De Nederlandsche Regeering kan niet buiten Islâmpolitiek.
Sinds ongeveer zeven eeuwen heeft op de bevolking van onzen Indischen
Archipel de in onze eerste voordracht geschetste propaganda ingewerkt;
sinds ongeveer vier eeuwen heeft hare overgroote meerderheid den Islâm
aangenomen, dat wil zeggen zich opengesteld voor den invloed van het
in onze tweede voordracht behandelde systeem en zich daarmee tevens
voor andere cultuurinvloeden minder toegankelijk gemaakt, zij het
ook dat de hervormende en opvoedende factoren van dat stelsel zich
in vele streken nog weinig deden gelden. Vijfendertig millioenen
Nederlandsche onderdanen belijden den Mohammedaanschen godsdienst,
dus ongeveer een zevende deel van het geschatte totaal aller Moslims;
daar gaat niet veel af, integendeel, er komt veel bij, zoowel omdat de
bevolking snel vermeerdert, als omdat het toegenomen internationale
verkeer, waaraan ook de Indonesiërs op hunne wijze deelnemen, hier
gelijk overal de strekking heeft om plaatselijke eigenaardigheden op
te ruimen, terwijl de Islâm de beste kansen heeft verworven om bij
die opruiming eene hoofdrol te spelen.
Sinds Nederland tot het bewustzijn is ontwaakt, dat het zijne taak
is, de volken van den Archipel naar hunnen aard voor deelname aan
het moderne cultuur- en verkeersleven geschikt te maken, heeft het
dus evenals elke niet-Mohammedaansche staat met Moslimsche onderdanen
zijne eigene Islâmquaestie, eene levensvraag, welker oplossing elken
Nederlander, die vooruitkijkt, ter harte moet gaan, waaraan bovenal
de Regeering en Hare ambtenaren hunne ernstige belangstelling niet
mogen onthouden.
Dat bij elke oplossing der vele vragen, die zich hier om een antwoord
aanmelden, de volkomen eerlijke eerbiediging van de vrijheid der
godsdienstige belijdenis van alle onderdanen ongerept moeten blijven,
behoeft gelukkig geen uitvoerig betoog meer. De kleine groep van
kortzichtigen, die den Islâm der Inlanders een deuk zouden willen
geven door hem voor vijf zesden weg te cijferen, verdient de eer
eener omstandige weerlegging niet.
Maar daar de Islâm nu eens een stelsel is geworden, dat zich niet
tevredenstelt met de regeling der verhouding zijner belijders tot het
Opperwezen, veeleer zijne bemoeienis opdringt met hunne betrekkingen
tot het staatsgezag en tot hunne medeonderdanen van denzelfden staat,
en tot in de geringste bijzonderheden al hunne levensuitingen wil
binden aan zijne voorschriften, daar kan noch mag de staat, die
millioenen Mohammedanen tot onderdanen heeft, hiervoor onverschillig
blijven. Al ware het tegen wil en dank, hij is verplicht een scheiding
te maken, die de Islâm zelf theoretisch niet maken kan, eene scheiding
tusschen een gebied, waarbinnen hij zulk een imperium in imperio ter
wille der gewetensvrijheid dulden kan, en een ander gebied, waarin de
onbelemmerde werking van zulk eene macht met hoogere en algemeenere
belangen niet te rijmen ware.
Jegens het dogma en de zuiver godsdienstige voorschriften der wet
moet zij neutraal zijn.
Aan de eigenlijke geloofsdogmata van den Islâm behoort de
Regeering in geen enkel opzicht te raken; zij zijn trouwens
voor den staat even ongevaarlijk als die van eenige andere der
gezindten, welker vrijheid van belijdenis door hem gewaarborgd
wordt. Zelfs van het eschatologische gedeelte moet dit gezegd worden,
want oproerige bewegingen, die soms daaraan--inzonderheid aan de
mahdî-verwachting--vastgeknoopt worden, sleepen alleen onontwikkelden
uit misverstand mede. Waar zij zich voordoen, zal men ze altijd met
geweld moeten onderdrukken; preventief werkt daartegen opvoeding der
bevolking tot een hooger intellectueel peil.
Niet minder zal de staat zich hebben te onthouden van alle belemmering
van verrichtingen, die de Moslim beschouwt als te behooren tot zijnen
godsdienst in den engeren zin van dat woord.
Overal, maar het meest daar, waar de Islâm niet meer den hoofdtoon
aangeeft, brengt rigoureuze trouw aan hetgeen hij zijnen belijders
als hoofdplichten voorschrijft--de zoogenaamde vijf zuilen van den
Islâm--de geloovigen dikwijls in moeilijkheid bij intensieve deelname
aan het tegenwoordige verkeer. De reinheidswetten, de vijfmaaldaagsche
godsdienstoefeningen, het strenge vasten gedurende eene geheele
maand van ieder jaar, dat alles maakt den ambtenaar, den koopman,
den industrieel, den werkman der twintigste eeuw, die zich eraan
gebonden acht, het leven vaak bedenkelijk zwaar. Dit blijkt wel het
best uit het feit, dat zelfs in landen onder Mohammedaansch bestuur
die verschillende klassen der maatschappij zich meer en meer van die
knellende banden emancipeeren.
Onze koloniale Regeering zal zich hierdoor evenmin als de Fransche in
Algerië of de Britsche in Indië gerechtigd achten op die natuurlijke
evolutie vooruit te loopen door gebrek aan consideratie jegens hen,
die zich nog tot inachtneming dier verouderende godsdienstige gebruiken
verplicht achten. Elke directe of verkapte drang tot slapheid in zulke
observanties is onverstandig, al ware het slechts omdat de evolutie
daardoor met vertraging wordt bedreigd; immers alwat aan aanval
blootstaat, stijgt in de waardeering van wie het bezit. Bovendien is
zulk optreden van de Regeering of Hare ambtenaren met het beginsel
der godsdienstvrijheid in stelligen strijd.
Minder groot is het gevaar van dit beginsel aan te randen ten
aanzien van de zakât genoemde godsdienstige belasting, welker
opbrengst mede als eene der vijf hoofdzuilen van het gebouw van
den Islâm geldt. De Moslimsche wet zelve, rekening houdende met
het feit, dat het staatsbestuur in Mohammedaansche landen al eeuwen
lang niet overeenkomstig hare voorschriften is ingericht, bevat de
noodige bepalingen voor het geval, waarin de vervulling van dezen
plicht, zonder bemoeienis van vertegenwoordigers van het gezag,
geheel aan het vrije initiatief der geloovigen is overgelaten. De
Nederlandsch-Indische Regeering heeft reeds vele jaren geleden ten
opzichte van deze instelling het eenig juiste standpunt ingenomen
door aan hare ambtenaren mede te deelen, dat zij de zakât beschouwd
wenschte te zien als eene vrijwillige liefdegave, tot welke niemand
onder haar bestuur mocht worden gedwongen, evenmin als aan de naleving
van dat godsdienstige voorschrift moeielijkheden in den weg gelegd
behoorden te worden.
Ook ten aanzien der bedevaart zou belemmerend ingrijpen onverstandig
zijn.
