De in het werk gestelde boringen en gravingen tot op eene diepte van
1,5 el onder A. P. en 10,7 ellen onder het hoogste punt des eilands,
hebben hier vier verschillende lagen doen kennen.
De eerste en magtigste, op het punt a eene dikte hebbende van 8,3
ellen, aldaar eindigende op O,9 el en in c op 1,5 el boven A. P.,
bestaat uit eene over het algemeen geelachtig rood gekleurde leem,
waarvan echter de geaardheid zoowel als de kleur op verschillende
punten en diepten nog aan vrij groote afwisselingen is onderworpen,
hoofdzakelijk ten gevolge van het verschillend gehalte aan
ijzeroxydhydraat, en het al of niet aanwezig zijn van koolstofzuren
kalk. Deze ontbreekt algemeen in de hoogere gedeelten der laag,
doch is daarentegen in grooten overvloed aanwezig in de diepere,
waar de leem in waren leemmergel overgaat. De grond verkregen bij
de graving op het punt A, op de diepte van 3 ellen, of van 1,3 el
boven A. P., vooraf zwak gegloeid, bleek te bevatten 28,83 proc. in
zoutzuur oplosbare stoffen, waaronder 19,71 proc. koolstofzuren kalk
en 3,13 proc. ijzeroxyd. In het bovenste gedeelte is de leem ook
meer zandachtig, lichter van kleur, plaatselijk zelfs geelachtig
grijs, terwijl benedenwaarts de kleur donkerder wordt, ten deele
bruinrood en violetrood, al naar gelang van de hoeveelheid aanwezig
ijzeroxydhydraat, welke stof in hoeveelheid toeneemt met de diepte,
zoodat het benedenste gedeelte der bedding tot den aard eener ware
oerbank nadert.
De mikroskopische bestanddeelen zijn gerolde kwartskorreltjes en
scherpkantig gruis van kristallinische gesteenten, in afwisselende
betrekkelijke hoeveelheden. Beide deze bestanddeelen zijn algemeen
doorschijnend en kleurloos. Waar koolstofzure kalk voorkomt,
bestaat deze meerendeels uit zeer kleine vormlooze ligchaampjes. Het
ijzeroxydhydraat is er in bevat als zeer kleine moleculen, die alle de
ruimten tusschen de overige bestanddeelen vullen. Van schelpvezelen
is geen spoor te zien, evenmin als van Foraminiferen of andere
mikroskopische organismen.
De hardheid en vastheid dezer geheele laag, doch vooral van hare
diepere gedeelten, is zeer groot, en wordt inzonderheid veroorzaakt
door het ijzeroxydhydraat, waardoor de overige deeltjes onderling
zamengebakken zijn. Reeds is vermeld, dat de gebezigde grondboor
daarin geheel onbruikbaar is geworden. Bij de derde boring namelijk,
was aan de overigens uit goed gehard ijzer bestaande boorbuis, reeds
eene vrij sterke uitwijking der wanden waar te nemen. Ook bij de later
in het werk gestelde graving, werd de bodem zoo hard bevonden, dat men
op sommige punten daarin met de spade alleen niet kon voortwerken, maar
genoodzaakt was een' koevoet te gebruiken, om de brokken los te breken.
Echter heeft deze leem slechts weinig plasticiteit, wanneer zij met
water wordt aangemengd, hetgeen grootendeels het gevolg is van de
talrijke tusschen de overige bestanddeelen verstrooide zandkorrels
en steentjes van allerlei grootte. Deze geringe plasticiteit is ook
opgemerkt door den tegenwoordigen Hoofdingenieur Jonkh. J. Ortt van
Schonauwen, die in 1834, bij het verbeteren der haven op de zuidkust,
dezelfde leem aantrof, en zich genoodzaakt zag de voor het werk
benoodigde klei van het lager gedeelte des eilands te doen aanvoeren.
In deze geheele bedding is het getal gerolde steenen overgroot. Het
meerendeel is klein, van één tot eenige duimen in doormeter. Doch er
komen ook vele merkelijk grootere rolsteenen voor. Ik zelf heb een
granietblok gezien van nagenoeg ronden vorm en O,7 el in doorsnede,
hetwelk was opgegraven uit het kerkhof, gelegen ter zijde van de
kerk, dus in de nabijheid van het hoogste punt. Ook verhaalde mij
de doodgraver, dat hij eenmaal, bij het maken van een' grafkuil,
op eenen steen had gestoten, waarvan het zigtbare gedeelte de
lengte van het geheele graf, zijnde 7 A. voeten of bijna 2 ellen,
innam. Daar hier nu nimmer dieper gegraven wordt, dan tot op 7 voeten,
zoo blijkt, dat althans het bovenste gedeelte der bedding rolsteenen
van zeer aanzienlijke grootte bevat. Dit wordt ook bevestigd door eene
mededeeling van den Burgemeester, dat namelijk in een huis, gelegen
aan de Noord-Westzijde, voor eenige jaren, bij het graven van eenen
kelder, een steen werd gevonden, welke zoo groot was, dat de kozijnen
van een venster moesten worden uitgebroken, om hem uit het huis te
verwijderen. Dezelfde berigtte mij in het algemeen, dat men op zeer
verschillende diepten, van 6, 8, 10, 12, 15, 20 en zelfs meer voeten,
groote steenen in den grond had gevonden, zoodat hieruit derhalve
schijnt te volgen, dat zij door de geheele bedding verspreid liggen.
Wat den aard dier steenen betreft, zoo is deze zoo verschillend, dat
men zonder overdrijving zeggen kan, dat de meeste rotssoorten hier
door kleinere of grootere fragmenten worden vertegenwoordigd. Men
vindt er [10]:
1. Graniet. De hieruit bestaande steenen zijn zeer talrijk; zij kunnen
tot de volgende varieteiten gebragt worden:
a. Zeer fijnkorrelige graniet, met gelijkmatig verdeelde bestanddeelen:
roode veldspaath, roode kwarts en weinige zwartachtige glimmer. Hieruit
bestaat de groote, zoo even vermelde uit het kerkhof opgegraven steen.
b. Zeer grofkorrelig, met ongelijkmatig verdeelde bestanddeelen: donker
vleeschkleurige veldspaath, witte kwarts, ten deele in groote aders,
en zilverkleurige glimmer in nesten. Stukken van deze zamenstelling
zijn gevonden, zoowel op het kerkhof, derhalve in het bovenste gedeelte
der laag, als nabij hare onderste grens in A, vanwaar een stuk van
ongeveer O,2 el in doormeter tot deze varieteit behoort.
c. Tamelijk fijnkorrelig en gelijkmatig, met veel roode veldspaath,
witte kwarts en weinige witte glimmer.
d. Tamelijk fijnkorrelig, met roode veldspaath, witte kwarts en
zwarte glimmer.
e. Tamelijk fijnkorrelig, met roode kwarts, roode veldspaath en
zwarte glimmer.
f. Fijnkorrelig, met violetblaauwachtige kwarts, zeer weinige
roodachtige veldspaath, zwarte en witte glimmer.
g. Fijnkorrelig, met witte kwarts, witte veldspaath en zwarte glimmer.
h. Fijnkorrelig, met witte veldspaath, witte kwarts en groene glimmer.
i. Tamelijk fijnkorrelig, met witte veldspaath, witte kwarts en veel
zilverwitte glimmer.
Onder deze varieteiten zijn die, waarin de veldspaath en ook de
kwarts geheel of ten deele rood gekleurd zijn, zoodat het gesteente,
op eenen afstand gezien, zich meer of min gelijkmatig rood vertoont,
de talrijkste.