Aanpassing van den Islâm aan de cultuur der door hem veroverde volken.
In mijne vorige voordracht gewaagde ik meer dan eens van het stelsel
van den Islâm, dat ongeveer drie eeuwen na Mohammed zijn definitieven
vorm had verkregen, en wees ik erop, dat het heel andere dingen bevatte
dan waarvan men in Mohammeds dagen ook maar een flauw voorgevoel kon
hebben. Dit sprak in verband met de ontzagwekkende gebiedsuitbreiding
van het Mohammedanisme geheel van zelf.
Het schijnt ons reeds een wonder, dat die halfbarbaarsche Arabieren
als in een ommezien niet slechts de volken van Zuid-Spanje tot de
Westelijke grens van China wisten te onderwerpen, maar tevens aan de
meesten hunner, waaronder naties met eene oude, hooge cultuur, hunnen
nuchteren, nieuwen godsdienst wisten op te dringen, de Arabische taal
in de plaats wisten te stellen van de talen der veroverde landen of
althans haar den voorrang daarboven te verzekeren, de afstamming van de
zonen der woestijn te doen erkennen als de hoogste aristocratie. Maar
zonder eene groote mate van aanpassing zou dit alles toch geheel
onmogelijk zijn geweest.
Voor de regeling van het staatsbestuur in die oude cultuurlanden, van
grondbezit, handel en verkeer in zulk een wereldrijk, om niet meer te
noemen, waren de sobere, naieve wetgevende gedeelten der Qoerânische
openbaring volstrekt ontoereikend. Nu had echter in de oudste gemeente
deze overtuiging diep wortel geschoten, dat alle levensverhoudingen,
groot of klein, zonder uitzondering geregeld moesten worden door Allahs
woord, toegelicht door Allahs gezant. Zoo was het geweest te Medina
zoolang Mohammed als levend orgaan der openbaring in het midden der
zijnen had verkeerd, en zoo behoorde het te blijven na zijn dood in
het door hem gestichte rijk.
De vreemde elementen met behulp van fictie bij de voorschriften van
den Profeet ingelijfd.
Hoe nu de geheel andere eischen der practijk in overeenstemming te
brengen met die als eene levensvoorwaarde van den Islâm beschouwde
beperking der bron van alle wijsheid tot eenige uitspraken, bestemd
om in de vrij primitieve maatschappij van Medina de gewenschte orde
te handhaven of te herstellen? Waar het voor heiligschennis gold,
te meenen, dat de woorden van Allah en Zijnen Gezant aanvulling
behoefden, schoot er niet veel anders over dan door vrome fictie aan
Mohammed in den mond te leggen, hetgeen hij vermoedelijk gezegd zou
hebben, indien hem een blik in de toekomst gegund ware geweest. Elke
vraag, die rees gedurende en na de groote verovering der landen,
gaf aanleiding tot het ontstaan van eene of meer overleveringen over
iets, dat de profeet had gezegd of gedaan, en waaraan men voor het
gegeven geval licht kon ontleenen. Later werd die steeds aangroeiende
massa van tradities door schifting in omvang beperkt, door ordelijke
rangschikking handelbaar gemaakt, en zoo verkreeg men de kanonieke
traditie-verzamelingen. Zij vormden niet een zoo streng afgesloten
geheel als de verzameling der woorden Gods in den Qoerân, zij lieten
veel meer plaats voor aanvulling en verschillende uitlegging, maar
eene verdere ontwikkeling der wetgeving, die naar ons spraakgebruik
dien naam zou verdienen, maakten zij dan toch zoo goed als onmogelijk.
Goed- of kwaadschiks moest de Islâm in de eerste twee eeuwen van zijn
bestaan de grootste plooibaarheid ontwikkelen, waartoe hij in staat
was: langs verschillende wegen nam hij instellingen en denkbeelden
in zich op, die ons op ondubbelzinnige wijze hunne herkomst uit
Griekenland, Rome, Perzië en Hindostan openbaren, al hebben zij zich
gehuld in het monotone, grauwe kleed van profetische traditie. Zonder
deze veelsoortige toespijzen en sterke kruiden zou de digestie van de
gulzig opgezwolgen landen en volken hem te machtig zijn geworden. Maar
toen was dan ook de grens zijner spankracht bereikt; ongeveer duizend
jaren geleden was dus de geschiktheid van den Islâm om zich aan te
passen aan andere tijden dan de dusver doorleefde, aan andere plaatsen
dan de dusver ingenomene zoo goed als geheel verbruikt.
De leer van de onfeilbaarheid der Moslimsche gemeente.
Het stelsel, zooals het toen reeds tot in kleine détails was
uitgewerkt, werd afgesloten door de leer van de onfeilbaarheid
der Moslimsche gemeente als geheel, vertegenwoordigd door hare
schriftgeleerden. Omtrent den Qoerân en zijne uitlegging, de kanonieke
overleving en hare verklaring, de uit die bronnen af te leiden
theologie en wet, was dus al hetgeen, waarover de schriftgeleerden tot
eenstemmigheid waren geraakt, boven verdere discussie verheven. Stevig
zaten die resultaten van drie eeuwen geestelijken arbeid vast in de
vesting der onfeilbaarheid. Die vastheid van het systeem was echter
tevens de oorzaak van zijn kwijning; hoe langer hoe meer verloor het
den samenhang met het leven.
Dit bezwaar zou belangrijk verminderen, wanneer gezaghebbende
schriftgeleerden die leer van den onfeilbaren consensus gebruikten
als middel juist om door hen wenschelijk geachte hervormingen in
te voeren. In de laatste jaren is dit, vooral in Egypte, en ook wel
in Turkije, door kundige oelamâ beproefd. Zij gelden echter bij de
groote meerderheid nog als gevaarlijke modernisten, en het is zeer
de vraag, of het hun gelukken zal, op den duur een zoo grooten kring
van moeqallids (erkenners van hun gezag) te vormen, dat hunne opinies
voor de vaststelling van den consensus gaan medetellen.
Belangrijke ontwikkeling van het stelsel na de derde eeuw der Hidjrah
zeer moeielijk.
Immers hetgeen daar voor duizend jaren werd vastgelegd, dat was
niet een geheel van beginselen, maar een stel van op goddelijk en
profetisch gezag berustende voorschriften, die tot in het kleine en
bijzondere het staatkundige, maatschappelijke en individueele leven
der geloovigen bonden voor alle gevallen, waarop men bedacht was
geweest. Nu hebben sinds dien tijd de verschillende Mohammedaansche
landen in menig opzicht onafhankelijk van elkander ieder hun eigen
leven geleid, daar de politieke, economische en andere toestanden vaak
hemelsbreed verschilden; maar hetgeen hen onderling bleef verbinden,
dat was juist, behalve eenige geloofsformules, de gemeenschappelijke
erkenning van het goddelijk karakter dier wet, die in elk van hare
deelen hare Arabische geboorte en hare opvoeding in het Westen van
Azië gedurende de zevende, achtste en negende eeuw verried. Al mag
men gedurende de tien eeuwen, die daarna volgden, kunnen wijzen op
concessies der wet aan behoeften, die zich algemeen deden gelden,
de moeite, die het kostte, ze erkend te krijgen, bewijst beter dan
iets anders, hoe stroef het systeem van den Islâm geworden was.
