EEN ONAANGENAME ONTMOETING.

Nog eenige dagen bleef het schip op dezelfde plaats liggen; de koopman

behoefde geen haast te maken, daar de markt nog lang niet begonnen

was. Alewijn stond dikwijls op het dek en keek naar de voorbijgangers

op den weg, en naar de vaartuigen op de rivier.

Op een morgen, den dag, voordat het schip vertrekken zou, zei een

der opvarenden tot zijn metgezel, die de rol van kok vervulde:

"Hoe is het, zou je het ontbijt maar niet gereed maken?

"Ja, maar ik weet niet, of er wel veel meer te ontbijten is."

"Kom, wat praat je nu? Niet veel meer te ontbijten, en dat schaap dan,

dat Steven twee dagen geleden gekocht heeft; dat kan nog niet op zijn."

"Jongen, daar zeg je zoo wat; dat kon ik wel gereed maken; alleen...."

"Nu, wat wou je zeggen?"

"Ik heb geen hout meer. Kun jij niet even aan wal gaan, om wat

te halen?"

"Neen, onmogelijk, ik moet het zeil wat opknappen, dat een weinig

gescheurd is. Maar loop jij zelf even."

"Ik kan geen twee dingen te gelijk doen; ik moet het vleesch afsnijden

en schoonmaken en de potten nazien."

"Op zoo'n manier krijgen we niets te eten."

"Ik kan er niets aan doen; als je eten wilt, moet je er ook wat voor

over hebben."

Alewijn hoorde het gesprek en was blij, dat hij gelegenheid had,

zijn metgezellen van nutte te zijn.

"Wil ik even gaan?"

"Wel ja, als je lust hebt. Wacht, dan zal ik je een mes geven. Kom

je gauw terug?"

"Nu, dat weet ik niet. Die taaie twijgen daar aan den oever lijken me

niet heel geschikt toe, en ik moet zeggen, dat er dicht in de buurt

niet veel bosch te zien is."

"Daar heb je gelijk in: nu, zie dan, dat je zoo gauw mogelijk wat hebt;

deze baas hier rammelt van den honger."

Alewijn verliet het schip en ging den oever langs in de richting van

een boschje, dat hij in de verte ontdekt had. Tot zijn genoegen zag

hij, dat zich hier dun hout in overvloed bevond. Het boschje stond

ongeveer honderd schreden van den weg af. Alewijn verliet dus het pad,

stak het grasland over en was al spoedig druk aan den arbeid. Toen

hij een flinken bundel bijeen had, wilde hij terugkeeren, maar nu keek

hij rond, of er geen twijgje te zien was, geschikt om er den takkenbos

mee te binden. Toevallig zag hij op den weg twee mannen voorbijgaan.

"Wacht," dacht Alewijn, "die hebben misschien een touwtje of zoo iets

bij zich. Ik kan het hun best even vragen." En, zonder zich langer

te bedenken, verliet hij het boschje. Toen liep hij naar den weg en

riep de mannen aan, in de hoop, dat ze even zouden blijven staan.

Het scheen echter, of ze zoo druk in gesprek waren, dat ze van zijn

geroep niets hadden gehoord; daarom versnelde Alewijn zijn schreden, en

riep, toen hij hen op korten afstand genaderd was, voor de tweede maal.

Beiden keken om, maar in plaats van hen om een touw te vragen, bleef

Alewijn verschrikt eenige oogenblikken staan en staarde met groote

oogen voor zich uit.

En de beide mannen waren niet minder verbaasd dan hij: "Daar heb je

warempel den gevlogen vogel. Hoe komt hij nu hier?"

Het waren twee mannen van heer Diederik, die Alewijn achtervolgd

hadden, maar natuurlijk vruchteloos hadden gezocht.

"Nu mag hij ons toch niet ontsnappen," zei een van beiden, toen hij

zag, hoe Alewijn, zonder zich lang te bedenken, rechtsomkeert maakte,

en wegliep, zoo hard hij kon, dadelijk door de anderen gevolgd.

Alewijn kon gelukkig hard loopen, en hij was al spoedig een flink

eind voor. Eerst was hij van plan, zijwaarts het veld in te vluchten,

maar hij begreep, dat dit niet het verstandigste zou zijn, daar hem

dan allerlei hindernissen in den weg konden komen. Daarom bleef hij

het pad volgen; hierdoor liep hij echter zijn ongeluk tegemoet.

Want de mannen, die hem op de hielen zaten, waren niet alleen:

zij werden door een groot gezelschap gevolgd. En bij dit gezelschap

behoorde niemand minder dan heer Diederik zelf. De jongen merkte hen,

helaas, eerst op, toen hij op een bocht van den weg, waar een boschje

de reizigers voor zijn oog verborgen had, eensklaps voor hen stond.

Nu was Alewijn wel gedwongen, het veld in te vluchten en hij deed

het ook dadelijk, maar 't was te laat. Hier hielp geen hard loopen aan.

De heer, opmerkzaam geworden door het geschreeuw en Alewijn dadelijk

herkennende, beval eenigen van zijn volgelingen, eveneens aan de jacht

mee te doen. Zoo was de arme jongen spoedig ingehaald, gegrepen, en,

hoe hij zich ook verzette, bij heer Diederik gebracht.

