GENTSCHE GESLACHTSNAMEN.

Sommige geslachtsnamen—of liever en beter gezegd, sommige

maagschapsnamen van ingezetenen der Vlaamsche hoofdstede Gent, heb ik

mij uitgekozen als onderwerp van eene verhandeling, die, zoo ik hope,

den Lezer niet ongevallig zijn zal, maar eene korte, aangename

verpoozing hem zal brengen.

Op streng wetenschappelijken zin maakt dit opstel volstrekt geen

aanspraak. Eenvoudig en bevattelijk het een en ander, in taalkundigen

zin, over sommige Gentsche geslachtsnamen te schrijven—zie daar de taak

die ik mij heb voorgesteld te volbrengen.

De namen, in deze verhandeling vermeld en behandeld, heb ik genomen uit

den Almanach du Commerce et de l’Industrie, Brussel 1878. Zijn er nu

sommige namen in dit opstel in onjuiste spelling medegedeeld (’t welk

zeer wel het geval kan zijn, aangezien ik menige spelfout in genoemden

Almanach heb opgemerkt), zoo wijte men die misstellingen, die trouwens

van weinig of geen belang zijn, niet aan den schrijver van deze

verhandeling. Immers ben ik zelf slechts zeer weinig te Gent bekend;

slechts met een paar Gentenaren heb ik de eer en het genoegen

persoonlijk in kennis te staan. Maar, de duizenden Gentsche

geslachtsnamen, in den Almanach vermeld, zijn overvloediglijk voldoende

voor mijn doel. Mijne persoonlijke onbekendheid met Gentenaren in het

algemeen, is ook de oorzaak, dat ik de oude, oorspronkelijk Gentsche

namen, het eigendom van oude, oorspronkelijk Gentsche maagschappen,

niet weet te onderscheiden van namen, die, door de hedendaagsche

wisseling der bevolking in steden en dorpen, eerst in lateren, soms

eerst in den laatstverloopen tijd te Gent het burgerrecht hebben

verkregen. Ik heb de namen, die ik, om de eene of de andere reden, in

dit opstel vermelden of bespreken wilde, maar zoo, als voor de hand weg

opgenomen uit het bovengenoemde adresboek.

In het algemeen genomen vertoonen de Gentsche maagschapsnamen niet iets

bijzonders, iets eigenaardigs, waardoor ze van andere Nederlandsche

namen zouden onderscheiden, als bijzonder Gentsche namen zouden kenbaar

zijn. Integendeel, de Gentsche namen bieden ons de zelfde algemeene

kenteekenen, ook de zelfde bijzonderheden aan, die eigen zijn aan alle

Nederlandsche, bepaaldelijk aan alle Zuid-Nederlandsche, aan alle

Vlaamsche namen, in de andere steden en dorpen van Vlaanderland. En

over het geheel genomen zijn de Gentsche namen oorbeeldig en zuiver

Vlaamsche namen. De bijzondere kenmerken der Vlaamsche geslachtsnamen

treden bij de Gentsche namen sterk op den voorgrond. Bij voorbeeld, de

oude, thans geheel verouderde spelwijzen, als Quaesaet, Bruynooghe, De

Curte, D’Hooghe, Haemelinck, Clauwaert, Heyndrickx, De Muynck, De

Meulenaere, D’Huyvetter, Teirlynck, Goetgeluck, De Lepeleire, Van

Cuyck, Lancksweert—spelwijzen, die ten deele nog een middeleeuwsch

voorkomen hebben, en anderdeels uit de zestiende en zeventiende eeuw

dagteekenen—spelwijzen, die in de noordelijke Nederlanden niet dan zeer

zeldzaam voorkomen. Die oude spelvormen der Vlaamsche namen bewijzen

den ouderdom, ja de adel-oudheid der maagschappen, waaraan ze

toebehooren, in tegenstelling met de jonkheid, met de nuchtere en

platte hedendaagsheid der Noord-Nederlandsche namen in het algemeen. In

Noord-Nederland, vooral ten platten lande in de noordelijkste gewesten,

hebben de geslachtsnamen der landseigene bevolking in den regel eerst

in het begin van deze eeuw hunnen hedendaagschen, geijkten vorm

verkregen. Dien ten gevolge vertoonen ze ook in den regel de spelling

dezer loopende eeuw; bijvoorbeeld De Jong, De Haas, Vink, Van Kuik,

Kuiper, Bakker, Koning, tegenover De Jonghe, D’Haese, Vyncke, Van

Cuyck, De Cuyper, De Backere, De Ceuninck in Zuid-Nederland,

bepaaldelijk te Gent.

Deze zaak laat zich gereedelijk verklaren. In de laatste middeleeuwen

stond Vlaanderen, stonden de Zuid-Nederlandsche gewesten in ’t

algemeen, in beschaving en ontwikkeling hoog boven de noordelijke

Nederlanden. Brugge en Gent, Leuven en Brussel, Antwerpen en Mechelen

waren bloeiende, rijke steden, met hoog ontwikkelde nijverheid, met

levendigen handel; steden waar wetenschap, kunst en handwerk op eenen

hoogen trap van bloei stonden, toen dat alles in de Noord-Nederlandsche

gewesten in veel mindere mate werd aangetroffen, toen Amsterdam en

’s-Gravenhage, toen Rotterdam en Arnhem nog maar plaatsen waren van

weinig beteekenis, toen Utrecht en Groningen, toen Dordrecht en

Haarlem, al waren ze toenmaals de voornaamste steden des lands, met

Gent en Brugge, met Leuven en Mechelen toch niet konden worden

vergeleken. De Vlaamsche en Brabantsche steden waren in die tijden de

middelpunten des verkeers, de middelpunten van het beschaafde en

ontwikkelde leven voor geheel het westelijke Europa. Een druk en veel

bewogen leven op allerlei gebied, in allerlei zin, heerschte toen daar

in die steden, zoo als nu in Londen en Berlijn, in Weenen en Parijs het

geval is. Toenmaals, in dat drukke wereldverkeer, deed de behoefte aan

vaste geslachtsnamen bij de Vlamingen zich reeds dringend gevoelen, en

werd ook aan die noodzaak gevolg gegeven, eerst bij de stedelingen,

weldra ook ten platten lande. Natuurlijk werden die namen geschreven in

de spelwijze, die toenmaals in voege was, en gelding had. En even

natuurlijk vertoonen de namen, die nog heden, uit die oude tijden, bij

de Vlamingen in stand gebleven zijn, die oude spelwijzen, die oude

vormen, als zoovele getuigenissen van lang vervlogene, van roemruchtige

dagen. In deze hunne oude spelling, in deze hunne verouderde vormen

hebben de Vlaamsche, hebben de Gentsche geslachtsnamen een bewijs van

hunne oudheid, als ’t ware een teeken van ouden adeldom, eene

gedachtenis aan die schoone jaren van eertijds.

En gelukkig! Wat men heden ten dage in de spelling onzer taal ook moge

veranderen, welke oude en schoone, alle recht van bestaan hebbende

vormen ook uit de schrijftaal mogen verloren gaan, in deze onze dagen

van verbastering, verarming en vervlakking der taal, de geslachtsnamen

der Vlamingen, der Gentenaren zijn in hunne, nu eenmaal vastgezette

vormen onveranderlijk, en blijven in deze hunne edele en volledige

vormen in leven, zoolang er Vlamingen zullen zijn, rechtzinnige,

ouderwetsche, vrome, degelijke Vlaamsche mannen, die ze zullen voeren.

God geve, dat dit nog vele eeuwen, met volle eere, het geval moge zijn!

Als een gevolg van den grooten bloei en van de bijzondere ontwikkeling,

die het burgerlijke handwerk reeds vroeg in de middeleeuwen te Gent

genoot, dragen daar ter stede nog heden vele ingezetenen

geslachtsnamen, die oorspronkelijk het bedrijf van de voorouders,

althans van eenen voorvader dier lieden aanduiden. Het lag immers voor

de hand, dat men in de tijden, toen Gent zich tot eene groote en

volkrijke stad ontwikkelde, den eenen Heyndrick (Hendrik), die een

wever was, onderscheidde van den anderen Hendrik, die het bedrijf van

brouwer uitoefende, door den eenen Heyndrick de Wevere (Hendrik de

Wever), den anderen Heyndrick de Brauwere (Hendrik de Brouwer) te

noemen. En eveneens lag het voor de hand, om die namen de Wevere en de

Brauwere, die oorspronkelijk slechts toevallige, slechts wisselende

bij- of toenamen waren geweest, als vaste geslachtsnamen aan te nemen,

toen de behoefte aan zulke namen onder de burgerij van Gent zich deed

gevoelen.

Dien ten gevolge vinden wij nog heden te Gent de volgende

maagschapsnamen: Temmerman, met De Saegher en Houtsager; De Smet en De

Smedt, met De Vylder (die de vijl veelvuldig gebruikt; b.v. de

slotemaker); De Dryver (een kunstenaar die figuren of beeldekens in

gouden of zilveren platen drijft); De Ketelaere (die ketels maakt), De

Pannemaecker, De Potter, De Scheemaecker en Vergulder. Verder De

Schepper en De Naeyer (dit zijn oude benamingen voor den kleêrmaker);

De Bleecker en De Mangelaere; D’Huyvetter (dat is de leêrlooier), De

Wevere. Dan De Cuyper en De Cuupere, De Seeldraeyer (dat is de

touwslager), De Decker (die de daken der huizen met stroo of met riet

dekt), De Backer en De Backere met De Gruyter (in Holland zegt men

grutter, in Friesland gorter of gortmaker), Vleeschauwer en De

Brauwere. De middeleeuwsche Gentsche molenaar leeft nog in de

geslachtsnamen De Meuleneire, De Meulenaere, De Mulder, De Meulemeester

en Smolders (dat is: des molders, des molenaars zoon, dus eigenlijk

geschreven ’s Molders). Ten slotte nog De Schoenmaker (met De Zutter,

eene verbastering van het Latijnsche woord sutor, schoenmaker), De

Spiegelaere (spiegelmaker), Dolislaeger (beter geschreven D’Olislager,

De Olieslager), De Caesemaecker, enz. Andere neringdoenden zijn nog De

Waegeneire en De Waegenaere (de zelfde naam als het Hoogduitsche Wagner

en het Noord-Nederlandsche Wagenaar, dat is de man, die, om loon,

vrachten met eenen wagen vervoert, of anderszins wagens verhuurt), De

Tavernier, De Weert en Casteleyn met De Kock; de Jaegher met De

Visscher en De Vogelaere en De Voghelaere, De Scheirder (barbier zegt

men hedendaags), De Munter en Speelman en Tollenaere. Dan Coopman en De

Cooman (’t is het zelfde), met De Meersman (marsdrager); eindelijk De

Meyer en De Pachtere. En vele dergelijken meer.

