Er zijn op Urk een twintigtal putten, waarvan het meerendeel bijzonder
eigendom is van de bewoners der huizen, waar of in welker nabijheid
zij zich bevinden. Een dier putten, in het midden van het hoog liggend
gedeelte gelegen (zie de kaart), is echter voor algemeen gebruik
bestemd. De mond van dezen put ligt op 4,5 el boven A. P. De wanden
zijn geheel bekleed met rolsteenen van het rif afkomstig, en zijne
diepte bedraagt 6,1 el; zoodat derhalve zich de bodem 1,6 el onder
A. P. bevindt. (Zie de doorsnede in fig. 3 p.)
Nabij den vuurtoren, is mede een put. De omgevende grond ligt hier
op 7,7 el boven A. P. De diepte bedraagt 6,43 el, zoodat derhalve
de bodem van dien put op 1,27 el boven A. P. is gelegen. (Zie de
doorsnede in fig. 4 p'.)
Reeds hieruit blijkt, dat het water in deze beide putten zeer
waarschijnlijk eenen verschillenden oorsprong heeft, daar de bodem
van den laatsten 2,87 el hooger ligt dan die des eersten, hetgeen,
op dien korten afstand (omstreeks 380 ellen), tot eene veel grootere
helling der het water leverende zandlaag zoude doen besluiten, dan
gewoonlijk in dergelijke gevallen wordt waargenomen.
Werkelijk hebben dan ook de in het werk gestelde boringen en gravingen
doen zien, dat op het punt A, ter diepte van 1,5 el onder A. P. eene
zandlaag wordt aangetroffen, dat is slechts weinig hooger, dan de
bodem van den in het midden gelegen put, terwijl daarentegen in c,
dat is nabij den vuurtoren, op eene diepte van 1,4 el boven A. P. de
laag zandmergel eenen aanvang neemt, die benedenwaarts in bijna zuiver
zand overgaat, en op 1 el boven A. P. wederom van onderen door eene
laag leemmergel begrensd wordt.
Men mag derhalve veilig aannemen, dat, terwijl de eerstgenoemde put, en
waarschijnlijk het meerendeel der overige putten, hun water ontvangen
uit de zandlaag, die zich onder het geheele diluviale gedeelte van
het eiland uitbreidt, de put nabij den vuurtoren daarentegen gevoed
wordt door water uit de zandmergellaag, die, wel is waar, ook elders
wordt aangetroffen, doch zonder de daaronder liggende leemmergellaag,
die, ten gevolge harer veel geringere doordringbaarheid, het water
daarin houdt opgesloten.
De hoofdbron van het water in de putten is natuurlijk het regenwater,
waarvan een gedeelte, op de daken der huizen nedervallende, door
de inwoners, hetzij in regenbakken of op eene andere wijze wordt
opgevangen, terwijl het overige in den bodem dringt.
Het water in de wellen is echter verre van zuiver regenwater te
zijn. Drie omstandigheden oefenen daarop invloed uit:
1o. de oplosbaarheid van sommige stoffen in den bodem, hetzij door
water alleen, of nadat dit koolstofzuur heeft opgenomen, dat in
den bodem voorkomt, ten deele als het product van humificerende
plantaardige stoffen, in de nabijheid der oppervlakte;
2o. de stortzeeën, die bij stormweder vaak over het paalwerk heenslaan,
zoodat de bodem langs de kust bij zulke gelegenheden door zeewater
gedrenkt wordt;
3o. het water der omringende zee, dat benedenwaarts in den bodem
dringt en in de putten opstijgt.
Het spreekt van zelf, dat de laatste omstandigheid den grootsten
invloed uitoefent op het water in die putten, welker bodem zich onder
de oppervlakte der zee bevindt, en van daar dan ook een belangrijk
verschil in de zamenstelling van het water afkomstig uit de beide
bovengemelde putten, gelijk uit onderstaande uitkomsten der analyse
blijkt.
In 1000 deelen van het water van den in het midden gelegen put
zijn bevat:
Vaste stof 2,219 verbrandbaar 0,246
onverbrandbaar 1,973
Het water van den put bij den vuurtoren bevat in 1000 deelen:
Vaste stof 0,655 verbrandbaar 0,063
onverbrandbaar 0,592
De zamenstelling der vuurvaste bestanddeelen is de volgende:
Put in het midden. Put bij den vuurtoren.
