DE OUDE WENA.

Het kasteel hield het langer uit, dan heer Diederik had verwacht. De

dikke muren boden weerstand aan de geduchte slagen van den stormram

en de edelman begon te vermoeden, dat hij met geweld niets zou

uitrichten. "Dan maar een ander middel te baat genomen," dacht hij,

"een middel, dat wel langzaam, maar zeker werkt: den honger."

Zoo kwam het, dat op een morgen alle vijandelijkheden gestaakt werden;

de heer wilde niet onnoodig pijlen laten verschieten.

Alewijn, Hark, Gerebrandt en eenige anderen hadden niets te doen en

zaten op een rustig plekje een stuk brood te deelen.

"'t Wordt een schrale boel, jongens," zei Gerebrandt.

"Hoe zoo?"

"Ik hoor, dat onze voorraad is opgeraakt, en de wagens, die

uitgezonden werden, om meel, brood en vleesch te halen, zijn nog

niet teruggekeerd."

"Vóór overmorgen kunnen ze hier onmogelijk wezen."

"Dan wordt het vasten. Ik kan niet zeggen, dat ik daar veel mee

op heb."

"Ik ook niet. We doen verstandig met ons zelf te helpen en dit stukje

voor van avond te bewaren."

"Er zal toch in den omtrek nog wel iets te krijgen zijn."

"Dat zou ik ook denken."

"Als we er maar eens op uit mochten."

"Durf jij het te vragen, Hark?"

"Och, jawel, er is hier toch niets te doen."

"Ja, jongens, waarom zou heer Diederik bevolen hebben, dat alles

moest ophouden?"

"Misschien wil hij het kasteel uithongeren."

"Daarom begint hij zeker met zijn eigen volk honger te laten lijden. Ik

geloof niet, dat dit de beste manier is."

"Nu," zei Hark, "ik ga eens vragen."

"Je krijgt toch geen verlof. De strijd kan elk oogenblik weer

beginnen."

"Dat zullen we zien."

Korten tijd, nadat Hark was heengegaan, kwam hij alweer terug en

riep heel blij: "Het mag, jongens, het mag, als we vóór van avond

maar weer terug zijn."

Weldra gingen er vier op weg, gewapend met daggen, om den landlieden

ontzag in te boezemen.

"Hei jongens, waar gaat dat naar toe?" riep Allert, die bij zijn

schietwerktuig op den grond zat.

"Een wandeling doen, voor de gezondheid," antwoordde Hark. "Blijf jij

maar rustig bij je springaal zitten en pas op, dat de pijlen niet in

je eigen gezicht terecht komen."

"Loop, flauwe rekel, of ik zal je."

Alle vier begonnen hartelijk te lachen, vervolgden rustig hun weg en

trokken weldra het veld in.

Ze zochten den geheelen ochtend; daar echter bijna alles in den omtrek

al plat geloopen was, vonden ze niets.

Eindelijk kwamen ze bij een dicht boschje, waar zich, bijna

onmerkbaar voor het oog, een klein bouwvallig houten huisje bevond. De

onderzoekende blik van Gerebrandt had het al spoedig opgemerkt.

"Wel," zei Hark, toen Gerebrandt hem het hutje had gewezen, "veel

bijzonders zal het wel niet zijn, maar licht is het de moeite waard."

Dicht bij de hut zat op den grond een oud vrouwtje, met rimpelig,

maar vriendelijk gezicht.

"Hoor eens, vrouwtje, je moest ons even een kijkje laten nemen. Wij

hebben honger."

"Och, beste jongens, ik ben een doodarme vrouw; bij mij is niets

te halen."

"Nu, dat begrijpen wij wel. 't Is ons dan ook maar om een heel klein

beetje te doen. Vooruit, laten wij maar eens gaan zien."

Alewijn merkte met deernis op, hoe het arme vrouwtje blijkbaar in

de grootste verlegenheid verkeerde. Ze liep onrustig heen en weer

en wist niet, wat ze doen moest. Eindelijk zei ze: "Een kruikje melk

kan ik missen, maar dat is ook alles; laat mij asjeblieft met rust,

mijn dochter is ziek, ze zal zoo schrikken."

"Kom, praatjes! Zieke dochter! Als wij niet te eten hebben, worden

we ook ziek."

Alewijn begreep, dat hij tusschenbeiden moest komen; hij had innig

medelijden met de smeekende vrouw, die er zeer tegen op scheen te zien,

dat de ruwe gasten haar huisje zouden binnentreden.

"Och jongens," zei hij, "zie je niet, dat je dat arme mensch een

schrik op het lijf jaagt? Weet je wat, blijven jullie hier, dan zal

ik maar eens kijken."

"Zeker om den buit alleen te houden; neen baasje, wij zijn ook slim,"

zei Hark.

"Nu, ik vind het even goed, dat jij gaat," antwoordde Alewijn, "maar

dat weet ik wel, wij kunnen niet met ons vieren bij een ziek mensch

in huis komen."

"Goed," zei Hark, maar Gerebrandt wist, dat die jongen zelf niet te

vertrouwen was en vond het daarom beter, dat Alewijn in het huisje

een kijkje zou nemen. Ten laatste moest Hark wel toegeven, en Alewijn

ging, na plechtig verzekerd te hebben, dat hij alles eerlijk met zijn

makkers zou deelen.

Hoe de vrouw ook smeekte, hoe ze alle pogingen aanwendde om den

indringer buiten te houden, Alewijn trad het huisje binnen. Hij was

namelijk nieuwsgierig geworden. Waarom verzette die vrouw zich toch

zoo? Was dat alleen, omdat ze vreesde, dat men haar berooven zou? Wie

toch weinig bezat, had ook weinig te missen. Neen, daar moest iets

anders achter steken.

