ten jare 1511.
De oorsprong, de beteekenis van zeer velen onzer hedendaagsche namen is
onduidelijk, ja vaak, in schijn, volkomen onverklaarbaar. De oorzaak
daar van is hier in gelegen, dat de hedendaagsche vormen der namen
veelal zeer verbasterd, ontaard, ingekort, ook door onwetende
schrijvers in hunne spelling verknoeid, schier onkenbaar gemaakt zijn.
Met de Friesche namen is dit vooral en in sterke mate het geval. Dies
is de kennis van de oude en oudste, van de oorspronkelijke, volledige
of althans slechts weinig verkorte, weinig versletene vormen onzer
namen, gelijk die in oude oorkonden uit oude tijden ons overgeleverd
zijn, ons dringend noodig, zoo wij een helder inzicht in den oorsprong
en in de beteekenis onzer namen ons willen eigen maken. Gelukkig vloeit
die bron onzer kennisse niet zuinig—gelukkig leveren vele oorkonden die
ons ten dienste staan, het zij dan in ’t oorspronkelijke, het zij in
afschrift of in afdruk, ons eenen waren schat op van de doopnamen, de
vadersnamen of patronymica en de maagschapsnamen onzer voorgeslachten,
en van hunne woonplaatsen, in steden en dorpen, in huizen, burchten en
stinsen, staten en saten, van akkers en weiden, enz. enz. Zulk eenen
rijk beladenen boom van kennisse vinden wij onder anderen in de
zoogenoemde „Registers van den Aanbreng”, die in vier deelen, ten jare
1880, door het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde
zijn uitgegeven, en die uitgebreide lijsten bevatten van de bebouwde en
onbebouwde eigendommen, huizen en landerijen, in sommige steden en
grietenijen van Friesland, met de namen der eigenaars of der pachters
en huurders daarbij. Die registers, opgesteld door de regeering tot
regeling der belasting, zijn van veel belang voor den taal- en
naamkundigen navorscher in het bijzonder; maar eveneens in het algemeen
voor iedereen die belang stelt in de kennis van het leven onzer
voorouders, van de omgeving en van de toestanden waar in zij
verkeerden. Zij vormen inderdaad eene leerrijke bladzijde in het boek
van de beschavingsgeschiedenis der Friezen in het begin der zestiende
eeuw, in een belangrijk tijdsgewricht dus, toen daar nog geen sprake
was of gedachte van de groote omwentelingen op kerkelijk en staatkundig
gebied, welke die 16de eeuw in haar verder beloop gekenmerkt hebben—een
tijdsgewricht dat nog ten volsten gerekend moet worden als tot de
middeleeuwen te behooren.
De persoonsnamen, voorkomende in een dezer „Registers van den
Aanbreng”, te weten: in dat der stad Leeuwarden, willen wij als het
onderwerp onzer beschouwing nemen.
De personen, die in dat Register genoemd worden als eigenaars van
landerijen, gelegen onder den zoogenoemden „Klokslag” of het
rechtsgebied der stad Leeuwarden, of ook als pachters en anderszins
gebruikers daarvan, of als eigenaars en als huurders en anderszins
bewoners van huizen binnen de wallen der Friesche hoofdstad, behooren
tot allerlei rang en stand. Wij vinden daaronder zoo wel de
aanzienlijkste en de rijkste edellieden als de armste bedelaars
vermeld, zoo wel de aanzienlijke regeeringsambtenaren als de kleine
handwerkslieden, zoo wel de groote kooplui en neringdoenden als de
geringste daglooners, zoo wel de eerwaarde geestelijken, hoog en laag,
en de deftige geleerden, als de beoefenaars der schoone kunsten—kortom
de gansche bevolking der stad, rijk en arm, groot en klein. Bij de
beschouwing van de namen al dezer personen valt in de eerste plaats op
te merken, dat slechts de edelingen ware geslachts- of maagschapsnamen
dragen, de aloude patronymica, in bijzonder Friesche vormen, die van
zeer oude dagteekening zijn, en vermoedelijk nog wel uit den
Heidenschen tijd des volks stammen; bij voorbeeld: de namen van Frans
Mennama (Minnama), Tiard Burmannie (in onze hedendaagsche spelling
Tjaard Burmania), Peter Kamminga (Cammingha) en anderen. Maar de
onedelen, al waren het ook zeer aanzienlijke lieden, hadden in 1511 te
Leeuwarden nog geene vaste geslachtsnamen, zoo min als ergens in de
Friesche gewesten. Of, zoo zij, als bij uitzondering, wel zulke
maagschapsnamen hadden (en dit was in der daad met vele eigenerfden ten
platten lande het geval, en ook met sommige oud-ingezetene geslachten
in de Friesche steden), dan voerden zij die namen in het dagelijksche
leven toch niet. Zij worden dan ook niet onder hunne maagschapsnamen,
die even als de geslachtsnamen der edelen bijna uitsluitend
Oud-Friesche patronymica zijn, in ons register vermeld. Waar, als bij
groote uitzondering, een onedele met eenen waren of schijnbaren
geslachtsnaam genoemd wordt, blijkt het, juist uit den vorm van dien
naam, dat die man geen Fries—dat hij een vreemdeling was; bij
voorbeeld: Thomas Schleyswick, Jan Hollander, Geert van Dorsten.
Feitelijk bestond in 1511 te Leeuwarden de zelfde toestand, die tot in
onze dagen vooral ten platten lande in Friesland heeft voortbestaan;
namelijk, dat men iemand noemde bij den doop- of vóórnaam, en dan, ter
onderscheiding van andere, gelijknamige personen, den vadersnaam in den
tweeden naamval, dus als een waar patronymicum, daar achter
voegde—terwijl men den eigenlijken geslachtsnaam geheel verwaarloosde.
Ja, dit gebruik in de benaming heeft nog tot in onze dagen onder de
Friezen stand gehouden. Menig man wordt nog heden door de lieden in
zijne omgeving nooit anders genoemd als bij zijnen doop- of vóórnaam
(dat is eigenlijk ook de naam bij uitnemendheid) en zijn vadersnaam
daar achter; bij voorbeeld: Tsjalling Hiddes, Folkert Oenes, Hoatse
Sjuks, enz. De geslachtsnaam Algra, Romkema, Brongersma, of hoe ook,
blijft dan volkomen buiten spel, en schijnt slechts in aanmerking te
komen, als de volle naam, in geijkten zin, geschreven worden moet. Zoo
gebeurt het nog wel heden, dat men, op de vraag naar den naam van dezen
of genen man—ho hjit er?—ten antwoord bekomt: Sjirk Obbes, of Fokke
Franks, of Hayo Rommerts, zonder meer. Wil men daarenboven den
geslachtsnaam van dien man weten, dan moet men vragen: ho skriuwt er
him? Eerst daarop wordt dan Andla, Homminga, Weerstra of eenige andere
maagschapsnaam ten antwoord gegeven.
