De Islâm kwam eerst na volledige ontwikkeling van zijn stelsel in
de Archipel.
Omstreeks 1200 na Christus begon het Mohammedanisme in eenigszins
belangrijke mate zielen te winnen op Soematra, op Java en vervolgens
op de meer Oostelijk gelegen eilanden. De val van Madjapait in de
eerste helft 16de eeuw bezegelde de islamiseering van heel Java, en het
was eveneens in den loop der zestiende eeuw, dat voor de voornaamste
andere eilanden, waarin de Islâm doordrong, het pleit beslist werd.
Hieruit volgt, dat de Islâm zijn vollen wasdom reeds ver te boven
was, toen hij zich voor het eerst in dit Verre Oosten vertoonde. Om
het Mohammedanisme der Indonesiërs in zijne eigenaardigheden
te verstaan, hebben wij ons dus slechts weinig te verdiepen
in de wordingsgeschiedenis van den Islâm als godsdienst en als
beschavingsvorm, maar mogen wij ons voornamelijk bepalen tot de
beschouwing van het stelsel zooals dat ongeveer drie eeuwen na de
Hidjrah zijnen in de hoofdzaken definitieven vorm had verkregen, en
van het leven der Mohammedaansche volken zooals dat zich, mede maar
niet alleen onder den invloed van het stelsel, na dien tijd vertoonde.
Klaar dient ons daarbij voor oogen te staan, dat die Islâm tot
den godsdienst van Mohammed stond als de door een leven van druk
verkeer onder allerlei volken gerijpte wereldburger tot het stijve
boerenjongentje, dat hij was in zijne jeugd.
Karakter van Mohammeds godsdienst.
Mohammed heeft voor zijne prediking nooit aanspraak gemaakt op
oorspronkelijkheid. Integendeel: hij beroemde zich erop, dat hetgeen
hem, den ongeletterden profeet, door Allah geopenbaard werd, volkomen
overeenstemde met den inhoud der oudere openbaringen. Hij dacht zich de
menschenwereld verdeeld in groepen, die hij, zonder klare voorstelling
van den grondslag der verdeeling, oemmah's noemde, volken of gemeenten
zouden wij zeggen, die door woonplaats, taal en uiterlijke kenmerken
van elkaar verschilden. Aan sommige van die oemmah's, zooals bijv. die
der Joden en die der Christenen, had Allah uit hun eigen midden
profeten gezonden om hun Zijne leer en wet te openbaren. Andere,
zooals die der Arabieren, waartoe Mohammed zelf behoorde, wandelden
nog in de duisternis, zonder zich zelf daarvan bewust te zijn, daar
zij het licht niet kenden. Mohammed heeft zich ten slotte door Allah
geroepen gevoeld, dat licht in Arabië te doen schijnen.
Historisch beschouwd, doet zijne openbaring zich aan ons voor als
samengesteld uit de gegevens, die hij gaandeweg, toen hij eenmaal over
de waarde van het leven was gaan nadenken, uit vrij troebele, Joodsche
en Christelijke bronnen had bijeengegaard. Hij verwerkte die op zijne
wijze, zoodat zij pasten in het simpele geheel zijner voorstellingen,
en eindelijk projecteerde hij het resultaat van dat proces uit zijn
binnenste naar boven, zoodat het zich aan zijn zesde, profetische
zintuig vertoonde als iets objectiefs, als iets, dat uit den hemel tot
hem kwam, woorden Gods, die in gerijmd proza, in verhevener stijl dan
die van het dagelijksch gesprek, hem de hoogste waarheid openbaarden.
De leer der opstanding uit de dooden en het daarop volgende gericht,
dat Allah zou houden over heel de menschheid, met paradijs en hel op
den achtergrond, die leer vormde het middelpunt van zijn geloof. Tevens
lag daarin de scherpste tegenstelling met de wereldbeschouwing der
Arabieren, tot wie hij de boodschap van Allah moest brengen, want
deze hield zich alleen met het aardsche leven bezig, kende geen eeuwig
geluk noch eeuwige verdoemenis aan gene zijde van het graf.
Een groot aardsch potentaat duldt niet, dat een deel zijner onderdanen
zich als van hem onafhankelijk gedragen of andere heeren naast hem
erkennen; nog veel minder gedoogt Allah, de schepper, wetgever en
rechter der geheele menschheid, dat menschen leven zonder islâm,
d. i. onderwerping, aan Hem en Hem alléén uit te spreken en in daden
te betoonen.
Hij verlangt van hen eerbiedige huldiging in vastgestelde vormen van
eeredienst, de çalât, in naam en vorm gebootst naar het model, dat
Mohammed van Joden en Oostersche Christenen had waargenomen. Voorts wil
Hij, dat Zijne schepselen op bepaalde tijden zullen vasten, en dat zij
milddadigheid zullen beoefenen als eene hoofddeugd, zoowel om den nood
van anderen te lenigen als om hunne eigene losheid van het aardsche
te toonen. En in hunne verhoudingen tot elkander behooren zij wetten
en regelen te volgen, die Allah hun geeft en die met menig geliefkoosd
gebruik van Mohammeds rasgenooten in onverzoenlijken strijd waren.
Beteekenis der Hidjrah.
De twaalf jaren lang onverdroten voortgezette prediking van
openbaringen in dezen zin stuitte bij Mohammeds stamgenooten af op
hun even onverzettelijken, sceptischen spot; een paar familieleden,
eenige misdeelden, enkele voor hoogere indrukken vatbare mannen
van beteekenis vormden de geheele gemeente der geloovigen. Toen
keerde hij met zijne getrouwen toornig zijner vaderstad den rug toe,
haar overlatend aan Gods wrekende gerechtigheid. Hij deed hidjrah,
d. i.--niet vlucht, zooals vele Europeesche schrijvers het weergeven,
maar--afsnijding van alle banden, die hem met de ongeloovigen onder
zijne stamgenooten verbonden, en hij vestigde te Medina eene nieuwe
gemeenschap, die niet aan eenheid van bloed, maar aan eenheid des
geloofs hare kracht ontleende.
Die afsnijding was naar Arabische begrippen op zichzelve reeds eene
daad van vijandschap tegen Mohammeds stamgenooten. Toen nu zijn arbeid
te Medina in korten tijd geleid had tot de vorming van eene talrijke
gemeente, en deze door nieuwe, wetgevende openbaringen zoowel als
door Mohammeds persoonlijke leiding voorloopig voldoende vastheid van
organisatie had verkregen, ontwikkelde zich uit die vijandschap een
oorlogstoestand, waarin welhaast heel Arabië werd meegesleept. Op den
duur bleef het succes aan de zijde van Allahs Gezant; acht jaren na
de Hidjrah werd Mekka door hem veroverd, en in de twee levensjaren,
die Mohammed daarna nog restten, wist hij de onderwerping van het
Arabische schiereiland aan zijn gezag bijna te voltooien.
Gewelddadige islamiseering van Arabië.
