DE BELEGERING.

Het kwam precies uit, zooals Gerebrandt voorspeld had. Langzamerhand

verspreidde zich het praatje onder de lijfeigenen, dat heer Diederik

van plan was, de familie van jonker Herico den oorlog aan te doen. Dat

het gerucht waarheid moest bevatten, bleek al spoedig, want Folcrijt

de boogschutter, zoowel als Hoige, wisten te vertellen, dat ze met

den meier een bezoek hadden moeten brengen aan eenige edelen uit den

omtrek, om hun hulp in te roepen. De smid kreeg het ontzaglijk druk,

daar hij punten aan pijlen moest maken; de timmerlui hadden in last,

blijden en andere oorlogswerktuigen na te zien, weer anderen moesten

benoodigdheden voor tenten gereed maken; er heerschte de volgende

weken een groote bedrijvigheid. Ook Alewijn zou mee moeten doen,

want op een keer riep de oude Alwaert hem bij zich: "Kom eens hier,

mijn jongen; onze heer wil weten, of er een goede boogschutter in je

steekt. Kun je schieten?"

Alewijn antwoordde, dat hij het veel had gedaan, en dat was waar:

menige vogel was door hem geraakt.

"Kom aan, toon je kunsten dan maar. Schiet eens op.... op...., wacht,

ik zal het je in het begin niet al te moeilijk maken, op dien boom

daar."

Hark en eenige anderen stonden aandachtig te kijken, toen Alewijn

een pijl op den boog legde, even mikte en schoot.

"Dat valt me mee," zei de oude Alwaert, en ook de anderen gaven

hun goedkeuring te kennen, want Alewijn had den boom precies in het

midden geraakt. Intusschen bleek uit een enkel schot nog volstrekt

niet, of hij een goed schutter was: het kon immers best geluk zijn;

daarom wees de oude Alwaert een paal aan, die wat verder verwijderd

was dan de boom, maar zonder eenige moeite raakte Alewijn dien ook.

"O, ik zie het al, je hebt het meer gedaan. Nu jij, Hark."

Hark meende, dat hij een heele baas in het schieten was; hij

zette tenminste een verwaand gezicht, en toen de oude Alwaert hem

uitnoodigde, naar den boom te schieten, zeide hij: "We zullen maar

dadelijk ook dien paal nemen."

"Ja baas, maar het is lastig, als je het niet meer gedaan hebt."

"'t Is me ook wat," zei Hark en schoot een pijl af, maar door een

ongelukkige beweging vloog die een geheel verkeerden koers uit en

het had maar weinig gescheeld, of het gevederde ding was een der

omstanders in het been gevlogen.

"Kijk dan toch, waar je schiet," riep deze nijdig en Alwaert nam Hark

den boog af, zeggende: "Neen kereltje, laat maar; je zou ons eigen

volk de oogen uitschieten. Maar jij wordt een boogschutter, Alewijn,

dat verzeker ik je. Zulke lui kan onze heer gebruiken."

Alewijn was natuurlijk niet weinig trotsch op deze lofuiting. Hark,

die niet zuinig uitgelachen werd, was intusschen jaloersch en keek

zijn makker van terzijde nijdig aan.

De volgende dagen gingen onder groote drukte voorbij. Hoe ieder zich

ook inspande, den edelman ging het niet gauw genoeg. Gedurig kwam

hij persoonlijk onder het werkvolk en de krijgslieden en spoorde

hij hen tot grooten ijver aan. Eindelijk was alles gereed; en op

een mooien morgen trok een groote bende op weg. De stoet leverde

een schilderachtig gezicht op: ridders op vurige paarden, gekleed

in maliënkolder en met de lans gewapend, boogschutters, den boog

in de hand en een koker met pijlen op den rug, slingeraars met hun

stokslingers, krijgslieden met speren, anderen met kolven, daartusschen

wagens met levensvoorraad, met hout, met stukken van blijden en ander

wapentuig. Het was een heele trein, die nog grooter werd, toen zich

een bondgenoot met zijn gevolg bij heer Diederik voegde. Daar er tal

van voetknechten waren, moesten de ruiters wel stapvoets rijden en

konden ze niet zooveel spoed maken. Het zou dan ook wel eenige dagen

duren, voor men de plaats der bestemming bereikte.