Deze eenvoudige wijze van benaming, naar Oud-Friesche zede, was in 1511
te Leeuwarden nog ten vollen in zwang. Een zeer groot deel van de namen
in ons register komt op die wijze voor. Zie hier eenigen daarvan: Wigle
Sywrdz (dat is in onze hedendaagsche spelling: Sjoerdszoon of Sjoerds),
Tiard Bauckez (Tjaard Baukes), Dowe Ryoerdsz (Douwe Ruurds), Syds
Wybez, Rinthie Sibrenz (Rintsje), Botte Obbez, enz. [37] Dit zijn allen
oorbeeldig Friesche namen en naamsvormen. Ook andere namen, algemeen
Germaansche, en Bijbelsche, of zulken die van Kerkelijken oorsprong
zijn, waren oudtijds, zoo wel als nog heden, nevens de eigene Friesche
namen, bij de Friezen, in dit geval bijzonderlijk bij ingezetenen van
Leeuwarden, in zwang. Wij vinden ze in de benamingen van Willem
Albertz, van Herman Dirckz, Willem Heyndrickxz, alle zes algemeen
Germaansche namen. Bijbelsche namen of Kerkelijke (te weten: namen van
Heiligen die niet in den Bijbel voorkomen), dragen Claes Thysz (Claes,
Klaas, Nicolaas is een Kerkelijke, en Thys, Matthijs, Mattheus een
Bijbelsche naam), Matthys Gerrytz, Peter Janz (Petrus en Johannes, twee
Bijbelsche namen), Wolter Janz, Adam Albertz, Claes Heynez, Ysbrant
Claesz, Joest Willemsz, [38] enz.
Mansnamen op eene toonlooze e eindigende (Jelle, Hobbe, Rinse), in den
tweeden naamval staande en als patronymica voorkomende, werden oudtijds
in de Friesche gewesten dikwijls met is, in plaats van met es
geschreven; dus Jellis, Hobbis, in stede van Jelles, Hobbes, zoo als de
hedendaagsche spelling voorschrijft. Dit gebruik, dat nog wel in de
vorige eeuw in Friesland voorkwam [39], is daar tusschen Flie en
Lauwers thans volkomen uitgestorven, maar heeft zijne sporen nagelaten
in sommige West-Friesche of Noord-Hollandsche geslachtsnamen (vooral
aan de Zaan). Die namen, oorspronkelijk zulke vadersnamen zijnde,
worden thans nog met is geschreven; bij voorbeeld Avis, Duyvis
(overeenkomende met Douwes), Galis, Heinis, Tanis, Warris, enz.
Voorbeelden van die spelwijze en naamsvorming leveren in ons register
de benamingen van Albert Wilkis, Tiepke Jellis (Tjepke, Tjebbeke), Wybe
Saeckisz (Sakes), Hilke Gabbis; ook Jan Sioerdisz (Sjoerds) en anderen.
Ware geslachtsnamen, en wel in het bijzonder oorbeeldig Friesche
maagschapsnamen op a eindigende, komen er in ons register slechts
weinig voor. Dit moge aanvankelijk eenige bevreemding wekken—de oorzaak
daar van is echter wel uit te vinden. Immers zulke geslachtsnamen
bestonden er toen wel evenzeer als vroeger en als heden, al is het ook
dat er in de achttiende eeuw en in het begin van deze eeuw vele zulke
namen in Oud-Frieschen vorm door de Friezen willekeurig gemaakt en
aangenomen zijn (Zie bl. 237). Zoo waren daar, ten tijde dat ons
register opgesteld werd, te Leeuwarden even als elders in de Friesche
gouwen, ongetwijfeld vele Oud-Friesche maagschappen, ook al waren ze
niet van edelen bloede noch van eigenerfden staat, zelfs niet van
aanzienlijken huize, maar tot eenvoudigen en geringen levenskring
behoorende, die eenen eigenen Oud-Frieschen naam voerden. Maar die
namen werden veelvuldig verwaarloosd, in het dagelijksche leven werden
ze zeldzaam, slechts als bij uitzondering gebruikt. Dien ten gevolge
werden zij ook in geschrifte en in geijkten zin dikwijls veronachtzaamd
en buiten spel gelaten, vooral als men met eene oppervlakkige
aanwijzing der personen, bij hunne dagelijksche benamingen, volstaan
kon, gelijk dit bij de „Registers van den Aanbreng” het geval was. Wij
mogen dus veilig aannemen, dat vele personen, die in deze registers
slechts met hunnen vóórnaam en met hunnen vadersnaam als patronymicum
worden aangeduid, toch wel degelijk ook eenen eigenen, Oud-Frieschen,
op a eindigenden geslachtsnaam hadden. Maar slechts zeer weinigen
worden werkelijk ook met zulk eenen maagschapsnaam aangeduid; het zijn
Wybren Bowtsma (Boutsma), Jelck Lywama, Hessel Intema. [40] Voor de
hand houd ik deze lieden niet voor edelingen. Maar het kan zeer wel
zijn, dat ik mij hier in vergis (weinig ervaren als ik ben in de kennis
der Oud-Friesche adellijke maagschappen), en dat de personen, die deze
namen voerden, wel degelijk tot den adeldom behoorden. En zoo dit in
der daad het geval is, dan vervalt daar mede de bijzonderheid dezer
namen. Immers de leden der adellijke geslachten worden in ons register
wel degelijk met hunnen Oud-Frieschen geslachtsnaam genoemd; althans in
den regel. Zoo vinden wij vermeld: Frans Mennama (Minnama, Minnema),
Tiard Burmannie, Peter Kamminga de voorstander der Oud-Friesche taal,
Hessel en Doeke Martena, Jow Jowsma, Jow (ook Iw geschreven) Dekama,
Wytz Jongema, Tryn Hermane, enz.
Nog eene andere reden is er, waarom Oud-Friesche, op a uitgaande
maagschapsnamen zoo zeldzaam zijn in het Leeuwarder register. In het
begin der 16de eeuw toch, toen het register geschreven werd, verliep de
Oud-Friesche taal, verloor zij hare oude, volle uitgangen op a en o,
die door eene toonlooze e werden vervangen. De uitspraak en de spelling
van woorden en namen als pundameta, als to ermora ende elindighera
liodena bihoff, als om Buwa ende Beyka beda willa, als Syard upper
Wasa, als Mamma Mammingha, Kampo Abbama, Beneko Syuxzama, enz. [41] die
in de 15de eeuw nog volle kracht en geldigheid had gehad, verliep in de
16de eeuw. En bij den aanvang der 17de eeuw sprak en schreef men nog
slechts van pûnmiëtte, van to bihoef fen earme end elindige liuwe, van
omme wille fenne bede fen Bouwe end Beike, van Sjaerd oppe Wease, van
Mamme Mamminga, Kampe Abbema, Beneke Sjuksma. Dit verloop der taal, dit
verloren gaan der volle a- en o-klanken op het einde van woorden en
namen, had in het begin ook invloed op de geslachtsnamen, die eveneens
hunne eind-a in spreken en schrijven moesten missen. Maar terwijl de
vóórnamen en de algemeene woorden dien a-klank voor goed verloren
hebben, is die oorspronkelijke en schoone uitgang, wat de
geslachtsnamen aangaat, later, in de 17de eeuw vooral, weêr hersteld
geworden, zoo dat zij allen dien vorm, als een kenmerk van hunnen
Oud-Frieschen oorsprong, nog heden, in geijkten zin vertoonen. Onze
lijst geeft ons, in de spelling van sommige Oud-Friesche
geslachtsnamen, voorbeelden van deze aanvankelijke wijziging der taal.