Gedurende die jaren van strijd breidde zich met Mohammeds macht tevens
het programma uit van hetgeen hij door middel van geweld trachtte
te bereiken. Eerst was het louter de verdediging van de belangen der
gemeente, die weldra ook met offensief optreden gepaard mocht gaan;
ten slotte een aanvallende krijg tegen allen, die met meer of minder
recht tot de vijanden der gemeente, dus van het rijk Gods, werden
gerekend. Na 630, het jaar der verovering van Mekka, verschilde het
feitelijk niet meer van eenen strijd tot onderwerping van geheel Arabië
aan de tucht van Allah en Zijnen Gezant. Voor de heidensche Arabieren
kon die onderwerping alleen door volledigen islâm, erkenning van
Mohammed als bode Gods, plaats hebben. Voor de Joden en de Christenen,
op wier getuigenis van de waarheid Mohammed zich in den aanvang van
zijn optreden beroepen had, kon zulk een eisch niet gelden. Daar zij
Mohammed teleurgesteld hadden door tegen in plaats van vóór zijne
goddelijke zending te getuigen, maakte hij zich van hen onafhankelijk
door hun vervalsching van hunne eigene leer en schrift te verwijten
en eindigde met van hen te verlangen, dat zij zich aan zijn gezag
zouden onderwerpen, al wilden zij zijne openbaringen niet aanvaarden.
De Islâm wil de geheele wereld aan zich onderwerpen.
Of nu Mohammed tegen zijn levenseinde zoover gegaan is, om de hem
opgedragen missie te beschouwen als gericht ook tot de niet-Arabische
wereld, of zelfs tot de menschheid in haar geheel, is moeielijk
met zekerheid uit te maken. Voor ons doel is dit betrekkelijk
onverschillig, daar het vaststaat, dat zijne gemeente na zijnen dood
spoedig en zonder veel aarzelen dien weg opgegaan is, en in latere
jaren geen geloovige eraan getwijfeld heeft, dat de wonderbaarlijke
verovering in ééne eeuw van de landen tusschen Gibraltar en de grenzen
van het Chineesche rijk geschied was op bevel van Allahs Gezant.
Lang heeft men zich in Europa van dien zegetocht van den Islâm door
een groot deel der wereld voorgesteld, dat hij was uitgevoerd door
benden van woedende fanatieken, die met den Qoerân in de eene, het
zwaard in de andere hand, slechts de keus lieten tusschen den dood en
de aanneming van het Mohammedaansche geloof. Van verschillende zijden
is die voorstelling van den gang der zaak bestreden; het krachtigst
en met bijzonder veel talent door T. W. Arnold, hoogleeraar eerst te
Aligarh in Britsch-Indië, thans te Londen, in zijn werk "The Preaching
of Islam, a history of the propagation of the Muslim faith".
Noch missionaire arbeid noch economische oorzaken bewerkten de macht
van den Islâm.
Met eene bij Engelsche geleerden niet alledaagsche belezenheid in
Oostersche zoowel als Westersche bronnen betoogt die geleerde, dat
de Islâm zijne belangrijkste triomfen als godsdienst te danken heeft,
niet aan de zegepraal zijner wapenen, maar aan de groote missionaire
kracht, die hem eigen is en die hem in staat stelt, in hoogere mate
dan andere wereldgodsdiensten, zonder eenig geweld in korten tijd
vele adepten te winnen.
Terwijl nu Professor Arnold bij de bekeering der volken tot den Islâm
aan den godsdienstigen factor toch altijd de eerste plaats blijft
toekennen, hebben zich in den laatsten tijd geleerden doen hooren,
die deze zoo niet wegcijferen, dan toch vrij gering aanslaan. Zij
willen de geweldige uitstrooming van menschen uit het Arabische
schiereiland in de zevende eeuw en de plotselinge verovering van
oude cultuurlanden door die halfbarbaren zoo goed als geheel uit
economische oorzaken verklaren, even natuurnoodwendig als de zwelling
der rivieren na de smelting der Alpensneeuw. Mohammeds godsdienst
zou daarbij niet veel meer dan een begeleidend verschijnsel geweest
zijn. De Italiaansche prins Caetani en de hoogleeraar Becker (vroeger
te Hamburg, thans te Bonn) zijn wel de talentvolste woordvoerders
dezer theorie. De gesteldheid van den Arabischen bodem dwingt telkens
opnieuw de bewoners van dat waterarme land eenen uitweg daarbuiten
te zoeken. Chronisch kookt de Arabische ketel over, en de omliggende
landen worden dan aan de overstrooming ten prooi, tenzij zij krachtig
genoeg zijn om met geweld het deksel gesloten te houden. Mohammeds
prediking was slechts eene aanleiding, en het politieke verval van de
twee toenmalige wereldrijken, het Perzische en het Oostromeinsche,
hadden de gunstige bedding voor den stroom bereid, die vervolgens
zonder moeite ook nog verder zijnen weg vond.
Beide beschouwingen, de missionaire en de economische, als ik ze
zoo eens mag noemen, hebben de verdienste van de aandacht te bepalen
bij feiten, die men vroeger dikwijls heeft voorbijgezien. Zoo is het
onweersprekelijk waar, dat de eerste Moslimsche veroveraars met veel
meer ijver streefden naar uitbreiding van het gebied van den Islâm
dan naar vermeerdering van het aantal der bekeerlingen tot hunnen
godsdienst, dat de belastingen, die de getolereerde schriftbezitters
opbrachten, hun vaak minstens even welkom waren als hunne erkenning
der goddelijke zending van Mohammed. Vele Mohammedaansche staatslieden
waren geneigd om de aan de schriftbezitters gewaarborgde tolerantie
uit te strekken, niet alleen tot de Perzische vuuraanbidders, maar
ook tot Hindoes en anderen, die men met de noodige welwillendheid
tot de openbaringsvolken kon rekenen. Men vindt in de middeleeuwen
in Mohammedaansche landen groote en welvarende gemeenten van
niet-Mohammedanen (vooral Joden en Christenen), die eene mate van
bescherming genieten, zooals men die destijds in Christelijke landen
aan andersdenkenden niet verleende. De bekeering tot den Islâm van de
massa der bevolking in Perzië of in Christelijke landen als Egypte en
Syrië vond langzamerhand, en geruimen tijd na de verovering plaats,
volgens de missionaire beschouwing door de innerlijke kracht der
Mohammedaansche zending, volgens de economische alweder door motieven
van economischen aard.
De godsdienstige factor gaf den stoot en geweld was het voorname
middel.
Men kan echter vol recht laten wedervaren aan alle feiten, die door
de voorstanders der beide theorieën naar den voorgrond gebracht zijn,
zonder eene dier toch al te eenzijdige verklaringen te aanvaarden,
zonder de geheel eenige beteekenis der door Mohammed gewekte religieuze
beweging voorbij te zien, en ook zonder te ontkennen, dat geweld tot
de ongehoord snelle uitbreiding van den Islâm zeer belangrijk heeft
bijgedragen. Eene onbevangen beschouwing der historische feiten is
al voldoende om dit in te zien.
Zoo moge men de bekeering der massa van de Christenbevolkingen van
Syrië, Egypte en Noord-Afrika tot den Islâm eene vrijwillige noemen,
zij was dan toch door de verovering hunner landen voorafgegaan en
voorbereid. Na de annexatie bij het Moslimsch gebied genoten zij wel
eene met middeleeuwschen maatstaf gemeten vrij groote tolerantie,
maar de vrijheid hunner levensuitingen was dan toch zeer beperkt en in
alles moesten zij zich de minderen van de ingedrongen overheerschers
toonen. Al gingen sommige Mohammedaansche bestuurders zeer ver in de
begunstiging van Joodsche of Christelijke individuën, het meerendeel
der belijders van deze getolereerde godsdiensten had veel te lijden
van het misbruik, dat het Mohammedaansche plebs maakte van zijne
kunstmatige maatschappelijke meerderheid.