Wie toch eene zekere mate van plooibaarheid aan dit stelsel wil
toekennen, wijst terecht op het gewicht, dat vele schriftgeleerde
autoriteiten toekennen aan het belang der geloovigen als motief
voor wettelijke bepalingen, of aan den drang der omstandigheden,
die volgens Moslimsche autoriteiten gedeelten der heilige wet buiten
werking kan stellen, maar zulk beroep komt bij de meest gezaghebbende
schriftgeleerden slechts voor om den loop van de ontwikkeling der
wet in het verleden of ook uitzonderingen van tijdelijken aard te
rechtvaardigen, daarentegen zelden om wegen te openen voor eene
toekomstige ontwikkeling, die het vroeger met onfeilbaar gezag
vastgestelde zou wijzigen. De door de schriftgeleerden der eerste
eeuwen na eenige aarzeling aanvaarde, maar binnen enge perken gehouden
redeneering bij analogie kan evenmin als hervormend beginsel werken:
zij mag alleen dienen om uit de bestaande bepalingen voor dusver
onbekende gevallen nieuwe deducties te maken.
Hoe men de zaak ook beschouwe, elke poging om de wet in het bijzondere
te verbeteren bedreigt het heele, eeuwenoude gebouw met ineenstorting,
en ieder streven naar fundamenteele herziening brengt hem, die ermee
voor den dag komt, in verdenking van ongeloof. Tegen het een zoowel
als tegen het ander kan men gewoonlijk rekenen op den fellen tegenstand
van de meerderheid der schriftgeleerden, gesteund door de instinctief
bij haar zich aansluitende massa des volks.
De stroefheid van den Islâm, die in zijne eerste periode eene
wijle voor den onweerstaanbaren drang der omstandigheden week,
werd dan van de derde eeuw der Hidjrah af een zijner sprekendste
karaktertrekken. Een "positieve" openbaringsgodsdienst, die uit den
Hemel voorschriften verlangt over alle détails van het leven, kan op
den duur dit lot niet ontgaan.
Het stelsel splitst zich in geloofsleer en wet.
Ik sprak meermalen van het stelsel van den Islâm, en inderdaad was
het in den beginne formeel één geheel, werden alle levensvragen door
ééne en dezelfde klasse van deskundigen behandeld en opgelost. Weldra
verdeelde zich de stof in twee hoofddeelen, de geloofsquaesties,
de dogmatische vragen, die door theologen in den engeren zin, en
de vragen betreffende de plichten, die door wetgeleerden behandeld
werden. Beide vakken bleven met elkaar in innig verband, maar zij
onderscheidden zich toch van elkaar in doel, in middelen, in methode.
Over de dogmatiek kunnen wij hier kort zijn. Eene geloofsleer
wordt uit strijd over de ontwikkeling van het dogma geboren, en
tracht in scherp belijnde formules de bovendrijvende stellingen
voor altijd te bevestigen. Voor zoover men haar onfeilbaar of toch
boven revisie verheven acht, komt zij in een volgend tijdperk der
ontwikkeling van het menschelijke denken noodwendig in strijd met de
begrippen van een deel dergenen, die zij onder hare vleugelen wil
houden. Deze verwijdering kan echter zonder belangrijke practische
gevolgen intreden, wanneer ten minste de geloofsleer zich binnen
hare eigene grenzen houdt en niet te zeer ingrijpt in het gebied
van het handelen. Zoo is het in den Islâm gegaan. Toen de hitte van
den strijd der eerste drie eeuwen over geloofsformules afgekoeld en
het resultaat in den vorm eener rechtzinnige dogmatiek bezonken was,
nam de belangstelling voor deze dingen buiten de enge vakkringen af.
De dogmatiek na hare vaststelling van ondergeschikt belang voor
de practijk.
De vragen, waarover men getwist en elkander verketterd had, vertoonden
veel overeenkomst met die, welke in de Christelijke kerk de gemoederen
hadden bewogen. De praedestinatie, tegenover de aanhangers der leer
van den vrijen wil tot een hoofddogma verheven, werd in den Islâm niet
fatalistischer opgevat dan elders. De streng gehandhaafde eenheid Gods
werd met de veelheid Zijner in den Qoerân genoemde eigenschappen in
een verband gebracht, dat het middelmatige verstand zoowel als het
populaire openbaringsgeloof bevredigde. De leer van de eeuwigheid
der hellestraf voor ongeloovigen in verband met die der eindelijke
zaligheid aller geloovigen verscherpte in den geest der middeleeuwen
de grenslijn tusschen Mohammedanen en niet-Mohammedanen. Het dogma
der zaligmaking door het geloof alleen--geloof opgevat in den zin van
eerbiedige erkenning der almacht van den door Mohammed gepredikten
Allah, ongeveer zoo als een willig onderdaan zijnen vorst erkent,
waarbij de werken dienen om dat geloof schooner en volkomener te maken
en den geloovige meer aanspraak te geven op spoedige toelating in het
Paradijs--, dit dogma was dienstig om de zwakken niet af te schrikken
en de propaganda te bevorderen. Er zou veel meer te noemen zijn, maar
voor de practijk van het leven, die ons hier bovenal belang inboezemt,
is het eene van niet veel meer gewicht dan het andere.
Al was het stelsel óók ten aanzien van dit schema der geloofsleer
in de laatste duizend jaren stroef en afkeerig van alle pogingen tot
herziening, het denken der Islâmbelijders werd daardoor niet ernstig
belemmerd. De in hooge sferen zich bewegende geesten gingen erboven uit
of begaven zich op zijwegen; het vulgus bleef met allen eerbied voor
de theologische leuzen aan zijn, slechts in vorm ietwat gewijzigde,
oude bijgeloof hangen. Wie bij al die afwijkingen geene uitdagende
houding aannam, had zelden veel te vreezen.
Alleen enkele eschatologische voorstellingen verwekken soms beroering.
Eén hoofdstuk der dogmatiek vraagt soms de aandacht ook van hen, die
voor de bespiegeling over leerstukken zonder direct practisch gevolg
weinig belangstelling hebben: het is de eschatologie. De messiaansche
verwachtingen, die in de Moslimsche leer ingang gevonden hebben,
met name de verwachting, tegen het einde der dagen, van eenen mahdî
(eenen met Allahs bijzondere leiding begunstigden opperbestuurder),
die het stelsel van den Islâm opnieuw tot eere brengen en de
ongeloovigen verdelgen zal, verontrusten de gemoederen der minst
ontwikkelde Mohammedanen, zoo dikwijls als het aan opruiers gelukt,
eene bevolking te doen gelooven, dat de opstanding nabij is, of haar
in een bepaald persoon den mahdî of een van diens wegbereiders te
doen zien. De stemming jegens andersdenkenden wordt in zulke gevallen
hatelijk, en soms komt het tot fanatieke daden. Maar hiermede is dan
ook alles gezegd.
Al wordt dus de rechtzinnige geloofsleer op de pesantrèns van
Java en op dergelijke scholen (de soerau's van Soematra enz.) in de
buitenbezittingen veel, soms zelfs met overdreven voorliefde beoefend,
toch mogen wij bij de beschouwing van het stelsel in zijne werking
in het algemeen zoowel als op de Indonesiërs in het bijzonder, dit
gedeelte verder ter zijde laten. De wet verlangt in veel hooger mate
onze aandacht.
Het staatsgezag en de uitlegging der wet bleven niet lang in ééne hand.
