De wind was fel opgestoken, toen Alewijn na een vermoeienden marsch
aan de oevers der rivier uitrustte.
Droomend staarde hij naar de witte golven, die schuimend voorbij
gingen.
Eindelijk stond hij op: 't was te koud om langer te blijven zitten. Het
gure weer dwong hem, een schuilplaats tegen den nacht te zoeken.
Nog eenmaal liet hij zijn blik gaan over de woelige watervlakte.
Plotseling werd zijn aandacht getrokken door een schip, dat snel
naderde. De harde wind had het groote zeil bol geblazen; één man stond
achter aan de linkerzijde van het schip en had den stuurriem ter hand,
terwijl twee anderen ijverig in de weer waren.
Met groote belangstelling stond Alewijn het vaartuig te bekijken;
nog eenige oogenblikken en het zou hem voorbijvaren.
Daar deed een rukwind het roer omslaan; de stuurman kon zich niet
langer op de been houden en plotseling lag hij in het woeste water
te spartelen.
De beide makkers bemerkten het ongeluk en haastten zich, om het schip
zijn vaart te doen inhouden. Terwijl de eene het zeil wilde laten
zakken, begaf de ander zich naar den achtersteven.
Te laat.
Reeds had de wind het vaartuig een heel eind voortgejaagd, reeds was
de afstand tusschen schip en drenkeling zoo groot geworden, dat er
aan redden niet te denken viel.
De arme man scheen verloren; hij bleek een slecht zwemmer te zijn en
worstelde vruchteloos met de krachtige golven.
Alewijn, die eerst werkeloos had toegekeken, nieuwsgierig, hoe alles
zou afloopen, begreep weldra het groote gevaar en aanstonds was zijn
plan gemaakt.
Zonder zich lang te bedenken, trok hij zijn buis uit. Toen sprong
hij te water.
Dat was nog eens zwemmen!
Zware golven klotsten langs en over den moedigen jongen heen,
herhaaldelijk werd hij uit den koers geworpen. Maar de koene zwemmer
liet zich niet afschrikken.
Met forsche slagen doorkliefde hij het water, onverpoosd werkte hij
tegen stroom en golven.
Zoo ging hij regelrecht op het doel af.
't Was hoog tijd.
Wel spartelde de drenkeling nog wat, maar zijn krachten raakten
uitgeput; het oogenblik was niet verre meer, dat men hem voorgoed
zou zien verdwijnen.
Herhaaldelijk riep hij om hulp.
Maar het schip was ver weg, de opvarenden hadden het niet kunnen
draaien: nu naderde het den oever.
Onophoudelijk klonk het angstige hulpgeschrei. Voort zwom Alewijn,
hijgend en zich meer en meer inspannend. Eindelijk schreeuwde de
drenkeling niet meer; zijn krachten hadden hem begeven; voor en na
spoelden golven over hem heen.
Plotseling greep een forsche hand hem bij den arm; de man voelde het
en klemde zich in zijn doodsangst aan het lichaam, dat zoo dicht bij
hem was.
Vruchteloos poogde Alewijn zich los te wringen uit den knellenden
greep. Helaas, hij scheen zijn menschlievendheid met den dood te
moeten bekoopen.
Want de drenkeling hield hem zóó vast, dat Alewijn zich haast niet
kon bewegen. Ternauwernood bleef hij boven water; laat staan dus,
dat hij de kracht bezat, om zich naar den oever te begeven.
Zoo dreven beiden met den stroom mede.
Maar de hulp was nabij.
Want de makkers van den schipper zagen het gevaar. Toen Alewijn
zoo krachtig voortzwom, meenden ze het reddingswerk wel aan hem te
kunnen overlaten; toen echter zijn krachten blijkbaar te kort schoten,
aarzelden ze niet.
't Was een edele wedstrijd tusschen hen. Wie van beiden zou het eerst
den ongelukkige bereiken?
Alewijn hoorde het geroep, dat de hulp aankondigde; hij verdubbelde
zijn pogingen; hij spande alle krachten in en--smaakte de voldoening,
zich boven te houden, tot de redding nabij was.
Stevig greep men hem en den drenkeling vast, en eindelijk hadden
allen den vasten wal en niet lang daarna het schip bereikt.
Het kostte niet weinig moeite, Alewijn te bevrijden uit den greep
van de vingers, die hem vasthielden. Eindelijk gelukte het toch.
De anderen wisten den bewusteloozen drenkeling spoedig bij te
brengen. Alewijn zag, hoe ze hem uit alle macht begonnen te wrijven
en te rollen. Ten laatste kwam de krachtige man bij en het duurde
niet lang, of hij was weer zoo gezond als een visch.
Alewijn kreeg droge kleeren: kousen, een tot aan de knieën reikende
broek en een buis en, al mochten ze hem wat te groot zijn, hij voelde
er zich na het koude bad aangenaam warm in.
Toen hij in een klein vertrekje aan boord van het schip zat, gaf
de geredde, die de eigenaar was, hem de hand, zeggende: "Jongen,
ik dank je nog wel."
Verlegen als hij was, wist Alewijn niets te zeggen. Maar het behoefde
ook niet, want de schipper praatte door.
"Zonder jou lag ik nu op den bodem van de rivier. Hoe kan ik je een
bewijs van mijn dankbaarheid geven?"
