DE UITVAL.

Het bleek, dat Gerebrandt waarheid gesproken had.

Nog dienzelfden nacht gaf heer Diederik bevel, de wachten te

verdubbelen, en Hark, die al was gaan slapen, kreeg bevel op te staan

en mee wakker te blijven. Hoezeer ook met tegenzin, gehoorzaamde hij

dadelijk, maar werd door zijn makkers, die konden blijven liggen,

hartelijk uitgelachen.

De geheele nacht ging echter voorbij, zonder dat er iets bijzonders

gebeurde en ook de twee volgende dagen bleef het rustig.

Reeds begon de verrader, die in een der tenten geboeid lag, te vreezen,

dat er van het plan niets zou komen. Herhaaldelijk vroeg een der

bewakers hem spottend, of hij wezenlijk meende, dat heer Diederik

zich zoo gemakkelijk liet beetnemen.

Ook de heer vermoedde, dat het bedrog was en gaf bevel, om, mocht ook

de twee volgende nachten de vijand geen uitval doen, den verklikker

eenvoudig op te hangen.

"Hij hoopte zeker stilletjes te ontsnappen en toen hij gepakt werd,

zich door zoo'n leugen te redden," meende Hark.

"Wel slim overlegd. Jammer voor hem, dat zijn plannetje zoo mislukt

is."

"Ik geloof het nog maar niet, dat hij gelogen heeft," zei

Gerebrandt. "Ze zullen zeker nog een paar dagen wachten, omdat nu nog

den geheelen nacht de maan schijnt. Morgen is het laatste kwartier;

dan komt de maan te middernacht op, overmorgen nog weer later en zoo

gaat het door. Ik denk, dat dit eenvoudig de oorzaak is, waardoor we

nog niets van een uitval gemerkt hebben."

Dit was heel goed van Gerebrandt gezien. In waarheid, de bewoners

van het kasteel achtten den tijd voor een uitval nog niet gekomen,

omdat het 's avonds nog niet donker genoeg was. Maar lang wilden

ze de zaak toch ook niet uitstellen. Het doel was namelijk, de kat,

die hun zooveel zorg baarde, in brand te steken.

Gerebrandts voorspelling kwam uit. Twee dagen na den avond, waarop

dit laatste gesprek gehouden was, hoorde de wacht, die het dichtst

bij de poort stond, onverwachts een gedruisch.

De poort kraakte, de ketting van de brug piepte, en dadelijk haastte

de wacht zich, om zijn krijgsmakkers te waarschuwen. Gelukkig had heer

Diederik nog steeds dezelfde voorzichtigheidsmaatregelen doen nemen;

daaraan was het te danken, dat in een oogwenk een aanzienlijk gedeelte

van het leger gereed stond om den vijand te ontvangen.

Deze had anders zijn tijd wel goed gekozen: er heerschte een volslagen

duisternis in den omtrek. Was het plan niet verraden, de uitval zou

stellig veel kans van slagen gehad hebben. Maar thans! De belegerden

hadden het eens moeten weten, wat hun dreigde. Ze zouden zich stellig

nog wel bedenken.

Want daar buiten stond een heele bende gereed. Ridders te paard, met

den helm op het hoofd en een maliënkolder aan, verbeidden ongeduldig

het uur van den strijd. Tal van voetknechten hadden zich om hen

verzameld. Sommigen droegen leeren, anderen ijzeren kappen. Nog

anderen, die zich den tijd niet hadden gegund, om iets mee te nemen,

liepen blootshoofds. De meesten waren in een leeren kolder gehuld,

maar er bevonden zich ook strijders in den troep, die eenvoudig een

dierenhuid hadden omgeslagen, ten einde hun lichaam toch eenigszins

tegen slagen en steken te beveiligen.

Ook Alewijn bevond zich onder de strijders. Den boog had hij maar

met rust gelaten; in een gevecht van man tegen man zou hij met een

fermen kolf meer kunnen uitrichten. Zoo'n knuppel, aan het zware

einde van scherpe punten voorzien, mocht dan ook een geducht wapen

genoemd worden, vooral wanneer het gezwaaid werd door de sterke vuist

van Alewijn.

Voor den eersten keer van zijn leven woonde de jongen een gevecht

bij. Hoewel het hem eigenlijk weinig kon schelen, of heer Diederik, dan

wel de vijand het won, begon hij toch schik in den krijg te krijgen,

zeker, omdat hij daarin gelegenheid had, zijn kracht te toonen. En

alsof het een veertje was, zoo zwaaide hij zijn kolf in het rond.

"Hei," riep Hark, die dicht bij hem stond, "houd je wat kalm

asjeblieft; het lijkt wel, of je mij voor een van de vijanden

aanziet. Of wou je tegen de lucht vechten? Dat is gemakkelijk voor je."

De omstanders begonnen te lachen, tot een der ridders, die in de

nabijheid zich bevond, fluisterend beval: "Stilte die lui daar;

let liever op, of je moet aanvallen."