Anders staat het met de vijfde zuil, de door iederen Moslim, die
physiek en finantieel daartoe in staat is, eenmaal in het leven
te verrichten bedevaart naar Mekka. Dit onderwerp is door mij bij
verschillende gelegenheden met zooveel uitvoerigheid behandeld,
dat ik mij hier wel tot resumtie der hoofdzaken mag bepalen. Zelfs
dit zou overbodig geacht kunnen worden, indien niet telkens weer met
dezelfde versleten argumenten, drang op de Regeering uitgeoefend werd
om toch eindelijk eens maatregelen te nemen tot tegengang van den hadj.
Het laatst trad als orgaan van dien aandrang op hetzelfde
parlementslid, dat de Islâmquaestie wilde vereenvoudigen door zijn
voorstel om vijf zesden der Nederlandsch-Indische Mohammedanen,
die door hem gewogen, maar voor den Islâm te licht bevonden waren,
eenvoudig uit de registers der Islâmbelijders te schrappen. Natuurlijk
bleef hij in gebreke aan te geven, hoe de Regeering, zonder de vrijheid
van godsdienst en van beweging Harer onderdanen aan te randen, aan
zijnen wensch gevolg zou kunnen geven. Hij vergenoegde zich ermede,
aan zijne met Indië minder bekende medeburgers voor het bedevaartspook
schrik aan te jagen met behulp van een paar beweringen, die van de
waarheid evenver verwijderd waren als van de welvoegelijkheid.
Of wat zegt gij, die bij ervaring weet, dat Mohammedaansch fanatisme
in Oost-Indië evenzeer onder ongetulbande Inlanders als onder hadji's
voorkomt, en dat tienduizenden hadji's in Nederlandsch-Indië als
rustige onderdanen van het Gouvernement leven, van deze uitspraak
van onzen volksvertegenwoordiger: "de bedevaartganger--ook als
Mohammedaan niet gevaarlijk vóór zijne reis--is beslist een opruier
tegen het Gouvernement, wanneer hij de bedevaart naar wensch heeft
volbracht?" En wat dunkt u, lettende op het feit, dat bijna alle
leden der Javaansche aristocratie naaste bloedverwanten hebben, die
de bedevaart naar Mekka hebben verricht, en dat onder hen steeds meer
kennis genomen wordt van hetgeen in onze pers en in ons parlement
betreffende de Inlandsche wereld gezegd wordt, wat dunkt u van
zijn ander orakel, dat die Inlanders na terugkeer van hunnen tocht
naar Arabië gelijk stelt met reizigers, die in hun land terugkomen
"gewapend met dynamiet en wapenen (sic) om de gebouwen in de lucht
te doen vliegen en onze medeburgers ad patres te helpen?"
De nuchtere werkelijkheid komt hierop neer, dat, al verzuimen vele
Nederlandsch-Indische Moslims, die volgens hunne wet in de termen
zouden vallen tot het verrichten der bedevaart, de vervulling van dien
godsdienstigen plicht toch, vergeleken met de vele andere landen van
den Islâm, hun ijver voor den hadj betrekkelijk groot is, grooter ook
dan hun ijver in de volbrenging van andere plichten, die de Moslimsche
wet hun minstens even na aan het hart legt.
De oorzaken van dit verschijnsel zijn velerlei. De verzoenende kracht
voor vroegere zonden, die aan de volbrenging der bedevaart toegekend
wordt, doet haar bijzonder waardeeren door hen, die in trouw aan de
dagelijks en jaarlijks terugkeerende ritueele verplichtingen van den
Moslim zoo veel tekortschieten. Zekere onderscheiding, die de hadji's
van hunne landgenooten genieten, draagt tot de voorliefde ook iets
bij, al werkt deze prikkel door de toeneming van hun aantal steeds
minder sterk. Voor de groote meerderheid der Inlanders is de reis
naar Arabië bijna het eenige, en wel een vrij gemakkelijk en niet te
kostbaar middel om hun isolement van de buitenwereld te verbreken en
ook eens iets van andere landen te zien. Bij deze en andere motieven
komt ongetwijfeld ook de aanmoediging vanwege de belanghebbenden te
Mekka, het hadjiwerven, zooals men het pleegt te noemen. Hiertegen
valt evenwel weinig te doen, want de eigenlijke wervers, die met
de desalieden in aanraking komen, zijn geene vreemdelingen, aan
wie men, met eenige willekeur om bestwil, den toegang zou kunnen
ontzeggen, neen het zijn in den regel Inlanders uit de streek zelve,
die door hadjisjeichs en dergelijken bij het aanbrengen van klanten
geïnteresseerd zijn.
Politieke beteekenis van den hadji.
De uit een politiek oogpunt te overwegen gevolgen van van het
verkeer met Mekka komen niet bij de groote massa der pelgrims aan
den dag. Dezen komen terug even wijs of onwetend, even fanatiek
of verdraagzaam als zij enkele maanden tevoren de reis aanvaard
hebben. Van belang is hoofdzakelijk het feit, dat sedert ongeveer
twee en eene halve eeuw een nog al aanzienlijk getal Inlanders te
Mekka jaren doorbrengt om er te studeeren. Deze omstandigheid heeft
ten gevolge gehad, dat de daar heerschende methoden van studie
en onderwijs gaandeweg de vroeger van Voor-Indië geimporteerde
hebben verdrongen, en wat nog meer zegt, dat de--gelukkig niet
de meerderheid vormende--hiervoor vatbare studeerenden in dat
internationaal-Mohammedaansche milieu met panislamitische denkbeelden
kennis maken, die op hunne gezindheid jegens het Europeesche bestuur
van hun vaderland ongunstig kunnen werken. Tot nog toe heeft niemand
het middel weten aan te wijzen om dien sedert eeuwen bestaanden, en
vooral sedert de stoomvaart toegenomen stroom direct te keeren. De
eenige middelen, die zich aanbevelen, zijn indirecte, langzaam maar
zeker werkende, die den zin der Inlanders in andere richting leiden. Al
wat de opvoeding van het volk bevordert, kan daartoe strekken. Elke
stap, dien men de inlanders verder brengt in de richting onzer cultuur,
leidt hen evenver af van de bedevaartzucht.
Economische gevolgen van den hadj.
Het economisch nadeel van den hadj voor de Inlandsche maatschappij
is niet denkbeeldig, al wordt het wel eens breeder uitgemeten dan het
verdient. Dat laat ons zeggen vijf millioen gulden [1], die jaarlijks
in den vorm van reis- en verblijfkosten en vrome gaven van pelgrims den
Archipel verlaten, mogen voor een deel aan de Nederlandsche scheepvaart
ten goede komen, in het ware belang der bevolking zagen wij die som
gaarne beter besteed. In verband met het bevolkingscijfer en met de
vele andere finantieele aftappingen, die Indië ondergaat zonder er
zelf profijt van te hebben, maakt dat bedrag echter niet meer zóó'n
enormen indruk als op het eerste gezicht.
In ieder geval staat het vast, dat elke regeeringsmaatregel, die
ten doel zou hebben, de bedevaart te verhinderen of te belemmeren,
dat doel zou missen, den ijver veeleer zou prikkelen en een storm
van verontwaardiging zou ontketenen in de geheele Moslimsche wereld,
waar de Nederlandsche Regeering nu reeds bekend staat als geneigd
tot onbillijkheid jegens Mohammedanen.