Als namen die juist niet aan handwerk of ambacht of nering, maar dan

toch aan een bedrijf hun ontstaan te danken hebben, vindt men te Gent:

De Clerck en De Clercq met De Schrijver, De Ruyter, enz. En deze namen

vormen den geleidelijken overgang tot die geslachtsnamen, welke aan

waardigheden, aan ambten en bedieningen ontleend zijn. Dezen zijn nog

al talrijk, en schier volledig vertegenwoordigd onder de burgerij van

Gent. Men vindt er: Cardinael, Bisschop en De Bisschop, De Proost, De

Paepe, De Muynck, en De Coster. Dan De Keyser, De Coninck (met De

Koninck en De Ceuninck), De Prince, De Graeve, De Borchgrave met

Burggraeve, Hartogh, De Lantsheere en Jonckheere. Dan komt De

Maesschalk, De Ridder en De Rudder, Sergeant en De Krijger. Eindelijk

De Meester, Baas en De Gheselle, De Poorter en Burger. Ten slotte De

Boeve.

Tot deze groep van geslachtsnamen kunnen nog gevoegd worden sommige

namen die tot de onderlinge betrekkingen der menschen behooren; als: De

Vriendt met Cortvriend, De Neve. Misschien ook Goevaere (Goede vader?).

Eindelijk De Man, Jongerlinck en Kindt. Ook De Moerloose (moederlooze,

die geen moeder heeft).

Als aanhangsel van deze namengroep noem ik nog eenige namen, wier

beteekenis mij niet duidelijk is. Namelijk De Craecker, De Schuyter

(bijvorm van Schipper?), De Sloover, De Muyter, De Ruysscher en De

Russcher, De Bruycker, De Vulder en De Vliegher, met Schouwvlieger.

Bijzondere lichamelijke of geestelijke eigenschappen, die deze of gene

Gentenaar, in den ouden tijd, vertoonde of bezat, gaven veelvuldig

aanleiding tot het geven van bijnamen. De eene Roeland, bij voorbeeld,

had een kaal hoofd; en de andere Roeland had door ziekte, door eene

langdurige leverkwaal, steeds eene gele huidkleur. Het duurde niet lang

of de spraakmakende gemeente noemde den eenen Roeland de Caluwe of

Roeland Caluwaert; en den anderen Roeland de Gheele. Of ook de eene

Bavo was bekend als een dapper, een stout, een koen man; terwijl de

andere Bavo loos was, en geslepen van aard. Weldra noemde men den

eersten, ter onderscheiding van den anderen, Bauwe, of Bavo de Dappere,

Bauwe de Staute of Bavo de Coene; en den anderen Bavo de Looze. Deze

soort van bijnamen, als geslachtsnamen in gebruik gesteld, vindt men

nog in de hedendaagsche namen De Langhe, De Grijse, De Blauwe (de man,

die, door een hartgebrek, of door het gebruik van zeker geneesmiddel,

eene blauwachtige kleur van de huid had), De Gheele, De Corte en De

Curte, De Witte en De Bruyne en De Roo (deze drie naar de kleur van het

haar), De Caluwe, De Groote en D’Hooge, Dauwe (beter geschreven D’Auwe,

dat is De Oude) en De Jonghe, De Praeter met De Surgeloose

(zorgelooze); De Wandeleer, Dobbelaere en De Leener; Den Dooven en De

Taeye met De Staercke (de sterke); ook Bruynooghe en Spanoghe,

Magherman en Caluwaert. Eindelijk De Dapper, De Staute, De Coen, De

Rycke, met Goethals en Iserbyt, (de man die zulke sterke tanden had,

dat hij wel ijzer zoude kunnen bijten). Ook Bytebier schijnt tot deze

groep te behooren. Ten slotte, Langerock en Lancksweert zullen

oorspronkelijk wel bijnamen zijn geweest voor mannen, die bij hunne

tijdgenooten kenbaar waren, de eene door het gewoonlijk dragen van

eenen bijzonder langen rok, de andere door het bezit van een bijzonder

lang zwaard.

In de middeleeuwen, en nog lang daarna, gaf men ook namen aan de

huizen, aan schier al de huizen, vooral van de kooplieden en

neringdoenden, in de steden. Die namen werden op uithangborden en

gevelsteenen, in beelde en in geschrifte aangeduid en vermeld. Dit

gebruik is nog niet geheel uitgestorven in onze dagen, en wordt

hoofdzakelijk nog gevolgd in de huizen, waarin herberg gehouden wordt,

’t zij in ’t groot of in ’t klein, ’t zij dan bij de nieuwerwetsche,

groote en voorname hôtels, café’s en restaurants (allemaal Fransche

zaken met Fransche namen), of bij de ouderwetsche, eerbare en degelijke

herbergen in de dorpen, of bij de kroegen in de achterbuurten.

Oudtijds, in het dagelijksche leven, noemde men ook de huizen steeds

met hunne namen; bij voorbeeld: de Engel, de Beer, de Geelvink, de

zeven Kerken van Rome, de Dom van Keulen, de Zon, de Ster, de Herder,

het Scheepken, de Keizer van Duitschland, de Koning van Spanje, de

Prins van Oranje (kortaf de Keizer, de Koning, de Prins); enz. Die

huisnamen gingen als bijnamen over op de bewoners van die huizen.

Govaert, de man, die in het huis woonde, dat de Valk heette, of waar,

zoo als men toen sprak, „de Valk uithing”, noemde men, ter

onderscheiding van eenen anderen Govert, die het huis de Martelaar

bewoonde, Govaert de Valck; en zijnen naamgenoot Govert de Maertelaere.

Ook deze bijnamen, tot geslachtsnamen aangenomen, treft men nog heden

aan onder de Gentsche burgerij.

Vooral de afbeeldingen en de namen van verschillende dieren waren

oudtijds zeer in voege, om een huis te kenteekenen of te noemen. Zulke

diernamen, oorspronkelijk huisnamen, daarna bijnamen van de bewoners

dier huizen, daarna vaste geslachtsnamen, treft men nog menigvuldig aan

onder de hedendaagsche Gentenaren. Bij voorbeeld: De Leeuw en Lybaert

(dat is de oude eigennaam van den leeuw), De Beer, De Wolf, De Vos,

D’Hondt, Muyshondt (dat is de wezel: maar ook de kat is oudtijds wel

muishond genoemd), De Buck, D’Haese en Den Haeze. Dan Dolphyn. Verder

De Valck, De Raeve, De Rouck, De Gaye, Nachtegaele, Cocquyt (dat is de

koekoek), De Vincke en Vyncke, Mussche, D’Hane, De Pauw, Fezant,

Kievits (als vadersnaam in den tweeden naamval geplaatst), De Lepeleire

en De Lepelaere. Eindelijk De Puydt, met De Vis, Snoeck en De Bleye.

Ten slotte Geirnaert (Garnaal), De Bie en Vlieghe.

Ook noemde men, in de middeleeuwen en later, eenen man wel naar zijn

volksdom of zijnen landaard. Kwam, bij voorbeeld, Wilhelm, een

Duitscher, te Gent wonen, men noemde hem weldra Willem den Duyts; en

Pierre, een man uit het Oud-Fransche gewest Picardië, die zich te Gent

met der woon vestigde, heette weldra bij zijne nieuwe stadsgenooten

Pieter Pickaert. Allerlei volk is oudtijds te Gent, in de rijke en

bloeiende handels- en nijverheidsstad, komen wonen. Van daar, dat onder

de hedendaagsche Gentenaren nog de volgende geslachtsnamen voorkomen:

De Vreese en De Vriese, De Brabander en D’Hollander (met Hollanders,

als een patronymicum, in den tweeden naamval geplaatst), Den Duyts en

De Zwaef, De Waele en Pickaert, Lombaert (uit Lombardië) en De Turck

met De Moor.

Eene bijzondere soort van geslachtsnamen bestaat uit die welke op aert

eindigen. Deze namen zijn in de noordelijke Nederlanden hoogst

zeldzaam, en die, welke men dan nog daar ontmoet, zijn in den regel uit

Zuid-Nederland herkomstig. In de zuidelijke gewesten daarentegen zijn

ze, over ’t algemeen genomen, geenszins zeldzaam; maar te Gent

bijzonderlijk komen ze in aanmerkelijken getale voor.

Deze namen zijn grootendeels moeielijk om te verklaren. Ik waag mij aan

die verklaring niet; maar ik neem bij dezen de vrijheid de aandacht der

Vlaamsche taalgeleerden en naamkundigen op deze aert-namen te vestigen.

Misschien is de een of de ander onder hen beter in den aard dezer namen

doorgedrongen, en kan hij ze in hunnen oorsprong en beteekenis

verklaren—waartoe zich zeker vele belangstellenden aanbevolen houden.

De volgende aert-namen zijn mij te Gent voorgekomen: Baeckaert,

Bekaert, Blommaert, Boddaert, Boonaert, Bouckaert, Brancquaert,

Bruysschaert, Caluwaert, Cannaert, Clauwaert, Colpaert, Connaert,

Deyaert, Goossaert, Gassaert, Grootaert, Haesaert, Heyvaert, Hillaert,

Hollaert, Hoornaert, Hulstaert, Huwaert, Kerckaert, Knockaert,

Lachaert, Leliaert, Lietaert, Lombaert, Meerschaert, Menschaert,

Minnaert, Meyvaert, Mommaert, Pickaert, Pynaert, Pypaert, Plasschaert,

Roeckaert, Royaert, Rotsaert, Roulaert, Rutsaert, Schollaert,

Schotsaert, Segaert, Speeckaert, Stampaert, Stappaert, Soetaert,

Steyaert, Teetaert, Trensaert, Trossaert, Veesaert, Walschaert,

Wyckaert, Willaert, Wissaert.

De uitgang aert stelt den Nederduitschen, den Vlaamschen oorsprong,

stelt het Nederduitsche, het Vlaamsche wezen van alle deze namen buiten

allen twijfel. En ook anderszins verraden velen duidelijk hunnen

Nederduitschen, hunnen Vlaamschen aard. De juiste beteekenis echter van

schier al deze namen, blijft mij verborgen. Clauwaert en Leliaert, ’t

is genoeg bekend, zijn nog de namen der partijschappen, die in de

middeleeuwen het Vlaamsche volk verdeelden. Deze twee geslachtsnamen

dragen den stempel der oudheid als ’t ware nog op hun voorhoofd.

Lombaert en Pickaert zijn volksnamen, en Caluwaert is een bijnaam aan

eene lichamelijke bijzonderheid ontleend—zoo als hier voren in dit

opstel reeds is aangeduid. Grootaert en Lachaert zoude men voor oude

vormen kunnen houden van Grootert en Lachert, woorden die

oorspronkelijk als bijnamen hebben kunnen dienen van mannen, die

bijzonder groot van lichaam, of bijzonder lachlustig van aard waren.

Soetaert, Stappaert, Stampaert zoude men misschien ook in deze richting

kunnen trachten te verklaren. Eindelijk meen ik in sommigen dezer

aertnamen vervlaamschte vormen te ontdekken van oude, algemeen

Germaansche, oorspronkelijk op hart of hard eindigende mansvóórnamen.

