Een week later reeds stond Alewijn ver van de plaats, waar zijn ouders
woonden, op het land van zijn nieuwen meester te werken. Tijd, om een
beetje op zijn verhaal te komen, had men hem niet gelaten. Waarvoor
ook? Lijfeigenen werden immers niet beter geteld dan vee, dat men
koopen en verkoopen kon, dat men mocht pijnigen of dooden, juist
zooals het den heer in de gedachten kwam. Men wist niet beter, of
het behoorde zoo.
Maar Alewijn had de vrijheid gekend en hij gevoelde maar al te goed
zijn bitter verdriet. Weggerukt van zijn moeder, als slaaf meegesleept,
o, 't was een leed, om nooit te boven te komen. Zuchtend stak hij de
spade in den grond. Wel had de edelman hem voor krijgsman bestemd,
maar heer Diederik wilde eens zien, of Alewijn een flink werkman was,
en daarom liet hij hem een paar weken op het veld arbeiden.
Werktuigelijk, al maar aan het ouderlijk huis denkende, ging Alewijn
met graven voort, toen hij plotseling uit zijn overpeinzingen werd
opgeschrikt doordat een steen dicht bij hem op den grond plofte. Eenige
oogenblikken later suisde een tweede steen hem om de ooren.
Verbaasd keek hij rond, terwijl hij niet weinig knorrig was, dat men
de lui hier zoo onvriendelijk behandelde. Voor de derde maal kwam
een steen aanvliegen en het had waarlijk weinig gescheeld, of deze
was tegen Alewijns hoofd terecht gekomen. De jongen werd nu dan ook
ernstig boos en nam alvast een fermen knuppel op, om den onzichtbaren
aanvaller met gelijke munt te kunnen betalen.
Op dit oogenblik kwam er uit een boschje een knaap te voorschijn,
die ongeveer van denzelfden ouderdom scheen, als Alewijn en eveneens
lijfeigene was, wat uit zijn kortgeknipte haren dadelijk bleek.
"Probeer dat nog eens!" riep Alewijn dreigend.
"Hei, hei, wat een verbeelding! Zeker pas hier gekomen, he?"
"Wat zou dat? Daarom behoef jij niet met steenen te gooien."
"En jij zoo'n drukte niet te hebben. Hoe kom je hier?"
Alewijn was vroeger altijd gewoon geweest, met eenige minachting op
lijfeigenen neer te zien en het is dus niet te verwonderen, dat hij
zich zeer ergerde over den toon, dien de ander aansloeg. Hij keerde
hem dan ook heel eenvoudig den rug toe. Zoodra de vreemde knaap dit
zag, begon hij hartelijk te lachen: "Wat een heer! Zeker de een of
andere hooggeboren ridder, die in gevangenschap is geraakt! Stel je
nu niet zoo aan, mannetje!"
"Houd je mond, of ik sla er op," riep Alewijn woedend en hij meende,
wat hij zei en hief de spade reeds dreigend omhoog. Intusschen toonde
de vreemde niet de minste vrees, want hij zette doodbedaard zijn
handen in de zij en sprak: "Dan zit je morgen in den kelder onder
den burcht. 't Is daar heel aardig, dat verzeker ik je."
"Daar weet jij wat van."
"Ik heb er ook gezeten. Kijk maar." De knaap keerde zich half om en
liet Alewijn de linkerzijde van het hoofd zien, waar het oor afgesneden
was. 't Was een verschrikkelijk gezicht en Alewijn begreep niet,
hoe die jongen daar nog om kon lachen.
"Dat is mij verleden jaar overkomen; ik had gestolen, moet je
weten. Eigenlijk laat onze heer den dieven één hand of beide handen,
al naar hem dat zoo in den zin komt, afkappen, maar mij heeft hij
bij uitzondering genadig behandeld. Niet uit goedheid, maar omdat
het in zijn eigen voordeel was. Een slaaf, die zijn handen kwijt is,
zal nooit meer werken of vechten, en daar kan hij ons veel te goed
voor gebruiken."