Tegenover de dogmatische overtuiging zoowel als tegenover de eigenlijk
godsdienstige wetten Harer Moslimsche onderdanen past der Regeering
en Haren ambtenaren onder alle omstandigheden geen ander richtsnoer
dan dat der onvoorwaardelijke en strikt eerlijke handhaving der
godsdienstvrijheid, zonder eenig voorbehoud betreffende den graad
hunner islamiseering, de beweegredenen, die hen ten opzichte van een
of ander voorschrift tot bijzondere trouw of zelfs tot overdrijving
brengen. Elke schending van dit beginsel brengt zijne straf mede,
en alleen onverantwoordelijke stuurlui aan den wal zullen eene andere
methode durven aanbevelen.
Het huwelijks-, familie-, personen- en erfrecht van den Islâm eischt
eerbiediging.
Uit onze vroegere beschouwingen is gebleken, dat sommige gedeelten van
het stelsel van den Islâm, die bij ons krachtens haar onderwerp tot het
recht gerekend zouden worden, even stellig als de leer van het geloof
en die der godsdienstplichten aanspraak maken op eerbiediging. Zoo
in de eerste plaats het huwelijks-, familie-, personen- en erfrecht
en hetgeen daarmee het nauwst samenhangt.
Men ontwaart dit wel het duidelijkst uit de nagenoeg volstrekt
algemeene receptie dezer bestanddeelen van de wet door alle
Mohammedanen der wereld, en voorts uit de zeer bijzondere consideratie,
die alle staten met Mohammedaansche onderdanen juist daarvoor getoond
hebben. Noch Frankrijk noch Groot-Brittannië hebben er ooit aan
gedacht, aan eene dier zaken te tornen; bij alle hervormingsplannen
stond het boven bedenking, dat die wetten onaangetast zouden blijven.
In den allerlaatsten tijd worden enkele stemmen vernomen, die met
name voor een groot deel van Java willen betoogen, dat daar de in
hare practijk meer heidensch dan Moslimsch gezinde bevolking zeer
wel de invoering door de Regeering van een Westersch familierecht
zou toelaten, daar zij toch van de Moslimsche instellingen noch goed
op de hoogte, noch daaraan bijzonder gehecht was, en die alleen in
zoover betrachtte, als de hoofden en de zoogenaamde geestelijkheid
er de hand aan hielden.
Ik kan in die redeneering niet anders zien dan eene van perfidie niet
vrije drogreden, die een nog meer afstootenden indruk maakt, wanneer
het heet, dat zij moet dienen om de prediking van het Evangelie wat
gemakkelijker te maken. Non tali auxilio! zal ieder eerlijk Christen
met weerzin daarbij uitroepen.
De kleine man, de desabewoner in een groot deel van Java, bezit weinig
of geene kennis van het familie- en personenrecht van den Islâm, en hij
heeft dit nooit om zijne bij vergelijking met andere wetten gebleken
voortreffelijkheid aanvaard. Neen, de fellâh van Egypte evenmin,
en het gros der bevolking van Constantinopel en Mekka deelen met hen
die onkunde. Maar zij allen weten wel, wie onder hen de kenners van
die inzettingen zijn, en dezen staan onmiddellijk, wanneer daarop
een aanval beraamd wordt, gereed om die onwetenden te waarschuwen,
dat hunne religie in gevaar komt, dat het niet alleen gaat om een
door de vaderen aanvaard en van hen geerfd goed, maar om geboden van
den Allerhoogste, welker miskenning afval van het geloof in zich sluit.
Alleen de grofste onkunde kan zoo slechte raadgevingen eenigszins
verontschuldigen. Diezelfde onbekendheid met de meest elementaire
gegevens, die ons parlementslid (den man van de schrapping der vijf
zesden) deed beweren, dat de Nederlandsche Regeering hare Indonesische
onderdanen bestuurt naar Mohammedaansche rechtsbeginselen en zoo
bij hen de meening doet post vatten, dat Zij hunne bekeering tot den
Islâm gaarne ziet.
Dat eenig deel van onze voor Inlanders geldende wetgeving ook maar
een spoor van Mohammedaansche rechtsbeginselen vertoont, zal zelfs
die volksvertegenwoordiger niet durven zeggen. Zijne uitspraak kan dus
alleen betrekking hebben op dat personen- en familierecht met aankleve,
hetwelk, zoolang wij Oost-Indische eilanden bezitten, gegolden heeft
als door de inheemsche Moslimsche bevolking gerecipieerd, en ook
wegens zijn intiemen samenhang met hunne religie te eerbiedigen. Dit
nooit weersproken feit vertoont zich nu opeens aan ons Kamerlid als
eene dwaling, die haar ontstaan dankt aan angst voor of sympathie met
den Islâm, die de Regeering van de wijs gebracht zouden hebben. En
voor deze ongehoorde stelling voert hij niets anders aan dan de niet
verder gespecificeerde autoriteit van drie geleerden, van welke twee
zich nooit op dit terrein bewogen noch in dezen zin geuit hebben,
terwijl de derde zich bij meer dan eene gelegenheid in zeer beslist
positieven zin over de receptie van bedoelde hoofdstukken van het
Moslimsch recht door de Inlandsche Mohammedanen heeft uitgesproken. Wij
mogen bij deze dwaasheden niet langer stilstaan.
De Regeering houde echter den weg ter evolutie wijd open.
Intusschen, de eerlijke erkenning van de aanspraken dezer
Mohammedaansch-Inlandsche inzettingen op volkomen eerbiediging sluit
geenszins ingenomenheid in zich met die inzettingen zelve. In menig
opzicht passen zij beter bij den beschavingstoestand van de oudheid
of van de middeleeuwen dan bij dien van onzen tijd. De polygamie,
de groote losheid van den huwelijksband, de hulpeloosheid der vrouw
tegenover willekeur en onrecht van haren man, om maar enkele hoofdzaken
te noemen, verhinderen de normale ontwikkeling van het gezin;
ook vele détailregelingen zou men thans geheel anders wenschen. De
Islâm heeft hier weer aan het tijdelijke blijvende kracht gegeven,
aan voorschriften, die in eene bepaalde periode voor bepaalde landen
wellicht geschikt waren, eeuwig onfeilbaar gezag toegekend. Zoolang
men eene bevolking van wingewesten exploiteert, kan men voor de
heerschappij van zulke instituten onverschillig blijven; eene
regeering, die al hare onderdanen naar ethische beginselen wil
besturen, mag dit niet zijn. Zonder ooit de bijzondere teerheid
voorbij te zien van door de religie gewijde regelen, die het leven
van het individu en van de familie betreffen, moet zij den weg
eener gewenschte evolutie open houden, banen als het noodig is,
en de menschen daarheen lokken als zij dat vermag.
Codificatie derhalve ongewenscht.
