Een der kelders van het kasteel was de gevangenis. Het donkere,
kille hok met zijn zware gewelven, slechts schaars verlicht door een
luchtgat, was wel in staat den binnentredende een huivering door
de leden te jagen. De beklemmende indruk werd nog verhoogd door
den aanblik van de strafwerktuigen: den geeselpaal, den vuurpot en
het brandijzer. Is het wonder, dat Alewijn, toen hij zijn gevangenis
binnentrad, over zijn geheele lichaam rilde en in de deur bleef staan,
zoodat zijn geleiders hem met geweld naar binnen moesten duwen?
De kille, dompige lucht, de halve duisternis, de eenzaamheid,
maar vooral de aanblik van die vreeselijke werktuigen brachten over
Alewijn een gevoel van verlatenheid, van donkeren weemoed zoo groot,
dat hij hopeloos zich op een grooten steen liet neervallen en daar
langen tijd met het hoofd in de handen bleef zitten.
Hier, in het donker alleen zijn, ging hij in zijn gedachten het
verleden langs: hij herinnerde zich weer het ouderlijk huis, zijn
makkers, maar zoodra hij opkeek, werd hij plotseling weer in het
ellendige heden verplaatst. Wat was het toch plotseling gekomen, zoo
plotseling, zoo onverwacht, dat hij soms de verschrikkelijke waarheid
niet kon gelooven. Ach, hij moest het wel gelooven: die grijze muren,
die in hun dikke zwaarte hem een gevoel gaven, of het gewicht van
het heele kasteel op hem drukte, die ketting, die galg, alles zei het
maar al te duidelijk. In zijn verlangen, om zich tegen die verlammende
gewaarwordingen te verzetten, keerde hij zich af, drukte zijn handen
tegen de oogen, maar telkens, telkens weer werd zijn blik als door
een geweldige kracht tot de verschrikkingen om hem heen getrokken.
Hij ging staan en begaf zich naar den kant, waar het luchtgat zich
bevond, om tenminste een stukje van den blauwen hemel te zien,
maar bij het gaan stootte zijn voet tegen een ijzeren brandtang,
die rinkelend op zij schoof, en dit geluid joeg hem opnieuw een
koude huivering door de leden. Geheel ontdaan en terneergeslagen,
liet hij zich tegen den muur vallen. Hij drukte zijn hoofd tegen den
killen wand en sloot zijn oogen, om toch maar niets te kunnen zien,
niets dan de donkere duisternis om hem heen.
Zoo had hij geruimen tijd gestaan, toen de deur knarste. De man,
die binnenkwam, keek de gevangenis rond, maar hij zag niets; eerst
toen zijn oog aan de halve duisternis gewend was, ontdekte hij den
armen Alewijn.
Gevoelde hij medelijden met den gevangene? Was hij zachter van aard
dan de meeste zijner tijdgenooten?
Geen oogenblik toch kwam het in hem op, den ongelukkige, die zich
aan zijn droefheid overgaf, te bespotten.
Zijn stem was zacht, toen hij beval: "Je moet mij volgen naar den
heer."
Maar Alewijn hoorde het niet.
Nu trad de gevangenbewaarder op den knaap toe, raakte zijn schouder
even aan en herhaalde, een weinig luider, het bevel.
De arme jongen schrikte en keek verward om zich heen, als begreep
hij niet, wat men van hem wilde.
Geduldig noodigde zijn bewaker hem voor den derden keer uit, mee te
gaan en nu stond Alewijn op, waarna hij zwijgend den ander volgde.
Het korte verblijf in den somberen kerker had hem versuft.
Buiten gekomen, leefde hij wat op door den weldadigen invloed van het
vriendelijk daglicht, maar slechts voor korten tijd; want de gedachte
aan de droevige waarheid maakte hem neerslachtiger dan te voren.
Heer Diederik nam Alewijn terstond in verhoor.
't Waren pijnlijke oogenblikken, die de jongen in de spreekkamer
van den edelman doorbracht. Liegen wilde hij niet, maar evenmin kon
hij er toe komen, alles te bekennen; zoo groot was zijn verlangen,
om den schat te behouden.
De verlegenheid, waarvan Alewijn blijk gaf, versterkte den edelman
in het vermoeden, dat hij met een misdadiger te doen had. Toen
er niet spoedig een bekentenis kwam, begon hem de zaak duchtig te
vervelen. Een flinke geeseling, meende hij, zou de waarheid wel aan
het licht brengen.
Een rilling ging Alewijn door de leden, toen hij de wreede uitspraak
vernam. Smeekend keek hij den gestrengen heer aan; hij wilde nog wat
zeggen, maar de trotsche edelman achtte het beneden zich, nog meer
tijd aan een verachtelijken slaaf te besteden.