Chlorsodium 0,866 0,304
Zwavelzure kalk 0,356 0,085
Koolstofzure soda 0,197 0,128
Koolstofzure potasch 0,109 0,006
Koolstofzure kalk 0,337 0,019
Koolstofzure magnesia 0,083 0,069
Kiezelzuur sporen. geringe sporen.
De hoeveelheden van het vrije koolstofzuur zijn niet bepaald, doch de
proef met kalkwater leerde, dat daarvan in het eerste water slechts
zeer weinig, in het tweede daarentegen tamelijk veel voorhanden is
[34].
Van ijzer komt in geen der beide wateren een spoor voor, in weerwil
van den grooten overvloed van dit metaal in den bodem, hetgeen ten
bewijze strekt, dat het er alleen als ijzeroxydhydraat, en niet ook
als koolstofzuur ijzeroxydul in aanwezig is.
Aan de verschillende quantitatieve zamenstelling van het water
der beide putten beantwoordt ook de smaak. Dat van den put bij den
vuurtoren is vrij goed drinkbaar, doch het bijna viermaal zoo veel
vaste stoffen bevattende water uit den put in het midden heeft eenen
onaangenamen ziltigen smaak. Hetzelfde geldt van dat der overige
putten, en het water van één' dezer bleek, bij een qualitatief
onderzoek, in zamenstelling zeer na, zoo niet geheel, met dat van den
laatstgenoemden put overeen te komen. De eilanders bezigen dan ook
dit water niet, dan bij gebrek van regenwater, als drinkwater, maar
wel tot bereiding van spijzen en tot andere huisselijke doeleinden,
als ook tot drenking van het vee.
Ofschoon de temperatuur van het water der putten uit den aard der
zaak aan afwisseling onderhevig is, zoo teeken ik hier nog aan, dat
op den 31sten Maart, toen de thermometer in de lucht op 10°,7 C stond,
het water op den bodem van den put bij den vuurtoren eene temperatuur
van 6°,5 C had. Een thermometer tot op den bodem van het niet ver
van daar verwijderde boorgat c nedergelaten, en dus 3 ellen onder den
beganen bodem of 0,6 el lager dan de diepte van den put, teekende ter
zelfder tijd mede 6°,5. De temperatuur van de onderste waterlaag en
van de zich onmiddelijk daaronder bevindende leemmergellaag was dus
4°,2 lager dan die van de lucht.
Reeds vroeger (bl. 3) hebben wij gezegd, dat het van ouds bekend is,
dat het water in deze putten niet altijd even hoog staat, en dat het
zelfs volgens een volksverhaal met dat van den Gelderschen IJssel
bij Kampen rijzen en dalen zoude.
Mijn verblijf op het eiland is te kort geweest, om daaromtrent zelf
naauwkeurige waarnemingen te doen, doch hetgeen mij daarvan bekend is
geworden, is voldoende tot eene algemeene oplossing van het vraagstuk.
Op den 31sten Maart 1852 bevond ik, dat de oppervlakte van het water
in den put bij den vuurtoren stond op 1,63 el onder den beganen grond,
dat is 2,13 el onder het hoogste punt van het eiland, en 6,07 el boven
A. P. Terzelfder tijd bevond zich de oppervlakte van het water in den
anderen in het midden gelegen put op 5,2 el onder den beganen grond,
dat is op 9,7 el onder het hoogste punt en op 0,7 el onder A. P.
Ofschoon het nu waar zij, dat, daar het water uit dezen put tot
algemeen gebruik dient, deze bepalingen geenszins eene juiste
uitdrukking leveren van de hoogte, waartoe het water zoude kunnen
stijgen, indien het ongestoord aan zich zelf werd overgelaten,
zoo is het verschil in waterstand tusschen beide putten toch zoo
groot, dat men reeds hieruit tot een verschil in oorsprong zoude
moeten besluiten. Dit verschil bedroeg namelijk op het tijdstip,
waarop de meting geschied is, niet minder dan 6,77 el, zoodat de
wateroppervlakte in den eersten put werkelijk 1,57 el boven den mond
van den anderen put verheven was, en, indien de aardlagen elders
volkomen gelijk waren aan die, welke bij den eersten put doorboord
zijn, het water met kracht over den mond zoude uitvloeijen, even als
bij eene artesische putboring.