Wij leerden haar daarstraks kennen als, wel veel meer later ingedrongen
elementen van vreemden oorsprong bevattend dan zijzelve ons wil doen
gelooven, maar sedert hare volgroeidheid bijzonder stroef. De keerzijde
van die stroefheid was, dat het werkelijke leven in vele opzichten
buiten haar om zijn eigen weg ging. Deze voor de wet ongunstige
verhouding werd ook door andere oorzaken zeer in de hand gewerkt,
voornamelijk doordien reeds enkele tientallen jaren na Mohammeds
dood de machthebbers in den Islâm en de uitleggers der wet niet
meer samenwerkten, maar twee jegens elkander meestal wantrouwende en
naijverige groepen vormden. Dat is sedert aldus gebleven: de bezitters
van het gezag waren even ongeneigd om zich in alles onder de vaak
lastige controle van de wetgeleerden te stellen als dezen om zich door
de vorsten der wereld den critischen mond te laten snoeren. Des te
vrijer konden die juristen zich aan hunne casuïstische liefhebberijen
overgeven, en daar zij, gelijk wij vroeger zagen, op de onwetende
schare minachtend neerzagen, waren zij allerminst doordrongen van
het besef, dat hunne uitlegging der onfeilbare wet rekening diende
te houden met de practische eischen der maatschappij.
De wet theoretisch erkend, practisch veelszins terzijde gesteld.
De samenhang van theorie en practijk liet reeds zeer veel te wenschen
over in de eerste drie eeuwen van wording van het systeem, en in de
landen zelve, waar die groei tot stand kwam; hoeveel te meer in later
eeuwen en in landen, die van dat oorspronkelijke centraalgebied ver
af gelegen waren. Gewoonterecht en willekeur der bestuurders deden
alom ten aanzien van menig hoofdstuk der wet bijna vergeten, dat het
eene andere bestemming had dan die van bestudeerd te worden. Het
qâdhî-ambt, ingesteld ter beslechting van alle geschillen volgens
de wet Gods, ontaardde weldra, deels omdat het meegesleept werd
in de algemeene corruptie der staatsambten, deels omdat het in de
vrijheid zijner functie belemmerd werd door zijne afhankelijkheid
van het bestuur. Om hunne gemoedsrust te kunnen bewaren bij het
onloochenbare feit, dat Allahs geboden op elk gebied veronachtzaamd
werden, namen de schriftgeleerden aan, dat deze wereld te slecht
was voor eene zoo volmaakte wet, die hare volle kracht slechts kon
ontwikkelen in het gulden verleden van Mohammed en zijne eerste
opvolgers en in het toekomstige messiaansche tijdperk, wanneer de
mahdî, de door Allah geleide, aan het hoofd der gemeente zou staan en
de wereld zou vervullen met gerechtigheid gelijk zij thans vervuld
was met onrecht. Dat het zoo gaan zou, werd zelfs in den vorm eener
voorspelling aan Mohammed in den mond gelegd.
Onderscheid in waardeering van de verschillende deelen der wet.
Theoretische erkenning hebben de wetgeleerden aan hun werk in
de geheele Mohammedaansche wereld weten te verzekeren; wie de
verbindbaarheid ook maar van een enkel door den onfeilbaren consensus
der gemeente gestempeld wettelijk voorschrift in twijfel trok, werd
daardoor een rebel tegen den Almachtige, wie haar loochende, een kâfir.
Juist hierom mogen wij dus toch weer van bijna geen deel der wet
zeggen, dat het ontbloot is van alle beteekenis voor het leven der
Mohammedanen; wel kan men naar het verschil in graad van de waarde
voor de practijk verschillende bestanddeelen dier wet onderscheiden.
De zuiver godsdienstige bestanddeelen.
De vijf hoofdplichten der geloovigen jegens Allah, de zoogenaamde
vijf zuilen van den Islâm, met welker behandeling ieder leerboek
der wet begint, hebben groote beteekenis voor het individueele
godsdienstige leven, in onzen tijd zelfs meer dan in de middeleeuwen,
toen nog vaak de vervulling dier voorschriften door bestuur en politie
bevorderd werd. Thans wordt die ook in landen onder Mohammedaansch
bestuur meestal aan den eigen aandrang der Moslims overgelaten,
zoodat men duidelijker dan voorheen kan onderscheiden, welke soort
van godsdienstige verrichtingen in eene bepaalde streek de hoogste
waardeering geniet. Voor de vraag, of men eene bevolking al of niet bij
de Mohammedanen zal indeelen, heeft, gelijk ons bleek, die relatieve
waardeering evenwel geen groot belang.
In den Indischen Archipel loopt die waardeering plaatselijk ver
uiteen. In Atjèh wordt de çalât lang niet met denzelfden ijver
waargenomen als in Banten; het vastengebod wordt op Midden-Java
door een groot deel der bevolking veronachtzaamd. Op West-Java
daarentegen overschat men dikwijls deze verplichting door haar
getrouwer na te komen dan die der ritueele godsdienstoefening. Aan
het zakâtvoorschrift houden zich de Soendaneezen veel strenger dan
de andere bewoners van Java, terwijl de ijver voor de bedevaart naar
Mekka in de meeste eilanden van den Archipel in vergelijking met
andere landen overdreven wordt.
Voor de practijk weinig beduidende bestanddeelen.
Onder de overige hoofdstukken der wet, die de verhouding der menschen
onderling als onderdanen van den staat, als leden van maatschappij en
gezin regelen, zijn er verscheidene, die onze belangstelling slechts
in zoover verdienen als zij kunnen bijdragen tot de kenschetsing van
den geest van het geheel of omdat zij den historicus van den Islâm
in staat stellen na te gaan, uit wat voor vreemde bronnen de oudste
bewerkers der Mohammedaansche wet de magere Arabische stof aangevuld
hebben. Overigens bezitten die hoofdstukken, daar zij zoo goed als
nergens op den duur kracht van wet hebben gehad, alleen paedagogische
waarde voor de betrekkelijk kleine kringen, die van de geheele wet
studie maken en wier ideaal van een vroom leven mede daardoor wordt
bepaald.
Dit geldt bijv., behoudens uitzonderingen, van de leer der contracten,
van het strafrecht en van zoo menig ander onderdeel, dat door de
casuïsten tot in de uiterste consequenties is uitgewerkt, als ware
het heil der menschheid ermee gemoeid.
Bepalingen die als moreele voorschriften werken.
Er zijn echter ook een aantal onderwerpen, waaromtrent bepalingen in de
goddelijke wet voorkomen, die in wijde kringen bekend zijn en welker
overtreding de geloovige zich als zonde aanrekent. Meestal zijn het
verbodsbepalingen, en wel liefst zulke, die op eene ondubbelzinnige
uitspraak van Allahs eigen woord berusten. Deze soort heeft dus voor
de Mohammedanen veel hoogere moreele waarde dan de laatst genoemde
categorie.
Geen Moslim heeft gemoedsbezwaar tegen het sluiten van koop- en
huurcontracten volgens andere regelen en in andere vormen dan die
de goddelijke wet daarvoor aangeeft; maar wanneer hij zich laat
vinden tot het aangaan eener overeenkomst, waarbij rentebeding
in een of anderen vorm te pas komt, dan voelt hij zich schuldig
tegenover Allah, en wanneer hij eene assurantie sluit, is zijn
geweten niet veel geruster. Dat komt omdat het leenen tegen rente in
den Qoerân streng verboden en met de zwaarste straffen in de andere
wereld bedreigd wordt, terwijl de Mohammedaansche schriftgeleerden
verzekeringsovereenkomsten als hasardcontracten beschouwen, en het
hasardspel in Allahs woord tot het werk van den Duivel gerekend wordt.