Zeker was het voor de Moslimsche propaganda eene begunstigende
omstandigheid, dat de Oostersche kerk in een allerjammerlijksten
toestand van geestelijk verval verkeerde, zoodat sommige Europeesche
geleerden in den Islâm met zijne eenvoudige leer zonder clerus of
dogmatische haarkloverij eene welkome geestelijke verlossing hebben
gezien voor de Monophysieten, Nestorianen of hoe verder de Christelijke
secten van het Oosten heeten. Maar het is dan toch duidelijk, dat zij
die verlossing nooit gezocht zouden hebben, wanneer niet directe en
indirecte dwang hen uit de kerk naar de moskee gedreven had.
Het systeem van den Islâm getuigt hiervan.
Het sterkst en ondubbelzinnigst uit zich die dwang in het stelsel
van den Islâm zooals dat ongeveer sinds de derde eeuw van de Hidjrah
bestaat en door de geheele Mohammedaansche wereld is erkend. Men vindt
het uiteengezet in de gezaghebbende leerboeken over de wet. De wijze,
waarop de Islâm zich behoort uit te breiden, wordt daar aangegeven
in de hoofdstukken over den heiligen oorlog en verwante onderwerpen.
Gebied van den Islâm en gebied van den oorlog.
De aarde heeft men volgens die leer te beschouwen als verdeeld in
gebied van den Islâm en gebied van den oorlog.
Het gebied van den Islâm staat onder het gezag van het hoofd der
geheele Moslimsche gemeente, den imâm (leider) of chalief (opvolger),
namelijk van den Gezant van Allah in diens hoedanigheid van bestuurder
der geloovigen. De bewoners van dit gebied zijn òf Mohammedanen
òf getolereerde schriftbezitters, die onder allerlei beperkende en
vernederende voorwaarden de bescherming van leven en have door den
Moslimschen staat genieten.
Nederlandsch-Indië gebied van den Islâm.
Theoretisch rekent men tot de "dâr al-Islâm" ook zulke landen,
van welke men aanneemt, dat zij vroeger onder Mohammedaansch
gezag gestaan hebben, al worden zij thans door niet-Mohammedanen
bestuurd. Zoo gelden dus Britsch- en Nederlandsch-Indië, voor zoover
zij door Mohammedanen bewoond worden, als gebied van den Islâm. Ten
onrechte hebben W. Hunter en andere Britsche staatslieden zich
hierover verheugd, daar zij meenden, dat deze leer opstanden van
Britsch-Indische Moslims tegen het Engelsche gezag tot onwettige
woelingen stempelde. IJdele illusie! Werden die Oostersche wingewesten,
evenals bijv. Engeland en Nederland zelf, door de Moslimsche wet bij
het gebied van den oorlog ingedeeld, dan zou als regel, zij het niet
geheel zonder uitzonderingen, gelden, dat vijandige handelingen van
Mohammedanen tegen zulke landen slechts mochten ondernomen worden
krachtens machtiging van het hoofd der Moslimsche gemeenschap. In
gebied van den Islâm daarentegen zijn niet-Moslimsche overheerschers
abnormale verschijnselen, die men slechts dulden mag zoolang men zich
buiten staat acht ertegen te reageeren.
Het gedeelte der aarde, dat buiten het gebied van den Islâm valt, is
in zijn geheel gebied van den oorlog, dat wil zeggen bestemd om met
den spoed, dien de omstandigheden toelaten, door middel van geweld
tot gebied van den Islâm gemaakt te worden. Voor volslagen heidenen
kan die onderwerping slechts geschieden in den vorm van bekeering
tot het geloof aan Allah en Zijnen Gezant; degenen, die eenen door
den Islâm erkenden godsdienst belijden, mogen volstaan met erkenning
van het Moslimsche staatsgezag als hunne overheid.
De heilige oorlog.
Dit zijn de hoofdlijnen van het systeem; men ziet, dat van de
legende van den Moslim met het zwaard in de eene, den Qoerân in
de andere hand toch dit overblijft, dat de Mohammedaansche wet de
alleenheerschappij van hetgeen zij voor de waarheid houdt door den
sterken arm verzekerd wil zien, dat de ware zending in den geest der
wet bestaat in de onderwerping van andersdenkenden door de Moslimsche
legermacht. Verdienstelijk maken zich ongetwijfeld Mohammedaansche
kooplieden of kolonisten in heidensche landen, waarin Moslimsche legers
nog niet konden doordringen, door als pioniers langs vreedzamen weg
aanhangers voor hun geloof te winnen, en even prijzenswaard wordt
het geacht, wanneer anderen onder de gedulde Joden, Christenen,
enz. bekeerlingen trachten te maken. Dit alles neemt niet weg, dat het
middel bij uitnemendheid tot verbreiding des geloofs naar de letter en
den geest van de heilige wet gezocht moet worden in maatregelen van
geweld. Die wet beschouwt alle niet-Moslims als vijanden der groote
monarchie van Allah, wier weerstand tegen Zijne alleenheerschappij
door de Mohammedanen gebroken moet worden.
De leer van den heiligen oorlog berust niet op misverstand.
Het staat ons niet vrij, met Prof. Arnold in strijd met de uitspraken
der Moslimsche wetgeleerden van alle eeuwen, te beweren, dat dit
stelsel niet het ware is, dat het berust op onjuiste opvatting
van eenige Qoerânverzen, dat de ware Islâm uitbreiding van het
geloof alleen door overtuiging verlangt. Wel stemt eene kleine
groep van moderne Mohammedanen met die aanpassing van den Islâm aan
nieuwerwetsche begrippen in, maar zij vertegenwoordigen al evenmin de
leer van den godsdienst, waarin zij geboren werden, als de modernisten
die der Katholieke kerk.
Meer waarde zou men geneigd kunnen zijn toe te kennen aan het argument,
dat, zoo ergens, dan zeker in den Islâm, theorie en practijk,
stelsel en leven vaak wijd uiteenloopen. Inderdaad hebben menigmaal
Moslimsche bestuurders tegenover niet-Mohammedanen in en buiten
hun gebied eene veel transigentere houding aangenomen dan die het
systeem hun voorschreef. Aan den anderen kant ging het mindere volk
zich jegens de getolereerden vaak te buiten op eene wijze, die de
Mohammedaansche wet streng afkeurt. Maar van veel meer beteekenis dan
zulke afwijkingen ter rechter of ter linker zijde is het onbetwistbare
feit, dat de leer van den heiligen oorlog en hetgeen daarbij behoort
zich volkomen logisch ontwikkeld heeft uit beginselen, die wij van
de verovering van Mekka door Mohammed af tot in de derde eeuw der
Hidjrah toe zien voortwerken. Zonder sprongen of tegenstellingen,
zonder sporen van principieele ontleening van buiten sluit zich hier
het volgende steeds bij het voorgaande aan.