Alewijn verlangde geen belooning en sprak van vertrekken, maar daar
kwam niets van in.
"Wou je heengaan? Volstrekt niet. Je blijft mijn gast. Of heb je daar
bezwaar tegen?"
Bezwaar? Alewijn zou weigeren, in een vriendelijk, warm vertrekje,
bij goede, hartelijke menschen den avond door te brengen?
Stamelend antwoordde hij dus, dat hij het na zijn langen, vermoeienden
tocht en de inspannende zwempartij heerlijk vond, als hij nog wat
blijven mocht.
"Welnu, praat dan vooreerst niet meer van heengaan. Komaan, drink
een kruik bier. Durf je niet goed? Kijk dan maar naar mij. Ik moet
van den schrik eens goed bekomen."
Dankzij de vriendelijke behandeling, voelde Alewijn zich meer en meer
op zijn gemak.
Hij bracht bij den goeden gastheer aangename uren door.
't Was een man van vijf en dertig jaar, met blonden baard en kleine,
slimme oogen, die tegelijk heel goedig rondzagen.
Als koopman reisde hij op een schip een deel van Europa door. Nu
had hij een lading zijde en andere kostbare stoffen, van Oostersche
kooplui afkomstig, aan boord.
Het doel der reis was de groote koopstad Utrecht. Daar hoopte de man
zijn waren met goede winst van de hand te doen.
Viermaal in het jaar werd te Utrecht groote jaarmarkt gehouden. Van
alle kanten kwamen dan reizigers de stad bezoeken. Boeren en edellieden
uit den omtrek, maar ook vreemdelingen, uit Frankrijk, Duitschland,
Engeland, ja zelfs Russen en Noren, brachten waren, of hoopten inkoopen
te doen.
In gewone tijden reeds heerschte er in de welvarende koopstad druk
vertier, maar op zoo'n marktdag woelde en krioelde een dichte menigte
in de straten.
En ook op de wegen, die naar Utrecht voerden, was het buitengewoon
levendig.
Alewijn had daar nog weinig van gemerkt. Wel waren hem meer dan eens
ruiters, voetgangers en wagens voorbijgegaan, maar op den dag, dat
hij met den schipper kennis maakte, moest de groote drukte nog komen.
De koopman had een voorspoedige reis gehad en was vrij wat vroeger
in de nabijheid van Utrecht gekomen, dan hij wel had durven hopen.
Zijn handelsondernemingen hadden hem rijk gemaakt en dit moedigde
hem aan, telkens grooter reizen te doen. Zoo zag hij een groot deel
van de wereld, zoo wist hij ook, als hij op zijn gemak zat, daar heel
wat van te vertellen. Is het wonder, dat Alewijn, die nog zoo zelden
een vriendelijke bejegening genoten had, recht in zijn schik was bij
het gul onthaal? Maar als hij zijn erkentelijkheid wilde betuigen,
legde de koopman hem met een vriendelijk gebaar het zwijgen op.
"Het is aan mij, je te bedanken. Zonder jouw hulp was ik stellig
verdronken en ik wil je wel vertellen, dat het mij veel genoegen doet,
den dans ontsprongen te zijn. Als ik je dus met woorden mijn dank te
kennen wilde geven, zou ik den geheelen avond werk hebben. Maar ik houd
er niet van, met ijdel gezwets te schermen en doe liever wat. Komaan,
ik heb je iets van mijn reizen verteld, verhaal jij me op jouw beurt,
hoe je hier komt en wat je plan is."
Toen hij echter zag, dat Alewijn wat verlegen werd en blijkbaar niet
goed wist te beginnen, voegde de vriendelijke man er bij: "Als je
liever zwijgt, doe je maar, of ik niets gevraagd heb. We blijven er
even goede vrienden om."
Gelukkig boezemde de koopman Alewijn genoeg vertrouwen in, om hem
zijn ontvluchting en de reden er van mee te deelen. Toen de eerste
verlegenheid voorbij was, begon de jongen en weldra zat ook hij
druk te vertellen. Hij vond in zijn nieuwen kennis een aandachtig
toehoorder. Herhaaldelijk toonde de man door een gebaar of door een
uitroep, hoe hij belang stelde in de geschiedenis. En toen Alewijn zei,
dat hij Utrecht wilde zien te bereiken, knikte de koopman goedkeurend:
"Ferm zoo, je hebt gelijk; dat is beter, dan je geheele leven in
slavernij te zuchten."
Intusschen was het donker geworden en daarom verzocht de gastheer zijn
jongen redder, des nachts op het schip te blijven. Alewijn deed het
zeer gaarne. De kennismaking scheen beiden zeer goed te bevallen. Toen
de jongen den volgenden ochtend dan ook voor de gastvrijheid bedankte
en afscheid wilde nemen, zei de koopman: "Hoe is het? Zou je geen
lust hebben, de reis met mij te maken?"
Men kan begrijpen, hoe dankbaar Alewijn voor dit aanbod was; het leven
op het schip wekte in hooge mate zijn belangstelling en de koopman
behandelde hem zoo hartelijk, alsof zij al lange jaren vrienden waren
geweest. Bovendien liep de jongen in het geheel geen gevaar meer,
in handen van zijn vervolgers te vallen: hij voelde zich nu zoo vrij
als een vogel.