Van een koopcontract, waarbij de voorschriften der heilige wet niet
in acht genomen zijn, kan men uit het oogpunt van het kanonieke recht
de geldigheid betwisten; maar, indien beide partijen zich erdoor
gebonden achten, meer nog indien eene besturende macht die opvatting
deelt en waar noodig handhaaft, dan heeft die afwijking voor geen
der betrokkenen schadelijke gevolgen noch van materieelen, noch van
moreelen aard. Anders staat het met rechtshandelingen, die Allah
verboden en strafbaar gesteld heeft. Het sluiten van een contract
met rentebeding bijv. is uit een godsdienstig-zedelijk oogpunt te
vergelijken met het drinken van wijn of het plegen van ontucht.
Eene als onfeilbaar geldende wet, die zonder beperking van tijd of
plaats rechtshandelingen verbiedt welke, voor eene normale ontwikkeling
van menschelijken handel en verkeer op den duur onmisbaar zijn,
dwingt de menschen, zich op de eene of andere wijze van haar te
emancipeeren. Dit kan gebeuren door overtreding, die dan door hare
algemeenheid en frequentie ten slotte haar afschrikwekkend karakter
verliest, of door ontduiking, waarbij de schijn van gehoorzaamheid
aan het voorschrift wordt bewaard. Beide wijzen van doen ondermijnen
den waren eerbied voor de wet. Dat de Moslimsche wet dagelijks aldus
door de geloovige Mohammedanen behandeld wordt, moet geweten worden
aan het principieele euvel, waarmee die wet reeds behebt was, toen
zij van Arabië uit haren tocht door de wereld begon, het voor alle
tijden gelijkstellen van hetgeen de tijd noodwendig verandert.
Ontduiking van voorschriften bewijst niet, dat zij kracht van wet
hadden.
Een natuurlijk gevolg van dezen loop der zaken is het weer, dat de
wetgeleerden zelve het niet slechts hunne taak achten, de bepalingen
uit te leggen en uit te werken, maar ook de wegen te wijzen, waarlangs
men de in den tijd niet passende voorschriften kan ontduiken.
Een Duitsch vergelijkend rechtsgeleerde heeft gemeend, uit die gewoonte
der Mohammedaansche wetgeleerden de gevolgtrekking te mogen maken, dat
het recht van den Islâm werkelijk het leven heeft beheerscht; volgens
hem moeten die wetten wel in volle kracht gewerkt hebben, wanneer
men het noodig achtte, ze op omslachtige wijze te ontduiken. Hij
vergat, dat die noodzakelijkheid zich evenzeer opdringt, waar men te
doen heeft met eene gedétailleerde kanonieke wet, die met de eischen
van het leven telkens in conflict komt, maar waaraan men goddelijken
oorsprong toeschrijft, ja dat die ontduikingsmiddelen evenzeer gezocht
worden ten aanzien eener onveranderlijke moraal, die uit voorschriften
in plaats van uit beginselen bestaat. Ook als de historie ons niet
op elke bladzijde getuigen maakte van de botsingen van het leven der
Mohammedanen met de door hen theoretisch als onfeilbaar erkende wet,
dan nog zou de vergelijkende rechtswetenschap hare bevoegdheid te
buiten gaan door uit de wijze, waarop die wet in de school behandeld
werd, conclusies te trekken ten aanzien harer verhouding tot de
practijk.
Werkelijk geldende hoofdstukken der wet.
De vierde categorie van onderdeelen der wet, die wij van ons
gezichtspunt te onderscheiden hebben, behandelt onderwerpen, waarvan
men om deze of gene reden altijd van oordeel is gebleven, dat zij
geheel door het goddelijke recht geregeld moesten zijn, ook in het
lange tijdperk na de gouden dertig jaren der rechtzinnige chaliefen
en vóór het aanbreken der messiaansche periode van den mahdî.
Personen-, huwelijks-, familie- en erfrecht.
Hiertoe behoort in de eerste plaats het personen-, huwelijks-, familie-
en erfrecht. Geen Mohammedaansch besturend hoofd heeft er ooit aan
gedacht, de beslissing van geschillen, die daarop betrekking hebben,
aan de jurisdictie van den qâdhî te onttrekken. De voorwaarden en
de grondslagen van een huwelijkscontract kunnen de twee betrokken
partijen reeds daarom niet naar eigen goedvinden regelen, omdat Allah
elke moedwillige afwijking van de door hem daarvoor gestelde regelen
tot ontucht gestempeld en met de zwaarste straffen in dit leven en in
het namaals bedreigd heeft. Maar ook afgezien hiervan, het huisgezin
is wel in elke op godsdienstige grondslagen berustende maatschappij
als een onaantastbaar heiligdom beschouwd, welks inrichting niet aan
den invloed van menschelijke willekeur onderworpen mocht zijn. In
den Islâm met zijne ons bekende neiging tot détailregeling, die zelfs
de bijzonderheden van kleeding en toilet, van beleefdheidsvormen en
uitingen van gemoedsaandoening wilde binden aan van tijd en plaats
onafhankelijke voorschriften, in den Islâm sprak het van zelf, dat
de familie over zijn geheele gebied hetzelfde type moest vertoonen
en dat hij ten aanzien hiervan voor transactie met de ethnische
eigenaardigheden zijner belijders ontoegankelijk was.
Naast deze, voor alle Mohammedanen verreweg belangrijkste kapittels
der heilige wet, hebben wij in dit verband nog te letten op een aantal
andere, waarmede uit den aard der zaak lang niet ieder practisch
te doen krijgt, maar die toch dit met de voorschriften betreffende
personen-, huwelijks-, familie- en erfrecht gemeen hebben, dat zij
de daarin behandelde onderwerpen ook feitelijk beheerschen.
Vrome stichtingen.
Niet ieder verkeert in de gelukkige omstandigheden, vrome stichtingen
ten behoeve van eeredienst, onderwijs of andere zaken van algemeen
nut in het aanzijn te kunnen roepen; maar wie dat doen kan en wil,
denkt er natuurlijk niet aan, het op eene andere wijze te doen dan
die in Allahs wet daarvoor is aangegeven. Hij zou immers daardoor
het voornaamste resultaat, dat men zichzelf van zulke vrijgevigheid
belooft: de verwerving van Allahs genade in het namaals, in gevaar
brengen. Al is het dus mogelijk en zelfs zeer waarschijnlijk, dat de
wet betreffende de waqfgoederen in den tijd der aanpassing van den
Islâm onder sterken invloed van het recht der veroverde landen haar
beslag heeft gekregen, zóó als zij daar nu in het voltooide systeem
voor ons ligt, vertoont zij zich aan de geloovigen als afkomstig
uit dezelfde onfeilbare bronnen, waaruit de met historisch recht
aan Mohammed toegeschreven inzettingen gevloeid zijn, en geen Moslim
wijkt er willens en wetens van af, wanneer hij zijn credit in Allahs
grootboek wenscht te vermeerderen door een deel van zijn eigendom in
de doode hand te brengen.
Geloften.