Dit zoude geheel zijn in overeenstemming met het Vlaamsche taaleigen,

dat ook de oorspronkelijke namen Gerhard, Everhard, Bernhard tot

Geeraert, Everaert, Beernaert heeft vervormd. Als zulke namen dan

aanzie ik Minnaert, Blommaert, Connaert, Hillaert, Hollaert, Lietaert,

Segaert, Teetaert, Willaert, die vermoedelijk oorspronkelijk de oude,

algemeen Germaansche mansnamen Meginhard (Meinard), Blomhard of

Bloemhart, Koenhard, Hildhard, Holdhard, Liedhard, (Hlodhart, de Walen

hebben Liotard), Segehard of Sieghart, Tethard (Tétar bij de Walen), en

Wilhard zijn.

Maar de overige aertnamen zijn mij als noten—te hard om te kraken.

Belangrijker in taalkundig opzicht, opmerkelijker in oudheid- en

geschiedkundige betrekking, bovenal veel schooner, zijn die Gentsche

geslachtsnamen, die oorspronkelijk mansvóórnamen zijn, of die, als

patronymica, ’t zij dan in ouderen of nieuweren vorm, van

mansvóórnamen, veelal van oude en verouderde mansvóórnamen zijn

afgeleid. Zulke namen vormen, in al de Nederlanden, den hoofdstam der

geslachtsnamen, onder de Friezen meer nog dan onder de Franken en

Sassen. Onder de Vlamingen zijn deze namen, over ’t geheel genomen,

niet zóó talrijk vertegenwoordigd als onder de bevolking die in de

Noordelijke gewesten van zuiver of gemengd Frieschen bloede is. Toch

vinden wij onder de namen der hedendaagsche Gentenaren nog vele

voorbeelden van de namen, die deze groep van geslachtsnamen

samenstellen—vele woorden die der vermelding en nadere bespreking

overwaard zijn.

De geslachtsnamen, aan mansvóórnamen ontleend, kunnen gevoegelijk in

drie groepen verdeeld worden.

1º Geslachtsnamen, die uit mansvóórnamen op zich zelven bestaan, zonder

bijvoegsels of aanhangsels of verbogene vormen. Bij voorbeeld, te Gent:

Elewaut, Aernout, Geeraert, Gevaert, Roelant, Fredericq, Libbrecht,

Ysebaert, Wolfaert, Everaert, Albrecht, Albert, Aelbrecht, Ysebrant,

Volckrick, Elleboudt, Inghelbrecht, Allaert, Alaert, Colbrandt,

Dierick, Govaert, Herrebrandt, Andries, Hombrecht, Beert, Blaes,

Tibbaert, Geldolf, Servaes, Volkert, Wiemer, Gillebert, Godtschalck,

Hellebaut, Jooris, Roland.

2º Geslachtsnamen, bestaande uit mansvóórnamen in den ouden

patronymicalen vorm (op ink, inck, ynck of ook op den algemeen

Frankischen patronymicaal-vorm ing) uitgaande. Sommigen dezer inknamen

staan bovendien, wegens de achtergevoegde s (meestal als

x—inckx—geschreven) in den tweeden-naamval. Te Gent, bij voorbeeld:

Bultinck, Coelinck, Maeterlinck, De Ghellinck, Duerinck, Wytinck,

Schaepelinck, Erffelinck, Mechelynck, Ghyselinck en Gyselynck,

Haemelinck en Hamelinck, Hellinck, Hebbelinck en Hebbelynck, Bontinck,

Wellinck, Vleurinck, Deunynck, Peting: Verder Allinckx en Allinx,

Durinckx, Ruytinckx, Geerinckx, Pletinckx, Neirinckx en Neirynckx,

Marinckx, Plettinckx.

3º Geslachtsnamen, die uit mansvóórnamen bestaan, in de nieuwere

patronymicale vormen (te weten: oude, verouderde, en eveneens nog

hedendaags geldige tweede-naamvalsvormen). Bij voorbeeld, te Gent:

Adriaenssens, Stevens, Willems, Seghers, Huybrechts, Lambrechts,

Wauters, Beernaerts, Maertens, Bauwens, Hendrickx en Heyndryckx,

Lievens, Berwouts, Pauwels, Peeters, Pieters, Piers, Christiaens,

Goossens, Janssen, Janssens, Hanssen, Gyssens, Heynssens, Huyghe,

Clayssens, Claeyssens, Driessens, Lootens, Lippens, Coppejans en

Coppieters, Vranckx, Carels, Gommaerts, Hellens, Boeykens, Buysse,

Lammens, Reyns, Wynants, Campens, Roelens en Roels, Staelens, Stoffels,

Inghels, Schepens, Callens, Heems, Roelandts, Bettens, Mommens, Hamers,

Michielssens, Baeyens, Coens, Simoens, Boone, Dams en Dammekens,

Joosten, Minnens, Morren, Mertens, Helskens en Mannens. Tot deze groep

behooren ook nog eenige geslachtsnamen met het voorvoegsel ser (dat is

eene samentrekking van ’s Her, des Her (ren), des Heeren); bij

voorbeeld: Serbruyns (Jan Serbruyns, dat is: Jan, de zoon van

Serbruyn, de zoon des Heeren Bruyn, van den Heer, die Bruyn of Bruno

heet), Sergeys, Serniclaes, en Tserclaes (deze twee namen zijn van

oorsprongswegen het zelfde), Tservranckx, Serdobbel. En eindelijk nog

eenige geslachtsnamen, die den volledigen, den onafgesletenen vorm zoon

(soone, sonne, soen) nog achter den oorspronkelijken mansvóórnaam

hebben: Baertsoen, Tierssoone, Leenesonne, Neetesonne, Meiresonne.

Zoo ik nu al deze geslachtsnamen, aan mansvóórnamen ontleend, een voor

een hier zoude gaan ontleden en verklaren, in hunnen oorsprong en in

hunne beteekenis, in de eigenaardige vormen, waarin ze bij andere

Nederlandsche, Nederduitsche, Germaansche volken en volksstammen

voorkomen, ook daarbij al de andere geslachtsnamen vermelden, waaraan

deze zelfde mansnamen almede oorsprong gegeven hebben—ongetwijfeld

zoude een geheel boekdeel daarmede gevuld worden. Dies moet ik mij ten

strengsten beperken, en kan ik slechts enkele weinige bijzondere namen,

in boven aangegeven zin, aan eene nadere beschouwing onderwerpen.

Vooraf echter nog eene algemeene indeeling.

De geslachtsnamen der drie laatstgenoemde groepen bestaan voor een deel

uit mansvóórnamen (of zijn daaraan ontleend), die oorspronkelijk

Bijbelsche of Kerkelijke namen zijn; en uit zulken, die eigenlijk

volkseigene namen zijn, van Oud-Germaansche afkomst.

Tot deze eerste afdeeling behooren de geslachtsnamen Andries (de

Bijbelsche naam Andreas), Blaes (de Kerkelijke naam Blasius), Servaes

(de Kerkelijke naam Servatius), Jooris (de Oud-Nederlandsche vorm van

den Kerkelijken naam Georgius). Verder Stoffels, Michielssens, Simoens,

Mertens en Maertens, Stevens, Pauwels, Peeters, Pieters en Piers,

Janssens en Hanssen, Clayssens en Claeyssens, Driessens, Lippens, enz.

die patronymica zijn (in den tweeden naamval geplaatst) van de

Bijbelsche namen Michaël, Simon, Stefanus, Paulus, Petrus, Johannes,

Andreas, en Filippus, in de volkseigene, ten deele ingekorte vormen

Michiel, Simoen, Steven, Pauwel, Peeter, Pieter en Pier, Jan en Hans,

Dries en Lippen. En van de Kerkelijke namen Christophorus (bij

volkseigene inkorting Stoffel), Martinus (Merten en Maarten), en

Nicolaus (Clays, Claeys, in de noordelijke gewesten Klaas).

Sommige namen van deze groep maken als ’t ware eenen overgang uit tot

die van de volgende groep, omdat zij, ofschoon oorspronkelijk van

volkseigenen, van Germaanschen oorsprong zijnde, toch ook voorkomen als

Kerkelijke namen, dewijl de Heiligen, die deze namen gedragen hebben,

Germaansche mannen geweest zijn. Bij voorbeeld: de geslachtsnaam

Lambrechts, zoon van Lambrecht of Lambert (’t is het zelfde), een

Kerkelijke naam, maar die toch, in zijnen oudsten, oorspronkelijken

vorm Landbrecht of Landbercht, van Germaanschen oorsprong is. Zoo is

het ook gesteld met den geslachtsnaam Huybrechts, zoon van Huybrecht,

in verlatijnschten Kerkelijken vorm Hubertus; maar, volgens zijnen

Oud-Germaanschen oorsprong, Hubrecht of Hubercht, voluit Hugibercht. En

eveneens is dit het geval met Beernaerts, zoon van Beernaert, den

Oud-Vlaamschen vorm van den naam die als Bernhard van Oud-Germaanschen

oorsprong is, maar als Bernardus in Kerkelijk Latijn voorkomt, en heden

ten dage als Bernard en als Barend aan Holland, als Berend, Bearn

(Beern) of Beart (Beert) aan Friesland eigen is. Beert komt ook als

geslachtsnaam te Gent voor; en de geslachtsnaam Baertsoen, zoon van

Baart, mede een Gentsche geslachtsnaam, dankt zijnen oorsprong

vermoedelijk ook aan den, in alle Germaansche landen veelvuldig

verspreiden mansvóórnaam Bernhard, Beernaert, Barend, Beert, Baart.

De overige namen van de drie groepen, op bladzijden 145 en 146

hiervoren opgesomd, zijn allen, in de mansvóórnamen, die er aan ten

grondslag liggen, Oud-Germaansche, den Vlaamschen volke oorspronkelijk

bijzonder-eigene namen. Tevens zijn het adel-oude en schoone,

welluidende, volklinkende namen, die den dragers tot eere verstrekken,

en hen het kenmerk verleenen van edele Germaansche, van goed

Nederlandsche, van oud Vlaamsche mannen. Het ware te wenschen, dat zij

in meerdere mate dan tot nu toe het geval is, wederom door Vlaamsche

vaders aan hunne jonggeborene zoontjes in den Heiligen Doop werden

gegeven, tot heropbeuring van het eigenlijke en oorspronkelijke, het

Germaansche, het Vlaamsche leven en bewustzijn bij het volk, ook van

Gent.

Ten deele komen deze Oud-Germaansche namen in hunne nieuwe, hunne

hedendaagsche, menigvuldig afgesletene en ingekorte vormen voor:

Willems (van Willem, voluit Wilhelm), Hendrickx (van Hendrik, voluit

Heimrik), Geeraert (voluit Gerhard), Albert (voluit Albrecht,

Adelbrecht, Athalbercht). Deze namen zijn nog heden ten dage algemeen

bekend en algemeen in gebruik, zij het dan ook, dat, helaas! in

Vlaanderen menige goed Vlaamsche Willem, Hendrik en Geeraart tot eenen

Franschen Guillaume, Henri en Gérard verbasterd is. Maar vele anderen

van deze namen komen als geslachtsnamen nog in hunnen vollen, ouden

vorm voor, ofschoon ze als mansvóórnamen heden ten dage geheel buiten

gebruik zijn gekomen (Elewaut, Elleboudt, Ysebaert, Inghelbrecht,

Geldolf, Godtschalck), of anderszins slechts zeer zeldzaam nog in

gebruik zijn (Aernout, Roelant en Roland, Everaert, Govaert).