Dadelijk hielden allen zich rustig. Hoe scherp men ook uitkeek,

niemand kon nog iets onderscheiden, zoo donker was het. Enkelen

merkten reeds fluisterend op, dat het wel bedriegerij zou zijn,

toen er plotseling lichten schemerden.

"Domme lui toch," bromde Gerebrandt, "nog fakkels mee te nemen!"

Ja, dit leek ook wel wat dwaas, maar de belegerden wisten natuurlijk

niet, dat er zoo goed wacht werd gehouden. Ze waren in de vaste

overtuiging, dat het geheele leger rustig sliep, vermoeid van de groote

inspanning der laatste dagen. Zoo hoopten ze, eer nog de verschrikte

wachten alarm gemaakt hadden, het kamp te overvallen, en de houten

belegeringswerktuigen in brand te steken. En voor dit doel was het

vuur meegenomen. Alles: blijden, springalen, arbaleten, tot de kat toe,

ja, dit laatste werktuig vooral, hoopten ze in vlammen te doen opgaan.

Ze hadden hun plan wel goed overlegd. Terwijl de voorste krijgers

den vijand moesten aanvallen, schrik brengende onder de slapenden,

om hen eindelijk in wanorde op de vlucht te jagen, zouden anderen met

brandende stoffen, pek en teer, de belegeringswerktuigen in vlammen

doen opgaan.

Welk een teleurstelling! Want pas bevond zich de geheele bende buiten

de poort, of daar werd ze plotseling van alle zijden aangevallen.

"Er mag niemand ontsnappen," had de edelman bevolen. En in zich zelf

lachte hij vergenoegd bij de gedachte, dat de jonker, die zich stellig

ook wel bij de bende zou bevinden, levend of dood in zijn handen moest

vallen. Ha, zulk een vangst was de moeite waard. De edelman had dan

ook ten strengste bevolen, dat men zijn best zou doen, om den jonker

te vangen.

Ten einde den uitslag van het gevecht ontwijfelbaar te maken, had de

edelman aan de eene zijde een krachtigen troep welgewapende strijders

doen plaats nemen, die den vijand in den rug moesten aanvallen.

Nog een oogenblik, en er ontstond een vreeselijk rumoer in den

donkeren nacht. Menschen en paarden woelden schreeuwend en hinnekend

dooreen. Overal sloeg men met zwaarden en knotsen er wild op in. Weldra

hoorde men aan alle zijden het akelig kermen der gekwetsten.

In plaats van hun vijanden te verrassen, waren de belegerden zelf

in een val geloopen, een val, zoo vreeselijk, dat er aan uitkomst

niet te denken viel. En toen ze, inziende, dat hun plan zoo deerlijk

mislukt was, ontsteld op de vlucht sloegen, werden ze ook van de andere

zijde aangevallen. Zoo zagen ze zich ingesloten, aan alle kanten door

een overmachtigen vijand ingesloten. Hier kon geen strijden helpen,

hier liep men onvermijdelijk zijn verderf te gemoet. Weldra was het

dan ook geen vechten meer, het was slachten; of de ongelukkigen al

jammerend om genade smeekten, daar werd niet naar geluisterd; met een

ware moordlust sloegen de belegeraars op hun zwakke tegenpartij in, die

dan ook merkbaar verminderde. Slechts enkelen werden gevangen genomen.

Bijna geen der belegerden kon nog de poort bereiken; de weinige

vluchtelingen werden op den voet gevolgd door hun juichende

vijanden. Dezen meenden reeds, op een gemakkelijke manier binnen het

kasteel te geraken, toen de zware deur hun nog juist bijtijds voor

den neus werd dichtgesmeten.

Heer Diederik was verrukt over de prachtige overwinning; tal van

vijanden lagen dood of gewond neer; alleen speet het hem, dat hij

den jonker niet had kunnen vangen. Het scheen dus, dat deze bij het

gevecht niet tegenwoordig was geweest. Dit verminderde de vreugde van

heer Diederik wel wat; zoolang hij zich niet van den jonker meester

gemaakt had, was hij niet tevreden. Intusschen zou dit doel ook wel

bereikt worden: de bezetting van het kasteel was door den ongelukkigen

uitval zeer verzwakt; ze kon het nu onmogelijk lang meer uithouden.

Toch vergiste de ridder zich, als hij meende, dat de jonker den

uitval niet had meegemaakt; deze was wel degelijk onder de strijdenden

geweest. Wat er dan met hem was voorgevallen? We zullen het spoedig

zien.

Een uur na middernacht heerschte er weer diepe rust om het kasteel. De

meeste strijders waren gaan slapen, overtuigd, dat de bezetting

vooreerst geen tweeden uitval zou wagen. Alleen hier en daar stonden

de wachten en deden moeite om zich den slaap uit de oogen te houden. De

regen had opgehouden. De maan kwam op; het werd wat lichter.

Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e eeuw · 第 17 / 38 题