Codificatie van het gerecipieerde deel van het Moslimsche recht,
al ware zij niet op zichzelve onmogelijk, zou eene der grofste
fouten zijn, die de Regeering kon begaan. Men zou daardoor voor
onafzienbaren tijd vastleggen, hetgeen men juist hoopt, dat zich zal
wijzigen. Bovendien is de receptie van dat recht, die hier vrijwillig
tot stand kwam, niet volledig noch ongeschonden geweest, en menige
adat, die zich plaatselijk tusschen de regelen van het gewijde recht
wist in te dringen, heeft aanspraak op officieele bescherming. Het
is dus van het grootste belang, de beslissing omtrent hetgeen het
Inlandsch-Mohammedaansche recht in de te behandelen gevallen leert,
telkens over te laten aan de vrije, door geen officieel erkend
geschrift gebonden overweging van degenen, die met deze rechtspraak
belast zijn, en verder, deze functie op te dragen aan personen, die
bij de bevolking gezag hebben, en van wie de Regeering vertrouwen kan,
dat zij niet alleen de noodige kennis der Moslimsche wet bezitten,
maar vooral ook op de hoogte zijn van hunnen tijd, zoodat zij de
eischen eener gezonde evolutie verstaan.
De instelling der priesterraden op Java en Madoera was eene fout.
Daarom is de instelling der priesterraden, die in 1882 van
Regeeringswege geschiedde, eene betreurenswaardige fout geweest. De
Mohammedaansche rechtspraak op Java en Madoera was in handen van
de panghoeloes, bijgestaan door het hun ondergeschikte personeel
en somtijds ook door deskundigen daarbuiten, en onderworpen aan het
toezicht van de regenten. Ten onrechte heeft men toen gemeend, het
bestaande verbeterend te bevestigen door de ondergeschikte helpers van
den éénen rechter te maken tot een college van stemgerechtigde leden,
die door de Regeering benoemd en wat hunne rechtspraak betreft van
elk hooger toezicht ontslagen werden. De misbruiken zijn daardoor eer
toe- dan afgenomen, te meer, daar deze rechters door de Regeering wel
benoemd, maar niet bezoldigd worden. Betrouwbaarheid kan men toch
moeielijk verwachten van rechters, die over de intiemste belangen
der bevolking te beslissen hebben, en wier eenige belooning bestaat
in de nergens geregelde emolumenten van hun ambt. Voor de keuze der
leden was men aangewezen op personen, die aan Inlandsche pesantrèns
of in Arabië eene zekere kennis van den inhoud der handboeken over
de Mohammedaansche wet hadden opgedaan; gewoonlijk vrij bekrompen
menschen, die met de practijk des levens weinig aanraking hebben. De
stem van het Inlandsche gezonde verstand, die vroeger door de
bemoeienis van den regent dikwijls dan doorslag gaf, werd gesmoord,
zoodat rechtsverkrachting gemakkelijker, evolutie veel moeilijker
was geworden.
Bemoeienis der Regeering met zulke onderwerpen principieel gewenscht.
Op zichzelf was het feit, dat in 1882 eene regeling der
Inlandsch-Mohammedaansche rechtspraak door de Regeering ondernomen
werd, een verblijdende stap in eene richting, die men vroeger,
evenzeer uit angstvalligheid als uit onverschilligheid, placht
te schuwen. Uitgaande van het juiste beginsel, dat inmenging in
godsdienstige aangelegenheden verkeerd was, vergat men, dat in
het stelsel van den Islâm een aantal zaken met den godsdienst in
onverbrekelijk verband staan, aan welker regeling een behoorlijk
bestuur onmogelijk vreemd kan blijven.
Moskeefondsen.
Werden moskeefondsen, die aan het initiatief van regenten hun ontstaan
te danken hadden, met medewerking dikwijls van Inlandsche en ook van
Europeesche ambtenaren op ergerlijke wijze misbruikt, om het zacht
uit te drukken, dan vond de Regeering elk ingrijpen gevaarlijk, omdat
het hier den godsdienst der Inlanders betrof. Dezelfde bedenking deed
zich gelden, wanneer de panghoeloes en hunne consorten voor de hun
krachtens aloude herkomsten opgedragen bemoeienis met de sluiting en
ontbinding van huwelijken, met boedelscheidingen, met de rechtspraak,
voor de bevolking drukkende honoraria eischten. Bedenkelijk werd het
zelfs geacht, wanneer een bestuursambtenaar zich van de inrichting
van Inlandsche godsdienstscholen door eigen aanschouwing op de hoogte
wilde stellen.
Al deze beschouwingen waren erfgoed uit den tijd, toen de Inlandsche
bevolking voor het Gouvernement in de eerste plaats een instrument
was om verhandelbare producten te cultiveeren, en zij hebben nog lang
nagewerkt, nadat de exploitatieleer in beginsel opgegeven was. Dat is
nu anders geworden; men acht het nu niet meer de hoogste wijsheid,
de Inlandsche maatschappij zooveel doenlijk in haar eigen sop
te laten gaarkoken, en men begrijpt, dat ook op het gebied, waar
de volksinstellingen en gebruiken, van godsdienstigen of anderen
oorsprong, het leven dier maatschappij nog beheerschen, de Regeering
verplicht is te zorgen, dat niemand onherstelbaar onrecht worde
aangedaan, allerminst door beambten, die Zijzelve aanstelt of erkent.
Mohammedaansche huwelijken; godsdienstonderwijs.
Zoo is dan de administratie der moskeefondsen van hooger hand
aan regelen onderworpen en onder toezicht gesteld, de van ouds
gebruikelijke deskundige hulp en toezicht bij de sluiting en
ontbinding van huwelijken der Inlandsche Mohammedanen ter vermijding
van onzekerheid en ter voorkoming van misbruiken op vastere grondslagen
gevestigd, het Mohammedaansche godsdienstonderwijs, zonder inmenging
in den godsdienst zelf, onder controle genomen op een wijze, die bij
goede uitvoering waarborgen bevat voor de handhaving der openbare orde,
terwijl de Regeering behoorlijk op de hoogte kan zijn van de invloeden,
waaraan vele harer Moslimsche onderdanen zich onderwerpen.
Ik sprak daar van eene goede uitvoering, en naar aanleiding
hiervan mag ik te dezer plaatse de opmerking niet terughouden, dat
daaraan vaak veel heeft ontbroken. Was het de ongewoonte om zich
aan deze soort van belangen der bevolking veel gelegen te laten
zijn of overlading met ander werk, of hield eene andere oorzaak de
Europeesche bestuursambtenaren van de behoorlijke toepassing van
eenvoudige, ondubbelzinnige, door de Regeering herhaaldelijk gegeven
en ingescherpte voorschriften af? Op deze vragen weet ik het juiste
antwoord niet, maar dit moet ik zeggen, dat ik u ware geschiedenissen
zou kunnen verhalen van gewesten, waar gedurende jaren zelfs met de
eerste voorbereiding der uitvoering van de stelligste bevelen geen
aanvang was gemaakt, waar de herhaaldelijk in herinnering gebrachte
voorschriften niet slechts papieren voorschriften bleven, maar zelfs
het papier na eenigen tijd niet meer te vinden was.
