Niet ver van den burcht woonde een boer, die tiendplichtig was aan
heer Diederik. Ook die landman had het druk met den oogst, zoo druk
zelfs, dat nog een groot deel van het koren op het veld stond, toen de
meeste werkzaamheden op de landerijen, die tot het kasteel behoorden,
reeds afgeloopen waren. Het weer bleef langen tijd gunstig, maar de
boer was er natuurlijk niet zeker van, dat het zoo blijven zou en
daarom zag hij uit naar rappe handen, die hem behulpzaam konden wezen.
Hierdoor kwam het, dat Alewijn en Hark, terwijl ze op een afgemaaid
hooiland stonden te harken, plotseling een stem achter zich hoorden:
"Hei, jongens, hoor eens even."
Beiden keken om en zagen den boer naderen, die dichtbij gekomen, sprak:
"Hebben jelui lust, mij met het inhalen van het hooi te helpen?"
Hark en Alewijn keken elkander aan. Hoewel ze nu niet bepaald op
overmatigen arbeid gesteld waren, schenen ze in dit geval wel zin te
hebben, aan de uitnoodiging van den boer te voldoen. Er was slechts
één bezwaar: "Zou heer Diederik het goedkeuren?" Mocht die er niets
tegen hebben, dan waren Hark en Alewijn wel tot helpen genegen,
want ze kenden den boer als een gul man en ze wisten dus, dat hun
bereidwilligheid geen windeieren zou leggen. Daarom gaven ze tot
antwoord, dat ze eerst de toestemming van heer Diederik moesten hebben.
"O, als het daarvan afhangt, weet ik al zeker, dat ik op jullie rekenen
kan. In zulke gevallen is heer Diederik altijd heel schikkelijk."
"Zou je denken? Dan geloof ik, dat je hem niet goed kent," meende Hark.
"Wees maar gerust. Nu, je zult het zien."
Het kwam uit, zooals de boer voorspeld had. De edelman maakte in
het geheel geen bezwaar; integendeel, hij vond het zeer goed, dat
zijn lijfeigenen, die op dat oogenblik toch niets te doen hadden,
aldus hun tijd nuttig besteedden.
Op den bepaalden dag trokken Alewijn en Hark dan ook naar den boer
en werkten ijverig mee, zóó ijverig zelfs, dat de man des avonds
herhaaldelijk zijn tevredenheid betuigde en hun een buitengewoon
goed loon uitbetaalde. Maar meer nog dan met dit loon, waren de
knapen verheugd over de uitnoodiging, om aan het tiendmaal deel te
nemen. Zoodra namelijk het oogsten afgeloopen was, moesten aan den heer
de tienden betaald worden, maar deze gaf dan aan zijn tiendplichtige
boeren een feest, het tiendmaal. Op dezen maaltijd nu waren de mannen
zeer gesteld, want de edelman schonk hun door groote mildheid de
gelegenheid, zich eens buitengewoon te goed te doen.
"Heb je lust, om aan het tiendmaal mee te doen?" vroeg de boer aan
de beide knapen.
Men kan gemakkelijk raden, wat ze antwoordden.
"Goed," zei de man weer, "ik zal mijn best doen, dat je daartoe
verlof krijgt; jullie hebt beiden zoo hard gewerkt, dat je wel een
pretje toekomt."
Hij hield woord ook, en toen eenige dagen later het feest op de
hoeve van een der tiendplichtige boeren gegeven werd, kwamen Alewijn
en Hark al tijdig, om mede van de partij te zijn. Reeds den dag te
voren was een lange tafel in gereedheid gebracht en dat de heer bij
deze gelegenheid niet karig was, bleek, toen hij bevel gaf, eenige
koeien te slachten en een paar tonnen bier uit den kelder te halen.
Oppervlakkig gezien, zou men denken, dat er wel te veel eten en drinken
was, maar heer Diederik kende de gasten en wist, dat ze, behalve een
opgeruimde stemming, ook een gezonde maag meebrachten op het feest.
Weldra ging het er lustig toe: eten, dat er gedaan werd, eten! Men zou
het haast een wonder noemen. Het eene stuk gebraden vleesch vóór, het
andere na, verdween in een ommezien. Daarbij werd het bier natuurlijk
niet vergeten, en toen tegen den middag de heer een kijkje kwam nemen,
merkte hij tot zijn genoegen op, dat men van zijn gulheid een dankbaar
gebruik wist te maken. Hij moest er hartelijk om lachen, toen hij
zag, hoe weer een reusachtig stuk vleesch in ongelooflijk korten tijd
verorberd werd. Dadelijk gaf hij bevel, nieuwe spijzen aan te laten
brengen; ieder gerecht werd begroet met gejuich, dat luider werd,
naarmate de feestvierenden meer bier hadden genoten.