Het zal geen verwondering wekken, dat de edelman niet voor den

tweeden keer van plan was, den lastigen lijfeigene genadig te

behandelen. Integendeel, hij wilde korte metten maken en vroeg aan

zijn bedienden: "Wie heeft er een flink touw bij zich; dan zullen we

hem maar aan den eersten den besten boom opknoopen."

Het was Alewijn angstig te moede; het scheen wel, of het ongeluk hem

nu altijd moest achtervolgen. Hoe dicht was hij nu niet bij zijn doel

geweest, en toch zag hij zich opeens onherroepelijk verloren.

Want ditmaal scheen er voor hem in het geheel geen kans op, dat hij

den dans weer zou ontspringen. Reeds kwam een der mannen met een

valschen lach op het gezicht aanloopen en liet een stevig stuk touw

zien. Het meeste ergerde Alewijn zich nog, omdat die man pleizier

scheen te hebben in het ongeluk van iemand, die hem toch nooit wat

in den weg had gelegd. Maar de slavernij maakt de menschen ruw en

hardvochtig, en Alewijn had al meer dan eens kunnen opmerken, hoe die

lieden vaak in kwaad doen hun vermaak vonden. Slechts zelden was hem

vriendschap bewezen, bijna nooit had hij een hartelijken toon tusschen

de lijfeigenen vernomen.

Zoo zou het dan met zijn leven gedaan zijn en Alewijn, die zag, dat

er toch niets aan de zaak te veranderen was, beproefde zich in zijn

ongeluk te schikken en zorgde, niets te laten merken van wat er in

hem omging.

Toch liep het ook dezen keer nog goed voor hem af, want, toen heer

Diederik, rondkijkende, een fermen boom scheen uit te zoeken, die

sterk genoeg was, om een weggeloopen lijfeigene aan op te hangen,

sprak een ridder, die naast hem reed: "Zeg eens, waarde zwager,

zou je daar nog niet wat mee wachten?"

Alewijn voelde een flauwe hoop in zich opleven, maar hij verwaardigde

zich niet, den spreker een dankbaren blik toe te werpen, want hij wist

heel goed, dat de ridder niet uit medelijden gesproken had. Het zou

spoedig blijken, dat hij goed gezien had. Toen heer Diederik vroeg:

"Waarom?" antwoordde de edelman: "Neem hem liever mee, dan kan je hem

op het kasteel op je gemak een geduchte straf toedienen en zoodoende

een waarschuwend voorbeeld stellen aan allen, die soortgelijke kuren

in hun hoofd mochten hebben."

Heer Diederik dacht even na. Hoe onverschillig Alewijn ook voor zich

zag, toch voelde hij zijn hart kloppen: zoo lang hij nog leefde,

had hij hoop, te kunnen ontvluchten, op het oogenblik echter, dat de

heer hem zonder complimenten liet ophangen, was het natuurlijk voor

goed uit. Lang heerschte er een pijnlijk zwijgen.

Weer wendde de edelman zich tot zijn zwager: "Dat is nu toch al de

derde keer dit jaar."

"Zooveel te meer reden, om een flink voorbeeld te stellen."

"En wat het vervelendste is: als ze ontsnapt zijn, zie je ze later

soms in Utrecht vrij rondloopen. Dat moest noodig veranderd worden."

"Doe er maar eens wat aan."

"Ik ben toch blij, dat we dezen snuiter te pakken hebben gekregen;

hij was zoo vriendelijk, ons recht tegen het lijf te loopen. Het leek

mij eerst nog al een kalme jongen toe."

"Dat soort is dus het minst te vertrouwen. Maar om op de straf terug

te komen, ik geloof stellig, dat het hoogstnoodzakelijk is, een goed

voorbeeld te stellen."

"Het kan zijn, dat je gelijk hebt. Als hij me onderweg maar niet

ontsnapt."

"Zoo je hem goed laat bewaken, zal hij dit wel laten."

Alewijn was dus vooreerst van den dood gered, maar dit diende slechts

om hem later gruwelijker straf te bezorgen.

Toch was hij blij met dezen afloop, want hij gaf de hoop niet op,

dat een gelukkig toeval hem redden zou. Hij nam zich tenminste alvast

voor, naar alle kanten goed uit te kijken en van de eerste de beste

goede gelegenheid gebruik te maken.

Het gezelschap zette de reis voort. Alewijn liep, geboeid en wel,

tusschen twee welgewapende mannen in, die in last hadden, den gevangene

goed te bewaken en hem bij de minste poging tot ontvluchten dood te

slaan. Deze bedreiging was voldoende, om Alewijn rustig voort te doen

stappen. Hij keek bedaard voor zich uit, maar wierp, toen men op de

plaats gekomen was, waar het schip lag, tersluiks een blik zijwaarts.

Toen Alewijn zoo lang wegbleef, keken de opvarenden naar hem uit. Maar

nergens was een spoor van den jongen te ontdekken.

De koopman had er toch allerminst vermoeden van, dat zijn jonge vriend

meeging met den troep reizigers, die daar den weg naar Utrecht volgden.

Eindelijk kon men niet langer wachten. Het schip moest vertrekken

en in de hoop, dat men den verloren zwerveling in Utrecht weer zou

ontmoeten, zeilde de schipper de rivier verder af.

Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e eeuw · 第 34 / 38 题