgevloeide verschijnselen verklaarbaar: de scherpte zijner

positie tegenover al hetgeen aan zijnen invloed weerstand biedt;

zijn militant karakter; de gemakkelijkheid, waarmede hij het getal

zijner aanhangers weet te vergrooten, en daarentegen de traagheid,

waarmede hij aan hunne geestelijke opvoeding werkt; de gehechtheid

der Moslims aan hunne religie en hunne geslotenheid voor invloeden

van buiten, ook waar de kennis van de geloofsleer en de practische

beoefening der wet nog alles te wenschen overlaten.

Van het stelsel van den Islâm, zooals dat ongeveer drie eeuwen

na den dood van den Profeet zijnen in hoofdzaak definitieven vorm

verkregen heeft, ontvingen wij den indruk van groote stroefheid,

gebrek aan accommodatievermogen. In zijne eerste periode gedwongen,

vele vreemde cultuurelementen in zich op te nemen, deed het dit

met onverholen weerzin, en verloochende het die verrijking zooveel

mogelijk door vrome fictie; omstreeks duizend jaren geleden sloot

het zich naar alle zijden af, met de pretensie, dat het nu voor alle

volgende eeuwen het geheele gelooven, handelen en denken der menschen

aan voorschriften van onfeilbaar gezag gebonden had. Wij constateerden

de in verband hiermee onvermijdelijke botsing tusschen de theorie en

het werkelijke leven; zij gaf ons aanleiding, ten aanzien der alles

regelende wet te onderscheiden tusschen gedeelten, die de practijk

inderdaad zijn blijven beheerschen, en andere, die voor het leven

meer of minder of zelfs in het geheel geene beteekenis hebben behouden.

De geloofsleer der Mohammedanen kwam ons voor, op het doen en denken

slechts ondergeschikten invloed te oefenen. Ten aanzien der wet, die

den groei van het leven der Islâmbelijders steeds minder geregeld dan

belemmerd heeft, en waarvan de inhoud met de eischen van den tijd in

toenemend conflict geraakt, vonden wij noch in haar stelsel noch in

de geschiedenis der Mohammedaansche volken grond voor de hoop, dat

zij zich zou kunnen hervormen. Evenmin konden wij de illusie deelen

dergenen, die meenen, dat de voor de emancipatie en de evolutie van

den geest der Mohammedanen vereischte hervorming op het gebied der

mystiek haar beslag zou krijgen.

Wij hebben daarop gepoogd, den graad te bepalen der inwerking van

de verschillende bestanddeelen van het systeem van den Islâm op het

leven der Nederlandsch-Indische Mohammedanen, en in verband daarmee

de houding vast te stellen, die Nederland, in de eerste plaats de

Nederlandsche Regeering en Hare ambtenaren, tegenover elke der onder

den invloed van den Islâm gekomen levensuitingen der Oost-Indische

bevolking behooren aan te nemen. Onvoorwaardelijke eerbiediging van

al hetgeen ligt binnen het gebied der religie in den engeren zin des

woords; eerbiediging ook van de gerecipieerde hoofdstukken van het

recht, die de intiemste, meest met den godsdienst verknochte zijden van

het leven der familie en van het individu raken, evenwel met zorgvuldig

openhouden der wegen, die kunnen leiden tot evolutie of emancipatie,

en met niet minder zorgvuldige vermijding van wat tot vastlegging en

versteening dezer instellingen zou strekken; terzijdestelling van alle

deelen van het systeem, die buiten de hier aangeduide sfeer vallen,

met uitzondering van de politieke elementen van leer en wet, tegenover

welke de Regeering zich onverzoenlijk schrap behoort te zetten.