Mohammed is in de laatste jaren van zijn leven op niets meer bedacht
dan op middelen om het aantal der geloovigen uit te breiden, waarbij
natuurlijk steeds minder op bewijzen van innigheid des geloofs kan
worden gelet. De door hem onderworpen Arabieren vallen dan ook na
zijnen dood voor een groot deel weder af, maar Aboe Bakr, die hem als
hoofd der gemeente opvolgt, beschouwt, geheel in Mohammeds geest, de
wederonderwerping dier ontrouwen als eerste en voornaamste taak der
geloovigen, en onder zijne leiding wordt die taak op schitterende
wijze volbracht. En daarop volgt onmiddellijk de verovering van
een belangrijk deel der wereld door de nu definitief geïslamiseerde
Arabieren. Geheel evenwijdig met dezen loop der zaken beweegt zich de
theorie der wetgeleerden, die vooral in de eerste eeuw van den Islâm
het deelnemen aan den heiligen oorlog bijna tot een hoofdplicht voor
alle geloovigen willen maken en geen heerlijker einde van een vroom
leven kennen dan den dood op het slagveld als getuige des geloofs, als
martelaar (sjahîd). Drongen in de eerste eeuwen onzer jaartelling vele
Christenen naar eene gelegenheid om zich de kroon van het passieve
martelaarschap te verwerven, vele malen grooter was het aantal der
oudste Islâmbelijders, die als actieve geloofsgetuigen met ijver den
dood op het slagveld zochten in den strijd met hen, die het gezag
van Allah en Zijnen Gezant weerstonden.
Deze overdrijving der waarde van het oorlogsbedrijf kon evenmin
duurzaam zijn als de zegevierende tochten van den Islâm door de wereld;
toen die veroveringen hare voorloopige grenzen bereikt hadden, kwam
weldra in de school de kalmere beschouwing tot heerschappij, volgens
welke de vrome ook door levenslange uitoefening van een vreedzaam
bedrijf aanspraak op den eerenaam van geloofsgetuige kan verwerven. De
heilige oorlog bezonk in het stelsel als eene solidaire verplichting
der gemeente in haar geheel, waaraan slechts zoovele geloovigen
behoefden deel te nemen als de omstandigheden volgens het oordeel
van het staatsbestuur telkens vereischten. Maar de oorlogstoestand
mocht dan toch niet als geëindigd worden beschouwd voordat het door
Allah gewezen doel: onderwerping der gansche wereld aan den Islâm,
bereikt zou zijn.
De schriftgeleerden en de volksmassa zijn het hierover eens.
Over de hoofdzaken van deze leer bestaat tusschen de wetgeleerden der
verschillende scholen en perioden geen verschil van meening, en zij
is meer wellicht dan eenig ander deel der wet populair geworden ook
bij de leeken, bij de groote onwetende schare zelfs. Zij is het kort
begrip van de actie van den Islâm naar buiten in het glansrijkste
tijdperk, dat hij beleefd heeft, omgezet in een voor alle tijden
geldend voorschrift. Zij vleit in hooge mate de ijdelheid der menigte:
men behoeft slechts de dubbele geloofsbelijdenis te hebben uitgesproken
om zeker te zijn, dat men behoort tot de gemeenschap, aan welke Allah
de heerschappij over de wereld heeft beloofd. Zij werkt na, ook sedert
de wereldgeschiedenis den spot is gaan drijven met hare hoovaardige
pretentie: in de scholen der wetgeleerdheid blijft men haar voordragen
omdat zij, gelijk de geheele wet, als van onfeilbaar gezag geldt voor
alle tijden, en het gemeene volk blijft daaraan kracht ontleenen voor
zijne ijdele verwachtingen, gepaard met haat jegens "ongeloovigen".
De andere opvatting is ver in de minderheid.
De Jong-Turken en andere modern gevormde Mohammedanen hebben wel eens
gewenscht, dat zij die geheele leer van den djihâd konden opbergen
in het museum hunner staatkundige antiquiteiten, en vele niet modern
ontwikkelde wereldwijzen deelen om zuiver practische redenen dien
wensch. Toch kan niemand hunner de verhouding van den Islâm tot andere
godsdiensten principieel op nieuwe grondslagen trachten te vestigen
zonder het vertrouwen van de meerderheid te verbeuren en met veler
instemming beschuldigd te worden van ongeloof.
Toen in 1908 de aanvoerders der Jong-Turksche revolutie in hun
eerste élan de woorden: "vrijheid, gelijkheid en broederschap" in
hunne vanen schreven, werd hun weldra met instemming van de massa der
bevolking door de schriftgeleerden beduid, dat die gelijkheid alleen
mocht bestaan in gelijke aanspraken op bescherming van rechten, welke
rechten zelve echter voor de belijders der verschillende godsdiensten
niet gelijk waren; en de broederschap, die heeft men later, als al
te aanstootelijk, maar geschrapt.
Geweld als bekeeringsmiddel in het Christendom en in den Islâm.
De billijkheid gebiedt, dat wij ons hierbij herinneren, hoe ook in de
Christenwereld, met name in de middeleeuwen, staatsmacht en godsdienst
bedenkelijke bondgenootschappen gesloten hebben. Christenvorsten
en -volken hebben met geweld heidenen bekeerd, ongeloovigen en
ketters ter eere Gods gefolterd en gedood, Joden op onmenschelijke
wijze behandeld. Maar nooit heeft men uit de Christelijke heilige
schriften voor alle tijden geldende voorschriften afgeleid, die zulke
practijken sanctioneerden. Het is het ongeluk van den Islâm geweest,
dat hij gemeend heeft eens voor altijd met onfeilbaar gezag regelen te
moeten geven, die alle handelingen der geloovigen tot in de geringste
bijzonderheden bepaalden, en dat hij deze onmogelijke taak kwam te
vervullen juist in een tijdperk, waarin onverdraagzaamheid zoowel in
het Westen als in het Oosten heerschappij voerde. De leer, dat men
voor hetgeen men als de waarheid beschouwt met geweld aanhangers moet
winnen, bleef dus als eene erfelijke ziekte aan het eene geslacht na
het andere der belijders van den Islâm eigen.
Zachtere methoden van bekeering worden ook toegepast.
De geheele opvatting van godsdienstige zending wordt in den Islâm
door deze leer beheerscht. Zeker, men vindt onder Mohammedanen zeer
uiteenloopende geestelijke typen, en daaronder ook zulke, die zich
uit deernis met de toekomstige eeuwige ellende der heidenen geroepen
voelen, hun de waarheid te prediken; maar het type van den Moslimschen
propagandist vertoonen dezulken niet. De echte ijveraar voor de
uitbreiding van het Mohammedaansche geloof beschouwt het veeleer
als zijne taak, als een trouw soldaat van zijnen God, diens rijk
op aarde te helpen vergrooten door verdelging van Zijne vijanden en
vermeerdering van het aantal Zijner trouwe onderdanen. Dit laatste
kan, behalve door geweld, ook door overreding gebeuren. De wet
wijst ook daarin den weg. Zij wil in aansluiting weder aan hetgeen
Mohammed deed in zijne laatste levensjaren, dat men ongeloovigen door
wereldsch voordeel verlokke tot Islâm, tot onderwerping aan Allah
en Zijnen Gezant; zelfs is een deel van zekere staatsinkomsten (van
de zakât genoemde godsdienstige belasting) uitdrukkelijk voor dit
doel aangewezen. Met een niet ongerechtvaardigd beroep op Mohammeds
handelwijze ten aanzien van de voorname Qoeraisjieten na hunne
gedwongen bekeering tengevolge der verovering van Mekka, leert de wet,
dat men vooral bekeerlingen van hoogen rang en stand door wereldsch
voordeel blijvend aan den Islâm moet trachten te binden, ook om door
dit voorbeeld aantrekkend te werken op hunsgelijken en op degenen,
over wie zij gezag hadden. De geloovige, die door persoonlijke
bemoeienis menschen voor den Islâm weet te winnen met behulp van
prikkeling en bevrediging hunner begeerlijkheid naar rijkdom of eer,
maakt zich daardoor uitermate verdienstelijk, en niemand denkt eraan,
hem vermenging van materieele en geestelijke dingen te verwijten.