Ten slotte willen we uit alle drie de hoofdgroepen (zie bladzijden 145

en 146) eenige namen uitkiezen, om die den Lezer voor te stellen, in

hunnen oorsprong en in hunne beteekenis, en in hunnen samenhang met

andere namen en naamsvormen, bij den Vlamingen verwante volken en

volksstammen in gebruik.

Allinckx. Deze geslachtsnaam, die, in hedendaagsche spelling, Allinks

zoude moeten geschreven worden, is, blijkens de achtergevoegde x,

eigenlijk hier eene s, een tweede naamvalsvorm van Allinck, en

beteekent (zoon) van Allink. Dit Allink is een patronymicum van den

mansnaam Alle, en wel een patronymicum in ouden, bijzonder Sassischen

vorm. Het achtervoegsel ing, achter eenen mansvóórnaam, duidt kindschap

aan, of, bij uitbreiding, ook afstamming, nakomelingschap van den man

wiens eigen naam aan het patronymicum ten grondslag ligt. Het

patronymicale achtervoegsel ing, dat als de algemeen Germaansche vorm

moet worden beschouwd, is in den vorm die aan het Sassische volk

bijzonder eigen is, ink (oudtijds ook inck en ynck geschreven); en inga

(enga, unga) is de bijzonder Friesche vorm daarvan. Het patronymicum

Willing dus, beteekenende zoon of afstammeling van Wille, van den man,

die Wille heette, is bij de Sassen Willink, en bij de Friezen Willinga.

En in der daad vinden wij deze drie vormen van één en het zelfde

patronymicum nog heden als geslachtsnamen in leven, bij het

Nederlandsche volk, dat uit Franken, Sassen en Friezen is samengesteld.

Het patronymicum Allink beteekent dus zoon of afstammeling van Alle,

van den man die Alle heette, van den man, wiens vóórnaam Alle was. Door

den bijzonderen vorm ink duidt Allink aan dat die Alle een Sas was, een

man behoorende tot den volksstam der Sassen.

Alle is een mansvóórnaam, die oudtijds bij schier alle volken en

volksstammen van Germaanschen bloede in gebruik was. Sedert eeuwen

echter is hij ook overal weder buiten gebruik gekomen, behalve bij de

Friezen, die nog heden hunnen rijken schat van Oud-Germaansche namen in

volle eere, in volle gebruik hebben behouden. Honderden Friezen dragen

nog heden den vóórnaam Alle.

Van oorsprongs wege is Alle geenszins een volledige naam. Het is een

vleinaam, een vleivorm van eenen volledigen naam, zooals Frits de

vleivorm is van Frederik, en bijzonder bij de Vlamingen Claey of Claeys

van Nicolaas, Virse van Virginie, Sjef van Jozef, enz. Zulke vleinamen

zijn bij het Vlaamsche volk slechts weinig in gebruik. De Hollanders

hebben in dezen zin Kees van Cornelis afgeleid; Wim en Pim, van Willem;

Hein en Henk, van Hendrik. De Engelschen Bob, van Robert; Dick, van

Richard, enz. Maar vooral de Friezen zijn rijk in de vleivormen hunner

namen. Bij hen treden die vleinamen (poppenammen zeggen zij zelven,

kepnamen de West-Vlamingen) sterk op den voorgrond; niet enkel in het

dagelijksche leven, maar even zeer in geijkten zin. De volledige namen

Albert, Allert, Alwin, en andere dergelijke, met Al beginnende

vóórnamen, hebben oorsprong gegeven aan den vleinaam Alle. De namen

Albert, Allert (Allaert), Alwijn zijn wel volledig, dat is: zij bestaan

nog wel uit twee oorspronkelijke naamsstammen, gelijk alle goede oude

Germaansche vóórnamen. Maar die naamsstammen op zich zelven zijn

afgesleten, samengetrokken. Immers Albert is eigenlijk Adelbert,

Adelbrecht, Adelbercht; Allert of Allaert is voluit Adelhart, en

Alwijn, Alewijn, Alwin, Aloyn is Adelwin, beteekenende: edele vriend.

De mansnaam Alle dus, al is hij heden ten dage, en ten minsten sedert

drie of vier eeuwen, ook nog slechts bij de Friezen in volle, geijkte

gebruik, levert toch in vele geslachtsnamen en plaatsnamen, die bij

verschillende Germaansche volken voorkomen, en die van dezen naam Alle

zijn afgeleid, het onomstootelijke bewijs, dat hij in oude tijden, in

de middeleeuwen, vóór dat bedoelde geslachts- en plaatsnamen waren

ontstaan, bij al die volken en volksstammen in gebruik geweest is. Een

handvol, als ’t ware, van die talrijke en menigvuldige geslachts- en

plaatsnamen, willen we hier mededeelen, ter bevestiging van het

bovenstaande.

Uit den aard der zaak vinden we onder de Friezen de namen, aan Alle

ontleend, het menigvuldigst vertegenwoordigd. Vooreerst vermelden oude

Friesche geschriften den hedendaagschen vorm Alle als Allo, Alla, All

en Al. Dan is Alle in den vrouwelijken vorm (eigenlijk anders niet als

een verkleinvorm) Altje en Alke, oudtijds ook geschreven Altjen en

Alken, nog heden aan menige Friezin als vóórnaam eigen. Vervolgens

komen de geslachtsnamen Allema, Alma en Alles, nog heden in leven, en

Allinga (de Friesche weêrga van den Vlaamschen, eigenlijk Sassischen

vorm Allink, Allinckx) met Allama, reeds uitgestorven. Eindelijk de

plaatsnamen Allingawier, een dorp in Wonseradeel; en een ander

Allingawier, eene sate (boerenhofstede) bij den dorpe Grouw;

Allinga-sate te Arum en te Tietjerk, Allema- of Alma-state bij

Oudwoude, Allema-sate te Wirdum, Alma-sate te Minnertsga en te Blya.

Dit alles is Friesland.

Nevens Allinckx treffen we in Vlaanderen en Brabant nog aan den

geslachtsnaam Allinx, eene andere schrijfwijze, maar overigens geheel

het zelfde als Allinckx. Verder Allix (waar de n uit weggesleten is—van

zulk eene wegslijting bestaan vele voorbeelden, ook bij andere namen),

en Allo en Alloo, vertegenwoordigende den mansvóórnaam Alle of Allo op

zich zelven, als bij voorbeeld Andries, Jooris, Ysebaert, eigenlijk

anders niets als mansvóórnamen, maar die ook als geslachtsnamen te Gent

voorkomen. Vlaamsche plaatsnamen, aan den mansnaam Alle ontleend, zijn

mij niet bekend. Vermoedelijk echter zullen ze wel bestaan; al zijn het

dan geen namen van steden of groote dorpen, dan toch wel namen van

gehuchten, kleine buurten of afzonderlijke hofsteden. Het gebrek aan

een uitvoerig, volledig Aardrijkskundig Woordenboek van België doet

zich hier gevoelen. Welke bekwame en vlijtige Vlaming zal toch

eindelijk eens in deze leemte voorzien?

In Groningerland bestaan de geslachtsnamen Heeralma en Heerallema (dat

is Heer-Allema, afstammeling van Heer-Alle, van den heer, die Alle

heette; in Vlaanderen zoude deze naam, indien hij bestond, als

Serallen—’s Her-Allen, des heeren Allen zone—luiden). In Oost-Friesland

Allana, Allena, en Allen. In Engeland Allen, Allinson, Allis, Allison,

Allingham en Allington; deze twee laatste namen zijn eigenlijk

plaatsnamen, die ook als geslachtsnamen dienst doen.

Plaatsnamen, aan den mansnaam Alle ontleend, vindt men in alle

Germaansche landen. Behalven die, welke in Friesland voorkomen, en hier

reeds op de vorige bladzijde zijn vermeld, ligt er een gehucht bij het

dorp Winsum in Groningerland, dat den naam Allinga-huizen draagt;

verder Alma-borg, eene adellijke huizinge te Bedum, en Alma-heerd, eene

boerenhofstede te Oldehove, beiden ook in Groningerland. Allington is

een dorp in het gewest Kent, in Engeland.

In de Duitsche landen vooral zijn de plaatsnamen van den mansnaam Alle

afgeleid, zeer menigvuldig; bij voorbeeld: Alkofen (oudtijds voluit

Allinchova, het hof of de hoeve van de Allingen, van de nakomelingen

des mans die Alle heette), dorp bij Vilshofen in Beieren. Een ander

dorp van den zelfden naam, Alkoven geschreven, ligt bij Efferding in

Oostenrijk. Allenbüttel, zoo heet een dorp bij Gifhorn in Hannover.

Allendorf is een stadje in Keur-Hessen; en een ander stadje van den

zelfden naam, die echter in den Nederduitschen tongval der ingezetenen

luidt als Allentrop—letterkeer van Allentorp, Allendorp—ligt er in

Westfalen. Allenrode (de rode of rade, het uitgerooide bosch, van den

man Alle), is een gehucht bij Hitzkirchen in Hessen. Alleshausen is een

dorp bij Riedlingen in Württemberg. Alling (het patronymicum als

plaatsnaam; dat is gezegd: ten Alling, bij de Allingen, ter plaatse

waar de Allingen, de nakomelingen van eenen man Alle wonen), is een

dorp bij Starnberg in Beieren. Allingdorf eindelijk is een gehucht bij

Lübbecke in Westfalen, en Allinghausen een dorp bij Wald-Broel in

Rijn-Pruissen.

De mansnaam Alle, op zich zelven een vleivorm van Albert of Allart of

Alwin of van eenen anderen, met Al beginnenden mansnaam, komt ook in

verkleinvormen voor. Te weten als Alke en als Altje. Deze

verkleinvormen verstaat iedere Nederlander, omdat ke en tje als

verkleinings-achtervoegsels nog heden in onze taal in volle gebruik

zijn. In overoude tijden echter hadden ook se en te als achtervoegsels

ter verkleining, gelding in onze taal. Bij gewone woorden, bij

zoogenoemde gemeene zelfstandige naamwoorden komen deze laatstgenoemde

achtervoegsels reeds sedert eeuwen niet meer in onze taal voor. Maar

als achtervoegsels ter verkleining, bij mansvóórnamen, leven ze nog

heden bij de Friezen. In Friesland zijn nog heden de naamsvormen Alke,

Alko, Alco, Alse (met den patronymicalen vorm Alsing, dus oneigenlijk

gebruikt), Alte en Alt in volle gebruik. Van deze verkleinde mansnamen

zijn weêr afgeleid de vrouwennamen Alkje en Alkjen, en Alske; de

geslachtsnamen Alkema, Alsema, Alssema, Alsma, Alta, Altema, Van

Altema, Altena (oudtijds ook Altinga); en de plaatsnamen Alkama-state

te Hallum, Alckema-sate bij Westergeest, en Altena-sate te

Lutke-Wierum. Alles in Friesland.