Reeds hebben wij hier boven eenen Tiard Burmannie en eene Tryn Hermane,
leden van de maagschappen Burmania en Hermana ontmoet. Pieter Kamminga
(Cammingha) komt in ons register ook als Peter Kamingh voor. Vooral als
de namen in verbogenen vorm staan, als zij dus, naar den eisch der oude
taal, ook eenen verbogenen uitgang vertoonen, is daarbij de a verloren
gegaan. Zoo vinden wij in het register den naam van Pieter Cammingha
verbogen als: „van Peter Kaminghen” en „den Steed (van) Peter
Kammingen”. Verder „van Her Fedden” = van Heer Feddo, „van Feycke
Doetinge”, „van Renick Emingen” (Eminga), „den Steden Abingen” en
„Aebingen” (van Abinga of Eabinga), enz.
Het is geheel volgens Oud-Friesche zede dat de benamingen in het
register over het algemeen zoo kort en eenvoudig mogelijk zijn,
eensdeels zonder geslachtsnamen, anderdeels zonder bij- of toenamen ter
onderscheiding, of ook zonder bijzondere titels van edeldom of rang.
Slechts zeldzaam komen zulke toenamen en zulke titels voor. Alles
geheel anders als in andere Nederlandsche gewesten, bij voorbeeld in
het hoofsche Brabant, waar men zich met zeer lange en omslachtige
benamingen uitsloofde. [42] Ja, men ging in Friesland nog wel verder in
dien eenvoud, en liet ook den vadersnaam achterwege, zoo dat enkel de
eigentlijke naam, de doop- of vóórnaam overbleef. Dit was vooral het
geval bij zeer geringe of bij geheel arme lieden, die ook nog heden
onder de Friezen veelal enkel en alleen bij hunnen vóórnaam genoemd
worden. Zoo vinden wij in de Leeuwarder naamlijst „Lambert een knecht.”
Verder een Alef, een Jarich, een Hommo, een Tiebbe (Tsjebbe), een Ocko,
een Fedde, een Rolof, zonder meer. Dit waren geringe lieden; zij
bewoonden slechts eene „camer”. Dit zelfde was het geval met sommige
arme vrouwen als Fem, Baeff, Eelck, Aeff, Foeck, Lubbrich, die „alheel
Paupers” (armen) worden genoemd, en, zekerlijk om Gods wil (of „propter
Deum” gelijk herhaaldelijk in het register voorkomt), „camers”
bewoonden, die aan Sint-Vyt, aan de hoofdkerk van Oldehove,
toebehoorden. Zoo ook Ariaen, Wybe, Jesel, Rynths, Gosso, Griet, Geert,
Focko, Feyck, Jeths, allen geringe en arme lieden, zoo mannen als
vrouwen, die „cameren” bewoonden. Nog heden noemt men in Friesland eene
kleine en geringe woning, die slechts één vertrek bevat, een keamer, en
spreekt men niet van huis- of woninghuur, maar van keamerhier.
Ter nadere onderscheiding van zulke éénnamige lieden, en zoo men
daartoe geen gebruik wilde maken van het gewone redmiddel in zulke
gevallen, het bijvoegen van den vadersnaam, had men eenen bij- of
toenaam noodig. Zulke namen vinden wij dan ook in het register vermeld,
als Groote Jeldert, Olde Wybrant, Witte Dirck, Blynde Gertza, enz. Deze
bijvoegsels tot den naam zijn gereedelijk te verklaren; ze zijn nog
heden wel in gebruik, b.v. Blyne Bauke, Greate Hantsje, Lytse Sipke,
Reade Tsjerk, enz. Bij de benamingen van Nye Gerryt en van Leeuwerder
Jelle is die verklaring niet zoo gereedelijk. Was die Gerryt (nog heden
wordt deze naam in het Friesch uitgesproken als Gerryt, met duidelijk
hoorbaren, zuiveren, openen i-klank in de tweede lettergreep)—was die
Gerryt ny, nieuw, te Leeuwarden komen wonen en had die omstandigheid
aanleiding gegeven tot zijnen bijnaam? Maar waarom Jelle, te midden van
duizenden Leeuwarders levende en wonende, in het bijzonder den toenaam
van „Leeuwerder Jelle” verdiende, blijft mij een raadsel.
De onderscheiding met oud en jong, waarvan Olde Wybrant ons een
voorbeeld geeft, ligt, bij twee gelijknamige personen, bijzonder voor
de hand. Wij vinden die onderscheiding dan ook herhaaldelijk in het
register toegepast; bij voorbeeld, bij Olde Peter Symonsz en Jonge
Peter Symonsz, bij Olde Her Dowe en Jonge Her Dowe, bij Olde Her
Albert, enz.
Eene andere onderscheiding voor sommige gelijknamige personen werd
ontleend aan het huis, waar in zij woonden, of naar den naam, naar het
teeken van dat huis. Die onderscheiding was ten jare 1511 te Leeuwarden
nog weinig in gebruik; hadden misschien de huizen aldaar toen nog
weinig eenen bijzonderen naam, een eigen huisteeken of uithangbord? Het
register vermeldt slechts eenen Ewt int Ancker, eenen Ewald, die in het
huis het Anker woonde. Was dit het zelfde huis aan de Voorstreek bij de
Korfmakerspijp te Leeuwarden, dat nog heden een anker als teeken, en
dus ook als naam draagt? Opmerkelijk, dat de hedendaagsche eigenaar en
bewoner van dat huis, de Heer Ottema, bijna vier eeuwen later, ook nog
wel in de wandeling als „Ottema in ’t Anker” wordt aangeduid.—Verder
noemt het register nog eenen Her Johannes int Gasthuus.
De bovenstaande benamingen van Olde Peter Symonsz, van Olde Her Dowe en
Olde Her Albert luiden zoo vertrouwelijk, zoo gemoedelijk en
ongekunsteld, niet waar? Zij worden in die eigenschappen nog
overtroffen door de benamingen, waaronder sommige rijke en
aanzienlijke, bij het volk om hare deugden en milde, moederlijk
weldadige eigenschappen beminde oude vrouwen, ware matronae, bekend
waren. Te weten: Tialcke moer, Heill moer en Tyethsmoer (Tsjalkje,
Heiltsje en Tsjetske naar onze spelling). En dat deze eerwaardige
vrouwen onder die eenvoudige, gemeenzame, maar van achting en eerbied
getuigende benamingen in het register vermeld staan, strekt nog heden
tot hare eere.
Nevens deze matronen worden nog een paar aanzienlijke of welgestelde
vrouwen in het register vermeld, die echter, ongehuwd en kinderloos,
met het vertrouwelijke moer niet konden worden aangeduid. Dies worden
zij genoemd en beschreven met het woord dat haren ongehuwden staat in
eere aanduidt, als Greet Joncfrow en Aecht Jonckfrouw. Eene andere,
waarschijnlijk minder aanzienlijke, ongehuwde vrouw wordt als Lysch
Menne dochter (Lisk of Lyskje, de dochter van Menno of Minne) vermeld.
Overigens worden de betrekkelijk weinige vrouwen die in het register
voorkomen, in den regel enkel met haren vóórnaam genoemd, gelijk boven
reeds vermeld is; of anders met vóórnaam en vadersnaam. Zulke
benamingen dragen Tryn Gaeles, Aeff Willems, Auck Piers, [43] enz.