"Wees maar gerust, moedertje, ik zal je geen kwaad doen."

In het vertrek was het vrij duister. Het zag er natuurlijk zeer kaal

en armoedig uit. Op een bankje lag een stuk grijs brood, maar daar

wilde Alewijn de arme niet van berooven.

"Toe, beste jongen," zei het vrouwtje, "neem dat maar en ga dan heen."

"Gekheid," antwoordde Alewijn, "berg het liever goed weg: mijn makkers

zouden er zich anders nog van meester maken. Maar zeg me eens, hoe komt

het toch, dat je zoo gejaagd bent? En waar is je zieke dochter nu?"

"Kom, wat kan je mijn ziek kind schelen? Steek dat brood bij je en

ga heen. Plaag een arme vrouw niet langer."

Alewijn had er reeds aan gedacht te vertrekken, maar juist, doordat de

vrouw zoo aandrong, werd zijn nieuwsgierigheid nog meer opgewekt. Hij

keek goed rond en merkte in een hoek een donkere massa op.

Bedaard trad hij nader, vragende:

"Zoo, zoo, is ze dat? Heb je haar met opzet in het duister gelegd?"

De arme vrouw verkeerde in den hoogsten angst.

"O wee, wat zal me nu gebeuren!" mompelde zij.

Alewijn bekeek het gewaande meisje en ontdekte tot zijn groote

verwondering, dat het niemand anders dan de jonker was. Hij herkende

den ridder dadelijk.

"Ha, ha, nu, het had maar weinig gescheeld, of uw schuilplaats

was verraden. Ik vind het niet heel voorzichtig, hier zoo lang te

blijven. Weet ge wel, dat ge hier niet veilig zijt?"

"Vanavond wou ik al verder gaan," bromde de jonker, "maar ik was

uitgeput; ik had rust noodig en daarom ben ik een paar dagen bij de

oude Wena gebleven."

Deze luisterde met verwondering toe.

"Och," zei ze, "verraad mijn goeden jonker toch niet."

"Wees gerust, moedertje," antwoordde Alewijn glimlachend, "ik zal je

niet verklikken. Laat ik nu mijn best doen, mijn makkers hier vandaan

te krijgen; die zullen wel ongeduldig worden."

Voor hij wegging, besloot hij het brood mee te nemen, om niet met

leege handen bij de anderen te komen. Hij vreesde wel, dat ze niet

heel tevreden zouden zijn over den gevonden buit en dat ze daarom

zelf eens een kijkje zouden gaan nemen.

Tot zijn groote verwondering echter viel dit zeer mee: hij zag ze

met hun drieën op eenigen afstand van de hut druk bezig.

"Wat zouden ze nu hebben?" dacht hij. Het scheen wel, of ze een

beest gevonden en geslacht hadden. Een schaap misschien? "Dat arme

mensch," mompelde Alewijn, "misschien was het wel 't eenig stuk vee,

dat ze bezat."

"Niet veel te halen, jongens; 't is de moeite niet waard."

"'t Hoeft ook niet," riepen de anderen, "we hebben ons zelf al

geholpen. Kijk eens, wat een pracht van een beest, hé?"

Naderbij tredende, zag Alewijn met afschuw dat ze een hond geslacht

hadden.

"Wat?" zei hij, "een hond? Waar wil je met dit beest naar toe?"

"Ha, ha," lachte Gerebrandt, "vraag je dat nog? Wie een paar jaren in

heer Diederiks dienst is geweest, weet maar al te goed, wat honger

beteekent en hoe lekker hondevleesch er door wordt. Als onze heer

slechte tijden beleeft, laat hij dat het eerst aan zijn onderhoorigen

merken."

"Nu," zei Alewijn, "ik wensch je smakelijk eten, maar ik zal mijn

maal liever met dit stuk brood doen."

"Zeker niet," merkte Hark op, "alles eerlijk deelen. Jij kunt immers

ook van het vleesch krijgen?"

"Maar hoort eens, jongens, dat meisje is wezenlijk heel zwak; zouden

we niet liever wat verder weg gaan?"

"Je hebt gelijk," zei Gerebrandt, "in gindsche beek vinden we water;

daar kunnen we het vleesch afwasschen. En droog hout staat er in

overvloed."

"Hoe komen we nu aan vuur?"

"Daar kan Alewijn wel even voor zorgen. Kom, jongen, je hebt nog niet

veel goeds uitgevoerd. Ga bij dat vrouwtje wat halen."

Alewijn had daar natuurlijk niets tegen, en, terwijl zijn makkers een

ander plaatsje opzochten, begaf hij zich nog even naar de hut. Daar

binnengetreden, merkte hij op, dat de jonker al verdwenen was.

"Zoo, zoo, is de vogel gevlogen?"

"Och, beste jongen, zul je me heusch niet verklappen? De jonker is

zoo goed voor me geweest; dikwijls kwam hij hier een poosje praten,

en in kwade tijden kon ik altijd op hem rekenen."

"Wees maar gerust, vrouwtje; ik heb zelf reden om te zwijgen; als ik

jou verklapte, zou ik ook gevaar loopen. Nu, wees maar voorzichtig...."

Toen het viertal des avonds terugkeerde, zagen ze tot hun groote

verwondering, dat het kasteel overgegeven was; de vlag van heer

Diederik woei reeds van een torentrans; een groot deel van het leger

bevond zich binnen het kasteel; de belegerden waren gevangen genomen

en werden op het voorplein bewaakt. Voor het eerst in langen tijd

behoefde Alewijn niet meer buiten te overnachten; hij mocht met Hark

en Gerebrandt in een der kamers van den burcht zijn leger gereedmaken.

Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e eeuw · 第 21 / 38 题