Ten slotte kwamen wij tot de overtuiging, dat aldus wel de

gedragslijn was aangegeven, die de Regeering met gerustheid jegens

den in Oost-Indië beleden Islâm kon volgen, maar dat Nederland

ten opzichte van zijne Mohammedanen nog eene veel verder reikende

taak te vervullen had, dat het hen te leiden had naar de voor hen

geschikte plaats onder de volken. Wij bevonden verder, dat de bij

Mohammedanen zoo licht post vattende panislamitische gedachte wel

als de grootste hinderpaal te beschouwen is tegen de aanpassing van

een Moslimsch volk aan het moderne cultuurleven, een struikelblok,

waartegen zelfs de Moslimsche hervormers in de oude landen van den

Islâm telkens aanstooten. Voor ons zagen wij die belemmeringen voor

een goed deel reeds door de Inlanders zelve uit den weg geruimd,

waar de hoogere klassen onder hen in de laatste tientallen jaren

geheel spontaan heensturen naar hunne geestelijke inlijving bij de

Westersche cultuur in haren Nederlandschen vorm. De eerste stappen op

den weg der associatie van hun geestelijke leven aan het onze hebben

zij reeds zoo goed als zonder onze hulp gedaan; het is dus hoog tijd,

dat wij de leiding in handen nemen en hen verder brengen.

De Regeering vonden wij ten opzichte van dit, voor ons nationale

leven zoowel als voor dat der Inlanders zoo uiterst gewichtige punt

zwak en onbeslist, in plaats van beheerscheres vaak speelbal der

omstandigheden, telkens verrast door dingen, die zich langzaam voor

ieders oogen ontwikkelden. De Christelijke zending ijverig werkzaam

naar een program, waarvan de uitvoering zeker de gewenschte emancipatie

en evolutie brengen zou, maar dat gericht is tegen de godsdienstige

hartader van het Islâmsysteem; een program dus, dat blijkens de

ervaring weinig uitzicht op succes biedt, maar, ook daarvan afgezien,

voor de Regeering en voor ons volk in zijn geheel als richtsnoer

onbruikbaar is.

Volk en Regeering kunnen alleen om het stelsel van den Islâm heen

de Islâmbelijdende Inlanders helpen om den door hen gezochten

weg ter geestelijke associatie te vinden; de door hen bevorderde

associatie moet buiten het gebied der religie blijven, mag alleen

eene politiek-nationale zijn. De zending, al stelt zij zich een

veel verder en hooger liggend doel, kan toch ook in deze richting

medewerken, hetgeen te meer te wenschen is, daar zij voor al haar werk

arbeiders heeft, wier toewijding van hoogere orde is dan de ijver,

dien politiek-nationale motieven in den regel vermogen te wekken.

De associatie der Inlandsche maatschappij aan onze cultuur ontneemt

aan het panislamisme alle kracht.

De panislamitische gedachte, die thans op de aristocratie van Java

en op de met haar gelijk te stellen klassen der Mohammedanen op de

Buitenbezittingen nog weinig vat heeft, verliest alle kans daarop voor

de toekomst, zoodra hare leden vrije deelgenooten van onze cultuur

geworden zijn. Zou er dan, wat lang niet uitgesloten is, gevaar komen

te dreigen voor besmetting met die kwaal van een deel der millioenen,

wier dagelijksch werk als kleine landbouwers hun intellect weinig

gelegenheid biedt om zich boven de sfeer der rijstvelden te verheffen,

hunne aan de beschaving van onzen tijd geassocieerde landgenooten

zullen er het grootste belang bij hebben, ons te helpen om de dreigende

epidemie te bezweren. Ook de verdere emancipatie van het Islâmstelsel,

zoover die zonder verandering van belijdenis mogelijk is, wordt bij

eene verruiming van ons politiek-nationale leven, die aan Inlanders de

hun daarin toekomende plaats verzekert, alleen nog eene quaestie van

tijd, die zich zonder onwelkomen aandrang van buiten van zelve regelt.

Andere heilzame gevolgen der associatie.

Wij bezagen hier natuurlijk de gevolgen der begonnen associatie uit

het beperkte gezichtspunt der Islâmpolitiek. Maar wij mogen daar toch

wel even aan toevoegen, dat zij ook in zoovele andere opzichten de

oplossing vormt van het probleem der toekomstige verhouding van de

bevolking van den Indischen Archipel tot ons. Ook uit een algemeen

staatkundig oogpunt is het ons levensbelang, dat wij niet wachten

totdat verrassende omstandigheden ons ten behoeve der Inlanders komen

afdwingen, wat wij hun nu nog vrijwillig in den door ons meest geschikt

geachten vorm kunnen geven.