Het schijnt, dat deze onoverwinnelijke ambtelijke apathie tegenover
bevelen der Regeering in het bijzonder zaken betreft, die op den Islâm
betrekking hebben. Althans bleek het tot dusver eveneens niet mogelijk,
de zoogenaamde Mekkapassen, waarvan het bestuur de vertrekkende hadji's
moet voorzien, eenigszins behoorlijk ingevuld te krijgen, en verklaart
de Consul der Nederlanden te Djeddah, zelf Indisch bestuursambtenaar,
telkens met smart, dat onder de duizenden passen, die hij jaarlijks te
controleeren heeft, de enkele goed ingevulde hem bijna doen schrikken
van wege hunne zeldzaamheid.
Ten aanzien der priesterradenverordening van 1882, die in tijdsorde aan
al de andere daarstraks genoemde regelingen voorafging, kan men over
die gebrekkige uitvoering niet klagen. De instelling dier geestelijke
rechtbanken en de benoeming harer leden gingen van het centrale gezag
uit en kwamen tijdig en ordelijk tot stand. Ongelukkig was echter deze
in beginsel prijzenswaardige stap op het gebied der Mohammedaansche
volksinstellingen om de daarstraks genoemde redenen een misstap.
Hoe de rechtspraak der priesterraden te verbeteren.
Te verhelpen schijnt mij dit euvel op geene andere wijze dan door
die te onzaliger ure geschapen colleges geheel af te schaffen en de
beslissing der rechtsvragen, die hun thans worden voorgelegd, op te
dragen aan den gewonen Inlandschen rechter. De voorzorgsmaatregelen,
die bij die operatie in acht genomen moeten worden, zijn: voor zulke
quaesties aan het advies van den panghoeloe, die anders vaak slechts
schijn-adviseur en beëediger van getuigen is, zeer hooge waarde toe
te kennen, en aan de meestal uit haren aard urgente gedingen, die
het familierecht betreffen, die snelle behandeling te verzekeren,
waarop zij aanspraak hebben, en die vooralsnog bij de priesterraden
beter dan bij de landraden gewaarborgd is.
Draagt men dan meer, dan dusver vaak geschied is, zorg voor de
benoeming tot het panghoeloe-ambt van menschen, wier aanbeveling niet
alleen in hunne studie van eenige kitabs en in den door hen gedragen
tulband gelegen is, maar die ook over wat algemeene ontwikkeling
en levenservaring beschikken, dan is de voortwoekering der enorme
misbruiken, die de zoogenaamde geestelijke rechtspraak aankleven,
goeddeels bezworen en de weg tot geleidelijke evolutie der daarbij
betrokken soort van volksinstellingen wijd opengehouden.
Waarom wij de aandacht vooral bij Java en Madoera bepalen.
Waar ik de houding besprak, die mijns inziens de Regeering
moet aannemen tegenover de Moslimsche volksinstellingen van
Nederlandsch-Indië, bepaalde zich de gedachte meestal als vanzelf
bij den toestand op Java en Madoera. Men zal dit zonder veel uitleg
verstaan. Daar is de intensiteit van ons bestuur, ook te dezen aanzien,
veel verder gevorderd dan elders; daar is het bevolkingscijfer
der Mohammedaansche bevolking zoo belangrijk veel hooger dan op al
de andere eilanden saam; en hetgeen zich voor de eilanden op dit
gebied laat vaststellen, kan met geringe wijziging naar plaatselijke
omstandigheden op de Mohammedanen der Buitenbezittingen worden
toegepast, want hoe groot het ethnologisch en cultuurhistorisch
verschil overigens zij, in den Islâm hebben wij met eenen factor te
doen, die daar en hier op soortgelijke, alleen in graad verschillende
wijze inwerkt.
Ten opzichte van de vele hoofdstukken der wet, waarvan de eene
Inlandsche Moslim zich veel, de ander zich weinig of zelfs niets
aantrekt, en die buiten alle bemoeienis van geestelijke rechters of
andere godsdienstbeambten blijven, is het standpunt der Regeering
vanzelf volstrekt neutraal. Dat er zijn, die op religieuze gronden
zich onthouden van het sluiten van contracten met rentebeding of met
risico, assuranties enz., behoeft het bestuur evenmin bezig te houden
als de uiteenloopende waardeering van het verbod van geestrijke dranken
bij verschillende Mohammedanen. De voor den nieuweren tijd en zijn
verkeer al te knellende banden, die de Moslimsche wet om het leven der
Islâmbelijders slingert, raken vanzelf los, zoodra ons cultuurleven in
een of ander opzicht hen krachtiger tot zich trekt. De drang daartoe
moet echter van binnen naar buiten werken, niet omgekeerd.
Uit staatkundig oogpunt belangrijke bestanddeelen.
Er is een ander gebied, waarop de Regeering zich niet mag bepalen tot
belangstellend, maar lijdelijk toezien, wat de toekomstige evolutie
brengen zal. Het omvat al hetgeen een staatkundig karakter heeft of
dit licht kan aannemen. Chalifaat, panislamisme, heilige oorlog zijn
de woorden, die bij den hoorder de voorstelling der voornaamste zaken
wekken, waarom het hier gaat.
In den aanvang waren de chaliefen, zooals hun naam het zegt, de
"opvolgers" van Mohammed, namelijk in de leiding en het bestuur
der gemeente. Naarmate de verovering der landen door den Islâm
zich uitbreidde en bevestigde, ontwikkelde het chalifaat zich
tot eene vorstelijke dynastie, die een wereldrijk beheerschte
en die zich theoretisch de heerschappij over de heele wereld
aanmatigde. Wij herinnerden er vroeger reeds aan, hoe diep die
theorie wortel heeft geschoten èn in het systeem van den Islâm èn in
de populaire voorstellingen zijner belijders. Zelfs nadat de politieke
verbrokkeling, die al spoedig intrad, haar toppunt had bereikt, bleef
men aan de fictie der eenheid vasthouden, en de van alle werkelijke
macht verstoken chaliefen bleven van die eenheid het symbool, al
moesten zij zich ertoe bepalen, met hunne diploma's te bezegelen,
hetgeen buiten hunnen invloed tot stand gekomen was.
De chalief bestuurder der Mohammedanen, geen kerkvorst.
In die fictie behielden echter de chaliefen den naam van hetgeen hunne
voorgangers werkelijk geweest waren: zij heetten bestuurders van het
gansche door den Islâm ingenomen gebied, geenszins geestelijke hoofden,
wier bemoeienis tot specifiek godsdienstige belangen beperkt was. Het
systeem was immers sedert ongeveer de tiende eeuw voltooid, en zijne
verdere toepassing vond, evenals tevoren zijne eerste ontwikkeling,
plaats onder de leiding der schriftgeleerden; niemand verwachtte
die van het werkelijke of fictieve centrale gezag. Noch Moslimsche
staatslieden, noch geleerden of leeken hebben ooit in den chalief
iets anders gezien dan den rechtmatigen aanvoerder en beheerscher
aller geloovigen.