Als de avond daalde, sloeg men tenten in het veld op; de paarden werden

aan boomen of aan pinnen vastgebonden en de vermoeide strijders legden

zich te slapen. Vooral de overtocht over den Rijn kostte niet weinig

moeite, maar toch werd hij gelukkig volbracht en na een reis van zes

dagen had men het kasteel, waar jonker Herico woonde, bereikt. Zooals

altijd, liet de ridder eerst den burcht opeischen, maar hij kreeg

een weigerend antwoord, wat ook wel te verwachten was geweest, daar

het kasteel sterke muren bezat, ruimschoots van levensmiddelen en

krijgsvoorraad was voorzien en de talrijke bezetting vol moed besloten

was, hun heer en zijn gezin tot het uiterste bij te staan.

Het veiligste en gemakkelijkste zou zijn, de bewoners van het kasteel

door den honger tot overgave te dwingen, maar de krijgshaftige edelman

was van dit middel niet gediend. Toch zag hij heel goed in, dat aan

een bestorming in de eerste dagen niet te denken viel: van achter de

hechte muren zouden de aanvallers op zulk een wijze begroet worden,

dat ze stellig met groot verlies moesten afdeinzen. Daarom besloot

heer Diederik, mede op raad van zijn bondgenooten, den strijdlust

wat te bedwingen en alle middelen aan te wenden, om de muren van den

burcht te vernielen of te beschadigen.

Weldra was het kasteel aan alle zijden ingesloten; overal in het veld

werden tenten opgeslagen; hier en daar stonden wagens; de paarden

liet men op de weiden grazen, en dichter bij het kasteel maakten de

belegeraars borstweringen en richtten ze blijden en springalen op,

om daarmede hun vijanden te bestoken.

Het was voor de eerste maal, dat Alewijn zulk een belegering

bijwoonde; hij vergat alles, wat er den laatsten tijd met hem

gebeurd was en volgde met groote aandacht de toebereidselen, die

er gemaakt werden. Als hij dien grijzen, zwaren steenklomp aanzag,

waaruit dreigend zware torens omhoog rezen, verwonderde hij zich

zeer, hoe heer Diederik er aan kon denken, dien te vernielen of te

veroveren. Intusschen werd hem niet veel tijd tot nadenken gelaten;

ook hij moest, evenals Hark en Alwaert en anderen, ijverig meehelpen.

Daar de aanvallers zeer onverwachts waren komen opdagen, hadden

de belegerden er nog niet aan gedacht, de boschjes en schuren

in den omtrek te vernielen. Dit was zeer in het voordeel van heer

Diederik. Zijn volk vond nu volop gelegenheid, een veilige schuilplaats

te zoeken, vanwaar men het den belegerden met pijlen en steenen zou

kunnen lastig maken. Overigens was men ook op andere middelen bedacht,

om goed beschut te zijn: hier richtten eenige mannen van zand en

rijshout een borstwering op, daar kwamen anderen met een scherm op

wielen aanrijden. Ook Alewijn zat achter zulk een scherm; hij hield

een pijl op zijn boog gereed en loerde door de gleuf naar de transen

van het kasteel, of zich daar misschien een krijgsman vertoonen zou.

Intusschen kreeg hij niets in het oog; geen vijand kwam van achter de

tinnen voor den dag. Dat de bewoners van het kasteel echter wel wakker

waren, bleek uit de pijlen en steenen, waarmede ze onophoudelijk hun

aanvallers begroetten en die het hun zeer lastig maakten.

Toen Alewijn zoo een half uur vruchteloos uitgekeken had, begon

het hem te vervelen; hij legde zijn boog neer en vestigde zijn

aandacht op eenige mannen in de buurt, die zeer druk aan den arbeid

waren. Eenige oogenblikken te voren hadden ze een grooten, taaien balk

aangedragen, die door Eggerik den timmerman in de lengte bijna geheel

was gespleten; alleen aan het eene eind had hij de beide helften aan

elkaar gelaten, terwijl de smid ze daar met eenige ijzeren banden

goed had bevestigd. Die balk nu werd met het einde, dat nog niet

gespleten was, in den grond geheid.

"Ha," dacht Alewijn, "daarom was die dikke straks al bezig een kuil

te graven." 't Was een werk, dat met spoed moest gebeuren, want

men stond hier niet rustig en wel op het voorplein van het kasteel,

maar onder bereik van de vijandelijke pijlen. Geen wonder dus, dat

Eggerik, die toch al haastig was uitgevallen, en nooit veel zin had,

zijn huid te wagen, zich bijzonder gejaagd toonde.