Bij de benamingen der weduwen wordt haar staat steeds bijzonderlijk
vermeld, gemeenlijk als toevoegsel bij haren enkelen vóórnaam; bij
voorbeeld Amck wedue, Lysbeth wedue, Aefwedue, Lyoethswede. Deze
laatste vrouw was eigenaresse van vele huizen; zij komt dus
herhaaldelijk in het register voor, ook als Lyoets wedue en als Lyoeds
wedue. Andere weduwen voeren ook nog den naam van haren overledenen
echtgenoot: Styn Reinerts wedue; dat is: Stijn (Christina), de weduwe
van Reinert of Reinhart; Ymck Joenke wedue, Mincka Ghyse wedue, Bauck
Jans wedue en Rynths Sypt Unama wedue, anders gezeid: Rynths (Rinske)
de weduwe van Sypt Unama (Sibalt Oenama). Eene enkele wordt in het
geheel niet bij haren eigenen naam, enkel bij dien van haren man
vermeld; het is Powels Fleyskers wedue, de weduwe van Paulus de
vleeschhouwer.
De geestelijken der Christelijke Kerk werden door de Friezen, vóór de
hervorming, steeds getrouwelijk met den titel van Heer (Her) vereerd.
Geestelijken worden niet zeldzaam in ons register genoemd, steeds met
dien titel, welke meestal, naar Oud-Friesche zede, bij hunnen enkelen
vóórnaam gevoegd is: Her Dowe (Heer Douwe), Her Hotthio, elders Her
Hottye genoemd (Heer Hoatse), Her Feddo, Her Syffriet (waarschijnlijk
een Duitscher, Siegfried—of anders is dit Syffriet de gebruikelijke
verlatijnsching [Suffridus] van den mansnaam Sjoerd; zie bl. 217), Her
Sipke, Heer Albert, enz. Soms komen deze namen ook met toevoegsels
voor: Her Johannes Jorretz, dus met zijn patronymicum; Her Douwe
sacrista, Her Peter commissarius, Her Pier to Leckum en Her Dythio by
Galilee (het klooster Galilea bij Leeuwarden, waar nu nog de buurt
Olde-Galileën haren naam af draagt), enz. De kloosterlingen worden met
de toenamen Broer en Suster onderscheiden (in het register is
herhaaldelijk sprake van eene, zekerlijk rijke nonne in het klooster
Fiswert, Suster Ansck); terwijl een rijke kloosterpater een en ander
maal, zonder eigennaam en zonder nadere aanduiding, als de Pater wordt
vermeld.
De titel Meester (Mester) kwam den mannen toe, die wetenschappen en
kunsten beoefenden en uitoefenden, en hij werd, op de zelfde wijze als
dit met den titel Her het geval was, bij den enkelen doopnaam gevoegd:
Mester Bucho, Mester Hemmo, Mester Andries; ook wel in Latijnschen
vorm: Magister Sybrand. Het waren vooral ook de wondartsen of
chirurgijns, en zij die dergelijke ambten uitoefenden, en waar bij
oudtijds ook het baardscheren gevoegd was, welke in het bijzonder met
den titel van Meester werden vereerd. [44] Zoo meldt het register de
benamingen van Mester Joest Wondtartz, die elders als Mester Joest
Barbier voorkomt; Mester Tzem Barbier, Mester Jancke Barbier, Mester
Feycke den olden Barbier, en ook Mester Pieter pudibunda Snyder. Welke
pudibunda Meester Pieter sneed, van menschen of van dieren, blijft
onzeker; waarschijnlijk wel die van dieren. Eindelijk nog Mester
Augustyn Apoteker, de eenige artsenybereider die in het register
genoemd wordt. Ook komt daarin slechts één maal de titel Doctor voor,
eigen aan Doctor Dionisius Dodo, elders enkel Doctor Dodo genoemd,
waarschijnlijk een arts.
Deze titels en namen voeren ons geleidelijk tot die soort van
benamingen die aan een handwerk ontleend zijn, en die zeer menigvuldig
in het register voorkomen. Het schijnt omstreeks den jare 1500 te
Leeuwarden gebruikelijk geweest te zijn om den handswerkman, ’t zij hij
aanzienlijk ware of gering, een kunstrijke beeldsnijder bij voorbeeld,
of een nederige ketellapper, te noemen met zijnen enkelen vóórnaam en
daar den naam van zijn handwerk als toenaam achter. Ook anderen, die
geen eigentlijk handwerk uitoefenden, maar die met de handwerkslieden
in hunnen burgerlijken stand werden gelijk gesteld, de kleine koopman
of kramer, de sjouwerman en de houtzager, zoo wel als de koster en de
stadsbode—zij allen voerden hunne benamingen op die wijze: Adam
Scomaker en Upke Smidt, Obbe Scriuwer en Pybe Rogdrager. Als de zoon
het zelfde handwerk uitoefende als zijn vader, ’t welk dikwijls
voorkwam (vroeger by ’t bestaan der gilden nog meer dan tegenwoordig),
dan ging de toenaam van den vader natuurlijk ook op zijnen zoon over,
waardoor deze toenamen wel den aard van ware geslachtsnamen verkregen,
en als zoodanig ook nog heden veelvuldig voorkomen. Zie bl. 179: Maes
den Hantscomeker soen Maes Hantscomekers.
Gelijk van zelve spreekt, zijn de meest gewone handwerksbedrijven,
timmerman, smid, metselaar, bakker, schoen- en kleêrmaker, ook het
meest vertegenwoordigd onder de benamingen der Leeuwarder burgerij.
Zeer talrijk zijn benamingen als Take Tymmerman, Peter Janz Smidt,
Syoucke Metzeler, Tzomme Backer, Wigle Scomaker, Rouke Scroer, [45]
enz. De skroaren (kleêrmakers) echter niet zoo talrijk als men zoude
verwachten. Maar toen ten tijde behoorde het maken der kleedingstukken,
ook van die der mannen, veelal tot den plicht der huisvrouwen. De
wevers daarentegen waren zeer talrijk in die dagen, toen de groote
stoomweverijen van den tegenwoordigen tijd nog verre te zoeken waren:
Hero Wever, Willem Wever, Sybren Wever, en soortgelijke benamingen, bij
tientallen. Opmerkelijk, maar gereedelijk te verklaren uit de
omstandigheid dat de Friezen in de middeleeuwen veel pelswerk droegen,
gelijk de oude afbeeldingen van lieden uit die tijden nog
aantoonen—opmerkelijk is ook het groot aantal pelswerkers of
bontwerkers, in de middeleeuwen pelsers, pelssers en pelsters, ook wel,
bij letterkeer, peltsers genoemd. Deze handwerkslieden waren zoo
talrijk dat geheele straten, waar zij hoofdzakelijk hunne woningen
hadden, naar hen werden genoemd: zooals de Pelser- of Pelsterstraten te
Groningen en te Emden. Dat zij ook te Leeuwarden geenszins ontbraken,
bewijzen de voorkomende namen, als Jelke Pelser, Renick Pelszer, Luthie
Pelsser, enz. Talrijk waren, blijkens hunne namen, te Leeuwarden
omstreeks den jare 1500 ook de goudsmeden, even als dit steeds, en ook
nog omstreeks de helft dezer eeuw het geval was, als een gevolg van de
vele gouden en zilveren sieraden, die zoo menigvuldig door de
Friezinnen werden en nog worden gedragen, en waarom zij reeds in de
middeleeuwen vermaard waren: Jarich Goltsmit, Menno Goldsmidt, Wilcke
Goltsmid, en anderen.
