DE KAT.

Van alle kanten werd het kasteel bestookt: hier met springalen,

daar met blijden, elders schoot men zware pijlen af met een arbaleet,

overal zaten boogschutters achter boschjes en schietschermen, maar de

belegerden gaven alles met woeker terug. Zoo vorderde heer Diederik

nog niet veel en reeds dacht hij er over, een algemeenen stormaanval

te bevelen. Zijn vrienden echter rieden hem dit af en gaven hem in

overweging, eerst een veiliger en tegelijk zekerder middel aan te

wenden: de kat.

Alewijn zat op een morgen weer achter zijn schietscherm en mikte op de

vijanden, toen Eggerik hem kwam opzoeken en zei: "Alewijn, leg je boog

neer en ga mee. Je hebt sterke armen; we kunnen jou juist gebruiken."

Alewijn deed, wat hem bevolen was en volgde Eggerik, terwijl hij

telkens achter schietschermen en aardhoopen en struiken wegschool en

dan weer op zij sprong, als er van die verraderlijke pijlen kwamen

aanvliegen.

"Komaan, hier zijn we er."

"Ha, is Alewijn daar? Dat is goed! Pak aan, jongen! Help eens mee

dat ding voortduwen."

't Was een heel gevaarte: precies een schuur. Aan de voorzijde hadden

eenige mannen druk werk; beschut door een afdak, legde men daar een

houten vloer. De benoodigde planken werden door anderen onophoudelijk

aangedragen. Zoodra de vloer klaar was, duwde en trok men uit alle

macht en de kat, die op rollen stond, bewoog zich weer een eind

vooruit, in de richting van het kasteel.

De aangevallenen spaarden hun steenen echter niet, en toen er een

geweldig blok kwam neerploffen, dat met vreeselijk gekraak niet alleen

een deel der kat verbrijzelde, maar tevens een paar mannen doodelijk

gewond deed neerstorten, begon de ridder, die het toezicht had,

ongerust te worden.

"Laat meer boogschutters aanrukken," riep hij driftig.

Eenige oogenblikken later kwamen van verschillende zijden

schietschermen aanrollen. De boogschutters, die er achter verscholen

zaten, schoten zóó herhaaldelijk en met zóó vaste hand hun pijlen af,

dat de belegerden het op die plaats benauwd kregen en de kat wel wat

meer met rust moesten laten.

Thans werd met verdubbelden ijver het werk voortgezet. De ridder

spoorde zijn volk voortdurend aan, nu eens met goedkeuringen, dan weer

met schelden en dreigen. 't Was een zware arbeid en ook de sterksten

moesten al hun krachten inspannen.

"Een, twee, drie!" Plotseling schoot de kat een flink eind vooruit;

daarna bleef zij nog een korten afstand doorrollen, om plotseling

weer stil te staan. Nu ondervond men opnieuw grooten tegenstand:

allen werkten krachtig mee. "Een, twee, drie!"

Zoo arbeidde men voort: Nu eens gelijkmatig verder glijdend, dan weer

met horten en stooten, bewoog zich het gevaarte naar den muur van het

kasteel. Zonder ophouden namen de werklui van achter de kat de planken

weg, om van voren opnieuw een vloer te leggen. Toen de avond viel,

was men slechts vijf meter meer van de gracht verwijderd. Allen, die

meegeholpen hadden, schenen even vermoeid; toch had elk er schik in,

dat het werk zoo goed gevorderd was.

"Morgen vroeg verder," riepen ze elkaar toe; daarna ging men

slapen. Doch, hoezeer ieder naar rust verlangde, men verzuimde niet,

de waakzaamheid te betrachten. En dit was gelukkig ook, want de

belegerden, die tot nu toe vruchteloos hadden beproefd, de gevaarlijke

kat te vernielen, hoopten, begunstigd door de nachtelijke duisternis,

te bereiken, wat hun overdag niet wilde gelukken.