Ook Alewijn, die zulk een feest nog nooit had bijgewoond, deed flink
mee aan de pret, en niet minder Hark, die een reusachtige maag scheen
te bezitten, want hij hield letterlijk niet op met eten. Toen het feest
gedaan was, begaven beiden zich in een recht genoeglijke stemming naar
huis. Alewijn had, om de waarheid te zeggen, meer bier gedronken dan
goed voor hem was; wel kon hij nog flink loopen, maar de bedaarde
jongen, die anders zoo voorzichtig was, gebruikte nu zijn verstand
niet meer en liet zich daardoor licht een woord ontvallen, dat hij
beter gedaan had met te verzwijgen. Dit zou zijn ongeluk veroorzaken,
en zoo had, zeer tegen verwachting, het tiendmaal voor Alewijn een
noodlottigen afloop.
Hark kon men namelijk niet vertrouwen. Alewijn wist dit wel en was
dan ook in de nabijheid van Hark zoo voorzichtig mogelijk geweest.
Onder den invloed van het zware bier scheen hij dezelfde kalme Alewijn
niet meer te zijn; lustig zingend liep hij naast Hark voort, en deze
deed dapper mee. Toen beiden uitgezongen waren, begon Hark:
"Heb je op dien Liebaart gelet; wat kan hij eten, hè? Ik geloof,
dat hij wel een halve ton bier opgedronken heeft."
"Dan is het geen wonder, dat hij zoo raar begon te doen. In het
laatst werd hij nog kwaad ook. 't Had weinig gescheeld, of er was
ruzie gekomen. Er is heel wat bier verdwenen."
"Ik heb mijn deel ook wel gehad."
"Toch mooi van heer Diederik, dat hij zoo gul is. Ik had het niet
van hem verwacht."
"Hij krijgt het anders gemakkelijk genoeg; zelf behoeft hij nergens
een hand voor uit te steken."
"Ja, je moet het geluk maar hebben. Wij kunnen sloven en hard werken
en hij....."
"Dat werken is nog 't ergste niet, maar dat zoo'n man zoo den baas
over je kan spelen...."
"O, ik vind dat slavenleven verschrikkelijk."
"Werd er nog maar eens een kruistocht gehouden, dan deed ik ook mee."
"Maar weet je wel, dat je dan veel kans had nooit terug te komen? Wat
had je dan aan je vrijheid?"
"Zeker weet ik dat, maar wat moet je anders? Als ik geld had, kon ik
me vrij koopen, maar daar is nu eenmaal geen denken aan."
"Wil ik je eens wat zeggen? Maar je moet het niet oververtellen."
"Wat is het dan?" vroeg Hark vrij onverschillig, want hij vermoedde
niet, dat er wat bijzonders zou komen.
"Ik heb geld."
"Dat zal wel."
"'t Is heusch waar. Wel zooveel, dat ik mij driemaal vrij zou kunnen
koopen."
Nu was de belangstelling van Hark toch opgewekt, hoewel hij nog half
geloofde, dat Alewijn hem voor den gek hield.
"Laat mij het dan eens zien."
"Ik heb het natuurlijk niet bij me."
"Waar heb je het dan?" Hark vroeg dit zoo haastig, en zijn oogen
keken zoo begeerig, dat Alewijn het antwoord nog bijtijds terug
hield. Plotseling zag hij in, welk een dwaasheid hij begaan had en
hij haastte zich dus, aan het gesprek een andere wending te geven:
"Kom, 't is maar gekheid."
Maar juist hierdoor verklapte hij alles, want Hark merkte zijn
verlegenheid op en begreep daardoor, dat er iets van waar was. Dit
wekte zijn nieuwsgierigheid en--zijn hebzucht.
"Zoo, zoo, mannetje," dacht hij, "nu weet ik meteen, wat jij laatst
moest uitvoeren, toen het heette, dat jij op snoek uit ging."
Zwijgend vervolgden Alewijn en Hark hun weg. De eerste was stil
geworden; hij deed zich zelf aldoor de bitterste verwijten, en Hark
overlegde, hoe hij op de beste manier Alewijns geheim zou kunnen
uitvorschen. Zoo kwamen ze in het kasteel terug. Hark was tot het
besluit gekomen, dat Alewijn zijn schat zeker ergens zou verborgen
hebben. Om de plaats er van te vinden, behoefde hij slechts zijn
makker in het oog te houden en hem ongemerkt te volgen, als hij weer
een uitstapje deed.