Zeer vele andere handwerken en bedrijven vinden wij nog in de
benamingen van Leeuwarder burgers vertegenwoordigd: Syword Scutemaker
(de schuitmakers komen talrijk voor), Zierck Wagenmaker (het handwerk
der wagenmakers wordt, even als dat der kleêrmakers of skroaren
(scroer), ook wel in het Friesch vermeld: Jelle Weynmaker), Meynt
Wielmaker, Gosse Kuper, Dirck Glaesmaecker, Abbe Ferwer, Dowe Decker,
Frans Leydecker (de makers van leien daken op de huizen), Jacob
Lyndeslagher (touw- of lijnslager), Wybe Kistemaker (de kistemakers,
later noemde men ze schrijnwerkers, nu meubelmakers, waren zeer talrijk
te Leeuwarden), Jucke Holtsnyder, Gerbren Beeldesnyder, Herman
Mesmaker, Hercke Koeperslager, Nanninck Yserman (deze laatste behoort
zeker ook tot de smeden—of was hij misschien een ijzerkramer?); Harinck
Slotemaker, Symon Zweertslager, elders in het register Symon Swertfeger
genoemd: Herke Ketelboter, misschien de zelfde man, die elders Hercke
Koeperslager genoemd wordt; Allert Kannemaker, Gerrolt Steenbicker
(steenbikkers komen talrijk voor; waren het de lieden die baksteenen
bebikten, bekapten, beslepen? zooals in de middeleeuwen wel
gebruikelijk was); Jan Saelmaker (zadelmaker), Bruyn Sydensticker (die
zijden kleedingstoffen, of stoffen voor kerkelijk en ander siergebruik
bestikte); Arent Hoedmaker, Dirck Cransmaker, Marten Brower, Tierck
Tapper, Peter Casteleyn, Oeswalt Kokenmester, elders in het register
Oeswalt Koeckenmester genoemd (was dit een kok?); Menthe Kremer, Peter
Moelker (môlker, moolker is nog de hedendaagsch Friesche benaming voor
den man die mool meel, verkoopt); Aesge ende Wybe Molner (molenaar),
Powels Olyslager, Govert Bokebinder, Obbe Schriver (de schrivers, ook
in het Friesch als scriuer genoemd, komen niet zeldzaam voor; waren dit
openbare schrijvers, lieden die, om loon, voor hen die niet schrijven
konden, brieven en dergelijke stukken schreven, of schrijvers bij een
regiment soldaten of burgerwacht, zoo als dezen ook later werden
genoemd?); Dirck Stadbode en Bucho Koster. Verder Willem Fleyshouwer en
Jacob Lammeslager, Bonthie Fisker, Peter Tyeusker, elders in het
register als Peter Tiesker voorkomende, (was dit een tysker of tüesker?
iemand die allerlei dingen inruilt en tegen andere verruilt, een soort
uitdrager dus, of een hynstetysker, te Leeuwarden peerdetüesker, een
paardekoopman of paarderuiler?); Tierck Scherrier (Friesch skerjer—een
lakenscheerder, zoogenoemde wandskeer, of eenvoudig een
baardscheerder?); Ede Wagenaer (een wagenmaker, of een wagenverhuurder?
gelijk misschien Gerryt Weynman ook); Willem Porter, ook Willem
Poerther genoemd (deurwachter of portier?); Saeka Drager (een
sjouwerman of vrachtdrager); Pybe Rogdrager (de roggedragers worden
steeds afzonderlijk en uitdrukkelijk met dien naam van de andere
dragers of sjouwers onderscheiden; zij vormen te Leeuwarden nog heden
een afzonderlijk gilde; rogge is het Friesche broodkoorn bij
uitnemendheid); Jucke Kalcmaker, Herman Straetmaker; Gercke Holtsager,
Claes Spoelman (speulman, speelman, muzikant of toonkunstenaar), Foppe
Hornblaser, [46] enz.
Herhaaldelijk komen in het register mannen voor, die den toenaam
Scuteferger of Scutefergier voeren: Claes Scuteferger, Hille
Scuteferger, Upke Scutefergier, Jetthie (Jetse) Scutefergier. Dit is
een Friesch woord en het luidt naar onze hedendaagsche uitspraak en
schrijfwijze als skûtefarjer, schuitenvaarder. Dat waren lieden die
koopwaren en andere vrachten, om loon, in hunne schuiten vervoerden,
gelijk nog heden de zoogenoemde schuitenvoerders te Amsterdam; dus het
zelfde te water, wat de „Wagenaers” te lande waren? Deze „skûtefarjers”
waren wel te onderscheiden van de aanzienlijkere „scippers”, de
eigenaars van groote schepen, tjalken en „cagen” of koggen, waar mede
zij, in dienst van den handel, reizen ondernamen naar andere plaatsen
en landen over Zuider- en Noordzee, en elders. Het schijnt dat deze
schippers zeer bekende mannen waren bij de Leeuwarder ingezetenen;
immers zij worden in het register enkel bij hunnen vóórnaam vermeld met
het woord Scipper daarvoor, als of het een titel ware, gelijk Her en
Mester, op bladzijde 205 hiervoren aangetoond. In het register worden
Scipper Hommo, Scipper Eeme, Scipper Sybren, Scipper Oenthie (Oentsje)
en anderen meer genoemd. Opmerkelijk is het dat ook nog heden, nu het
noemen der lieden naar hun beroep of bedrijf nagenoeg geheel buiten
gebruik gekomen is, bij de schippers toch nog wel, juist als voor vier
eeuwen, de naam van hun bedrijf aan hunnen eigenen naam, ’t zij vóór-
of geslachtsnaam, wordt gekoppeld: „Skipper Damsma” bij voorbeeld,
Skipper de Jong, Skipper Skelte, enz.