Uit de zamenstelling van het water is gebleken, dat het zeewater
slechts in zeer geringe mate aan de vorming van het water in den put
nabij den vuurtoren deelneemt. Zelfs zoude men een goed deel van de
daarin aanwezige zouten nog kunnen toeschrijven aan het bij stormweder
overstuivende zeewater. In elk geval is het, uit den hoogen stand
van het water in dien put, duidelijk, dat het niet dan eene zeer
beperkte gemeenschap met de zee heeft. Volgens mededeeling van den
vuurtorenwachter heeft dan ook de hoogere of lagere stand der zee geen
den minsten invloed op den stand van het water in dezen put. Alleen
bij zeer langdurige droogte vermindert deszelfs hoeveelheid.
Anders is het gelegen met den put in het midden, en, voor zoover mijne
berigten reiken, ook met de overige putten. Bij zeer lagen waterstand
der zee, wanneer b. v. bij langdurige Oosten winden het water, gelijk
somtijds gebeurt, tot 1,3 of 1,4 el beneden dagelijks tij daalt, dan
worden deze putten droog. Doch van een geregeld dalen en rijzen van het
water der putten met het tij der zee is aan niemand op Urk iets bekend.
Ten einde daaromtrent tot eenige meerdere zekerheid te komen, is,
op mijne uitnoodiging, door den vuurtorenwachter Schraal, gedurende
twee dagen, de hoogte van de zee in verhouding tot A. P. en de hoogte
der oppervlakte van het water in den gegraven kuil A opgeteekend.
De stand van het water der zee, gemeten op de peilschaal in de
haven, was:
25 Junij, 's morgens ten 6 ure, hoog water, 0,01 el onder A. P.
25 Junij, 's morgens ten 9 1/2 ure, tusschen tij, 0,86 el onder A. P.
25 Junij, 's middags ten 12 ure, laag water, 0,19 el onder A. P.
25 Junij, 's namiddags ten 6 ure, hoog water, 0,00 el onder A. P.
26 Junij, 's morgens ten 6 1/2 ure, hoog water, 0,21 el onder A. P.
26 Junij, 's morgens ten 10 1/2 ure, tusschen tij, 0,25 el onder A. P.
26 Junij, 's namiddags ten 12 1/2 ure, laag water, 0,31 el onder A. P.
26 Junij, 's namiddags ten 3 1/2 ure, tusschen tij, 0,24 el onder A. P.
26 Junij, 's namiddags ten 6 1/2 ure, hoog water, 0,07 el onder A. P.
In weerwil dat derhalve op die beide dagen de stand van het zeewater
van 0 tot 31 duimen onder A. P. heeft verschild, is er bij de telkens
herhaalde gelijktijdige metingen geen het minste verschil waargenomen
in den stand van het water in den gegraven kuil, hetgeen al dien tijd
onveranderlijk tot op 4,245 el onder den beganen grond is gebleven,
dat is slechts 0,055 el onder A. P. Daar nu deze kuil veel digter
bij het strand was gelegen dan een der bestaande putten, zoo mag men
veilig aannemen, dat de snelle rijzingen en dalingen der zee, welke
het gevolg zijn van eb en vloed, op deze ook geenen noemenswaardigen
invloed hebben, en dat er een tijdsbestek van verscheidene dagen
wordt vereischt, gedurende hetwelk de zee buitengewoon laag is,
om het water in de putten eenigzins aanmerkelijk te doen dalen.
Gelijk reeds gezegd is, is zulks vooral het geval bij langdurigen
Oostenwind, en dan is niet alleen de zee laag, maar ook de daarin
uitloopende IJssel. Dit geeft de eenvoudige verklaring van het oude
sprookje betreffende het verband, dat er tusschen de Urksche putten
en den Gelderschen IJssel zoude bestaan.