Soortgelijke middelen van propaganda zijn in vroeger en later tijd in
de Christelijke wereld niet zelden aangewend. Het verschil is echter
weer, dat die methode in den Islâm in de periode van haren bloei met
onfeilbaar geacht gezag voor altijd tot wet is verheven.
De bekeering uiterst gemakkelijk gemaakt.
Het spreekt wel van zelf, dat in den gedachtengang, die deze wijze
van uitbreiding van den Islâm beheerscht, het stellen van belangrijke
eischen van voorbereiding aan degenen, die tot de gemeente willen
toetreden, uitgesloten is. Men zou daardoor de bovenal gewenschte
vermeerdering van het aantal der Moslims in gevaar brengen.
In de eerste tijden is er wel eenige aarzeling geweest in de
beantwoording der vraag, met welk minimum van naleving der wet men
nog als Mohammedaan kon gelden. De wet stelt in hare positieve en
negatieve geboden lang niet lichte eischen aan het individu, maar
men was het er al vroeg over eens, dat de geloovige trots vele zonden
van nalatigheid en overtreding mocht hopen op Allahs genade, en dat
in ieder geval de straf, die hij in de hel zou hebben te boeten, eens
een einde zou nemen, waarna hij het paradijs zou beërven. Het kwam er
dus maar op aan, te weten, door welke daden men afvallig werd. Ten
slotte heeft deze opvatting gezegevierd, dat alwie de belijdenis,
dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed Allahs gezant is,
heeft uitgesproken met volle bewustheid van hetgeen hij deed, als
Moslim beschouwd moet worden, en dat hij dit blijft, zoolang hij die
belijdenis niet heeft herroepen noch een van de geboden van Allahs wet
voor ongeldig heeft verklaard, ook al volbrengt hij geen van alle. De
bedenking, dat men aldus gevaar loopt, schijngeloovigen te kweeken,
wordt weerlegd met de herinnering, dat alleen aan Allah het oordeel
toekomt over de echtheid van iemands geloof, terwijl de menschen
elkander slechts naar uiterlijke kenmerken kunnen beoordeelen. Het
uiterlijke kenmerk nu van hen, die tot de gemeente van Mohammed
behooren, is het uitspreken der geloofsbelijdenis, niet gevolgd door
woorden of daden, die deze uitspraak van kracht berooven.
Heeft men dit geheele stelsel der Moslimsche propaganda wel begrepen,
dan heeft men tevens den sleutel tot het geheim der vaak bewonderde
missionaire kracht, die in den Islâm woont, en die hem tot een zoo
gevreesd mededinger maakt voor de Christelijke zending, vooral waar
beiden onder volken van lage beschaving werken. Den menschelijksten
aller openbaringsgodsdiensten heeft een Duitsch oriëntalist den Islâm
genoemd. Inderdaad tracht hij als zendingsgodsdienst een menschelijk
doel met geheel menschelijke middelen te bereiken.
Geen priesterschap noch geordende heidenmissie.
Ieder Moslim, hoe onwetend hij overigens zij, kan te allen
tijde iederen ongeloovige, die Mohammedaan wil worden, den weg
wijzen om onverwijld en zonder ceremoniën in den Islâm te worden
opgenomen. Sacramenten kent de Islâm niet, derhalve evenmin priesters
of andere gewijde of geordende personen, die deze hebben uit te
deelen. Zendelingen van beroep zijn er ook niet. De uitspraak, dat
ieder Mohammedaan op zijnen tijd een zendeling is, moge overdreven
zijn, als men daaronder wil verstaan, dat allen vervuld zijn van
fanatieken ijver tot verbreiding van hun geloof, zij is waar in
dezen zin, dat niemand door de gemeente of eenig ander lichaam voor
de missie wordt afgevaardigd, maar dat de meesten als de gelegenheid
zich biedt, gaarne medewerken om leden te winnen voor de gemeenschap,
waartoe zij behooren.
Leekenpropaganda.
Voor kolonisten of kooplieden, die zich duurzaam of tijdelijk
vestigen in een land met heidensche bevolking, is dit zelfs geboden
door eigenbelang. Zij willen daar een eigen milieu hebben, in de
eerste plaats een eigen gezin, maar dan verder een eigen wijderen
kring, hoe wijder hoe liever. Dit alles gaat niet zonder het maken
van bekeerlingen. Met eene heidensche vrouw mag de Mohammedaan niet
trouwen, in een anderen godsdienst dan de Islâm zijne kinderen niet
laten opvoeden. De vreemdeling maakt dus der vrouw zijner keuze den
overgang tot zijne gemeenschap zoo gemakkelijk mogelijk en tracht ook
de hem verzwagerden te winnen. Zoo gaat het verder, en er ontstaat
weldra een groep van geloovigen van eenigszins gemengd bloed, die zich
door wereldkennis, ontwikkeling van den geest en onderling verband
voordeelig onderscheidt van de overige bevolking. De niet bekeerde
bevolking ziet tegen de bekeerden op; door den Islâm aan te nemen
voelen die heidenen zich, ook maatschappelijk, omhoog gaan.
Moslimsche propaganda vergeleken met Christelijke.
Hier hebben wij weder eene omstandigheid, die gedeeltelijk verklaart,
waarom de Mohammedaansche propaganda sneller pleegt te slagen dan de
Christelijke. In den Islâm volgt de grootst mogelijke assimilatie
onmiddellijk op de bekeering; de Christelijke zendeling, hoe vol
toewijding ook, blijft met zijne rasgenooten voor de primitieve
bevolking, waaronder hij werkt, vreemdeling. Met recht vestigt
professor Arnold hierop bijzonder de aandacht, en dit doen de meesten,
die den voortgang van den Islâm bijv. in Midden-Afrika waargenomen
hebben. Een Engelsch zendeling aldaar, die dezen ban wilde breken
en met eene negerin trouwde, verwekte zulk eene ergernis met deze
toepassing der eenheid in het geloof, dat hij zich genoodzaakt zag,
de kolonie te verlaten.
Maar, wij zagen het al, er komt nog zooveel verlokkelijks bij. De
nieuwbekeerde, wiens overgang hem geen moeite kost, heeft aanspraak
op de gunsten zijner nieuwe broeders, en deze aanspraken worden in
de practijk gaarne erkend. Hoe weinig hij ook aanvankelijk van den
inhoud van het door hem aangenomen geloof moge leeren, hoe weinig
van de voorschriften der wet hij moge naleven, hij mag zich dadelijk
koesteren in het bewustzijn, te behooren tot degenen, die bestemd zijn
om over alle anderen te heerschen en die het recht hebben ten nadeele
van niet-Mohammedanen die heerschappij te helpen bespoedigen. Bij
zulk een sprong naar boven geldt het slechts als een gering bezwaar,
dat de gewoonte--niet de wet--in de meeste gevallen verlangt, dat de
bekeerling zich spoedig onderwerpe aan de besnijdenis.