Intusschen vermoedde Alewijn, wat er in Hark omging en dit spoorde
hem aan, voorzichtig te wezen. Hoeveel moeite hem dit ook kostte,
hij keek de eerste dagen naar zijn geld niet om, maar Hark was het
gesprek niet vergeten en dacht: "Zoo'n oolijkerd, hij meent mij te
misleiden, maar dat zal hij anders gewaar worden."
Op een namiddag hield Alewijn het niet langer uit; hij wilde en moest
weten, of zijn geld er nog was, en op een oogenblik, dat hij zich
onbespied waande, verliet hij het kasteel en sloeg den weg naar de
plek in, waar hij den schat had verborgen. Tot zijn genoegen was er
op den weg, dien hij volgde, niemand te zien. Gedurig keek hij om,
maar alles scheen veilig te zijn. Toch was dit niet zoo. Hark, de
brutale, valsche Hark had opgemerkt, dat Alewijn zoo omzichtig de
poort uitging en dadelijk ging hem een licht op. Aanstonds liet hij
de varkens, die hij bezig was te voeren, in den steek en begaf hij
zich niet naar buiten, maar de trap van een der torens op. Door smalle
luchtgaten kon hij het heele veld overzien en na eenig zoeken ontdekte
hij weldra Alewijn, die, zoo nu en dan omkijkende, het land over ging.
"Nu maar eens goed opgelet, waar dat heengaat," dacht Hark en na
eenig wachten zag hij tot zijn groote vreugde, hoe Alewijn zich bukte,
toen weer rondkeek en daarna in den grond begon te graven.
"Heel slim is hij toch niet," vond Hark; "wij zullen er wel een
beter plaatsje voor uitzoeken." Toen Alewijn eenige minuten later
terugkeerde, daalde Hark weltevreden de trap af, maar overtuigde
zich eerst, of hij de plek, waar het geld verborgen scheen te zijn,
zou kunnen vinden.
De nieuwsgierige Hark had niet veel geduld, en met verlangen zag hij
den avond tegemoet; hij was van plan, in de schemering het bewuste
plaatsje op te zoeken, vervolgens te wachten, tot het donker was
geworden en eindelijk zijn booze daad te volvoeren. Tegen den tijd,
dat de zon onderging, spoedde hij zich op zijn beurt het hek uit,
terwijl hij den poortwachter op diens vraag naar het doel van den
tocht, antwoordde, dat hij voor den heer de kwakende kikkers moest
doodslaan. Toen de man echter den geheelen nacht de lieve beestjes in
het water vroolijker dan ooit hoorde kwaken, begreep hij, dat Hark
iets anders uitvoerde. "Maar wat gaat het mij ook aan?" dacht hij
en bekommerde zich om den heelen Hark niet meer, die intusschen op
dezelfde wijze als 's middags Alewijn gedaan had zijn weg over de
velden nam. Ook hij stond ieder oogenblik stil om rond te kijken,
ook hij had een kleine schop onder zijn buis verborgen. Eindelijk
ontdekte hij de plaats, waar Alewijn 's middags gegraven had; er kwam
een grijns van boosaardige vreugde op zijn gezicht, toen hij zag,
hoe op één plekje sporen waren te zien, die aanduidden, dat men er
moest hebben gegraven.
"Ha, ha, daar heeft hij den aap verborgen. Nu nog maar even gewacht,
tot het donker is."
Met een waar genoegen ging onze Hark in de nabijheid op den grond
zitten, en oefende zich in geduld. De duisternis daalde hem lang
niet snel genoeg; elk oogenblik hief hij zich half op, om aan het
werk te gaan, maar dan ging hij weer zitten, want hij was bang,
dat men hem bespieden zou, en hij wilde den buit geheel voor zich
alleen hebben. Eindelijk kon hij niet langer wachten; trouwens, de zon
was al lang onder en in den geheelen omtrek bevond zich geen levend
wezen. Alleen in de struiken achter zich hoorde Hark iets ritselen,
maar dat kon wel een wezel of zoo iets zijn. Na voor de zekerheid nog
eenige minuten geduld te hebben gehad, nam hij zijn spade ter hand
en begon haastig te graven. Daar stootte hij op iets; zijn gezicht
gloeide van blijde verwachting, zijn hand greep begeerig toe, maar tot
zijn teleurstelling bemerkte de zoekende Hark, dat het maar een steen
was, die hem zoo blij had gemaakt. Een weinig knorrig zette de knaap
zijn arbeid voort, en zijn stemming werd er niet beter op, toen er bij
verder graven niets anders voor den dag kwam dan stokjes en steenen en
kluitjes. Van geld geen sprake. De diefachtige Hark was zelf bedrogen.