Dr. Van Hoëvell wenschte vele jaren geleden, dat Nederland het gevaar

van binnenlandsche woelingen op Java, liever dan door het aanleggen van

bentengs, zou bezweren door zich vestingen van dankbaarheid te bouwen

in de harten der Javanen. Zulk idealisme is te edel en te schoon voor

de werkelijkheid. Een volk is nooit dankbaar zelfs voor de grootste

weldaden, die het zich door vreemden opgedrongen zag. Is daarentegen

door van beide zijden gezochte associatie het gemeenschappelijk

geestesgebied der Javanen en der Nederlanders tot zijne grootst

bereikbare uitgebreidheid gekomen, dan behoeft van dankbaarheid aan

vreemden niet meer gesproken te worden, omdat hetgeen vreemd was,

eigen is geworden, omdat er nog slechts Oostelijke en Westelijke

Nederlanders zijn, in politieken en nationalen zin eene eenheid

vormend, waaraan het rasverschil niet te kort doet.

Weerlegging der bezwaren tegen nationale associatie.

Wat zou aan de verwezenlijking van dit denkbeeld in den weg

staan? Verschil in huidskleur en afkomst? Maar uit hoevele landen

van Europa en Azië zijn niet de voorouders van vele Nederlanders

samengekomen, en wat is er meer onwaar en verwaand dan het "van

vreemde smetten vrij" in ons volkslied? Met het Indonesische ras

is onze bloedsmenging al sinds eeuwen in zoo vollen gang, dat alle

nuances van huidskleur tusschen blank en bruin onder Nederlanders

vertegenwoordigd zijn.

Al te groote afstand in beschaving en levensbeschouwing dan? De

hoogere klassen der Inlanders willen immers juist niets liever dan dien

afstand tot de onmerkbaarste afmetingen terugbrengen. Hunne studenten,

die te Leiden, te Delft en te Amsterdam met ons verkeeren, staan u en

mij geestelijk oneindig veel nader dan gansche klassen van ons eigen

land- en zeevolk. Zóó groote geesteseenheid is echter nooit de band,

die een geheel volk omstrengelt. Een gemeenschappelijk verleden houdt

het veelzins ongelijksoortige bijeen; dit geldt voor de verschillende

klassen van ons volk, het geldt ook voor ons volk als geheel ten

opzichte van Indonesië, al is het bewustzijn dezer eenheid nog niet

in alle lagen onzer natie doorgedrongen.

Islâm en Christendom kunnen zich in de practijk van het nationale

leven zeer wel met elkander verdragen, als maar de panislamitische

idee terzijde wordt gesteld, en wij zagen, hoe gunstig hiervoor in

ons geval de voorwaarden zijn. In verdraagzaamheid kunnen velen onzer

bij de meerderheid der Inlanders een lesje nemen.

Als student hoorde ik eens eene voordracht van Ernest Renan over

de vraag: "wat maakt eigenlijk eene natie?" Het antwoord kwam in

hoofdzaak hierop neer: het waarlijk constitueerende element eener

natie, dat is noch ras noch huidskleur, noch taal noch godsdienst noch

natuurlijke grens, het is: "le désir d'être ensemble". Met deze phrase

moge lang niet alles gezegd zijn, een deel der waarheid bevat zij toch

ongetwijfeld. Ook wij kennen dat gevoel, trots verschil in afstamming,

in levenssfeer, in hoogte van beschaving, en in weerwil van alle

getwist op staatkundig en godsdienstig gebied, als het erop aankomt,

toch als Nederlanders bijeen te willen blijven. Welnu: de edelste

vertegenwoordigers van eene groote volkengroep, die sinds lang onder

ons staatsbestuur staat, vragen ons met aandrang, hen en de hunnen als

adoptieve kinderen in ons nationale gezin op te nemen. Reiken wij hun

de hand, en laat ons dan het wederzijdsche verlangen naar nationaal

samenleven, "le désir d'être ensemble", omzetten in flinke daden,

die toonen, dat ons kleine volk nog altijd tot iets groots in staat is.

Nederland en de Islâm · 第 19 / 23 题