Dat de verkleinvormen Alke, Alse en Alte oudtijds ook buiten de grenzen

van het hedendaagsche Friesland als mansnamen in gebruik geweest zijn,

blijkt uit sommige geslachtsnamen en plaatsnamen, die nog heden in

Holland en in Duitschland, en elders in aangrenzende gewesten en gouwen

voorkomen en bestaan. Hoofdzakelijk echter aldaar, waar de ingezetene

bevolking oorspronkelijk van zuiver of van gemengd Frieschen bloede is.

Als zoodanig mogen hier vermeld worden de geslachtsnamen Alken,

Altunga, Altekana, Alten, Althes, Alts in Oost-Friesland, Alsing in

Drente, Alting, Altink, Altinck, in de Sassische gouwen van

Noord-Nederland, en Altes in Holland. En de plaatsnamen Alkemade (made

is maailand, veld dat gemaaid wordt om hooi te winnen), gemeente in

Zuid-Holland. Misschien ook Alkmaar (maar = meer), stad in

Noord-Holland. Eveneens in Noord-Holland Alkesweer, een stuk land bij

het dorp Assendelft. Alkham is eene stad in Kent, en Alkington ligt in

Gloucestershire, beide in Engeland. Verder Alsum (Alsa-hem, woonplaats

van Alse), dorp in het Land Wursten (of voluit Worthsaten), eene

Oud-Friesche gouw aan den rechteroever van den Wesermond in Hannover.

Alting is een gehucht bij Beilen in Drente. En Altikon (oudtijds voluit

Altinchova, Altinkhoven) is een dorp in Zwitserland. Alkenrath is een

huis bij Solingen in Rijn-Pruissen. Alting, een gehucht bij Ranoldsberg

in Beieren, en Altingen, een dorp bij Herrenberg in Württemberg.

Men ziet hieruit, hoe oneindig veel er, op taalkundig gebied, valt af

te leiden, op te merken en mede te deelen, naar aanleiding van eenen

enkelen naam, in dit geval van den Gentschen maagschapsnaam Allinckx.

En dan nog is alles, wat hier nu is aangegeven, slechts als voor de

hand opgenomen, is anders niet als ’t gene bij een oppervlakkig zoeken

gevonden werd. Zoo men echter geheel nauwgezet wilde te werk gaan, zoo

men alles wilde uitzoeken en navorschen, zoo men alle bronnen wilde

uitputten—wel! daar kwamen gewis nog tienmaal meer namen, van Alle

afgeleid, of met Alle samenhangende, voor den dag; tienmaal meer dan

men hier nu vindt medegedeeld. Daar is dus geen denken aan, dat ook bij

de volgende Gentsche geslachtsnamen die ik nog wensch te vermelden en

te behandelen, zulk eene min of meer uitvoerige behandelingswijze zoude

kunnen worden gevolgd. Dit ware onmogelijk, tenzij men geheele

boekdeelen zoude willen volschrijven. Slechts oppervlakkig en als ter

loops zal ik nu nog wat kunnen vermelden van andere Gentsche

geslachtsnamen, die van Oud-Germaansche mansnamen zijn afgeleid, of

anderszins op zich zelven die schoone oude mansvóórnamen in hunne

volledige vormen vertoonen.

Ruytinckx is een geslachtsnaam, die in alle zijne vormen het evenbeeld

van Allinckx vertoont. Maar gelijk de mansnaam Alle aan Allinckx, zoo

ligt de Oud-Germaansche mansvóórnaam Rute ten grondslag aan Ruytinckx.

En Rute is ook, even als Alle, een vleinaam; en wel een vleivorm van

den eenen of anderen volledigen Oud-Germaanschen mansnaam die met den

naamsstam Rud of Rod, Hrud of Hrod begint; bij voorbeeld van Robert,

van Roger of van Romer, versletene vormen (even als Albert van

Adelbrecht versleten is) van Rodbrecht, Hrodbercht, van Rodger of

Rutger, Hrudigar, van Rodmer, Rudimer, Hrodmar. Schoone namen, waaruit

de kracht en de stoerheid onzer Oud-Germaansche voorouders ons, als ’t

ware, nog te gemoet treden.

De mansnaam Rute leeft nog heden onder de Friezen, geschreven als Rút

(in ’t Nederlandsch Ruit), uitgesproken als Ruut. Tevens, in

verkleinvorm als Rútsje (in ’t Nederlandsch Ruitje; men spreekt

Ruutsje), eveneens mansnaam. In oude Friesche geschriften vond ik nog,

als mansnamen, de verkleinvormen Ruytse en Ruutse, die onder de

hedendaagsche Friezen niet meer in gebruik zijn. Verder, in klank

eenigszins verschillende, als oude, verouderde mansnaam, in

geschriften, Rut en Ruth, in verkleinvorm Rutse; en de vrouwennamen

Rutje, nog in leven, en Rutske. Nog dient hier vermeld te worden, dat

knapen, jongelingen, mannen, in Friesland, die den doopnaam Rutger

dragen (dat is in Vlaamschen vorm Roger of Rogier, en in den volledigen

Oud-Germaanschen vorm Hrodger, Hrudigar), in het dagelijksche leven,

bij verkorting, ook Rut worden genoemd.

Als geslachtsnamen van Rút, Rute afgeleid, vindt men in de Vlaamsche

gewesten, nevens Ruytinckx, nog Ruytincx en Ruytinx, als bijvormen; en

Ruttens, Ruetens en Rutens, eveneens patronymicale namen. Zoo ook

Ruitinga, Ruitenga, Ruitema, Ruiten, Rutskema in Friesland; en

Ruytinck, Ruyten, Rutjens, elders in Noord-Nederland. Als plaatsnamen:

Ruitenhuizen en Ruitenveen, gehuchten bij Nieuw-Leuzen in Overijssel;

Rutenbroek, dorp in Eemsland, Hannover, aan de Groningerlandsche grens;

Ruting, dorp bij Oldenburg in Holstein; Rutskema-sate, eene landhoeve

te Suameer in Friesland; Rutenbeck (beck = beek), gehucht bij

Bliedersdorf in Hannover, en Rutenbecke, hoeve bij Sonnborn in

Rijn-Pruissen; Rutesheim, dorp bij Leonberg in Württemberg; en nog vele

anderen meer. Of de naam van het dorp Rutten, bij Tongeren in Limburg,

ook met den mansnaam Rut samenhangt, acht ik wel waarschijnlijk; maar,

bij gemis aan kennis van de oude vormen, waaronder deze naam misschien

in middeleeuwsche oorkonden voorkomt, kan ik dit niet met zekerheid

vermelden.

Wytinck, Hellinck, Wellinck. Deze drie Gentsche geslachtsnamen

onderscheiden zich hierdoor van de beide vorigen, Allinckx en

Ruytinckx, dat ze niet, als dezen, in den tweeden naamval staan, maar

oude patronymica op zich zelven zijn. Ze zijn gevormd uit de mansnamen

Wyt, Helle en Welle, vleivormen van oorspronkelijke, volledige namen,

even als Alle en Rute dit zijn. In Vlaanderen en in andere Germaansche

landen, waar deze mansnamen oudtijds ook in gebruik waren, komen ze

thans niet meer voor. Wij moeten al wederom naar Friesland, om deze

namen nog in leven te vinden. In der daad komen Wyt en Welle nog heden

onder de Friezen, als mansnamen voor. Beiden tamelijk zeldzaam. Echter

is Wytse, een verkleinvorm van Wyt, een van de algemeenste Friesche

mansnamen. Welle is heden ten dage onder de Friezen uitgestorven, maar

is toch herhaaldelijk, ook als Wello en Wel, door mij in oude Friesche

oorkonden als mansnaam aangetroffen. Maar als vrouwennaam wordt Weltje

nog heden door sommige Friezinnen gedragen, even als Heltje, van den

mansnaam Helle afgeleid, en even als ik Wytke, Wyttie (Wytje) en Wyt

nog als vrouwennamen in oude geschriften heb ontmoet.

Overigens strekken vele verschillende geslachts- en plaatsnamen in

onderscheidene Germaansche landen ten onweêrsprekelijken bewijze, dat

Wyt, Welle en Helle niet enkel in Vlaanderen, maar ook elders als

mansnamen in gebruik zijn geweest. Het zijn, onder anderen, deze namen:

Geslachtsnamen: Hwytyngha, Wyttinga, Witinga, (de Friesche weêrga van

den Gentschen naam Wytinck), die in oude Friesche oorkonden vermeld

staan; en Wytema, Witema, die nog heden in Friesland leven. Wytynck in

West-Vlaanderen. Whiting (ook Whitting—’t is ’t zelfde van oorsprongs

wegen) in Engeland. Wyt, Wyten, Wytten in Holland. Verder Wellinga,

Wellema, Welma, Wellens en Welles in Friesland. Welling in Drente.

Wellens en Wellekens (afgeleid van Welleke, verkleinvorm van den

mansnaam Welle), elders in Vlaanderen en Brabant. Wells, Welling,

Wellington in Engeland. Eindelijk: Hellinckx, Hellynck, Hellynckx, alle

drie bijvormen van den Gentschen naam Hellinck, in andere Vlaamsche en

Brabantsche gewesten; Hellinga, Hellenga, Hellema en Helles in

Friesland. Helling in Holland en in Engeland. Ook nog Helskens, in

Vlaanderen, afgeleid van Helsken, verkleinvorm van den mansnaam Helle.

Plaatsnamen: Wytwerd, voormalig klooster, thans gehucht, bij het dorp

Uskwerd, in Groningerland; Ooster-Wytwerd, dorp in Groningerland; Witum

(dat is: Wita-hem, woonplaats van Wyt), dorp dat in den zeeboezem de

Dollart, tusschen Oost-Friesland en Groningerland verdronken ligt.

Witikon (oudtijds voluit Witinchova, de hoeve der Wytinks of der

Witingen), dorp bij Zürich in Zwitserland. Ook moet bij deze groep van

plaatsnamen gevoegd worden de naam van het Westvlaamsche dorp

Wytschaete, ’t welk ik als Wytskate, de kate (kote, kot = huis, hut)

van Wyt verklaar, en reeds uitvoeriger verklaard heb in den

negentienden jaargang van het Brugsche weekblad Rond den Heerd, nummer

van 2 December 1883, in een opstel: Oorsprong van den naam Wytschaete.

Dit opstel heeft nog aanleiding gegeven tot sommige andere opstellen,

op dien plaatsnaam betrekkelijk, en in dien zelfden jaargang van

genoemd blad geplaatst.