De populariteit van de leer van den heiligen oorlog doet zich nu
bij zulke primitieve volken, wanneer zij gedeeltelijk door vreemde
kolonisten of kooplui geïslamiseerd zijn, vaak in dien zin gelden,
dat zij hunne nog niet bekeerde rasgenooten om hun ongeloof gaan
bestrijden. De neigingen van min beschaafde menschen worden daarbij
op voor hen aangename wijze geprikkeld en vinden eene welkome
speelruimte. Met anderen geweld aan te doen, te plunderen of tot
slaven te maken weten zij nu een Gode welgevallig werk te verrichten,
mits die anderen heidenen zijn. De menschelijke ijdelheid en hebzucht
worden gestreeld en gesteld in dienst van de propaganda. Het bezwaar,
dat men op die manier heiligen oorlog van offensieven aard voert zonder
de machtiging van den chalief, die hiervoor in den regel vereischt
is, wordt ondervangen door de leer, dat in streken, die wegens verren
afstand of om andere redenen buiten het bereik van het centrale gezag
liggen, invloedrijke hoofden mogen doen hetgeen des chaliefs is.
Aan de geestelijke opvoeding van de massa der Moslims is weinig gedaan.
Al heeft dus de Islâm, in de plaats van het evangelische "onderwijst
al de volken", het bevel "onderwerpt al de volken" als een hoofdgebod
voorop gesteld, hij is daarmee geenszins tevreden, maar wil, dat
op de onderwerping onderwijzing volge. Het bovenal streven naar
uitbreiding van gebied en vermeerdering van het aantal dergenen, die
de geloofsbelijdenis hebben uitgesproken, heeft echter vanzelf tot
eene minder krachtige werking in de diepte geleid. Nog tal van andere
omstandigheden komen daarbij, die maken dat de geestelijke opvoeding
der voor den Islâm gewonnenen in den regel veel te wenschen overlaat.
Reeds vroeg zijn de schriftgeleerden zich gaan verdiepen in dogmatische
en juridische spitsvondigheden, en in de drukte van hun onderlingen
strijd vonden zij niet veel tijd om zich met de geestelijke belangen
der ongeletterden bezig te houden. Voor hen scheen het nu eenmaal in
de natuur der dingen te liggen, dat eene kleine uitgelezen schare van
kenners der wet met zelfgenoegzame minachting neerzag op de menigte
der onwetenden. Van eenig gevoel van medeverantwoordelijkheid voor
dien toestand vindt men bij hen zelden eenig spoor.
De minderheid der bevolking, die eenig onderwijs genoot, ontving
dit in den meest onpractischen vorm. In de eerste eeuwen van den
Islâm kon men nog de illusie koesteren, dat in alle Mohammedaansche
landen de oude landtalen het veld zouden ruimen voor het Arabisch. Op
deze later onhoudbaar gebleken onderstelling is bijna geheel het
elementaire godsdienstonderwijs gebaseerd. Wie iets leeren wil,
wordt ondersteld, Arabisch, en wel liefst klassiek Arabisch te
verstaan. Eerst later werden schoorvoetend kleine concessies aan de
moedertalen der geloovigen gedaan. Toch bleef eene kennis der wet,
die iets beduidde, zonder bedrevenheid in het Arabisch zoo goed als
onmogelijk. De leeken moesten het doen met een werktuigelijk leeren
opdreunen van den Qoerân in het oorspronkelijk en met eenige even
werktuigelijke oefening in het ritueel. Het plebs bleef meerendeels
zelfs hiervan verstoken.
Het oude heidendom blijft overal voor een goed deel de cultuur
beheerschen.
Geen wonder dus, dat in nagenoeg alle Mohammedaansche landen de
geestelijke gedachtensfeer, waarin de eigenlijke bevolking leeft,
meer oorspronkelijk heidensche dan Mohammedaansche elementen in zich
bevat. Men neme kennis van de beschrijvingen van de populaire zeden
en gebruiken en van het volksbijgeloof, dat in het leven de hoofdrol
speelt, in Noordwest-Afrika, in Egypte, in Syrië, ja in het stamland
van den Islâm, in Arabië zelf, overal ziet men de eenheid van Allah
verscholen achter een onnoemelijk aantal levende en doode heilige
personen en voorwerpen, die de hoogste vereering genieten, overal de
middelen, die de wet aangeeft om Allahs gunst te verwerven, verdrongen
door magische practijken, die van vóór den Islâm dateeren. Het
Moslimsche bepaalt zich bij de menigte voor de vromeren tot eenige
ritueele uiterlijkheden, voor de meerderheid tot eenige leuzen en
phrasen, soms bovendien het daarstraks door mij beschreven gevoel
van deel uit te maken van de tot heerschappij geroepen gemeenschap.
Is dit alles zoo in het stamland van den Islâm en in de landen, die hij
het eerst aan zich onderwierp, het spreekt van zelf, dat de officieele
leer en het volksleven nog veel verder van elkander verwijderd moeten
zijn daar, waar de Islâm eerst later binnendrong, en zeer geleidelijk
veld won door de assimileerende kracht van vreemdelingen, die om
zich heen propaganda maakten, ten slotte gevolgd door vreedzame of
gewelddadige uitbreiding van het geloof door het bekeerde deel der
inheemsche bevolking zelve.
In Oost-Indië drong de Islâm vreedzaam binnen.
Het was op de laatst bedoelde wijze, dat het Mohammedanisme zijne
belijders in den Indischen Archipel verkreeg. Mohammedaansche
kooplieden uit Voor-Indië, het eeuwenoude spoor hunner Hindoesche
landgenooten volgend, vestigden zich tijdelijk of voor goed in eenige
kustplaatsen dezer eilanden. Deze kleine koloniën oefenden de gewone
aantrekkingskracht, zelfs op Java, ofschoon hier het Hindoeisme al
eeuwen lang de cultuur beheerschte. Men vergete hierbij niet, dat
het Hindoeisme hier niet zoo diepe wortels kon schieten als in zijn
vaderland, waarbuiten het zich in den regel niet verbreidt, en dat de
Hindoecultuur hare geestelijke verfijning niet mededeelt aan de tot
lagere kasten gerekende massa, zoodat voor eene groote meerderheid
juist onder het Hindoeistisch régime veel aanleiding kan bestaan om
in den Islâm verlossing te zoeken uit zijn staat van vernedering.
De verbreiders kan men niet met Christelijke zendelingen vergelijken.