De werklui waren onder het dak van de kat gaan slapen; ook Alewijn

had zich daar op een bos stroo neergelegd. Ieder sliep rustig, toen

plotseling een hevig gekraak de strijders deed opschrikken: een

geweldig blok was op het dak van de kat terechtgekomen. Een poosje

later smeten de belegerden weer een zwaren steenbrok naar omlaag en

de aanvallers moesten erkennen, dat hun vijanden goed wisten te mikken.

Alewijn keek naar boven: hij verbeeldde zich, op den muur gedaanten

te zien, maar het was te donker om alles goed te onderscheiden. Toch

grepen de boogschutters naar de wapenen en schoten hun pijlen af. 't

Was wel op goed geluk af gemikt, maar ze schenen doel te treffen. De

belegerden, die zeker begrepen, dat hun vijanden waakzaam en bijdehand

waren, lieten hen verder wijselijk met rust en zochten ook zelf in

den slaap nieuwe krachten te verzamelen voor den volgenden dag. Het

schieten werd gestaakt, en overal op den muur keerde de rust terug.

Dadelijk gingen de belegeraars aan den arbeid, om de kat, die aan één

zijde duchtig beschadigd was, te herstellen. Toen de morgen aanbrak,

stonden de krijgslieden van hun legerstede op en men hervatte het

werk van den vorigen dag. Weldra kwamen de belegeraars dicht bij de

gracht, maar hoe meer zij hun doel naderden, des te meer deden de

bewoners van het kasteel hun best, om het gevaar, dat hen dreigde,

af te wenden. Met grooten spoed droegen ze steenen en brandstoffen

aan en smeten die naar omlaag. De lieden, die aan de kat werkten,

hadden een gevaarlijk baantje; menig onvoorzichtige moest zijn

vermetelheid duur betalen. Onverpoosd werkte men voort; wie al te

vermoeid was, werd afgelost. Zoo vorderde de arbeid flink en weldra

was de kat, ondanks den heftigen tegenstand van den vijand, de gracht

genaderd. Maar nu kwam het moeilijkste eerst aan: hoe de kat tegen

den muur te krijgen? Er zat niets anders op dan de gracht te dempen.

Terwijl de boogschutters achter de schietschermen tientallen pijlen op

den vijand afschoten, terwijl twee arbaleten zonder ophouden werkten

en een blijde telkens een zwaren steen omhoog wierp, kwamen de werklui

met zakken zand, met steenen en takkenbossen aandragen, ten einde,

beschut door het stevige dak van de kat, daarmee een fermen dam in

de gracht te maken.

Woedend zagen de belegerden het aan, hoe hun vijanden vorderden;

ze stelden alle pogingen in het werk, om het verraderlijk

ding te vernielen en den werklui allen arbeid onmogelijk te

maken. Vergeefs! Ieder, die zich op den muur vertoonde, verkeerde in

doodsgevaar; pijlen deerden het stevige gevaarte niemendal; vuur, ja,

tegen vuur zou het houten ding niet bestand zijn. En ijverig togen de

belegerden aan het werk; haastig wierpen ze brandende takkenbossen en

pekkransen naar omlaag. Rookend en naar alle zijden vonken spattend,

kwam een regen van vuur nederdalen, maar ook hierop was men bedacht

geweest.

In plaats van de houten kat in brand te steken, zooals de belegerden

hadden verwacht, doofde het vuur dadelijk uit, zoodra het op het

dak van het gevaarte terecht kwam. Geen wonder: de kat was met natte

koeienhuiden gedekt.

Intusschen moesten de belegeraars toch voortdurend op hun hoede

blijven.

Een der boogschutters, die dicht bij de kat achter een scherm zat,

had al zijn schichten verschoten, en riep Hark toe: "Zeg jongen, raap

mij even een paar pijlen op." Maar Hark vond het aangenamer, veilig

onder de kat te zitten, dan zich in gevaar te begeven, en antwoordde:

"Doe het zelf maar."

"Jij bent er dichter bij."

"Dat zal wel, maar ik heb geen zin, mijn huid te wagen."

"Kom, durf jij dat nog niet?" zei een ander, die ook aan de kat

meehielp.

"Jij zeker wel?"

"Waarom niet?"

"Wie zoo dwaas wil zijn, moet het zelf weten, ik bedank er voor."