Als plaatsnamen van den mansnaam Welle afgeleid, dienen hier genoemd te

worden: Wellingen, dorp bij Osnabrück in Hannover; Wellinghusen, dorp

in Ditmarschen, Holstein; Wellingsbüttel, dorp bij Hamburg;

Wellingborough en Wellington, steden in Engeland; Welkenraedt (de raad

of rade of rode—uitgerooid bosch—van Welke, verkleinvorm van Welle),

dorp in ’t Land van Luik. Of de namen der plaatsen Wellen, bij Loon in

Limburg, en Welle, bij Dender-Leeuw in Oost-Vlaanderen, ook op de eene

of andere wijze samenhangen met den mansnaam Welle, moet ik hier in het

midden laten, uit gebrek aan kennis, betreffende de middeleeuwsche, de

oorspronkelijke, volledige vormen dezer namen.

Ten slotte nog de plaatsnamen, aan den mansnaam Helle ontleend: Helwart

of Helwert, state (thans eene landhoeve) te Roorda-Huizum in Friesland.

Landhoeven, die Hellinga-state en Hellinga-sate heeten bestaan er te

Warga, te Ternaard, te Mantgum, te Grouw en elders nog, in Friesland.

Hellum, dorp in Groningerland; en Helwert, gehucht bij Rottum, eveneens

in dat gewest; Hellinghausen, dorp bij Lippstadt in Westfalen.

Hellinghill, in Northumberland, Engeland. Misschien ook Hellebecq (de

beek van Helle) in Henegouwen. Bovendien vind ik nog aangeteekend

Hellinghen, dorp in Henegouwen; maar ik kan geen dorp van zulk eenen

naam op de landkaart van Henegouwen vinden, en het lijstje van

Belgische steden en dorpen, dat voorkomt in den Indicateur des postes

de Belgique (het eenige werkje waarmede ik mij bij mijne namenstudiën

moet behelpen, bij gebrek aan een Aardrijkskundig Woordenboek van

België)—dat lijstje vermeldt dezen naam niet.

Uit het groot aantal Gentsche geslachtsnamen die den jongsten

patronymicalen uitgang, dien op s vertoonen, die dus eenvoudig

mansvóórnamen zijn, in den hedendaagschen tweeden naamval geplaatst,

heb ik een elftal gekozen die ik, wegens de mansnamen, die er aan ten

grondslag liggen, hier nader wensch te behandelen. Het zijn Seghers,

Wauters, Berwouts, Hamers en Wynants; Goossens; ook Bauwens, Reyns,

Coens, Roels en Mannens. Deze vijf eerstgenoemde namen vertoonen den

mansnaam in zijnen oorspronkelijken, volledigen vorm. Goossen, de

mansnaam waarvan Goossens is afgeleid, is sterk versleten. De vijf

laatstgenoemde geslachtsnamen zijn ontleend aan mansvóórnamen, die

eigenlijk slechts vleivormen en ingekorte vormen zijn van

oorspronkelijke, volledige namen.

Segher dan, de mansnaam, die aan den geslachtsnaam Seghers ten

grondslag ligt, vertoont ten volledigsten zijnen oorspronkelijken vorm,

onveranderd en niet versleten. Hij is, even als alle volledige,

oorspronkelijke Germaansche mans- en vrouwenvóórnamen, samengesteld uit

twee naamsstammen; uit sege of zege (dat is te zeggen: overwinning—het

Hoogduitsche woord Sieg), en her of heer. Segher dus, „heer der

overwinning”, anders gezegd „overwinnaar” beteekenende, is een schoone

mansnaam, wel waard meer in gebruik genomen te worden. Bij de Vlamingen

komt deze naam heden ten dage, zooverre mij bekend is, slechts in

zijnen verlatijnschten vorm, als Victor, voor. Maar onder de

Noord-Nederlanders treft men hier en daar nog wel eenen man aan, die

Seger of Zeger heet. Vooral onder de Friezen is dit het geval. Nevens

den algemeen Nederlandschen vorm van dezen naam dragen vele Friezen hem

ook als Sieger of Siger, als Ziger misspeld, in den bijzonder Frieschen

vorm. Ook is bij hen deze naam, in vrouwelijken vorm, menigvuldig aan

vrouwen eigen; die Friezinnen heeten dan Segertje, Zegertje, of

Siegerke.

In de Vlaamsche gewesten is de geslachtsnaam Seghers, ook veelvuldig

als Segers, Zeghers en Zegers voorkomende, geenszins zeldzaam; ten

bewijze dat oudtijds de mansnaam Segher door menigen Vlaming is

gedragen geweest. In Friesland heeft deze naam oorsprong gegeven aan de

geslachtsnamen Sigera (dit is een Oud-Friesche tweede-naamvalsvorm),

Siegersma, Sigersma, Sygersma, Ziegersma, Segersma en Seegersma; verder

ook aan Siegers en Segers. En aan de plaatsnamen Sigera-state, thans

eene boerenhofstede te Hallum; Siegerswâlde (Siegerswoude), een dorp in

Opsterland; ook draagt een voormalig klooster, thans een landelijk

gehucht, bij den dorpe Garijp, dezen naam. Verder is Siegersdiep de

naam van eenen stroom bij den dorpe Eernewoude. De Vlamingen hebben nog

dezen mansnaam vertegenwoordigd in den naam van het dorp Zegerscapel,

de kapelle van Segher, in Fransch-Vlaanderen; en de Duitschers in dien

van Siegersleben, een dorp in het Pruissische gewest Saksen.

De geslachtsnaam Wauters is ontleend aan den mansnaam Wauter of Wouter

(zooals hij heden ten dage in de noordelijke Nederlanden wordt

geschreven). En deze naam, die, in de Sassische gewesten ook als

Wolter, nog heden veelvuldig in Noord-Nederland, vooral ten platten

lande, gedragen wordt, in oorspronkelijk voluit Walther of Wolther. De

Franken en Friezen hebben eerstgenoemden, de Sassen den anderen

tongvalsvorm; de Franschen hebben dezen naam tot Gauthier verbasterd;

ook komt hij wel, in verlatijnschten vorm, als Gualtherus voor. Het

eerste gedeelte van dezen naam bestaat uit den naamsstam wald, die in

vele andere schoone Oud-Germaansche mans- en vrouwennamen (Waldman,

Waldbert, Waldomar, en Walttruda, Waldburga, Waldrade, ook Adelwald,

Berwald (Berwout), Sigwald (Zegewout) enz.) voorkomt; en uit den

zelfden naamsstam her, heer, die deel uitmaakt van den, hier voren

besprokenen mansnaam Segher.

Van het groote aantal geslachts- en plaatsnamen aan den mansnaam

Walther ontleend, noemen we hier slechts Wauters, Wouters en Wolters

(in groot aantal over al de Nederlanden verspreid), Wolterinck en

Woltersen; verder Wouterswoude (de Friezen schrijven in hunne eigene

taal Wâlterswâld), een dorp in Friesland; Woltersum (dit is Wolters

hem, de woonplaats van Wolther), een dorp in Groningerland; Wolterink,

eene boerenhoeve te Zelhem in Gelderland, Woltershausen, een dorp bij

Alfeld in Hannover; en Wouteringen, een dorp bij Tongeren in Limburg.

Dit Limburgsche Wouteringen (de Walen hebben daar Otrange van gemaakt)

is geheel en al de zelfde naam als het Geldersche Wolterink.

De geslachtsnaam Berwouts doet ons den schoonen, volledigen mansnaam

Berwout kennen, die als Berwald reeds boven genoemd is. Oudtijds werd

deze naam ook wel als Beroald en Baroald geschreven. In Holland kwam

hij oudtijds wel als Barwout en Baerwout voor, en in Friesland leeft

hij nog heden in den saamgetrokkenen, versletenen vorm Bareld. De

plaatsnaam Barwoutswaarder, zooals eene buurt heet, bij de stad Woerden

in Zuid-Holland gelegen, is van den mansnaam Barwout of Berwout

afgeleid; zoo ook Beroldasheim, ’t welk de oude, volle naamsvorm is van

het dorp Bertsheim bij Straatsburg in de Elsate.

De geslachtsnaam Wynants is zoowel aan Vlaanderen als aan Friesland

eigen, en afgeleid van den volledigen mansnaam Wynant, Winand, die nog

heden, zij het dan ook zeldzaam, in Holland en Friesland in levend

gebruik is. Winant is eigenlijk een versleten vorm van Wignand, en

bestaat uit de naamsstammen wig, voorkomende in Wigmar of Wimer,

Wigbercht of Wibert, Wigbern of Wibren (waarvan Wibe een vleivorm is)

en nand of nanth (ook aanwezig in den mansnaam Ferdinand). In den naam

van het dorp Winantsrade (Wynantsraede), dat in het Noord-Nederlandsche

gedeelte van Limburg gelegen is, vinden we den mansnaam Wignant terug.

Hamers eindelijk heeft den mansnaam Hamer ten grondslag; een zeer oude

naam, die nog uit den heidenschen tijd onzer voorouders stamt.

Eigenlijk is Hamer geen volledige naam op zich zelven, maar slechts een

naamsstam, zoo als uit de oud Germaansche, volledige mansnamen Hamarolf

(Hamerwolf), Hamerrich en Hamerard blijkt. De naamsstam hamer heeft de

zelfde beteekenis als het hedendaagsche woord hamer, het bekende

werktuig aanduidende. Oudtijds was de hamer ook wapen of oorlogstuig.

Een zware hamer, door den gespierden arm van eenen krachtvollen

Germaanschen krijgsman gezwaaid, was gewis geen te verachten wapen, en

heeft voorzeker menigen vijandigen schedel verpletterd. Men denke hier

ook aan den hamer, Miölnir geheeten, waarmede de oud Germaansche

dondergod Thor was gewapend, volgens de godenleer onzer voorouders, in

hunnen heidenschen tijd. In zijne beteekenis van oorlogstuig is de

hamer dan ook als naamsstam in gebruik gekomen, even als de helm (in

Wilhelm of Willem, Adelhelm of Alem), de speer of geer (in Geerhart,

Geerolf), het harnas of de bron (in Brongar). Nevens den vorm Hamer

vindt men in oude geschriften ook Hamar en Hamr als mansnamen vermeld;

deze laatste vorm volgens de Noorsche, Friesche, Duitsche en Engelsche

uitspraak des woords.

Behalve in den Gentschen maagschapsnaam Hamers leeft de oude mansnaam

Hamer of Hammer nog in de geslachtsnamen Hameringa, Hammeringa,

Hamringa, Hammerga (de twee laatsten zijn saamgetrokkene vormen),

Hammersma en Hamersma in Friesland, waar ook nog een plaatsnaam

Hammerstille (tille is het Friesche woord voor kleine brug), zooals

oudtijds eene brug heette bij den dorpe Westergeest, aan dezen mansnaam

zijn ontstaan verschuldigd is. Verder in Hamarithi, de middeleeuwsche

naamsvorm van een dorp in Gelderland, dat hedendaags Hemert heet; in

Hammerum, een dorp in Jutland; in Hamareshusun, de middeleeuwsche

naamsvorm van een dorp in Lippe, Duitschland, welke naam heden ten dage

tot Hummersen is verbasterd; enz.