Nadat gedurende eeuwen de feitelijke onmacht der latere Abbasidische
chaliefen de aanmatigende leer van het chalifaat te schande scheen
te hebben gemaakt, wisten de Turken in de zestiende eeuw de eenheid
van naam en werkelijkheid op dit gebied te herstellen. Sterk door de
kracht hunner wapenen, dwongen zij hunne erkenning als chaliefen van
de meerderheid der rechtzinnige Mohammedanen af, en verstonden zij het,
de hun niet passende eischen, die de wet en de publieke opinie voorheen
aan den chalief hadden gesteld, zooals de afstamming van Qoeraisj,
om niet meer te noemen, te doen vergeten. In zake staatsleer steeds
meer dan op eenig ander gebied gewoon, zich voor de macht der feiten
te buigen, aanvaardde de Moslimsche wereld de verandering zonder veel
protest, zelfs in die landen, die nooit met het Turksche staatsbestuur
in aanraking kwamen. Tot in het Verre Oosten, waartoe onze Indische
Archipel behoort, werd de Turksche Soeltan onder den naam van Radja
Roem of ook van Soeltan Istamboel, de vereerde held der populaire
chalifaatslegende, en verbreidde zich onder de Mohammedaansche
schriftgeleerden de meening dat de vorsten van Constantinopel de
wettige wereldbeheerschers waren, terwijl de overige koningen en
keizers der aarde òf hunne vasallen òf hunne vijanden moesten zijn.
Het is waar, de overgroote meerderheid der Inlandsche Mohammedanen
vindt geene aanleiding om zich met zulke vragen van hoogere politiek
het hoofd te breken; zij hebben al genoeg te stellen met hunne
eigene dorpsautoriteiten, districtshoofden, regenten of vorsten en
met hunne Europeesche bestuurders om voor de verdeeling der macht
in de grootere wereld onverschillig te blijven. Dit neemt niet weg,
dat bij intellectueel hooger ontwikkelde Indonesische Moslims,
die wél belang stellen in de bepaling der plaats van hun volk in
de internationale samenleving, somtijds eene bedenkelijke neiging
bestaat om hunne verhouding tot ons bestuur als een in wezen abnormaal,
tijdelijk overgangsstadium te beschouwen, in welke opvatting zij door
geloofsgenooten uit andere landen nu en dan worden versterkt.
Geen vorm van panislamisme aannemelijk voor eene Europeesche mogendheid
met Mohammedaansche onderdanen.
Gedachten zijn tolvrij. De Regeering zou echter roekeloos handelen
door tegenover uitingen van deze soort gedachten onverschillig te
zijn. Wie in Haren dienst zijn, behooren te weten, dat elke vorm
van panislamisme met eene eerlijke opvatting van hun ambt of hunne
bediening onvereenigbaar is. Van het klassieke panislamisme, dat
de onderwerping der geheele wereld aan het gezag van den Islâm als
een doel voorstelt, hetwelk de geloovigen nooit uit het oog mogen
verliezen, en in welks richting zij bij elke gunstige gelegenheid
stappen moeten doen, spreekt dit zoo geheel vanzelf, dat elk betoog
overbodig mag worden geacht. Maar ook in den vorm, waarin min of
meer gemoderniseerde Mohammedanen het omzetten, dien van onderlinge
aaneensluiting aller Moslims om onder leiding van het chalifaat,
dat wil zeggen van den invloedrijksten Mohammedaanschen vorst,
te bevorderen al hetgeen zij in hun gemeenschappelijk belang
achten, ook in dien vorm is het voor eene niet-Mohammedaansche
regeering volstrekt onaannemelijk, en verdient het onvoorwaardelijke
bestrijding. Iedere transactie met zulk een streven zou beteekenen
het dulden van vreemde inmenging in de verhouding van den staat tot
zijne onderdanen, en dat niet van eene vreemde geestelijke macht,
die opkwam voor de godsdienstige belangen der geloofsgenooten, maar
van een vreemden staat, die verouderde, met den Mohammedaanschen
godsdienst samenhangende aspiraties van politieken aard niet vermocht
los te laten.
De groote mogendheden, die Mohammedaansche onderdanen hebben,
spraken zich, zoover ik weet, nooit scherp en klaar over dit vraagstuk
uit. Wanneer men let op hare houding in bijzondere gevallen, dan zou
men zeggen, dat de Engelsche Regeering meestal geneigd is om tegen de
erkenning van het chalifaat door hare onderdanen niet veel bezwaar te
maken, ja, dat zij bij hare Moslimsche onderdanen gaarne den naam heeft
van met hunnen chalief bijzonder bevriend te zijn; natuurlijk stelt
zij zich daarbij dan op het historisch zoowel als systematisch onjuiste
standpunt, dat diens waardigheid slechts eene soort van oppertoezicht
over de Mohammedaansche kerk zou beteekenen. De Fransche regeering
schijnt te dezen opzichte beter ingelicht te zijn, en, waar het pas
geeft, elke inmenging van dien kant, ook al stelt zij zich, pour le
besoin de la cause, met den naam van geestelijk toezicht tevreden,
beslist af te wijzen. Hoe dit ook zij, de Nederlandsche regeering
mag in eene zaak als deze niet schromen, den weg te bewandelen,
dien haar belang en dat harer onderdanen haar wijzen.
Vrijheid van godsdienst voor Mohammedaansche onderdanen met afwijzing
van elke vreemde inmenging.
De meest volledige vrijheid van uitoefening van hunnen godsdienst kan
zij aan hare Mohammedaansche onderdanen schenken en tevens aan Turksche
of andere bemoeiing met hetgeen die onderdanen betreft op besliste
wijze weerstand bieden. Wat de Islâm ooit aan centrale organisatie
bezeten heeft of nog bezit, dat is van staatkundigen aard; iets, dat
zich met het pausdom of algemeene kerkvergaderingen laat vergelijken,
heeft hij niet gekend. De zuiver geestelijke zaken van den Islâm
worden sinds dertien eeuwen behandeld door de schriftgeleerden van
de verschillende landen, die van het door hunne confraters in andere
landen ontstoken licht alle partij kunnen trekken, die zij wenschen,
maar door geene oecumenische vertegenwoordiging aller Moslims tot
iets verplicht kunnen worden.
Wie de geestelijke leidslieden der Indonesische Moslims waren.
De keuze der landen, van waar onze Indische Moslims hunne wijsheid
ontvingen, werd vanzelf bepaald door de rechtsschool, waarbij zij
zich onder leiding der eerste Voor-Indische predikers van den Islâm
in den Archipel aansloten: de Sjafi'itische. Hunne handboeken der wet
zijn dus de meest bekende van dien ritus, geschreven meestal door
auteurs, die in West-Arabië, in Egypte, in Hadhramaut, eene enkele
maal door schrijvers, die in Voor-Indië gevestigd waren, of wel zij
zijn uit die hoofdwerken gecompileerd of samengetrokken. Voor hetgeen
buiten de studie der wet valt, voorzagen zij zich van leerboeken op
diezelfde markten, die hun hunne litteratuur over de wet leverden. Waar
het mondeling onderricht, dat het eigen land hun bood, naar hunne
schatting tekortschoot, vulden degenen, die zich die weelde konden
veroorloven, dit in den regel te Mekka, bij uitzondering ook wel te
Caïro, aan. De in Indië gevestigde Hadhramitische deskundigen hielpen
mede aan de vraag naar buitenlandsche voorlichting voldoen. Wij kunnen
het betreuren, dat tegenover al dien vreemden invloed geen krachtiger
nationaal geestelijk leven zich bij de Inlanders deed gelden of wist te
handhaven; veranderen of voor de toekomst verhinderen kunnen wij dat
niet. Maar tegen elken invloed met rechtstreeksche of zijdelingsche
politieke strekking behooren wij ons zoo schrap mogelijk te zetten.