Want toen Alewijn des namiddags naar den schat was gaan kijken, kreeg
hij weer hetzelfde gevoel van onrust, dat hij al zoo vaak had gehad;
ook nu kon de plaats hem niet bevredigen en hij nam dus het zakje
met geld er weer uit, maakte den kuil met de aarde dicht en verborg
zijn rijkdom onder zijn buis. Vervolgens wilde hij een veiliger
schuilplaats zoeken, maar juist kwam, toen hij daarmee bezig was,
Gerebrandt voorbij, die etgroen had gemaaid. Gerebrandt vroeg aan
Alewijn, of hij meeging; deze wilde het niet weigeren, en zoo kwam
er van zijn plan niets.
Het spreekt van zelf, dat Hark zijn makker allesbehalve vriendelijk
aankeek. Intusschen gaf hij de hoop niet op. Gelukte het hem niet,
door list zich van den buit meester te maken, dan moest hij maar
brutaal optreden. Den volgenden morgen stapte hij regelrecht op
Alewijn toe en zei, hem met zijn gluiperige oogen valsch aankijkend:
"Als je mij niet de helft van je geld geeft, zal ik vertellen, waar
je het geborgen hebt."
Alewijn, die zoo iets niet verwacht had, werd plotseling bleek en
dit gaf Hark de zekerheid, dat zijn vermoeden waar was.
"Geld! Wat praat je toch van geld? Hoe zou ik daaraan komen?" stamelde
Alewijn, die eigenlijk niet wist, wat hij zeggen moest.
"Houd je nu maar niet onnoozel; ik heb alles gezien," hernam Hark,
die zijn makker hoopte te overbluffen.
"Wat.... wat heb je gezien?"
Hark wilde weer iets antwoorden, maar tot beider ontsteltenis klonk
er een stem dicht bij hen: "Zeg er eens, knapen, komt eens hier en
vertelt mij, waarover je het hebt."
't Was de meier, die in den koeienstal stond en het gesprek gehoord
had en er uit opmaakte, dat er iets bijzonders aan de hand was. Hark
vreesde, voor medeplichtige aangezien te worden en daarom achtte hij
het verstandiger, als aanklager op te treden. Vóórdat Alewijn nog
iets gezegd had, sprak de brutale rakker: "Hij heeft geld gestolen
en weggeborgen."
Deze woorden maakten Alewijn woedend. Vuurrood van drift sprong hij
op Hark toe en zou hem bij de keel gegrepen hebben, als de meier
niet tusschenbeiden gekomen was. Met zijn geduchte vuist greep hij
den jongen bij den pols en sprak bedaard: "Heila ventje, dat gaat
maar zoo niet. Ik ben er ook nog."
Alewijn poogde vruchteloos zich los te wringen uit de knellende
vingers, die hem vasthielden. Toen hij eindelijk wat bedaard was,
zei de meier: "Ziezoo, leg mij nu maar eens bedaard uit, wat je te
vertellen hebt."
Nu Hark eenmaal a gezegd had, moest hij ook b zeggen, en, terwijl
Alewijn hem met kwalijk verbeten woede aanzag, en hem telkens in de
rede wilde vallen, deelde Hark alles mee, wat hij wist. Eindelijk
zei hij nog, dat Alewijn zijn geld in het land verstopt had, maar het
later weer op een andere plaats moest hebben gebracht. We zien hieruit,
dat Hark niet alleen een verklikker en een dief, maar ook een leugenaar
was, want hij vertelde meer dan hij zelf wist. Alewijn stond versteld:
ondanks alle voorzorgen had die valsche Hark hem toch bespied.
Eén ding troostte hem: de verrader wist blijkbaar niet, waar de
schat eigenlijk wel verborgen zat; zoolang dit niet ontdekt werd,
kon niemand Alewijn met eenig recht van iets kwaads beschuldigen.
Diefstallen kwamen onder de lijfeigenen nog al eens voor, maar werden,
bij ontdekking, zwaar gestraft. De meier wist niet beter te doen,
dan de beide knapen naar den heer te brengen, en dien te vertellen,
wat er gaande was. De edelman liet Alewijn dadelijk in de gevangenis
brengen, terwijl hij tevens beval, Hark, dien hij evenmin vertrouwde,
goed in het oog te houden.