Reeds hadden de dienaren bevel ontvangen, den gevangene weg te voeren.
In den killen kelder bleef hij niet lang alleen.
Weer knarsten de roestige scharnieren van de deur en er traden twee
lijfeigenen binnen, elk gewapend met een zweep, van harde knoopen
voorzien.
Alewijn kreeg bevel zich te ontkleeden.
Maar nu bood hij weerstand. Vrees voor de pijn, maar niet
minder de vurige begeerte om het geld te behouden, gaven hem
reuzenkrachten. Wanhopig worstelde hij, maar ach, een strijd van één
tegen twee kon niet lang onbeslist blijven. Ten laatste lag Alewijn
machteloos en hijgend op den grond en nu rukten zijn beulen hem de
kleeren af.
Hierdoor kwam tot hun groote verrassing het geld voor den dag.
Een geeseling scheen overbodig. Heer Diederik werd met de ontdekking in
kennis gesteld en men wachtte af, wat de edelman er wel van zou zeggen.
Voor de tweede maal moest Alewijn in de spreekkamer van het kasteel
komen, voor den tweeden keer onderging hij de marteling van een
pijnlijk verhoor.
Er werd hem rekenschap gevraagd. Hij moest zeggen, waar dat geld
vandaan kwam.
Alewijn stond bedremmeld. Hij wist niets te antwoorden. Wat zou het ook
baten, of hij al verzekerde, dat de schellingen op een eerlijke wijze
in zijn bezit zijn gekomen. En alles bekennen, wat er tusschen hem
en den jonker was voorgevallen, dat nooit! Daarom bleef hij zwijgen.
Bevend wachtte hij zijn vonnis af.
De edelman zat na te denken. Hij vond het een vreemd geval. Voor zoover
hij wist, had er geen diefstal plaats gehad. Het ging toch niet aan,
iemand te straffen voor een misdaad, die niet eens begaan was.
Daarom besloot hij ten leste, de zaak nog eens aan te zien. Hij gaf
bevel, den gevangene een ferme geeseling toe te dienen, maar liet
hem toch in leven. Naar zijn geld behoefde de arme jongen niet meer
om te zien.
In het eerst was Alewijn ten zeerste verrast door deze uitspraak. Hij
vroeg zich herhaaldelijk af, aan welke oorzaak hij dien gelukkigen
afloop van de zaak had toe te schrijven.
Spoedig echter maakte de vreugde plaats voor neerslachtigheid. Het
verlies van zijn geld was hem erger dan de dood. Want wat beteekende
op zich zelf het ellendig leven van een slaaf?
Voorheen bezat Alewijn nog iets om aan te denken en dit was nu heen.
Zoo verzonk hij in een somber peinzen.
Met loome schreden volgde hij den bewaker naar den kerker. De eerste
geeselslag deed hem opschrikken.
Een rauwe kreet klonk tusschen de gewelven, het touw striemde den
naakten rug en liet roode streepen achter.
Onbarmhartig geeselden de meedoogenlooze beulen hun rampzaligen makker,
die kermend ineenkromp onder de brandende pijnen.
Toen de strafoefening was afgeloopen, liet Alewijn zich op een steen
neervallen, ten prooi aan de hevigste droefheid.
Sedert de scheiding van zijn familie had hij zich nog nooit zoo
verlaten, zoo rampzalig gevoeld.
Het ellendige slavenleven, de grievende straf, de kille omgeving,
alles werkte mee, om hem geheel terneer te slaan. Al sterker kwam
het verlangen naar vrijheid in hem op, naar heerlijke, lichte vrijheid.
Wakende bracht hij den nacht door; allerlei plannen kwamen en gingen.
Nu eens bonsde hij tegen den muur, alsof zijn krachten genoeg waren,
om dien te doen wankelen, dan weer beproefde hij aan den rand van
het luchtgat de steenen af te brokkelen.
't Waren jammerlijke, nuttelooze pogingen; de rotsharde muren spotten
met de armzalige kracht van zwakke menschenhanden.
Moedeloozer dan ooit, gaf Alewijn zich opnieuw over aan zijn smart
en barstte in woedend snikken uit.
Tegen den morgen werd hij kalmer; zijn tranen hadden hem verlicht en
nu was het hem mogelijk, weer kalm na te denken.
Alewijn peinsde en peinsde en eindelijk stond zijn besluit vast. Van de
eerste de beste gelegenheid wilde hij gebruik maken om weg te vluchten,
ver van de plaats der ellende.