Dus: uitsluiting van elke soort van meegaandheid tegenover het
optreden van Turksche consuls als agenten van het chalifaat en
beschermers der belangen van Mohammedaansche Inlanders; nalating aller
officieuze begunstiging van geldinzamelingen voor spoorwegaanleg
in den Hidjâz, voor door een of anderen Turkschen oorlog verarmde
soldaten of voor de weduwen en weezen van gesneuvelden; tegengang
van de gebeden voor de Turksche soeltans in de Vrijdagsdiensten,
althans zoodra die niet te beschouwen zijn als het gevolg der
gedachtelooze voorlezing van onbegrepen formulieren, maar als uiting
eener politieke geloofsbelijdenis. Verder bij het toezicht op het
Inlandsch-Mohammedaansche godsdienstonderwijs waakzaamheid tegen alle
propaganda voor panislamitische denkbeelden. De leer betreffende den
heiligen oorlog en hetgeen daarmede samenhangt, mag in pesantrèns en
soerau's evenmin behandeld worden als die betreffende het chalifaat;
trouwens de meeste goeroe's zijn uit eigen beweging zoo verstandig,
dit na te laten.
Bestrijding der kunstmatige verlevendiging van eschatologische
verwachtingen.
Het in abnormale beweging brengen van de gemoederen der lichtgeloovige
massa door verspreiding van verhalen of voorspellingen, die de
eschatologie betreffen, worde bijtijds voorkomen. Is de emotie eenmaal
gewekt en grijpt zij om zich heen, dan loopt het gewoonlijk uit op
woelingen, die met geweld onderdrukt moeten worden en waarbij misleide
onnoozelen het gelag met hun leven of hunne vrijheid betalen. Het
bestuur late zich dus niet bedriegen door de schijnbare onbeduidendheid
van den inhoud der chronisch onder de bevolking verspreide, in
een droomgezicht te Medina medegedeelde vermaningen van Mohammed,
of van vraagboekjes in verband met de verschijning van den Mahdî,
of van personen, die als wegbereiders van dezen Mohammedaanschen
messias willen gelden. Voor het naieve verstand der gewone Inlandsche
Moslims hebben al deze dingen en menschen groote beteekenis, en zij
richten onder hen dezelfde soort van onrust en verwarring aan als
die het gevolg is van propaganda voor een of anderen vorm van de
panislamitische gedachte.
Vermijding van al hetgeen naar inbreuk op de godsdienstvrijheid zweemt.
Met hoe meer klem nu echter de Regeering Hare autonomie in het bestuur
harer Inlandsche onderdanen handhaaft tegenover pogingen tot inmenging
van buitenaf, des te ernstiger behoort zij te waken tegen al wat zweemt
naar inbreuk op de godsdienstvrijheid ook van hare Mohammedaansche
onderdanen. Het kan vreemd schijnen, hierop aan te dringen, waar juist
dikwijls in meer of minder verwijtenden toon van Haar beweerd wordt,
dat Zij den Islâm veel meer dan noodig of wenschelijk was beschermd
en zelfs vertroeteld heeft, om nu maar niet meer te spreken van de
onzinnige beschuldiging, dat Zij eene bevolking van twijfelachtig
Mohammedaansche belijdenis naar Mohammedaansche rechtsbeginselen
zou hebben bestuurd. Toch is dat zoo vreemd niet, gelijk reeds
hieruit blijken kan, dat in Mohammedaansche landen buiten Oost-Indië
de Nederlandsch-Indische Regeering den naam heeft van op fanatieke
wijze den Islâm te vervolgen en te onderdrukken. Beide beschouwingen
berusten op onkundige overdrijving.
Ongunstige beoordeling der Nederlandsche Islâmpolitiek in de
panislamitische pers.
Hoe komt het, dat in de Mohammedaansche dagbladpers onze Regeering
vaak gehoond is als de vijandin der Moslims, en in geographische
leerboekjes, die op Turksch-Arabische scholen gebruikt worden,
Nederland kort aangeduid wordt, als eene met het beginsel der
verdraagzaamheid onbekende mogendheid, onder welks juk millioenen
van Mohammedanen zuchten? Voornamelijk uit tweeërlei oorzaak is dit
verschijnsel te verklaren.
Telkens wanneer in Nederlandsch-Indië woelingen plaats grepen,
die door opruiers met behulp van aan den Islâm ontleende motieven
waren gewekt, dan bleek achteraf, dat vele bestuursambtenaren door
onbekendheid met deze factoren van het volksleven tekortgeschoten
waren in waakzaamheid ten aanzien van verschijnselen, die toch
wel binnen den kring hunner waarneming gevallen waren. Dan werd
men onzacht wakker geschud, met het gevolg, dat door onkundige en
onbezadigde bestuurders plotseling allerlei overdreven maatregelen
werden genomen onder den invloed van eene zeer slechte raadgeefster,
domme vrees. De meest onschuldige Mohammedaansche godsdienstleeraars,
leerlingen aan pesantrèns, bedienaren van den eeredienst werden dan
na eene periode van verwaarloozing met een dwaselijk generaliseerend
wantrouwen bejegend, vaak gesteld onder een toezicht, dat zich het
best laat vergelijken met hetgeen men in Rusland zou doen ten opzichte
van iemand, dien men verdacht, een anarchist van de daad te zijn. In
zulke tijden huldigde menig bestuurder de onlangs door het meermalen
aangehaalde parlementslid verkondigde zotheid, dat de Mekkagangers
als het ware met dynamietbommen gewapend in hun land terugkeeren,
dat iedere hadji een opruier is.
Te Mekka, waar Mohammedanen uit verschillende deelen van den Archipel
elkaar ontmoeten, vernamen dezen van elkander het relaas van leed en
onrecht, dat men hier en daar in zulke schrikperioden geleden had,
en van daaruit werden die geruchten tevens over andere landen van den
Islâm verbreid. Dat men in die kringen de tijdelijke uitspattingen van
een aantal ambtenaren verwarde met beginselen van regeeringsbeleid,
is noch te verwonderen noch kwalijk te nemen.
Klachten der in Oost-Indië gevestigde Arabieren.
Een ander feit, waaraan de bijzonder ongunstige beoordeeling van ons
koloniaal bestuur in vele Mohammedaansche landen zich vastknoopte, was
de, om een zacht woord te gebruiken, beginsellooze politiek, die wij
gedurende tientallen van jaren volgden, en ook nu, na de zoogenaamde
hervorming, nog niet geheel hebben losgelaten tegenover de Vreemde
Oosterlingen, van welke natuurlijk voor ons geval hoofdzakelijk de
Arabieren in aanmerking komen. De in Nederlandsch-Indië verkeerende
of zich vestigende Arabieren zijn voor de overgroote meerderheid
afkomstig uit Hadhramaut, een doodarm land met onderling door
eindelooze bloedveeten verdeelde roofridders en in hunnen dienst
vechtende slaven, met meerendeels fanatieke afstammelingen van den
Profeet, met verdrukte burgers; een gebied zonder regelmatig bestuur,
zonder eenheid of orde, zonder welvaart. De menschen, die van daar naar
Oost-Indië emigreeren, brengen noch kapitaal noch bepaalde vaardigheden
of andere gewenschte eigenschappen mede, behalve deze ééne, dat zij
zich aan de hier heerschende ordelijke toestanden wonderwel weten
aan te passen en aan politie of justitie geene bijzondere moeite geven.