"Je zult toch wel wijzer wezen," waarschuwde Alewijn. "Laat die kerel

het zelf doen."

"Nu, zooveel bijzonders is het niet; ik zal je laten zien, dat ik

het wel durf."

Hierop begaf de man zich buiten de kat en raapte ijlings eenige pijlen

op; juist wilde hij ze den boogschutter toewerpen, toen plotseling

een klomp vuur op hem neerviel en zijn kleeren, die van een grove

wollen stof vervaardigd waren, oogenblikkelijk vlam deed vatten.

"Daar heb je 't al," zei Hark, toen hij het ongeluk zag.

De man stond een oogenblik als verbijsterd; hij wist blijkbaar niet,

wat te doen.

"In de gracht! Spring in de gracht!" riepen zijn makkers, die bang

waren, dat hij de kat zou binnenloopen en daar nog grooter onheil

stichten.

Gelukkig had de man zooveel tegenwoordigheid van geest, dat hij

dien goeden raad kon opvolgen; zonder aarzelen sprong hij het water

in. Dadelijk doofden zijn brandende kleeren uit. Maar de belegerden

hadden hem al opgemerkt: onder luid geschreeuw wierpen ze steenen

naar omlaag; van alle kanten plaste en plofte het en de man mocht

van geluk spreken, dat hij er nog heelhuids afkwam.

Dit voorval had een korten tijd aller aandacht afgeleid, maar nu werd

het werk weer met frisschen moed opgevat. Voor en na kwamen mannen

en knapen met zakken zand en takkenbossen aandragen.

"Wacht, reik mij dien zak nog even aan," zei Eggerik tot Alewijn,

die achter hem stond.

"Hier heb je er nog een!" riep Hark.

"Neen, houd dien zoolang bij je. Nu moet ik nog een takkenbos

hebben. Mooi. Ziezoo, nu kunnen we weer beginnen met er planken op

te leggen. Wat zeg jij, Gerebrandt?"

"Welzeker."

"Als het van voren maar niet inzakt," merkte een ander op.

"Vooruit Hark, probeer jij den dam even."

"Dank je wel," zei Hark.

"Wat brom je daar?"

"Dat ik er geen zin in heb."

"Wat je zegt! Wil je nu wel eens een, twee, drie, doen, wat ik je

gebied? Anders...."

Hark keek even naar de geduchte knuisten van den timmerman, daarop

naar diens gezicht en, wijl hij begreep, dat de man in staat zou

zijn, hem midden in de gracht te werpen, voldeed hij, hoezeer ook

met grooten tegenzin, aan het bevel.

Al stak er een afdak van de kat naar voren, dat gaf Hark niet veel:

hij moest zich nog verder wagen en daarin had hij, blijkens zijn

tegenstribbelen, heel weinig trek.

"Vooruit maar, kereltje, je zult niet smelten," riep de timmerman,

die er schik in had, dat Hark zoo bang was. "Ziezoo, dans nu maar even,

dan kan Gerebrandt zien, of de dam wel stevig genoeg is."

"Als hij het mij wou laten doen, bedankte ik er toch voor," dacht

Alewijn. Nu, Hark was ook niet van plan, te dansen, maar plotseling

schoot er een pijl naar omlaag en raakte hem precies in de hand.

"Au, au!" riep Hark en sprong in het rond van de pijn. Op het gezicht

hiervan begonnen allen hartelijk te lachen en de timmerman zei:

"Mooi zoo, mijn jongen, dat mag je nog eens weer doen; kom nu maar

hier, dan zal ik je even van dat lastige ding bevrijden." Hark was

wat blij, dat hij die gevaarlijke plaats mocht verlaten. Intusschen

deed de wonde geducht zeer; geen wonder ook: de pijl was hem dwars

door de hand gedrongen.

Natuurlijk kon die daar niet blijven zitten; hij moest er uitgetrokken

worden.

"Neen, neen," riep Hark verschrikt, "het doet mij al pijn genoeg."

"Wou je er dan zoo mee rond blijven loopen? Dat zou een aardige

vertooning zijn. Nu, wat ben je van plan? Mag ik er niets aan doen? 't

Is mij goed."