Hetzelfde kan men tot op zekere hoogte zeggen van de geloften, waarbij
de geloovige, al of niet onder de voorwaarde van het plaatsgrijpen
eener door hem gewenschte gebeurtenis, aan Allah eene of andere
prestatie in den vorm van een Hem welgevallig werk belooft. Echter is
op dit gebied de heerschappij der geopenbaarde wet niet zoo onbeperkt
als ten aanzien der eerst genoemde onderwerpen. Terwijl men met de
stichting van een waqf in de eerste plaats eene verhooging van zijnen
rang in de andere wereld op het oog heeft, wil men door geloften
meestal aardsche doeleinden bereiken: de meest gewoone voorwaarden,
waaraan de vervulling eener gelofte gebonden wordt, zijn genezing
van zieken, erlanging van den huwelijkszegen, van geluk in den
handel of in de ambtelijke loopbaan, en wat dies meer zij. Daar nu
de geïslamiseerde volken ook vóór hunne bekeering allerlei magische
middelen tot verkrijging van zulke wenschen plachten aan te wenden en
de paedagogische werking van den Islâm nergens sterk genoeg geweest
is om zulk volksgeloof uit te roeien, dingen hier nog altijd de
oude beproefde recepten van heidenschen oorsprong met de in streng
monotheïstischen zin gereinigde der officieele leer om den voorrang,
en dan winnen de eerste het meestal bij de ongeletterde massa.
Voorschriften over de rechtspraak.
De bepalingen over de rechtspraak, die de Mohammedaansche wet bevat,
hebben werkelijk ingang gevonden en hare werking behouden, voor
zoover die rechtspraak zelve niet door eene andere, wereldlijke is
verdrongen. Dat wil dus zeggen, dat bij de beslechting van al zulke
geschillen, welker behandeling de besturende autoriteiten niet aan zich
getrokken hebben, dus alweer bovenal in zaken betreffende personen-,
huwelijks-, familie-, en erfrecht, de procedure volgens de regelen der
heilige wet geschiedt, de door haar aangegeven bewijsmiddelen alleen
in aanmerking komen, dat getuigen en partijen daarbij zonder eenigen
dwang het woord moeten voeren, dat het getuigenis van vrouwen weinig,
dat van niet-Mohammedanen volstrekt geene waarde heeft, dat de eed
alleen aan partijen en niet aan getuigen kan worden opgelegd, dat
aan het schriftelijk bewijs geene waarde toegekend mag worden. Alles
geheel anders dus dan bij de berechting der vele zaken, die in den
loop der tijden aan de qâdhîs onttrokken en naar gewoonterecht of
willekeur door de bestuurders behandeld werden.
Bepalingen over de verhouding tot niet-Mohammedanen.
De wettelijke voorschriften, die bestemd zijn om de verhouding van
den Moslimschen staat tegenover het "gebied van den oorlog", van de
belijders van den Islâm tegenover ongeloovigen te bepalen, hebben
eeuwenlang de werkelijkheid beheerscht, zij het ook vaak met eene
zekere vrijheid in het bijzondere, die zich vanzelf verklaart wanneer
men bedenkt, dat de uitvoering lag in de handen der vorsten en hunner
dienaren, niet der schriftgeleerden. Ook toen de staatkundige roem
van den Islâm al geweldig getaand was, hield men nog lang vast aan
zulke middeleeuwsche beginselen als dat een Moslimsch staatshoofd
nooit duurzamen vrede met een niet-Moslimsch land mocht sluiten,
ja zelfs een wapenstilstand niet langer dan tien jaren mocht duren.
Nog in onze dagen, kan men, gelijk ons reeds bleek, de leer van
den heiligen oorlog en hetgeen daarmee verband houdt niet als voor
de practijk onverschillig beschouwen, al is hare werking van geheel
anderen aard dan die van in eigenlijken zin nageleefde wetten zooals
de huwelijkswet.
De ontwikkelingsgeschiedenis der wet verzet zich tegen codificatie.
Dit overzicht zal voldoende zijn ter bevordering eener klare
voorstelling der beteekenis, die het stelsel van den Islâm gehad heeft
en die het nog bezit voor het leven zijner belijders. Toch zou onze
schets aan duidelijkheid te wenschen overlaten, indien wij er niet
iets aan toevoegden over den aard der bronnen, waaruit dat systeem,
inzonderheid in zijne legislatieve bestanddeelen, gekend wordt. Het
kan daarbij niet de bedoeling zijn, de in den laatsten tijd meermalen
door mij gegeven uiteenzetting van de wordingsgeschiedenis der
Mohammedaansche wet nogmaals te herhalen, maar wel om scherp te doen
uitkomen, dat het bij deze wet nooit gekomen is tot eene eigenlijke
codificatie, en dat, naar het schijnt, ook in de toekomst elke poging
om daartoe te geraken van te voren als mislukt moet worden aangemerkt.
Qoerân en Soennah.
In den allereersten tijd hebben de leiders der Mohammedaansche
gemeente getracht, de geheele wet te beschouwen als berustend op
de eigen woorden van Allah, zich daarvoor o.a. beroepende op het
Qoerânvers (VI : 38): "Wij hebben in het Boek niets veronachtzaamd",
openbaringswoorden, die blijkens het verband iets geheel anders wilden
zeggen. Men was huiverig voor het stellen van menschelijk gezag als
ongeveer gelijkwaardig naast dat van God.
Niet lang kon men echter blind blijven voor de waarheid, dat de Qoerân
van het eerste begin af doorgaans de verklaring en aanvulling zijner
sobere wetgevende uitspraken door woord en voorbeeld van den Gezant
Gods onderstelt. De Soennah, de wijze van doen, van Mohammed, werd
derhalve als tweede bron van wetgeving naast den Qoerân erkend. Deze
Soennah had boven den weldra na Mohammeds dood voor altijd schriftelijk
vastgestelden Qoerân eene zekere rekbaarheid voor, waarvan bij de
vroeger genoemde aanpassing der wet aan de onafwijsbare behoeften
der veroverde landen een ruim gebruik gemaakt werd. De overlevering
(hadîth) omtrent den inhoud der Soennah bleef gedurende een paar eeuwen
vloeiend, en zoo vond men gelegenheid om de meeste vreemde elementen,
die de Moslimsche wet niet missen kon, door tradities over Mohammeds
woorden en daden te sanctionneeren.
De Overlevering, al hield ook hare rekbaarheid na ongeveer drie eeuwen
op, heeft nooit zoo vasten vorm verkregen als de Openbaring. Uit het
ontelbaar aantal tradities, die elk een of ander klein détail der wet
tot onderwerp hadden, kozen gezaghebbende geleerden, ieder volgens
zijne eigene critische beginselen, de "echte" uit, en zij rangschikten
die in hunne verzamelwerken min of meer naar den inhoud of naar de
herkomst. Ofschoon nu sommige van die verzamelingen eene soort van
kanonieke waarde hebben verkregen, bleef toch de weg altijd open voor
verschillende relatieve waardeering der enkele tradities, die daarin
eene plaats gevonden hadden, en tevens voor gelijke waardeering van
andere, die in die collecties niet waren opgenomen. De uitlegging van
al die overleveringen was natuurlijk voor latere geslachten vooral
niet minder aan discussie onderhevig dan die van Allahs eigen woord.
Losmaking der wet van hare bronnen.
De wettelijke bepalingen, die men uit deze bronnen kon afleiden,
werden vervolgens stelselmatig en met weglating van het betoog, door de
schriftgeleerden (faqîhs) geordend en aldus verwerkt tot hetgeen men
zou kunnen noemen handboeken der plichtenleer, leerboeken, waarin de
geheele wet voor de weetgierigen werd uiteengezet met zooveel gezag als
de naam van ieder auteur vertegenwoordigde. Het verschil in opvatting,
dat bij die behandeling der stof aan den dag kwam, betrof meestal
dingen, die wij bijzaken zouden noemen, en het verminderde bovendien
nog met den tijd. Toch werd volkomen eenstemmigheid ten aanzien van
geen enkel hoofdstuk der wet bereikt, zelfs niet binnen de grenzen
van eene der rechtsscholen, waarvan thans nog vier--de Hanafitische,
de Malikitische, de Sjafi'itische en de Hanbalitische--over zijn,
die dat meeningsverschil vertegenwoordigen. Dit doet geen afbreuk aan
de katholiciteit van het systeem van den Islâm, daar het totaal van
de resultaten der legislatieve werkzaamheid van de eerste eeuwen als
onaantastbaar gewaarborgd wordt door de onfeilbaarheid der gemeente,
die dat alles, de verschillen incluis, voor hare rekening heeft
genomen.