Goossen, de mansnaam, die aan den geslachtsnaam Goossens ten grondslag

ligt, vertoont eenen zeer versletenen naamsvorm. Hij komt nog heden als

mansvóórnaam in de noordelijke Nederlanden voor, ofschoon zeldzaam.

Oudtijds was hij menigvuldiger in gebruik, zooals de oude, verouderde

schrijfwijzen Goessen, Goissen, Goesen, Goisen, Gosen, in oude

oorkonden geenszins zeldzaam, aanduiden. De volle oorspronkelijke vorm

is Godeswin, Godswin, dat is te zeggen: Gods vriend. Voorwaar, een

schoone naam. Minder afgesleten dan Goossen, is de vorm Gozewijn of

Gozewin, Gosuin, die ook nog heden wel voorkomt.

Van de vijf overige, op bladzijde 158 genoemde, enkel op s uitgaande

patronymicale geslachtsnamen, behoeft Bauwens hier geen naderen uitleg.

De mansvóórnaam namelijk, die daaraan ten grondslag ligt, Bauwe of Bavo

(op zijn beurt vermoedelijk weêr een vleivorm van Baldewyn, Bauduin,

Boudewijn), is reeds voldoende besproken, in een opstel van mijne hand

getiteld: „De naam van Sint-Bavo”, in jaargang 1891 van het Gentsche

tijdschrift Belfort.

Van de vier anderen volge hier nog een korte uitleg. Reyns, Roels,

Coens en Mannens, tweede naamvalsvormen van de mansnamen Reyn, Roel,

Coen en Manne, vertoonen geene volledige, vertoonen slechts ingekorte

namen. Rein is slechts een naamsstam, samengetrokken uit den vollen,

ouden vorm Regin of Ragin, en voorkomende in vele oude, schoone

Germaansche mansnamen; bij voorbeeld Reginhald (Reginald, Reinald,

Reinout), Reginhart (Reinhart, Reinaert), Raginwulf (Reinolf), enz.

Koen is een andere naamsstam, deel uitmakende van de volledige

mansnamen Koenraad, Cuonrath, die in eerstgenoemden vorm bij de

Noord-Nederlanders nog geenszins zeldzaam is; Koenbert, Cunibert,

Cuonbercht; Koendert of Koenert, Koenaert, Koenhard, enz. Roel is geen

naamsstam, maar een vleivorm van Roelof of Rudolf, Hrudolf, Hrodwolf.

Man eindelijk, is de naamsstam van een groot aantal Oud-Germaansche

mansnamen, waaronder Herman, Hartman, Manfred, Mangold de bekendsten

zijn. Als Manno was deze naamsstam oudtijds ook veelvuldig op zich

zelven in gebruik, zij het dan ook bij verkorting uit eenen der

bovengenoemde volledige mannamen.

Bij de Friezen komen nog heden voor de mansnamen Koen en Koene, de

vrouwennamen Koena en Koentje, de geslachtsnaam Koens. Evenzoo de

mansnamen Manne en Manno, de vrouwennaam Manna, de geslachtsnamen

Manninga en Mankes (van den verkleinvorm Manke); ook Mannis in

Noord-Friesland; en de plaatsnaam Mansholt, een dorp in Oldenburg.

Verder bij de Engelschen de geslachtsnaam Manning, en de plaatsnamen

Mannington in Norfolk en Manningtree in Essex.

Behalve Manke, boven vermeld, hadden de Friezen oudtijds ook de

mansnamen Manse en Mante, mede oude verkleinvormen van Manne, in

gebruik. Heden ten dage zijn Manse en Mante op zich zelven, als

mansvóórnamen, buiten gebruik geraakt; maar deze naamsvormen leven nog

in de geslachtsnamen Mansana, Oost-Friesland; Mansing, Mansingh,

Mantink, Noord-Nederland; en in de plaatsnamen Mansingen, dorp in

Oldenburg; Mantgum (dat is Mantinga-hem, woonstede der Mantingen, der

afstammelingen van den man, die Mante heette, bij vóórname), dorp in

Friesland. Zoo die woonstede der Mantingen in Vlaanderen hadde gelegen,

in plaats van in Friesland, het dorp dat uit deze Mantinga-hem ontstaan

ware, zoude nu waarschijnlijk Manteghem heeten, en dus eenen oorbeeldig

Vlaamschen naamsvorm dragen. Verder nog Manting, een gehucht bij den

dorpe Westerbork in Drente; en Mantinghausen, een dorp bij Büren in

Westfalen.

Wij moeten ook naar Friesland gaan, om de mansnamen Rein en Roel, die

aan de Gentsche geslachtsnamen Reyns en Roels ten grondslag liggen, nog

in leven te vinden, met de vrouwennamen, de maagschapsnamen en de

plaatsnamen, die daarvan zijn afgeleid. Rein en Roel komen beide heden

ten dage nog als mansnamen onder de Friezen voor; met de vrouwennamen

Reina en Reintje, Roeltje en Roelke. Verder de geslachtsnamen Reyninga,

Reinema en Reins.—Reiningh, Reinink, Reynen en Serreyns, ook Reinkens

en Reintjens komen in andere Nederlandsche gewesten voor. Roelinga,

Roelenga, Roelsma en Roels (ook Roeling en Roelink in Drente).

Plaatsnamen: Reinseel (de sele of sale, het aanzienlijke huis, Engelsch

hall, van den man die Rein heette), eene sate (landhoeve) te Mariënweer

in Oost-Friesland. Reinhusen, gehucht bij Friesoythe in Oldenburg.

Roela-sate, landhoeve te Eagum in Friesland; en het Roelfentje, een

stuk land te Oldersum in Oost-Friesland.

De laatste groep van Gentsche maagschapsnamen, die ons nog ter

bespreking overblijft, omvat de schoone, oude, Germaansche namen,

volledige mansvóórnamen op zich zelven, die op bladzijde 145 hiervoren

zijn opgesomd. Weer een elftal van die zeer bijzondere en zeer schoone

namen heb ik uitgekozen, om hier nog wat nader te worden verklaard. Het

zijn Elewaut, Gevaert, Ysebaert, Wolfaert, Volckrick, Elleboudt,

Inghelbrecht, Allaert, Hombrecht, Godtschalck en Geldolf, allen namen

die klinken als klokken, en waar de eere onzer voorouders, de

klankrijkdom en de rijkdom aan gespierde vormen, die onze taal in de

middeleeuwen zoo volop bezat, ons nog uit tegenschallen,—namen die als

eene eere, schier als een bewijs van adeldom, althans als een teeken

van adel-oudheid mogen gelden voor de hedendaagsche Gentenaren, die ze,

als eene erfenis hunner Germaansche voorouders, mogen voeren.

Elewaut is oorspronkelijk en voluit de Oud-Germaansche mansnaam

Adelwald, Edelwaut, een naam die onder verschillende bijvormen,

menigvuldig in de oude geschiedenisboeken en oorkonden der Germaansche

volken voorkomt. In den vorm of in de schrijfwijze Adaloald is deze

naam bekend als die van eenen koning der Longobarden, die in de zevende

eeuw leefde. Ook aan plaatsnamen heeft deze mansnaam oorsprong gegeven;

bij voorbeeld aan Adetschwil, een dorp in het kanton Zürich,

Zwitserland, welks volledige, oorspronkelijke naam, ten jare 850, was

Adaloltiswilare. Lag deze plaats in Vlaanderen, hij zoude vermoedelijk

thans Elewautswyler heeten. Ook de naam van het dorp Ahlshausen,

gelegen bij Eimbeck in Hannover, dankt zijnen oorsprong aan den

mansnaam Adelwald; in eene zeer oude oorkonde namelijk staat deze

plaatsnaam in zijnen volledigen vorm als Adololdeshusen vermeld.

Is de hedendaags Vlaamsche vorm van dezen naam, Elewaut, al versleten

van zijnen oorspronkelijken, volledigen vorm Edelwaut of Adelwald, in

nog veel sterkere mate is dit het geval bij de vormen, waaronder deze

naam heden ten dage in Holland en in Friesland nog in leven is. Te

weten, in Holland als de geslachtsnaam Elout; en in Friesland als de

mansvóórnaam Aalt.

Adel en wald, edel en waut, de twee naamsstammen, waaruit de naam

Adelwald of Elewaut is samengesteld, hebben nog zeer vele andere

Oud-Germaansche mansvóórnamen gevormd; bij voorbeeld Adelbrecht of

Albert, Adelhart of Allaert, Adalrik of Aldrik, Waldraven of Waltram,

Waldomar en Walther (hier voren op bladz. 159 en 160 als Wauter nader

besproken).

Gevaert (in Holland en Friesland komt deze zelfde naam, in den tweeden

naamval geplaatst, als een patronymicum van nieuwere dagteekening, als

de geslachtsnaam Gevaerts voor)—Gevaert dan is een echt Nederduitsche

of Dietsche, en bepaaldelijk een echt Oud-Vlaamsche vorm van den

Oud-Germaanschen naam, die in het Hoogduitsch als Gebhart voorkomt. De

naam Gebhart of Gevaert behoort, als mansvóórnaam, geenszins tot de

veelvuldig voorkomende of algemeen in gebruik zijnde namen; althans

niet in de Nederlanden. Als Gevert, Gewert, Ghewert, Gewaert vinden we

hem in Oud-Friesche oorkonden. Aan de Zaan, eene Oud-Friesche gouw, was

hij oudtijds in den zeer versletenen vorm Jevet in gebruik. Ook is de

hedendaagsche, in Holland voorkomende maagschapsnaam Gevers er aan

ontleend. Zoo mede de plaatsnaam Gerbersdorf, die eigen is aan een dorp

in Neder-Beieren, en die verbasterd is van Gebhardsdorf, ten jare 893

geschreven Gebehartesdorf.

Ysebaert (Isebrecht, Isebert), in zijnen volledigen, oorspronkelijken

vorm Isanbercht, is samengesteld uit de naamsstammen isan, ise en

bercht of bert. De laatstgenoemde naamsstam komt zeer algemeen voor,

zooals reeds een en ander maal in dit opstel is aangetoond. Met den

eerstgenoemden is dit niet het geval; hij is tamelijk zeldzaam. Wij

kennen hem uit de mansnamen Isuwarth of Isoard (in Frankrijk Isouard),

Isanbrand (nog heden ten dage in leven als Ysbrand en Ysebrand, met de

geslachtsnamen Ysbrandsz, en, verlatijnscht, Ysbrandi), Isangrim (als

Yzegrim nog wel bekend, zij het dan ook maar als scheld- of bijnaam),

enz. Isambert komt nog heden als maagschapsnaam in Frankrijk voor.

Isanpertesdorf is de volledige, oude naamsvorm (in het hedendaagsche

Vlaamsch zoude deze naam als Ysebaertsdorp luiden) van het

hedendaagsche Eisselsdorf, een gehucht bij Geisenhausen in

Neder-Beieren.