Indien onze Regeering overwoog, dat deze zonen van het dorre land
voor Indië op geene enkele wijze nuttig, in sommige opzichten
daarentegen schadelijk zijn, zou niemand Haar euvel kunnen duiden,
dat zij de verdere immigratie dezer Arabieren verbood, alleen
uitzonderingen toelatende, die billijkerwijze voortvloeiden uit
verkregen rechten en aanspraken. Allerminst zou Hadhramaut zelf zich
hierover kunnen beklagen, daar dit land zich hardnekkig sluit voor
alle niet-Mohammedanen, terwijl de politieke toestand er elke normale
betrekking met andere natiën uitsluit.
Dezen voor een oogenblik harden, maar verstandigen en rechtvaardigen
maatregel heeft de Regeering niet genomen; wat erger is, steeds heeft
Zij de Hadhramieten noch buitengesloten noch flinkweg toegelaten. In
naam hadden zij toegang, maar eenmaal binnengetreden, werden zij op
vaak ondragelijke wijze in de vrijheid hunner beweging belemmerd,
onderworpen aan allerlei bepalingen, die, al waren zij zoo kwaad niet
bedoeld, in de uitvoering werkelijk vexatoir werden, te meer, daar
veel overgelaten bleef aan het inzicht der verschillende plaatselijke
ambtenaren, die telkens wisselen. Zelfs op regelmatigheid in hetgeen
hij als plagerij ondervond, kon de Arabier in Indië niet rekenen.
De invloedrijke Arabieren hebben dientengevolge sinds vele
jaren achtereenvolgens alle wegen bewandeld, waarvan goede
vrienden hun verzekerden, dat zij konden leiden tot het doel:
hunne emancipatie van de bepalingen, die hunnen handel en verkeer
belemmerden in een land, waar zij toch theoretisch tot handel en
verkeer waren toegelaten. Ten slotte kwamen zij bij het chalifaat
en de Mohammedaansche dagbladpers terecht en vervulden de lucht met
hunne jammerklachten. Overdreven waren deze dikwijls, maar men zegt,
dat het niet alleen de Hadhramieten zijn, die, als zij eenmaal diep
gevoelde en lang verkropte grieven uiten, wel eens meer beweren dan
zij strikt genomen kunnen verantwoorden.
Ongunstig oordeel van sommige zendingsvrienden over de Islâmpolitiek
der Regeering.
Ziedaar de twee hoofdoorzaken van het in zeer wijden kring verbreide
oordeel, dat onze Regeering de Mohammedanen onverdraagzaam en onbillijk
bejegent. Van waar nu echter die lijnrecht tegenovergestelde opinie,
die men alleen in Nederland nu en dan hoort uiten, volgens welke de
Regeering den Islâm op in het oog vallende wijze begunstigt, zooals
men het nu en dan uitdrukt, met hem coquetteert?
Het was, men weet het, steeds uit sommige kringen van zendingsvrienden,
dat deze klacht vernomen werd. Allen, die zich actief op het terrein
der zending bewogen, ondervonden het, dat het Christendom in zijn
pogen om zielen te winnen nergens op ernstiger bezwaren stuit dan
daar, waar het achter den Islâm aankomt. Verschillende oorzaken van
dit verschijnsel werden in onze eerste voordracht aangeduid. Niet
slechts in Nederlandsch-Indië, over de geheele wereld brengt de
Islâm de Christelijke missie bijna tot vertwijfeling. Nu ziet de
zendingsvriend in Indië bijv., dat de Islâm een deel zijner kracht
ontleent aan zijn internationaal karakter, aan de aanrakingen met
geloofsgenooten uit de overige wereld, waartoe in het bijzonder de
bedevaart naar Mekka aanleiding geeft, en zoo komt hij tot de vraag:
zou de Regeering tegen dat euvel niets kunnen doen door het deelnemen
aan die bedevaart te bemoeielijken? Hij ziet verder, dat de kleine man,
die overigens toch zoo gemakkelijk te leiden is, juist op het punt van
zijnen door hem toch zoo gebrekkig gekenden godsdienst onhandelbaar
blijft, omdat zoogenaamde geestelijken of godsdienstleeraars hem
drijven of intimideeren, en wederom vraagt hij zich af: ligt het niet
in de macht der Regeering, den invloed dier leiders en leeraars wat te
breidelen? Dit zijn slechts een paar gevallen van vele, waarin mannen
der missie, zoekende naar middelen om de Evangelieprediking ook in
den onvruchtbaarsten bodem te doen gedijen, in arren moede wel eens
aankloppen daar, waar die niet te vinden zijn, en de onmogelijkheid der
bevrediging hunner wenschen in hunnen vurigen ijver voorbijzien. Dat
onze Mohammedanen, ook zonder de willekeurige maatregelen, waartoe die
ijveraars de Regeering zouden willen verleiden, reeds grieven hebben,
die, al overdrijven zij ze soms, toch verre van denkbeeldig zijn,
ontsnapt aan hunne eenzijdige waarneming.
Verstandige zendingsvrienden zouden bovendien van ongeestelijken steun,
zooals de daareven bedoelde ijveraars dien wenschen, niet gediend zijn,
al ware het slechts omdat zij te goed weten, dat de antipathie tegen
het Evangelie erdoor versterkt zou worden.
Slotsom.
Van welken kant wij de zaak ook bezien, de slotsom blijft, dat de
eenige wijze en rechtvaardige houding, die aan de Regeering tegenover
den Islâm past, bestaat in de meest strikte en oprechte handhaving
der vrijheid van godsdienst, zij het dan met belangrijk voorbehoud
ten aanzien van de staatkundige zijde van het Moslimsche stelsel en
met openhouding van alle wegen, die de Mohammedanen kunnen leiden
tot maatschappelijke evolutie, ook boven het stelsel van hunnen
godsdienst uit.
De Mohammedanen zelve kunnen daarmede vrede hebben, want zóóveel
rekening houden hunne leer en wet wel met de werkelijkheid, dat zij
hun den weg wijzen om ook onder een vreemd régime hunnen godsdienst
te belijden en te beoefenen. De "noodzakelijkheid", mits van buiten
hun opgelegd, heft voor hen vele bezwaren op, zoolang zij maar hun
intiemste leven naar hunne godsdienstige wetten mogen inrichten,
en dan billijken zij het ook, dat de vreemde macht, die Allah over
hen gesteld heeft, de regelen stelt, die hare eigene natuur haar
voorschrijft. In de geheele Mohammedaansche wereld kent men gezag toe
aan de uitspraak: "Een koninkrijk kan wel van duur zijn bij ongeloof,
maar niet bij ongerechtigheid".