De onfeilbare gemeente heeft geen vast orgaan.
Deze loop der zaken, men begrijpt het licht, verzet zich tegen het
denkbeeld eener algemeen aanvaarde codificatie, zelfs van hetgeen
in ééne en dezelfde school op dit gebied als waarheid geldt. Zij zou
niet kunnen geschieden zonder dat daarbij telkens van verschillende,
gelijkwaardige inzichten enkele voor goed ter zijde werden gesteld. Ook
heeft de onfeilbaarheid van den consensus van oudsher alleen zóó
gewerkt, dat eene volgende generatie op bepaalde resultaten der
werkzaamheid eener vorige het stempel harer goedkeuring drukte,
maar er is nooit een lichaam of eene vergadering geweest, die zich
bevoegd achtte, op een gegeven oogenblik over bepaalde quaesties in
naam der onfeilbare gemeente uitspraak te doen. Eene commissie van
geleerden eener rechtsschool (madhab) te belasten met de codificatie
van de Moslimsche wet, zou dus, afgezien van de moeilijkheid harer
samenstelling in verband met de verspreiding der aanhangers van
zulk eene school over den aardbodem, een absoluut novum zijn, en men
weet hoe vijandig bovenal de wetgeleerdheid tegen nieuwigheden is,
gedachtig aan de uitspraak, die op naam van den Profeet overgeleverd
wordt: "hoedt u voor nieuwe dingen: want elke nieuwe zaak is eene
ketterij, elke ketterij eene dwaling, en elke dwaling behoort in het
helsche vuur".
Gesteld eens, dat men de waarlijk niet geringe bezwaren, die ik al
noemde, ter zijde wist te stellen, dan nog zou de aanvaarding van de
meest zorgvuldige codificatie op haast onoverkomelijke gemoedsbezwaren
stuiten. Men zou in den codex niet veel anders mogen zien dan een nieuw
leerboek naast de vele bestaande, niet een wetboek. Al hebben feitelijk
de handboeken der verschillende scholen de bronnen der wet verdrongen,
zoodat het niemand meer vrijstaat, die bronnen onafhankelijk van de
rechtsscholen te gebruiken, terwijl ook het recht der geleerde critiek
op de uitspraken van gezaghebbende handboeken uiterst beperkt is,
toch ziet men in ieder dier met autoriteit bekleede auteurs slechts
iemand, die op gezag alweer van oudere voorgangers den inhoud van
Qoerân en Overlevering verklaart, zonder zijn werk voor die gewijde
bronnen in de plaats te stellen. Geen Mohammedaansch concilie--gesteld
eens dat het mogelijk ware, er een samen te stellen--zou het wagen,
voor zijn werk op zulk eene plaats aanspraak te maken.
Poging tot codificatie in Algerië.
In Algiers wil de Regeering het beproeven. De Délégation financière des
Colons sprak in hare zitting van 18 Maart 1904 de wenschelijkheid eener
codificatie van het in de kolonie geldende Mohammedaansche recht uit,
dewijl het ontbreken van eenen voor Europeesch gebruik geschikten
codex tot allerlei moeielijkheden aanleiding gaf, en vooral het
totstandkomen eener dergelijke regeling der grondrechten belemmerde. De
Gouverneur-Generaal gaf aan dien wensch gehoor door bij besluit van 22
Maart 1905 eene commissie in te stellen bestaande uit 11 leden, waarvan
5 Inlandsche en 6 Fransche ambtenaren, afgevaardigden en geleerden,
met het doel om te bestudeeren "eene codificatie der bepalingen
van het Mohammedaansch recht, die op de Moslimsche inboorlingen van
Algerië toepasselijk zijn". Daaronder vallen, zooals nader blijkt, het
personen- en familierecht, het erfrecht en de bepalingen betreffende
vrome stichtingen, het zakelijke recht betreffende onroerend goed,
de bewijsleer.
De koloniale regeering van Algerië zoowel als de commissie hebben op
voorbeeldige wijze zorg gedragen, dat de voorbereidende werkzaamheden
bij het volste daglicht door iedereen gezien en beoordeeld konden
worden. Onder den algemeenen titel "Projet de codification du droit
musulman" verschenen van 1906 tot 1909 vijf deeltjes, waarin een
getrouw verslag wordt gegeven van de ongunstige zoowel als van de
gunstige adviezen van tal van Fransche en Inlandsche deskundigen,
waarin verder de notulen van de vergaderingen der commissie en de door
een harer leden uitgewerkte wetsontwerpen met de door anderen daarop
voorgestelde verbeteringen worden medegedeeld. Hoogst belangrijk blijft
die verzameling documenten, zelfs al moest de poging tot codificatie
ten slotte op niets uitloopen. Dan toch zou, duidelijker dan een
betoog a priori dit vermag, bewezen zijn, dat ook de samenwerking
van hoogst bekwame mannen niet in staat is, de hinderpalen tegen de
uitvoering van zulk een plan weg te nemen.
De adviezen zijn minder gunstig dan zij schijnen.
Voor mij, ik zeide het reeds, is de uitslag niet twijfelachtig. De
overtuiging, die ik altijd heb gekoesterd, dat het Moslimsche recht
geene codificeering toelaat, wordt zelfs versterkt door den inhoud
der zooeven genoemde publicaties der commissie van Algiers, ofschoon
de leden dier commissie zelve nog volharden bij hun optimisme.
De drang tot codificatie kwam geheel en uitsluitend van Europeesche
zijde. Fransche rechters, die zich soms belast zien met de
beslechting in eerste of tweede instantie van geschillen, waarbij
het Mohammedaansche recht geldt, weten in de Arabische handboeken
den sleutel tot de oplossing vaak niet te vinden en snakken naar eene
samenvatting der bepalingen naar de methode en in den vorm, waaraan
zij in hun eigen recht gewoon zijn. Europeesche kolonisten verlangen
eene vaststelling der rechten van Inlanders op onroerend goed, die hen
bij hun verkeer met Inlandsche grondbezitters voor onzekerheid behoedt.
De Europeesche adviseurs zijn over de mogelijkheid van het voldoen
aan deze wenschen zeer verdeeld. Onder de Inlandsche autoriteiten,
die adviezen gaven, zijn een belangrijk aantal besliste tegenstanders
van de codificatie, en dit aantal zou ongetwijfeld toenemen, als men
ook adviezen inwon van ambtelooze schriftgeleerden, die in zaken van
dezen aard in veel hooger mate de vox populi vertegenwoordigen dan
zij, die door ambtelijke banden aan de Regeering gebonden zijn. Van
de Inlandsche adviezen die door de commissie onder de gunstige
gerangschikt zijn, maken vele het voorbehoud, dat de codificatie
zich strikt beperken zal tot eene voor Europeanen meer bruikbare
rangschikking van den inhoud der algemeene gebruikelijke Arabische
handboeken, zonder aan geest of letter van dien inhoud te raken. De
onvoorwaardelijke voorstanders onder de Inlanders zijn blijkbaar alleen
zulken, die onder Europeeschen invloed van de tradities van hun volk
min of meer los geworden zijn, en wier advies derhalve in eene zoo
delikate quaestie als deze met groote behoedzaamheid gebruikt dient
te worden.