Hoewel aarzelend, kwam Hark toch naar den timmerman toe en stak zijn

hand uit.

"Er zit niets anders op, dan den pijl midden door te breken. Pas

op. Druk je tanden maar op elkaar, dan voel je er niets van."

De timmerman had mooi praten: Hark schreeuwde het uit, maar de

onbarmhartige Eggerik sprak: "Stel je niet zoo kinderachtig aan,

we zijn immers al klaar; je zult er heusch niet aan sterven. Ga nu

maar gauw heen en laat je verbinden. Komt, jongens, nu wij weer aan

het werk."

Toen de avond daalde, had men de gracht halverwege gedempt. Nog werd

er niet bevolen, op te houden. De ridder, die het toezicht had, liet

in de kat een paar fakkels ontsteken, en bij het flikkerende licht

arbeidde men voort. Niemand toonde zich ontevreden, omdat hij niet

kon rusten: allen verlangden, het vernielende werktuig aan den gang

te zien. Reeds werd de zware balk, dien men aan het dikke einde met

ijzer beslagen had, klaar gelegd.

Den volgenden middag eindelijk was men gereed: de kat lag pal tegen

den muur. Eerst nu werd den werklui eenigen tijd rust gegund, maar

slechts kort, want al spoedig zou de eigenlijke arbeid beginnen. De

balk moest in de kat opgehangen worden. 't Was een heele zwaarte;

zes sterke kerels hadden er dan ook moeite genoeg mee.

Daar kwamen ze er mee aandragen. "Op zij, op zij," riep de timmerman,

die graag het hoogste woord mocht voeren, "Alewijn, geef jij dat touw

eens hier."

Alewijn keek om en zag een dik touw op den grond liggen. Hij nam het

dadelijk op en bracht het den timmerman, die het om den balk bond;

hetzelfde gebeurde op een andere plaats; vervolgens werd het zware

ding langzaam naar boven geheschen, en daar bevestigde men de touwen

aan het dak van de schuur.

"Ziezoo, nu allen uit den weg, die er niets mee te maken hebben." Men

zou het werktuig probeeren.

Alewijn en nog twee anderen trokken den balk door middel van een

stevig touw naar achteren en wachtten, tot het teeken werd gegeven

om los te laten.

"Eén, twee, drie!"

Met een vreeselijken slag kwam de zware balk tegen den dikken muur. Het

ding werkte uitstekend; de timmerman wreef zich vergenoegd de handen

en vol ijver hielp hij mee, om den balk weer achteruit te trekken.

Weldra zag ieder duidelijk in, dat men lang zou moeten beuken,

vóór de muur bezweek, want deze was blijkbaar buitengewoon dik en

sterk. Intusschen gaven de belegeraars zoo gauw den moed niet op;

den geheelen dag hield het beuken aan, en, al bleef de muur de eerste

dagen nog even onwrikbaar staan, zoo hoopten ze toch, dat hij in het

laatst voor de geduchte kracht van den stormram wel bezwijken zou.

De bewoners van het kasteel schenen zich zeer ongerust te maken over

de uitwerking, die de kat kon hebben, want ze deden alles, wat ze

konden om haar te vernielen. Nog geen enkelen keer was er zulk een

vreeselijke regen van pijlen en steenen neergevallen.

"Laat ze maar," zei een der mannen tot Alewijn, toen er weer twee

steenen op het dak bonsden; "we zitten hier veilig en wel."

"Maar als er een zwaar blok op de kat neerkwam, zou onze veiligheid

niet lang duren."

"Wees daar maar niet bang voor."

"Waarom niet?"

"Zware steenen kunnen ze niet op de kat laten vallen."

"Dat begrijp ik niet."

"Ik wel. Om zoo'n zwaar blok buiten den muur naar beneden te smijten,

zouden de lui zich op den muur moeten vertoonen, maar daar passen

ze wel voor op. Onze boogschutters schijnen goed te mikken: ieder,

dien ze in het oog krijgen, is verloren."

Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e eeuw · 第 13 / 38 题