Vrouwen, genoemd naar een beroep dat zij uitoefenen, komen uit den aard
der zake zeldzaam voor. Te Leeuwarden, ten jare 1511, waren zij zeer
zeldzaam. Trouwens, de tijd der zelfstandige, ongehuwde, allerlei ambt
en bedrijf uitoefenende, naar gelijkheid met den man strevende vrouwen
was in den goeden tijd van 1500 gelukkig nog lang niet aangebroken! In
ons register vinden wij geene andere vermeld als Sack Dekennaister
(Sack = Saakje; nog omstreeks de helft dezer negentiende eeuw was er te
Leeuwarden eene „dekennaaister”, eene oude vrouw die er in het
bijzonder haar werk van maakte om dekens te naaien, over te kleeden,
door te stikken); verder eene Aleyt Weefster, eene Hilck Naaister, eene
Joest Naister en eene Sape Bakster. Bij deze twee laatste benamingen
valt het zonderlinge gebruik op te merken, dat in de middeleeuwen niet
enkel in Friesland, maar ook evenzeer in Holland en in de andere
Nederlandsche gewesten voorkwam, en dat zelfs heden ten dage nog niet
geheel in Friesland uitgestorven is, namelijk dat eene vrouw eenen
mansnaam of anders den mannelijken vorm van eenen naam draagt, bij
voorbeeld Jacob, en niet Jacoba. De Hollandsche gravinne Jacoba van
Beieren komt in oude oorkonden als Vrou Jacob voor; en zulke
voorbeelden zijn bij honderden aan te wijzen (zie bl. 184). Zoo ook
worden deze Oud-Leeuwarder naaister en bakster Joest (Joost) en Sape
genoemd, in stede van Joestken of Joestyne (Joostje, Justine) en
Saepkje. Verder doet het register ons nog eene Lysbeth Olyslager en
eene Griet Backer kennen. Omdat deze bedrijfsnamen in den mannelijken
en niet in den vrouwelijken vorm staan, dien ze anders toch moesten
vertoonen in overeenstemming met de vrouwelijke vóórnamen, zoo vermoed
ik dat Lysbeth en Griet het olieslagers- en het bakkersbedrijf slechts
waarnamen als weduwen (bij Lysbeth worden hare kinden, kinderen,
vermeld) van eenen olieslager en van eenen bakker, en niet uit en op
zich zelve. Ten slotte vinden wij in het register nog eene Gheert
Froedmoer (Geartsje—Geertje) vermeld, de eenige vroedvrouw die destijds
te Leeuwarden was, naar het schijnt; even als het register ons ook maar
één apotheker en één doctor noemt. Ook onder de ingezetenen van Dokkum
vinden wij ten jare 1511 slechts ééne vroedvrouw, Ken Froedmoer.
Even als men de beroepsnamen wel als toenamen, ter onderscheiding en
ter nadere aanduiding, achter de persoonsnamen voegde, zoo plaatste men
ook wel, voor dat zelfde doel, eenen plaatsnaam achter den
persoonsnaam. Dat was dan de naam van stad of dorp, waarvan de
betrokken persoon herkomstig was. Die plaatsnaam werd dan onmiddellijk
achter den persoonsnaam gevoegd, of door bemiddeling van het woordeken
van daaraan gehecht. Zulke benamingen, waaruit zeer vele hedendaagsche
geslachtsnamen ontstaan zijn, waren vooral in Holland en in andere
Nederlandsche gewesten zeer gebruikelijk; veel meer dan in Friesland.
Ons register vermeldt dan ook slechts weinigen van zulke benamingen.
Het zijn die van Johannes Goch, van Henrick Bylefelt en van Thomas
Schleyswick (Sleeswijk, nog heden in Friesland als geslachtsnaam
voorkomende); verder Marten van Straesborch (Straatsburg) en Geert van
Dorsten. Dit zijn allen namen van buitenlandsche plaatsen.
Binnenlandsche en bepaaldelijk Friesche plaatsen hebben oorsprong
gegeven aan de benamingen van Jacob van Franicker, Sybe van Hallum,
Henrick van Sloten, Jacop van Wyringen, Sywert van Holwert, Jacob van
Scalsen (Schalsum), Jan van Horen, Peter van Harlingen en Betthie van
Staueren. Ook de namen van Jan Hollander en Hans Hess moeten tot deze
afdeeling gerekend worden; misschien ook die van Claes Flammingh
(Vlaming?), en, in zekeren zin, ook die van Leeuwerder Jelle (zie
bladzijde 283), met die van Jan van den Gouwkamer, een naam die ik niet
nader verklaren kan.
Allerlei andere woorden, soms als bijnamen en zelfs als spotnamen,
werden oudtijds ter nadere onderscheiding achter den eigenlijken
persoonsnaam gevoegd, en ook deze namen kregen veelvuldig de geldigheid
van ware maagschapsnamen. Als zoodanigen levert het register de
benamingen op van Dirck Steenwerper en van Grythie (Grietje) Onbeleefd,
van Jan Wytbroot en van Jan Hoysack. Verder Mester Ghysbert Spalman,
Matthijs Beck, Jan Rattaler, Arien Busschut (de naam van een schutter,
Schütze, die met een bus of buks, Büchse, schiet). Eindelijk nog
Bernert Lucht, Hans Cruysschar, Peter Trap en Rolof Gryp.
Wat nu de vóórnamen op zich zelven aangaat, enkel uit een taalkundig
oogpunt beschouwd, zoo leveren de benamingen der Oud-Leeuwarder
ingezetenen, gelijk zij in het Register van den Aanbreng voorkomen, ook
nog menige bijzonderheid en merkwaardigheid op.
Grootendeels zijn deze voornamen bijzonder Friesche namen, en de
zelfden die ook nog heden algemeen bij de Friezen in gebruik zijn.
Natuurlijk, wat hunne spelling aangaat, wijken zij eenigermate af van
de hedendaagsche rechtschrijving, en stemmen zij overeen met de
spelwijze, gelijk die omstreeks den jare 1500 in Friesland gebruikelijk
was: Duyff in plaats van Duif (Duifje), Tzalingh in plaats van
Tjalling, Reynsck voor Reinske, Gerryt en Heyndrick in stede van Gerrit
en Hendrik. De mansnamen die thans in den regel op eene toonlooze e
uitgaan, maar die in de middeleeuwen op eene o, en toenmaals bij de
Friezen bijzonderlijk veelvuldig op eene a eindigden, worden in het
Register bijna zonder uitzondering reeds met eene e geschreven: Epe,
Gabbe, Menne, Hette, Wilke. Omstreeks den jare 1500 was daar juist eene
kentering in de Friesche taal; zij verloor hare oude, volle vormen op a
(an) en o (on), niet enkel in de namen, maar eveneens in de gemeene
woorden, en nam daarvoor, op het voetspoor der Nederduitsche
(Hollandsche, Vlaamsche en Brabantsche, en Nedersassische of
Platduitsche) taalvormen van de andere Nederlandsche gewesten en van
Duitschland, eene toonlooze e in de plaats. Het schijnt, dat in de stad
Leeuwarden, door vreemden invloed, ten jare 1500 en wat later, die
kentering reeds grootendeels haar beslag gekregen had. Maar in het
Oud-Friesch, gelijk dat toen nog ten platten lande in wezen was, bleven
ook de oude, volle taalvormen langer in gebruik. Zoo vinden wij in onze
registers de namen der dorpelingen nog veelvuldig met eene a of met
eene o geschreven: (Aesga Syckaz, dat is: Easge, Sikke-zoon of Sikkes,
te Wirdum, en Egga Jellazoen te Swichum; Sasko op de Dick te Blya, en
Buwko op Westerfelden te Holwert), terwijl dit te Leeuwarden nog maar
weinig voorkwam. De naamlijst vermeldt aldaar slechts een Halba en een
Haya; verder Foppo, Ocko, Jelto, enz. nevens Halbe en Haye, Foppe,
Ocke, Jelte en anderen.