De propaganda was voor die vreemdelingen stellig vaker middel
dan doel. Men kan er zeker van zijn, dat de meesten hunner meer
van avonturiers dan van missionarissen weg hadden, al heeft de
volkslegende hunne nagedachtenis met stralenkransen van heiligheid
omgeven. Ook in Mohammedaansche landen waren het destijds niet in de
eerste plaats de deugdzamen, die in het Verre Oosten hunne fortuin
gingen zoeken. Nog in onze dagen gaat de Moslimsche propaganda
onder de heidenen van Oost-Indië steeds in de eerste plaats van
zulke gelukzoekers uit. Daarom is het zoo dwaas, wanneer onhandige
zendingsvrienden deze soort van missie gaan vergelijken met die van
geordende zendelingen des Christendoms, en dan der Regeering verwijten,
dat Zij Mohammedaansche zendelingen niet aan een soortgelijk toezicht
onderwerpt als Christelijke. Ik laat de vraag geheel ter zijde,
of het noodig is, de werkzaamheid der Christelijke zendelingen
te binden aan de voorwaarde eener bijzondere toelating zooals het
vigeerende Regeeringsreglement die voorschrijft. Maar ten opzichte van
Mohammedanen zou iets dergelijks volstrekt onmogelijk zijn, daar ieder
Mohammedaansch handelaar, die met heidenen zaken doet, indien hem zulks
gelegen komt, aanhangers voor zijnen godsdienst wint. De Europeesche
koopman, gesteld dat hij er neiging toe had, zou dit niet kunnen
doen, daar hem èn de bekwaamheid tot het geven van het voorbereidend
onderricht, èn, wat meer is, de bevoegdheid tot het toedienen van
het onmisbare sacrament van den doop ontbreekt. Het eene zoowel als
het andere is voor eene bekeering tot den Islâm overbodig: tot dezen
godsdienst bekeert de heiden na bekomen inlichting zonder iemands
bijstand zichzelf. Aan Mohammedaansche kooplieden, die heidensche
streken bezoeken, te verbieden, die inlichting te verstrekken, dat
zou strijden met elk beginsel van godsdienstvrijheid en het verbod
zou bovendien practisch niet te handhaven zijn.
De Regeering bevordert de propaganda als Zij Mohammedaansche ambtenaren
in heidensche streken invoert.
Wel verdient het voor de Regeering aanbeveling, bij het onder
geregeld bestuur brengen van heidensch gebied zooveel doenlijk te
waken tegen onwillekeurige bevordering der uitbreiding van den Islâm,
die licht het gevolg is van den invoer van Inlandsch-Mohammedaansche
staatsdienaren. Ook het Duitsche koloniale bestuur in Oost-Afrika
heeft met deze moeielijkheid te kampen, en bij ons is de verleiding
bijzonder groot, daar de Inlandsche ambtenaren van Java in den regel de
best ontwikkelde, met onze bestuursbeginselen meest vertrouwde zijn,
terwijl overdreven godsdienstijver onder hen zelden voorkomt. Toch
strekt hunne plaatsing in heidensche landen op den duur, evenzeer als
de immigratie van Mohammedaansche avonturiers, tot verbreiding van
den door hen beleden godsdienst, en kan zij aldus ten gevolge hebben,
dat de bevolking, onder welke zij werken, gewonnen wordt voor een
stelsel, waaraan de Javanen zelve bezig zijn te ontgroeien. Moslimsche
kooplieden uit eenig deel van den Archipel te weren, omdat zij de
propaganda in de hand werken, dat zou zonder onverdedigbare willekeur
niet gaan; daarentegen is het met eenig beleid wel te voorkomen,
dat men zelfs indirect de islamiseering van niet-Mohammedanen zou
gaan bevorderen.
Eenmaal gevestigd, breidde de Islâm zich ook in Oost-Indië gewelddadig
uit.
Het door vreemde avonturiers begonnen werk der islamiseering van
de Oost-Indische eilanden werd door de bekeerde Inlanders zelve
voortgezet. In het midden der veertiende eeuw prijst de Arabische
reiziger Ibn Battoetah den Moslimschen vorst van Soematra-Pasè om de
heilige oorlogen, die hij voerde tegen de heidenen in het binnenland
van het eiland. De Mohammedaansche koloniën aan de Noordkust van Java
ontwikkelden zich tot rijkjes, die ten slotte deels door aantrekking,
deels door strijd Madjapait en Padjadjaran overweldigden. Van Java
uit verbreidde zich de Islâm over Zuid-Soematra, deelen van Borneo
en van Celebes en meer Oostelijk gelegen eilanden.
De eerste invoerders waren Indiërs; Arabische invloed begon pas later
te werken.
Onder de uit Indië afkomstige eerste invoerders van den Islâm in den
Archipel waren er met Arabische stamboomen van twijfelachtige echtheid,
en ook wel enkele van onverdacht Arabische afkomst. Dit neemt niet weg,
dat hun Islâm een ontwijfelbaar Indisch karakter vertoonde, en zich dus
met name op Java uitnemend aansloot bij de Hindoeistische elementen,
die zich daar lang te voren met het oorspronkelijke animisme vermengd
hadden. Eigenlijk Arabische invloed deed zich eerst later gelden. Het
waren Arabische gelukzoekers van voorname geboorte in Hadhramaut,
die de kustrijkjes van Siak op Soematra en van Pontianak op Borneo
stichtten. Emigranten uit dat Zuid-Arabische gebied vestigden zich
sinds anderhalve eeuw in Palembang en verschillende handelshavens van
Java en Madoera. De geletterden onder hen deden hun best om zoowel de
specifiek Voor-Indische elementen van den hier ingevoerden Islâm als
de voor hen meest aanstootelijke bestanddeelen van Hindoeistischen en
animistischen oorsprong uit geloof en zeden der inheemsche Mohammedanen
te verwijderen. Eene veel krachtiger werking in dergelijke richting
ging echter van Mekka uit, niet zoozeer omdat zich ook enkele Mekkanen
in Oost-Indië vestigden, als wel omdat in verband met de bedevaarten
naar het heilige land sinds ongeveer twee en eene halve eeuw vele
Inlanders te Mekka hunne studiën maakten of voltooiden. De vreedzame
verdringing van de aan de Indische Mohammedanen ontleende methoden
en denkwijzen door Arabische, die door de werkzaamheid der uit Mekka
volleerd teruggekeerden begon, is nog niet afgeloopen, maar wint
geleidelijk veld.
Samenvatting.
Wij hebben nu, denk ik, in hoofdtrekken het beeld voor ons van de
wijze, waarop de Islâm getracht heeft, zijn ideaal van heerschappij
over heel de menschheid te verwezenlijken en van de soort van zending,
die een groot deel van den Indischen Archipel voor dezen godsdienst
won. Van het jaar 630 af zocht hij de bereiking van zijn doel bovenal
in onderwerping van de grootst mogelijke menschengroepen in den
kortst mogelijken tijd; eene methode, die ook buiten den Islâm in
de middeleeuwen vele aanhangers had. In het stelsel, dat omstreeks
900 zijne definitieve afronding verkreeg, bleef deze toepassing
van materieele machtsmiddelen de eerste plaats innemen, ook nadat
de veranderde tijdsomstandigheden die in de practijk zoo goed als
onmogelijk gemaakt hadden. Feitelijk moest men zich in nieuwere
tijden steeds meer beperken tot eene andere soort van propaganda,
die van oudsher naast de gewelddadige aanbevolen en ook beoefend was:
vreedzame overreding, die gewoonlijk den vorm aannam van assimilatie,
vooral van primitieve volken, door kooplieden en avonturiers,
die in hun eigen belang met die volken verkeerden. De leer van den
heiligen oorlog, door de schriftgeleerden onveranderd overgeleverd
en bij het mindere volk altijd geliefd, bleef daarbij gereed om zich
onder gunstige omstandigheden te doen gelden. Zoo niet zelden bij pas
bekeerde volksstammen, die hunne heidensche rasgenooten met geweld
tot den Islâm brachten.