Ten onrechte beroept men zich op voorgangers.
De voorbeelden, waarop de commissie zich beroept om de rechtmatigheid
van haar plan te betoogen, namelijk hetgeen in deze richting in
Turkije, in Egypte en in Tunesië tot stand gebracht is, kunnen den
verlangden dienst niet bewijzen, zoolang niet is aangetoond--en die
aantooning zou niet licht gelukken--dat de officieele verzamelingen
van beginselen en bepalingen der Moslimsche wet, die op last van de
Turksche en Egyptische regeeringen uitgegeven zijn, in de practijk der
rechtspraak dier landen de handboeken en fetwa's, die van ouds door
de rechters als grondslag voor hunne beslissingen gebruikt werden,
verdrongen hebben, en wat Tunesië aangaat, dat men daar met het
codificatiewerk, wat de belangrijkste hoofdstukken van het Moslimsche
recht betreft, verder gekomen is dan tot projecten.
Codificatie onder niet-Mohammedaansche leiding bovendien verdacht.
En dan moet men nog twee zaken bedenken, die de uitvoering van
het plan voor eene niet-Mohammedaansche regeering als de Fransche
heel wat bezwaarlijker zouden maken dan voor Mohammedaansche als
de Turksche en Egyptische. In alle opzichten, maar vooral waar het
aankomt op de behandeling der heilige wet, heeft de minst aanzienlijke
Mohammedaansche bestuurder voor eene bevolking, die dien godsdienst
belijdt, een gezag, waarmee dat van den machtigsten niet-Moslimschen
staat nooit kan wedijveren. Ging de Gouverneur-Generaal van Algiers
er inderdaad toe over, bij decreet verbindende kracht toe te kennen
aan eenen codex van het Mohammedaansche recht, die door eene commissie
van eenige Fransche deskundigen en eenige Mohammedaansche ambtenaren
van de Fransche regeering was samengesteld, dan zou zulk eene wet
reeds om haren oorsprong in de oogen van alle vrome Moslims verdacht
zijn. Kwam daar nog bij, dat bij die codificatie gestreefd was,
uit de leerstellingen der verschillende rechtsscholen van den Islâm
datgene bijeen te lezen, wat zich het best leende voor aanpassing aan
moderne rechtsbegrippen--en hiernaar streeft inderdaad de commissie van
Algiers--dan zou de gehoorzame aanvaarding van zulk eenen codex door
eene Moslimsche bevolking eenvoudig bewijzen, dat de Fransche Regeering
over haar een zoo onbeperkt gezag had, dat zij bijna even gemakkelijk
het geheele Mohammedaansche recht door een ander had kunnen vervangen.
De toepassing der wet volgt methoden, die van de Westersche afwijken.
Het tweede, niet minder ernstige bezwaar is hierin gelegen dat het
recht niet alleen zijn eigen inhoud heeft, dien men volgens de meening
der Mohammedanen alleen door steeds vernieuwde raadpleging der door
den consensus gewaarmerkte handboeken mag leeren kennen, kennen, maar
dat bovendien rechters en moefti's (gezaghebbende uitleggers der wet)
bij de toepassing en verklaring dier wet gebonden zijn aan methoden,
die ver afwijken van die der Europeesche juristen. Een door een
Europeesch rechter geveld vonnis kan door hem op volkomen logische
wijze zijn gebaseerd op een artikel van zijnen Mohammedaanschen codex
en toch rechtmatige ergernis geven aan Mohammedanen, die tegen den
inhoud van het artikel zelfs geen enkel bezwaar hebben.
Sommige Fransche adviseurs achten codificatie daarenboven ongewenscht.
Eenige Fransche adviseurs der Regeering van Algiers, die evenals
ik eene bevredigende codificatie van het Moslimsche recht niet
mogelijk achten, spreken zich daarenboven tegen de wenschelijkheid
van zulk een vastleggen van bepalingen dier wet uit. Zij wijzen erop,
dat de Fransche Regeering zoo doende aan inzettingen, die zij niet
goedkeurt, maar alleen om historische redenen ter wille van eene groep
harer onderdanen tolereert, een langduriger bestaan verzekeren zou
dan deze, aan zichzelve overgelaten in den strijd tegen de moderne
levensopvatting, zouden bereiken. Wel verre van in het ontbreken van
eenen codex eene lastige leemte te zien, beschouwen zij dat veeleer
als een groot voordeel, daar Fransche rechters en bestuurders nu
bij allerlei gelegenheden hunnen invloed kunnen aanwenden om de
practijk der Mohammedanen geleidelijk met nieuwere beginselen in
overeenstemming te brengen, hetgeen zij zeer dikwijls met succes
gedaan hebben. De codex, dien men bezig is te ontwerpen, zou daarom
voor een deel reeds bij zijne geboorte verouderd zijn, en voor het
overige de zoo gewenschte ontwikkeling der Moslimsche maatschappij
uit hare middeleeuwsche windselen zeer bemoeilijken.
Ook in Nederlandsch-Indië werd de wensch naar codificatie vernomen.
In Nederlandsch-Indië zijn meer dan eens stemmen opgegaan voor
eene codificatie van die gedeelten der Mohammedaansche wet, die
voor de rechtspraak over Inlanders van practisch belang zijn. Onze
wetgeving heeft den omvang hiervan nergens zoo nauwkeurig bepaald
als dit in Algerië geschied is, maar de natuurlijke loop der zaken
heeft dien feitelijk hier tot dezelfde onderwerpen beperkt als daar;
het huwelijks-, familie-, personen- en het erfrecht staan bovenaan,
de waqf-instellingen worden uit den aard der zaak volgens de heilige
wet behandeld, en de Moslimsche leer van het bewijs, die in zoo
menig opzicht van moderne opvattingen afwijkt, is de eenige, welke
de handhaver der wet van den Islâm bij zijn onderzoek mag volgen.
Degenen, die ten onzent op codificatie aandrongen, behoorden
ongeveer tot dezelfde groepen, die in Algerië zulk eenen mijns
inziens onvervulbaren wensch uitten: vooral rechterlijke ambtenaren,
die inzagen, dat de Regeering zich op den duur niet mag onttrekken
aan alle toezicht op de Inlandsch-Mohammedaansche rechtspraak, en dat
zulk toezicht niet beperkt kan blijven tot de wettige samenstelling
der rechtbanken en tot de quaestie der competentie, maar zich ook
behoort uit te strekken tot den inhoud der vonnissen, daar anders de
justitiabelen overgeleverd worden aan de willekeur van niet of slecht
bezoldigde rechters, die toch door de Regeering worden aangesteld. Die
Europeesche juristen achtten evenwel de doelmatige uitoefening van
zulk toezicht niet mogelijk, wanneer zij daarvoor niet beschikten
over een codex, die voor hen, bruikbaar en tevens met onbetwist gezag
bekleed was.
Bij de overige bedenkingen komen nog gemoedsbezwaren.
De principieele bezwaren tegen dit desideratum behoeven wij na al
hetgeen naar aanleiding der in Algiers op touw gezette codificatie
werd opgemerkt niet meer te herhalen. Kon men--wat ik ontken--die
algemeene hinderpalen overwinnen, dan nog zou, naar ik vermoed, onze
Regeering, die zich terecht verplicht acht, de volksinstellingen
der door Haar bestuurde Oosterlingen, vooral wanneer zij eenen
godsdienstigen grondslag hebben, te tolereeren, in hooger mate dan
die van Algiers door gemoedsbezwaren weerhouden worden van het door
officieele codificatie min of meer consacreeren van instellingen als
de polygamie met hetgeen daaruit voortvloeit, om niet meer te noemen.