"Vooruit dan toch, luie kwajongen," riep hij tegen Hark, die ook

meehelpen moest, maar juist bezig was op een wortel te knabbelen. "Pak

aan, of...."

Nu had Hark wel niet veel ontzag voor den timmerman, maar in deze

omstandigheden oordeelde hij het toch het verstandigste, niet te

talmen; hij nam dus den balk mee op en zette hem overeind. Niet lang

daarna stond het werptuig stevig en wel in den grond. 't Was een

springaal, een geducht middel, om er zware pijlen mee weg te schieten.

"Nu wou ik het ding ook eens probeeren," zei Eggerik. "Kwam er maar

iemand voor den dag."

"Laten we vast een pijl klaar leggen."

"Goed."

Boven aan de eene helft van den gespleten balk zat een haak en

door middel van een stevig touw, aan dien haak bevestigd, werd die

bovenhelft door Hark en Eggerik met geweld naar beneden getrokken. 't

Was een zwaar werkje, want het taaie hout bood geducht weerstand.

"Mooi zoo, nu de pijlen."

Daar had Ulfert al voor gezorgd; hij droeg een arm vol van die

scherpgepunte, gevederde dingen.

"Vooruit, Hark, jij naar boven."

Hark durfde niet te weigeren en klom den springaal in, om den pijl daar

boven op te leggen. 't Was anders geen baantje, want de belegerden

kregen hem in het oog en mikten op hem, zoodat hij wel drie, vier

keer gevaar liep, getroffen te worden. Toch bracht hij het er goed af.

"Nu goed uitgekeken!" zei Eggerik, "we moeten nooit in het wild

schieten. Zul je goed vasthouden, Hark? Als ik een teeken geef,

laat je hem glippen.... Hé, wacht, bewoog daar niet iets?"

"Ik zag niemand."

"Nu, 't is toch voorbij, helpt me eens goed opletten."

Plotseling vertoonde zich een boogschutter op den muur. Wat een

waaghals! Zag hij dan het gevaar niet, dat hem bedreigde? Nu.... Hoe

jammer, weg was hij.

"Pas op nu! Als hij weer voor den dag durft te komen, krijgt hij hem."

Allen keken in gespannen verwachting toe. Daar zag men weer iets:

Hark liet los, de eene helft van den springaal smakte tegen de andere

en met een groote snelheid schoot de gevaarlijke pijl weg. Hij trof

echter geen doel: men had te hoog aangelegd.

Daarom moest Hark weer naar boven, om den springaal wat lager te

stellen en daarna een nieuwen pijl op te leggen.

"'t Was een beetje te hoog, hé?" zei Eggerik handenwrijvend. "Toch

jammer, maar we hadden hem anders juist in de goede richting. Ziezoo,

nu zal het beter gaan. Ik verzeker je, dat de eerste de beste, die

zich durft te vertoonen, op een vreemde manier begroet wordt."

Men wachtte dus weer; maar plotseling stoof het groepje uit elkander:

een zware steen kwam met groote vaart aanvliegen, recht op den

springaal aan. Eggerik was bij Alewijn achter het schietscherm

gekropen en keek nu angstig toe. Wat zou het hem spijten, als dat mooie

werptuig, waar hij zooveel moeite aan had gehad, ineens werd vernield.

Pof! Plotseling begon Ulfert vreeselijk te schreeuwen: hij had

zich niet haastig genoeg uit de voeten gemaakt en nu was de steen

juist tegen hem aangekomen en had hem met verbrijzelden arm doen

nederstorten.

"O," zei de timmerman, "'t is Ulfert maar." De man vond blijkbaar het

leven van zijn makker niet zooveel waard als een springaal. Ulfert

dacht er evenwel anders over; hij lag te schreeuwen van pijn,

zoodat men het wijd in het rond kon hooren; eenige mannen op het

kasteel kwamen ook eens over de tinnen kijken, wat er gaande was,

en als Alewijns gedachten niet bij den armen Ulfert waren geweest,

zou hij misschien wel een vijand hebben kunnen raken.

"Schreeuw toch zoo niet, kerel!" bromde Eggerik, "je lijkt wel een

varken, dat gekeeld wordt." Maar de arme Ulfert leed ondragelijke

pijnen; ten laatste kwamen er een paar mannen aanloopen, die hem

opnamen en naar de plaats brachten, waar eenige vrouwen zich bezig

hielden met het verplegen der gewonden.

Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e eeuw · 第 11 / 38 题