Oude spelwijzen, bij voorbeeld ow in plaats van ou, treffen wij aan bij
de namen van Dowe, Powels (Poulus, Paulus), Jowk wedue (Joukje); tz in
stede van het hedendaagsche tsj, verhollandscht tot tj, bij Tzalingh,
Tzomme, Tzem (Tsjam, Tjam, Tjamme, de weinig gebruikelijke mansnaam,
waarvan het meer gebruikelijke Tsjamke, Tjamke, oudtijds Tzamck, de
vrouwelijke vorm is). Verder ti (ty of thi en thy) in plaats van tsj,
tj bij de namen van Tiebbe (Tsjebbe, Tjebbe), Tiepke (Tsjepke, Tjepke,
eigentlijk Tjebke), Tierck (Tsjerk, Tjerk), Tyesse en Thyesse (Tsjesse,
Tjesse), Tiard, Tyard en Tyaert (Tsjaerd, Tjaard), Tyalle (Tsjalle,
Tjalle), Syoucke (Sjouke) en Her Sywck Peters (Sjuk); en ae (dat
verwarring oplevert met ae = aa) in stede van ea, bij die van Aesge,
Saeckle, Aebbe (Eabe) en Aepke (Eabke). In plaats van den uitgang ts
(tz, ook verhollandscht tot tj) vinden wij tie, tye, thie, thye
geschreven, in namen als Mynthye en Rynthye (Mintsje en Rintsje als
mansnamen), Wattie (Watse), Hanthie, Inthie, Geerthie, Wynthie voor
Hantsje, Intsje of Yntsje, enz. Ook Luytien en Luthie voor Luutsen,
Luitsen, Luutsje; Wythie voor Wytse; Doythye voor Doaitsen;
bijzonderlijk ook Jaythye Hilbrantz, want deze naam Jaitsje of
Jaeitsje, Jaitje of Jaaitje is geen vrouwennaam, maar een mansnaam,
zooals blijkt uit de aanteekening „Jaythye Hilbrantz van zijn wijff’s
wegen”; en Tyatye Martena (Tsjaedje? de kleine Tsjade? of Tsjaerd?).
Iw, Juw en Jowke met Jouke, een en de zelfde naam (Jou is de bijzonder
Friesche vorm van den algemeen Germaanschen naam Ivo) in verschillende
spelling. Sirck, Zierck en Syrick voor het hedendaagsch Sierk of Sjirk,
en Sywrd, Syord en Syword voor Sjoerd vertoonen ook geheel verouderde
schrijfwijzen, even als Renick (Rienk), Rioerd (Ruurd), Lywe (Lieuwe)
en anderen.
Ingekorte vrouwennamen, die in de middeleeuwen zoo veelvuldig, schier
algemeen in gebruik waren, en ook nu nog in geijkten zin te Hindeloopen
en elders in den Zuidhoek voorkomen, gelijk ze ook overal in Friesland
in de dagelijksche spreektaal nog in zwang zijn, vinden wij
vertegenwoordigd in namen als Beyths, Wytz, Bauck, Fokel, Sibbel, Doed,
Tryn, Ath, Auck, Hylck, Jel, enz. In Lysch staat de Hollandsche sch in
plaats van de Friesche sk: Lysk, Lisk, Lyskje. Daarentegen vertoont de
vrouwennaam Metta (hedendaags Metsje) juist den vollen, ouden vorm.
Aanmerkelijk is ook een tamelijk groot getal oude namen, die heden ten
dage ten deele reeds geheel verouderd en uit der lieden gebruik
verdwenen zijn, ten deele ook zeer zeldzaam zijn geworden, of in eenen
vorm, met eenen klank voorkomen, dien wij hedendaags anders hebben.
Zulke namen zijn die van Nemck wedue, tegenwoordig Namkje, en Mester
Tzem, thans Tsjam, Tsjammo; Petrick, tegenwoordig de zeldzame
vrouwennaam Pietrikje; Dode, hedendaags meestal Doede; Nannick en
Helmich, Wold en Ayle, Hed en Paesche (Paeske = Paschasius? een
Kerkelijke naam), Gale (de naam waarvan de oude maagschapsnaam Galama
is afgeleid; hedendaags meestal Geale), Lyork en Ryperd (de naam die
oorsprong gaf aan den geslachtsnaam Ripperda of Ryperda), Ropke (Robke,
verkleinvorm van Robbert, Rodbrecht?) en Lanke (in den maagschapsnaam
Lankema en in den plaatsnaam Lankum voorkomende) zijn ook verouderde
mansnamen en naamsvormen. Zij vinden hunne tegenhangers in vrouwennamen
als Oed, Lyoets ook als Lyoeths en als Lyoeds voorkomende (heden ten
dage Luts, Lutske), Hen, Roelck en Duyff. Deze laatste naam eischt
eenige toelichting. Duif, Duifje, in ouden vorm Duveke, was in de
middeleeuwen in Holland als vrouwenvóórnaam niet zeldzaam. Nevens deze
„Duyff wedue”, deze Leeuwarder vrouw van 1511, is ons ook nog een
Leeuwarder man bekend, die een menschenleeftijd later leefde, en die
eveneens Duif heette bij vóórnaam; te weten: Duyff Jelles, ten jare
1582. [47] Het Friesche woord voor het Hollandsche duif (vogel) is dou;
en zoo komt ook de Hollandsche mansnaam Duif (Duyff) overeen met den
Frieschen mansnaam Douwe, en de vrouwennaam Duifje (Duyff, Duveke) met
Douwtsen of Doutsje. Nog heden zijn Douwe en Douwtsen algemeen
gebruikelijke vóórnamen in Friesland; maar eenen Duif of eene Duifje is
mij daar nooit te voren gekomen, oud nochte nieuw—behalve dan
bovengenoemde twee te Leeuwarden, in de 16de eeuw. Ik vermoed dus dat
wij deze twee Duifnamen te beschouwen hebben als overzettingen in het
Hollandsch van de Friesche namen Douwe en Douwtsen. Dat de naam van den
Fries Douwe Sikkes, die in de 15de eeuw leefde, te dien tijde in het
toen nog voor een deel Friesche Haarlem als Dou Sixz (dou = duif,
vogelnaam) werd geschreven, [48] kan almede licht geven in deze zaak.
Vier bijzondere namen, die hier eene afzonderlijke vermelding en nadere
bespreking eischen, komen nog in de Leeuwarder naamlijst voor. Het zijn
twee mans- en twee vrouwennamen: Godfriond en Gernant, met Lwdw en
Folzow.
De eerstgenoemde, Godfriond (ook als Godsfrjond, Goedsfreond, enz.
voorkomende) [49] is een bij uitstek Friesche naam. Hij wordt ook in
andere Friesche oorkonden van de 15de en de 16de eeuw wel aangetroffen;
maar nooit menigvuldig. Heden ten dage zal er wel niemand meer zijn
onder de Friezen, die zóó heet. Mij althans is deze naam zoo min in de
vorige eeuw, als bij het thans levende geslacht te voren gekomen. In de
17de eeuw leefden er in Friesland nog dragers van dezen naam. Immers de
dichter Gysbert Japicx geeft hem aan eene zijner verdichte
persoonlijkheden in zijn gedicht Tydkirttige pittear lânze wey twissche
Egge, Wynering in Goadsfrjuen. Ik noem dezen naam bij uitstek Friesch,
omdat hij samengezet is met een woord in zuiver Frieschen vorm, met het
woord frjeon, ook friund, frjon, frjeun en frjuen geschreven, en dat
vriend beteekent. Dus Godsfriund of Godsfreond is te zeggen Gods
vriend. In Holland, noch elders bij eenig Germaansch volk, is mij nooit
eenen mansdóópnaam Godsvriend, Gottesfreund, Godsfriend voorgekomen. De
Friezen zijn eenig met dezen schoonen naam. Trouwens, de Oud- en
Algemeen-Germaansche mansvóórnaam Godswin beteekent geheel het zelfde
als Godsvriend, naardien win (Oud-Hoogduitsch wini, Gothisch vinjis) in
de Oud-Germaansche talen de beduidenis van vriend had. In de
Skandinavische talen beteekent ven, vän (men spreke v = w) nog heden
vriend. En deze naam Godswin, Godeswin was oudtijds ook den Friezen
eigen, en komt onder de samengetrokkene, versletene vormen Goeswin,
Goesewyn, Goessen, Goossen wel voor (zie bl. 162). Waarschijnlijk is in
de 15de eeuw de Friesche naamsvorm Godsfreond opgekomen en in gebruik
genomen, als eene vernieuwing, als eene overzetting in nieuwen
taalvorm, toen men win = vriend, toen men den naam Godswin niet meer
verstond.