Altijd was het hoofdoogmerk snelle vermeerdering van het aantal
Moslims, terwijl de opvoeding der bekeerden naar de beginselen en
voorschriften van den Islâm aan de toekomst overgelaten bleef en
met weinig ijver en ondoelmatige middelen beproefd werd. Onder de
aangewende middelen van overreding speelden in systeem en practijk
die van stoffelijken aard steeds de hoofdrol. Van missie met zuiver
geestelijke middelen doen zich in ouderen tijd sporadisch gevallen
voor; het meerdere, dat in onze dagen daarvan voor den dag komt,
dankt zijn ontstaan meestal aan reactie tegen en concurrentie met
Christelijke zending, die onder Moslims werkt.
Het leven overal in slechts geringe mate naar het stelsel hervormd.
Bij het licht der geschiedenis van de Moslimsche propaganda en harer
resultaten begrijpt men zonder moeite den afstand, die overal, waar
de Islâm beleden wordt, te constateeren valt tusschen de leer en
de wet eenerzijds en anderzijds het leven, vooral het leven van
de massa des volks. Zonder dat licht begrijpt men er niets van
en komt men gemakkelijk tot valsche oordeelen. Zoo onlangs een
onzer volksvertegenwoordigers, die in dagbladartikelen en in eene
parlementaire redevoering de stoute bewering deed vernemen, dat van de
vijf en dertig millioen Nederlandsche onderdanen, die officieel als
Mohammedanen te boek staan, slechts ongeveer zes millioen werkelijk
belijders van den Islâm zijn.
De graad van het in de autoriteiten van den Islâm gestelde vertrouwen
beste maatstaf voor de Moslimsche belijdenis.
Het is altijd gevaarlijk voor een buitenstaander, met een zelfgemaakten
maatstaf te gaan bepalen, in hoeverre menschengroepen, die zich bij
eene godsdienstige belijdenis indeelen, terecht daartoe gerekend
worden. Hoevele millioenen Europeanen, wier namen in Christelijke
doopregisters voorkomen, zou men op die wijze niet de buiten de
gemeenschap der Christenen kunnen plaatsen omdat zij van den godsdienst
vervreemd zijn of omdat zij geene kennis hebben van hun geloof en
bevangen zijn in heidensche superstitie en practijken van animistischen
oorsprong? Wat zou er op die wijze overblijven van het Christen-zijn
van vele gedoopte Inlanders? Het eenig bruikbare criterium zal toch
wel zijn, hoe de menschen zichzelve genoemd willen hebben, vooral omdat
alleen daaruit blijken kan, waar zij hun vertrouwen hebben geplaatst.
Bepalen wij onze aandacht eens bij Java als uit het oogpunt van
bevolking verreweg het belangrijkste eiland van Nederlandsch-Indië. Met
uitzondering van de kleine groepen der Badoei's en der Tenggereezen
en van kleine Christengemeenten onder Europeesche leiding, noemt de
geheele bevolking zich Mohammedaansch. Vooral op Midden-Java is van
leer en wet van den Islâm in het leven van den kleinen man nog weinig
doorgedrongen, terwijl zeden en bijgeloof er algemeen getuigen van de
heerschappij van oud-animistische begrippen, min of meer gewijzigd
door den invloed van het vroeger ingedrongen Hindoeisme. Toch zou
een Hindoesch pandit thans evenveel moeite hebben om bij de bevolking
gehoor te vinden als een zendeling van het Christendom.
De graad van bekendheid met leer en wet vormt geenen maatstaf.
Zeker, van de millioenen zijn het slechts tienduizenden, die aan de
over geheel Java verspreide pesantrèns kennis van eenige beteekenis
opdoen van de dogmatiek en de wet van den Islâm. Evenals in andere
Mohammedaansche landen zien ook hier die schriftgeleerden minachtend
op de onwetende schare neer, en doen zij uiterst weinig om ze uit hare
onwetendheid op te heffen. Maar evenals elders ziet ook hier die schare
op naar die geleerden als naar degenen, die haar vertrouwen verdienen,
waar het gaat om hare hoogste belangen.
Goede of slechte geestelijke waar, die haar geboden wordt, beoordeelt
de bevolking in de eerste plaats naar het Mohammedaansche merk, waarmee
zij voorzien is. Mist zij dit, dan beschouwt zij haar zonder onderzoek
met achterdocht en wantrouwen. Laster is het, wanneer men zegt, dat
de Regeering door bestuursmaatregelen deze gezindheid heeft bevorderd
of in het leven geroepen. Zij bestaat van de dagen der Compagnie
af, Raffles constateerde haar in het begin der negentiende eeuw,
en de uiterst geringe verandering, die in den geestelijken staat
der Javaansche landbouwers is gekomen, heeft ook haar ongewijzigd
gelaten. De bevolking van Java evenzeer als de Atjèhers, de Maleiers,
Boegineezen, Makassaren en wie zich verder in Indonesië naar Mohammed
noemen, zijn Mohammedanen, of men moet dien naam tevens ontzeggen aan
de Berbers, de Egyptenaren, de Syriërs, ja zelfs aan de meerderheid
der Arabieren.
De Regeering kan Hare taak geheel vervullen zonder schending der
godsdienstvrijheid.
De Regeering kan dit erkennen zonder zich daardoor te laten weerhouden
van ook maar één enkelen bestuursmaatregel, die het belang van land
en volk gebiedt. Maar Zij kan niet--zoolang Zij aanspraak maakt op
den naam eener eerlijke regeering--medegaan met den wensch, dien
de afgevaardigde van daarstraks namens onverstandige vrienden der
Christelijke zending uitsprak, eenige millioenen Mohammedanen tot
heidenen of pantheïsten verklaren, en daaraan vrijheid ontleenen
om de zending meer direct te steunen door op die tot heidenen
gestempelde Inlanders maatregelen toe te passen, die men tegenover
Mohammedanen voor ongeoorloofd zou houden. Zulke steun zou ook beneden
de waardigheid der Christelijke zending zijn. Men zou er bovendien het
tegendeel van hetgeen men beoogde door bewerken: men zou aanleiding
geven tot fanatiek verzet.
Wel doet de Regeering wijs door hare volle aandacht te schenken
aan het veelszins gelukkige feit, dat onder een groot deel van de
Mohammedanen van Nederlandsch-Indië de beginselen van het stelsel
van den Islâm nog weinig diepe wortels hebben geschoten, waardoor zij
veel toegankelijker zijn voor andere cultuurinvloeden dan anders het
geval zou wezen. Hiervan behoort in het belang der bevolking zelve
partij getrokken te worden voordat het te laat is; voordat nog de
aan wezenlijke beschaving vijandige elementen, die den Islâm als
eene uit hare middeleeuwsche periode overgebleven kwaal aankleven,
gelegenheid vinden op die dusver gespaarde Inlanders in te werken,
moet men alle kracht inspannen om ze daartegen immuun te maken. Dat
dit geschieden kan in volkomen eerlijkheid en zonder valsche listen,
hoop ik in het vervolg aan te toonen.