Codificatie zou den invloed van volksrecht verminderen.
Ook zou eene codificatie van het Moslimsche recht, om te voldoen aan de
eischen der meest deskundige Mohammedaansche Inlanders, verschillende
instellingen, die in het inheemsche volksrecht gegrond zijn en waarmede
vele rechters naar den Islâm rekening plegen te houden, moeten negeeren
en zoo hare afschaffing voorbereiden, terwijl juist hare handhaving
aanbeveling verdient. Ik noem slechts het op nagenoeg geheel Java en
Madoera geldende instituut der voorwaardelijke verstooting na elk
huwelijk, waardoor de positie der gehuwde vrouw belangrijk sterker
wordt dan door eenvoudige toepassing der Mohammedaansche wet het geval
zou zijn; verder de in een groot deel dier eilanden gebruikelijke
verdeeling der staande het huwelijk verworven goederen tusschen de
echtgenooten bij ontbinding van den echt.
Een der meest gezaghebbende Mohammedaansche schriftgeleerden
in Nederlandsch-Indië, Sajjid Oethmân bin Jahja te Batavia,
heeft door de samenstelling van zijnen verdienstelijken gids
voor de priesterraden (onder den titel: al-Qawânîn as-Sjar'ijjah)
zijdelings de onmogelijkheid eener codificatie aangetoond. Hij wist
uit rijke ervaring van vele jaren, welke quaesties aan die geestelijke
rechtbanken op Java en Madoera plegen te worden voorgelegd; zijn
streven was, uit de beste werken der doctores van het Sjafi'itische
recht bijeen te lezen, hetgeen de leden van die rechtbanken anders in
eene bibliotheek van handboeken zouden moeten zoeken. Inderdaad gaf
hij al wat iemand, die met de materie vertrouwd is, billijkerwijze
verwachten kon: geene codificatie dus, maar een nieuw, voor bijzondere
behoeften berekend leerboek, dat evenwel telkens den gebruiker
noodzaakt, voor een te behandelen geval zijn licht te ontsteken bij
een anderen auteur. Van volksrecht, dat niet met de kanonieke wet
overeenstemde, nam hij natuurlijk alleen notitie om het met alle
kracht te bestrijden.
Beteekenis der mystiek in den Islâm.
Onze vluchtige karakterschets van het systeem van den Islâm
zou al te onvolledig zijn, als we de mystiek geheel stilzwijgend
voorbijgingen. Voor hem, die den Islâm van alle zijden wil bezien,
is dit zelfs juist een onderwerp, dat verleidt om er lang bij stil te
staan, want in de mystiek heeft het Mohammedanisme het middel gevonden
om zich te verheffen tot eene hoogte, van waar hij boven zijn eigen,
eng begrensden horizon uit kon zien.
Die geesten onder de Moslims, voor welke het keurslijf der wettelijke
voorschriften en der dogmata van den Islâm te eng was, hebben in de
periode, waarin hij zich aan de door hem veroverde wereld aanpaste,
aan denkbeelden van eene andere orde binnen zijne grenzen een zeker
burgerrecht weten te verzekeren. In hunnen kring werkten ascese en
wijsgeerige diepzinnigheid van Griekschen, Perzischen en Indischen
oorsprong samen om de wet en de dogmatiek te vervluchtigen tot de
eerste, meest elementaire middelen om te geraken tot vereeniging van
mensch en God. Soms ging die vervluchtiging zoo ver, dat er van de
specifieke voorschriften en leerstellingen van den Islâm niet veel meer
overbleef. Natuurlijk begon dan van de andere zijde de ketterjacht,
en daarom vermeden vele mystieken het dan ook, de ondergeschiktheid
van wet en geloofsleer aan hoogere doeleinden tot de consequentie van
opheffing dezer beide uit te werken. Dit alles behoort echter meer
tot het terrein van godsdienst en wijsbegeerte, dat ons hier slechts
in zooverre bezighoudt als het voor de practijk belangrijke directe
gevolgen heeft.
Hervorming van het stelsel is van de mystiek niet te verwachten.
In één opzicht raakt de mystiek toch onze tegenwoordige sfeer van
belangstelling. Overal, en ook in den Islâm, onderscheidt zij zich
door neiging om den godsdienst boven zijne vormen te verheffen,
dus ook door verdraagzaamheid; zij heeft, als ik het zoo eens
noemen mag, iets interreligionaals. Nu hebben sommigen daarom de
Mohammedaansche mystiek beschouwd als bestemd om den Islâm uit zijn
geestelijk isolement te verlossen en hem de gewenschte verzoening met
de moderne cultuur mogelijk te maken. Als deze verwachting gegrond
was, dan zou zij voor de Mohammedanen van den Indischen Archipel
bijzondere beteekenis hebben, want daar heeft vooral in den aanvang
der Islamiseering de mystieke opvatting diepe wortels geschoten. De
bodem was daartoe met name op Java, maar ook elders, door het vroeger
heerschende Hindoeïsme uitnemend voorbereid, en de eerste predikers
van den Islâm waren zelf weer geïslamiseerde Hindoes, die veel van
den ouden zuurdeesem behouden hadden.
Voor het proces der inlijving van Javanen en Maleiers bij de moderne
beschaving is deze omstandigheid zonder twijfel gunstig, althans
daar, waar niet in lateren tijd de invloed van West- en Zuid-Arabië,
van Mekka en Hadhramaut, met succes tegen te zwakke waardeering van
wet en leer gereageerd hebben. Maar dan toch alleen in dezen zin,
dat die Indonesiërs daardoor minder dan vele andere Islâmbelijders
zich tegen de inwerking van vreemden geestelijken invloed zullen
verzetten; niet zoo, dat zij kans hebben om meegesleept te worden in
eene algemeene hervorming van den Islâm in de richting der mystiek.
De verwachting van zulk eene beweging laat zich namelijk op redelijke
gronden niet rechtvaardigen. De mystiek van den Islâm heeft nooit
propaganda onder het volk gemaakt, zij bleef steeds beperkt tot
enkele kringen, die zich als geestelijk bevoorrechten beschouwden en
nog dieper haast dan de schriftgeleerden en de dogmatici op de schare
neerzagen. De mystieken werden door de massa beschouwd òf als ketters
òf als godsmannen, die wonderen deden, maar wier denken en doen gewone
menschen zich niet tot voorbeeld mochten nemen. Hunne beschouwing van
wereld en leven mist dus al hetgeen zou kunnen dienen om de menigte
te boeien of aan te trekken.
De mystieke broederschappen.
Wel is er ook eene populaire soort van mystiek ontstaan, die in de
zoogenaamde geestelijke broederschappen, de tarîqah's, haren vasten
vorm heeft gevonden, maar van deze verwacht wel niemand hervormende
kracht, want zij heeft zelve hare kracht gezocht in streeling van de
vulgaire behoefte aan menschenvereering en allerlei bijgeloof. Noch
de vaak verheven, maar meestal hoovaardige denkheiligheid der
mystieke leer van den Islâm, noch de op de lagere neigingen der
menschen speculeerende tarîqah's kunnen aan het Mohammedanisme de
geestelijke emancipatie brengen, die het geschikt moet maken voor
het internationale geestelijke verkeer.