De mansvóórnaam Gernand, in ons register voorkomende als de naam van
den vader eener vrouw die met de patronymicale benaming van Tryn
Gernants bekend staat, is een zeer bijzondere naam, die in zijn tweede
samenstellend deel nand verwant is aan de namen Winand en Ferdinand.
Deze naam schijnt bij de Germaansche volken steeds een zeer zeldzame
geweest te zijn. Dr. Ernst Förstemann in zijn Altdeutsches Namenbuch
vermeldt hem uit de 8ste, 9de en 10de eeuw; en Bernhard Brons, in zijn
werk Friesische Namen, vermeldt een Gernand in Oost-Friesland, in de
17de eeuw. En anders is deze schoone en volledige naam mij nooit
voorgekomen.
Wat nu de twee bijzondere vrouwenvóórnamen Lwdw en Folzow aangaat, moet
ik vooraf opmerken dat er onder de bijzonder Friesche namen eene kleine
groep voorkomt van vrouwennamen, die uitgaan op ou (ook geschreven ouw,
au, en oudtijds wel uw of enkel w); zie bl. 201. Deze namen, allen
tamelijk zeldzaam, sommigen zeer zeldzaam voorkomende, zijn:
Jildou (Jieldou, Jeldou, Joldou), de bekendste, al was het maar omdat
Gabe Scroar eene nicht had die zoo heette: „nift Jieldouw, fen
Aldegea.”
Meinou en Reinou, tegenwoordig dikwijls verkeerdelijk als Meino en
Reino geschreven, en, met Jildou, niet zóó zeldzaam als de volgenden:
Edou, Edouw.
Bernou, Bernw.
Fardou, ook Ferdou, heden ten dage, bij misverstand, ook wel Fardo en
Ferdo geschreven. Nog kort geleden leefde er eene vrouw, Fardo Pieters
Boersma geheeten, te Beetsterzwaag.
Kenou, door de Hollanders meestal Kenau geschreven, bekend door Kenau
Simonsdochter Hasselaer, de Haarlemsche heldinne, in den tijd (16de
eeuw) toen Haarlem nog voor een goed deel Friesch was.
Ferkou, Merkou of Merckw, Geldou en Gadou, waarvan de eerste en de
laatste door Leendertz in zijne naamlijst (Navorscher XVIII) vermeld
worden, maar die mij anders nooit zijn voorgekomen. Eindelijk nog
Ludou, een naam die in de vorige eeuw nog geenszins bijzonder zeldzaam
was, en toen ook nog wel in noordelijk Noord-Holland, onder anderen te
Hoorn en aan de Zaan voorkwam in den vorm Luyduw. Deze naam Ludou of
Luyduw is de zelfde dien wij onder de Leeuwarder vrouwennamen van 1511
als Lwdw vinden opgeteekend. De spelwijze Lwdw moet een hedendaagsch
Nederlandsch oog zekerlijk wel zeer vreemd voorkomen. Maar deze
bijzonderheid, ja schijnbare ongerijmdheid verdwijnt, als men bedenkt
dat de oude w eigentlijk eene dubbele u is, zoo als zij dan ook nog in
het Engelsch en in het Friesch heet, en dat de u, de v, de uu, de w
oudtijds zoo wel den klank van onze hedendaagsche Fransch-Nederlandsche
u, als dien van de Algemeen-Germaansche u = oe, en van ou (ow) had.
Vertegenwoordigt dus de 16de eeuwsche Leeuwarder Lwdw geen onbekende
naam, dit is wel het geval met den vrouwenvóórnaam Folzow, dien wij
almede, bij de benaming van „Folzow Piers”, in ons register vinden. Mij
althans en ook anderen namenkenners en namenvorschers, bij wien ik
onderzoek daar naar gedaan heb, is de naam Folzow (Folzou) nooit
ontmoet. Het is niettemin een oorbeeldig Friesche naam, die wis tot de
groep der ounamen behoort. Ik reken dezen naam zoo veel te meer als
bijzonder Friesch, omdat het eerste gedeelte van den naam den bijzonder
Frieschen vorm Folts vertoond, die in de 16de eeuw nog volle gelding
had, maar heden ten dage in het Friesch meest tot Folk verloopen is.
Immers de z van Folzou hebben wij zekerlijk voor eene Hoogduitsche z =
ts te houden, dus Foltsou; en Folts = Folk (ts = k, tserke = kerk)
vinden wij terug in vele andere mans- en vrouwenvóórnamen. Bij
voorbeeld in Folkert (Folkhart) waar van de geslachtsnamen Folkertsma,
Folkerda en Folkringa (Folkhardinga), met de plaatsnamen
Folkerda-burcht te Noordwolde bij Bedum in Hunsegoo, Folkertsweer,
verdronken dorp in den Dollart, Folkershusen, gehucht bij Seeriem in
Harlingerland (Oost-Friesland), Folkertswerf, gehucht op de hallig
Hooge in Noord-Friesland, enz. afstammen. Verder Folmer, voluit
Folkmar; Folbed, voluit Folkbald, waarvan de oude maagschapsnaam
Folkbalda, tot Folbada, thans tot Volbeda verloopen; Folger, dat is
Folkgar, nog overig in den geslachtsnaam Folgera, enz. enz. Al deze
Friesche namen hangen weêr samen met soortgelijke namen, aan
Hollanders, Vlamingen, Neder- en Hoog-Duitschers in Duitschland, aan
Engelschen en Skandinaviërs eigen; bij voorbeeld aan geslachtsnamen als
Folkerts, Volkers, Volkaerts, Volmerinck, Vollbeding, Folers,
Volkering, Volquardtsen, en met plaatsnamen als Volbringen
(Folkbrechtingen), een dorp bij Soest in Westfalen; Volmerink, eene
sate bij Ahaus in Westfalen; Vollmaringen, een dorp bij Horb in Zwaben;
Volkerinkhove, dorp in Fransch-Vlaanderen, Frankrijk, (Departement du
Nord); Volkerswurth, gehucht bij Meldorf in Dithmarschen;
Volkwardingen, dorp bij Soltau in Hanover, en vele anderen meer. Dit
alles strekt maar om den lezer de belangrijkheid en den omvang der
Friesche namenstudie in het algemeen als met eene enkele vingerwijzing
aan te toonen.