Wolfaert (Wolfhart, de man met een hart of eenen aard—geaardheid—als

een wolf; men vergelijke Everaert, Everhard, Beernaert of Bernhard,

Leenaert of Leonhard, Ever- of Wildzwijnshart, Berenhart,

Leeuwenhart)—Wolfaert is weêr een van die echt Oud-Germaansche namen,

waaruit ons als een geur van bosch en heide tegenwaait, waaruit ons

verbeeldingen als van eenen krachtvollen, dapperen jagersman voor den

geest rijzen. De naamsstam wolf was oudtijds zeer veelvuldig tot het

vormen van vóórnamen in gebruik. Honderden namen, als Wolfaert, met

wolf samengesteld, zijn ons in oude oorkonden overgeleverd; een klein

deel daarvan (Wolfram, Wolfgang of Gangolf—’t is het zelfde—Godolf,

Geldolf, en enkelen meer) is tot in onzen tegenwoordigen tijd in ’t

leven gebleven. Nog heden is Wolfert, in misspelling Wolphert, onder de

Friezen als mansvóórnaam, zij het dan ook zeldzaam, in gebruik. En nog

heden strekt de naam Wolfaartsdijk, eigen aan een dorp in Zeeland, ten

bewijze, dat het een man was, die Wolfaart heette, welke eerst daar ter

plaatse eenen dijk legde, tot keering van het water der Schelde.

Volckrick. Ofschoon deze naam een oorbeeldig gevormde mansvóórnaam is,

en samengesteld uit twee naamsstammen die zeer menigvuldig voorkomen

(in Folkhart, Folkaert of Folkert, Folkwin—verlatijnscht tot

Folquinus,—Folkrad; en in Frederik, Heinrik, Rikaert of Richard,

Richaert), zoo is Folkrik toch geenszins een naam, die veelvuldig ons

is overgeleverd in oude geschriften, evenmin als hij heden ten dage,

ook niet in bijvormen of in plaatsnamen, veelvuldig in gebruik is.

Nevens Volckrick te Gent, bestaat de zelfde naam te Brussel nog als

Volckeryck. Maar anders is hij mij niet voorgekomen, noch bekend

geworden, bij het Nederlandsche volk.

Elleboudt. De naamsstam el of elle, van vele Nederduitsche vóórnamen

deel uitmakende (Elbert, Elwin, Elburga) is zoowel een versleten vorm

van edel, adel, athal, als een bijvorm van ala (Alaric, Alawic,

Alaswinde). Van welken oorsprong de naamsstam el is, in den Gentschen

maagschapsnaam Elleboudt, durf ik niet bepalen. De andere naamsstam

boudt, baut, bald of bolt is zooveel te duidelijker, en uit Baldowin,

Bauduin of Boudewijn, Arkenbout of Archimbald, Raginbald of Reinebout

welbekend. Nevens Elleboudt komt ook Hellebout als maagschapsnaam in de

Vlaamsche gewesten voor; vermoedelijk verschillen deze twee namen

slechts in schrijfwijze, maar in oorsprong niet. In oude Friesche

oorkonden vond ik nog den mansnaam Elbod, die misschien met den

Vlaamschen vorm Elleboudt eenzelvig is.

Ingelbrecht is weder een van die naamsvormen, waaruit de bijzondere

overeenkomst tusschen Oud-Vlaamsch en Friesch blijkt. Immers ook de

Friezen spreken het woord engel als ingel uit, en eveneens hunne, nog

in volle gebruik zijnde namen Engele (mansnaam) als Ingele, en Engeltje

(vrouwennaam) als Ingeltsje. In oude Friesche oorkonden komt ook

Ingelbrecht, Ingelbert en Ingelbaert (dit zijn alle drie slechts vormen

van eenen en den zelfden naam) geenszins zeldzaam voor. Nog heden

behoort Engelbrecht of Engelbert in Nederland en Duitschland tot den

schat van Oud-Germaansche mansnamen, aan die landen eigen, ofschoon hij

er al te zeldzaam nog aan knaapkens gegeven wordt.

Ook de Gentsche maagschapsnaam Allaert heeft in Friesland zijn weêrga,

in verschillende vormen. Even als Albert eene samentrekking is van den

volledigen naam Adelbrecht, en Beernaert voluit Bernhard is, zoo is ook

Allaert samengetrokken uit den vollen, oorspronkelijken vorm Adelhard

of Adelhart—in klank en vorm, en in beteekenis (edel van harte, edel

van aard), een zeer schoone naam. Allart en Allard, nog meer versleten

als Allert, en nog meer verbasterd als Aldert, behoort nog heden in

Friesland tot de gebruikelijke mansnamen. Daarvan afgeleid zijn de

vrouwennamen Allertje en Aldertje—voluit Adelharda—en de geslachtsnamen

Aldertsma en Alderts nog in leven; en Allerda en Allertsma,

uitgestorven. In Groningerland leven nog heden de geslachtsnamen

Aldringa (oorspronkelijk voluit Alderdinga, Adelhardinga), mede een

Oud-Friesche patronymicale vorm; Aldersma, Aldershoff. En in

Oost-Friesland bestond oudtijds eene maagschap die den naam Aldersna

(mede een Oud-Friesche tweede-naamvalsvorm) droeg. Aldring

(oorspronkelijk voluit Alharding, Adelharding) is aan eene Engelsche

maagschap eigen; en Aldrink, Alderden, Alderding, Alderse, Allerding en

Allerts komen nog heden in Holland en andere Noord-Nederlandsche

gewesten voor. Ook aan sommige plaatsnamen heeft de mansnaam Adelhart

oorsprong gegeven. Zoo is Allertsoog (de Friezen spreken en schrijven

Allertseach) de naam van een huis onder Bakkeveen in Opsterland,

Friesland; Allerda-sate heet eene boeren-hofstede te Ternaard in

Friesland; Aldersma-heerd is eene boeren-hofstede te Esinge in

Groningerland; Aldringa-borg is een adellijk huis te Haren in

Groningerland; Aldershem is de oorspronkelijke naamsvorn van het dorp

Oldersum in Oost-Friesland; Aldrington ligt in Sussex, Engeland;

Aldringham eindelijk is de oude, middeleeuwsche naamsvorm van een dorp

in Artesië, Frankrijk, dat heden ten dage als Audrehem bekend is.

Van Hombrecht is niet zoo veel mede te deelen als van Allaert, al is

het dat deze naam nog heden een koningsnaam is, te weten van Humbert

(de Italianen zeggen en schrijven Umberto), den koning van Italië,

dezer dagen zoo gruwelijk vermoord. Een Oud-Germaansche naam, als ieder

andere der Gentsche maagschapsnamen, in deze groep vermeld, is

Hombrecht of Humbert zeker. Maar het schijnt, dat hij nooit veelvuldig

en algemeen bij de verschillende volken van Germaanschen bloede in

gebruik is geweest. Onder de Friezen, die anders juist zoo menigen

Oud-Germaanschen naam, tot op den dag van heden, in eere en gebruik

gehouden hebben, komt hij nooit meer voor; slechts eenmaal is mij een

man, met den naam van Humbert, in eene oude Friesche oorkonde te voren

gekomen. In Duitschland bestaat hij nog in den plaatsnaam

Humbrechtshausen, de naam van een gehucht bij het dorp Rügheim in

Frankenland, Beieren.

De geslachtsnaam Godtschalk vertegenwoordigt een der bijzonderste, en,

wegens zijne beteekenis, een der schoonste Oud-Germaansche

mansvoornamen. Immers, deze naam beteekent Gods knecht, of dienaar van

God, naardien het oude woord schalk, dat heden ten dage slechts weinig

meer bij het Nederlandsche volk bekend en in gebruik is, en dan nog

door verloop van beteekenis, guit of grappenmaker beduidt,

oorspronkelijk de beteekenis had van knecht, dienaar. In ons woord

maarschalk, dat heden ten dage de naam is van een hoog ambt in de

krijgsmanswereld, maar dat oorspronkelijk beteekende paardeknecht,

dienaar die met de zorg over de paarden was belast, is dit woord schalk

nog overig. Zoo mede in den plaatsnaam Schalkwijk (dat is de wijk, het

oord, het gedeelte van een dorp of stad, waar de schalken, de knechten,

hunne afzonderlijke woonstede hadden), die eigen is aan een gehucht bij

Haarlem, en aan een dorp in het gewest van Utrecht. Deze dorpsnaam

wordt in de dagelijksche volksspreektaal verbasterd tot Schaik, en

heeft oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen van Schaik, van Schayk,

van Schayck. Ook is de naam van de Schalkesteeg in de stad Utrecht, aan

dit zelfde woord ontleend. Onder de Oud-Nederlanders in Zuid-Afrika is

Schalk nog als een mansvóórnaam in gebruik.

Een soortgelijke naam als Godsschalk is nog Godswin, die in zijne

samentrekking als Goossen op bladzijde 162 hiervoren nader besproken

is, en Godsfriund of Godsfrjeon, een Friesche naam, overeenkomende met

Gods vriend in het algemeen Nederlandsch, en die in de zestiende eeuw

nog door Friesche mannen, geenszins zeldzaam, als doopnaam werd

gedragen. Ook Godsskalk was in de middeleeuwen onder de Friezen een

tamelijk algemeene naam. De Friesche vleivorm van Godsskalk is Goasse

(Gosse). Heden ten dage is de volledige naam Godsschalk bij de Friezen

en ook bij de overige Nederlanders nog maar weinig als mansvóórnaam in

gebruik; maar de vleivorm Gosse wordt nog steeds door menigen Fries

gedragen. Ook leeft de volle naamsvorm nog in den naam van het gehucht

Godsschalksoord (veelal als Goidschalxoord misschreven), gelegen bij

het dorp Heinenoord, in Zuid-Holland.

Ten slotte; van den Oud-Germaanschen mansnaam Geldolf, die almede onder

de hedendaagsche Gentenaren nog als maagschapsnaam leeft, is niet veel

mede te deelen. Hij is samengesteld uit de naamsstammen geld en olf.

Deze eerste stam, ook als gild en oorspronkelijk als gald voorkomende,

maakt ook deel uit van de namen Geldhard en Geldheri, die als Geldert

en Gelder nog heden in de noordelijke Nederlanden als mansvóórnamen

voorkomen, zij het dan ook zeldzaam. De tweede mansstam olf is het

woord wolf, het bekende roofdier. Bij de behandeling van den naam

Wolfaert, op bladz. 166 hiervoren is deze naamsstam reeds vermeld.

Eene opmerking, die telkens en telkens weêr opkomt in de gedachten, als

men Vlaamsche namenkunde beoefent, is deze: dat er zulk eene groote

overeenkomst, zulk eene aanmerkelijke overeenstemming, zulk eene

bijzondere eenvormigheid bestaat tusschen de Oud-Vlaamsche en de

Oud-Friesche namen—eene gelijkheid, die zoo groot is, dat ze zich als

’t ware opdringt tot een bewijs van den Frieschen oorsprong van een

aanmerkelijk deel des Vlaamschen volks.

Studiën in Nederlandsche Namenkunde · 第 16 / 26 题