"Jij schijnt het anders niet heel druk te hebben."
"Zeker heb ik het druk. Ik kom jou roepen."
"Wie heeft je dat gezegd?"
"De meier. Je moet meehelpen, ginds bij het hek. De meier zegt,
dat jij sterk bent."
"Hoor eens, ik heb met jou niets te maken."
"Goed, dan blijf je hier. Je moet het zelf ondervinden. Goeden dag."
De knaap, Hark heette hij, wilde zich dus weer verwijderen, toen
Alewijn hem nog terugriep en zei: "Neen, luister nog even. Meen
je het?"
"Wat?"
"Dat de meier me laat roepen?"
"Wat dacht jij dan?"
"Dat het maar gekheid van je was."
"Zeker, het is gekheid. Nu, ik kan niet langer wachten. Blijf jij
dan maar hier, als je wilt."
Hark scheen de waarheid te hebben gesproken en Alewijn oordeelde
het dus het verstandigst, met hem mee te loopen in de richting van
het kasteel.
Dit was een reusachtig steenen gebouw, waarvan de grijze massa zich
boven het omliggende groen verhief. Heel aantrekkelijk zag het er
niet uit, maar het was van verbazend dikke muren en geduchte torens
voorzien, en daar kwam het voor een edelman in de eerste plaats op aan.
Naarmate men naderde, kon men de verschillende deelen beter
onderscheiden: de ronde vensters en de smalle kijk- en luchtgaten
grijnsden op het grauwe vlak van den muur den reiziger onheilspellend
aan. Het eigenlijke gebouw, de woning van den edelman, was door een
gracht omgeven en daar omheen lag het erf, waar altijd een groote
drukte heerschte van arbeiders, krijgslieden, kinderen en vee. Ook
stonden hier de hutten der lijfeigenen, de hokken van de dieren en
de berg- en de werkplaatsen. Het geheel besloeg een groote ruimte en
was omgeven door een palissade van dikke, gepunte palen, terwijl een
breede gracht den toegang nog moeilijker maakte.
Op het oogenblik, dat Alewijn en Hark het kasteel naderden, stond
er een troepje werklui bij de poort. Enkelen hadden een paar dikke,
lange palen bij zich, terwijl een der mannen bezig was, zulk een
paal van een scherpe punt te voorzien. De meier hield toezicht op
den arbeid; een krijgsman, die blijkbaar niets te doen had en rustig
zijn gemak kon houden, zat niet ver van de brug te hengelen en keek
nu en dan lachend naar de arbeiders, alsof hij in zijn schik was,
dat die zoo hard moesten sloven.
Zooals we al vernomen hebben, was de edelman in zijn hart een
echte vechtersbaas; hij dacht in den regel aan niets anders,
dan aan oorlogvoeren en jagen; zijn grootste zorg bepaalde zich
er toe, geschikte krijgers te hebben en zijn kasteel zoo sterk
mogelijk te maken. Herhaaldelijk deed hij persoonlijk de ronde,
om zich te overtuigen, of alles, de muren, de palissaden, de
verdedigingswerktuigen in orde waren. En als hij een paal al te veel
vermolmd, een muur wat verbrokkeld, de deelen van een blijde niet op
hun plaats vond, liet hij dat aanstonds verbeteren.
Zoo had hij voor eenige dagen gemerkt, dat een deel der palissade
dringend herstelling behoefde en dit was de oorzaak van de
bedrijvigheid, waarmede de werklui bezig waren.
"Ha, ben je daar," zei de meier, toen hij de beide knapen ontdekte,
"ga eens gauw met Ulfert mee naar het dennenbosch, om een paar palen
te halen."
Alewijn deed aanstonds, wat hem bevolen werd en vergezelde Ulfert,
die een zware bijl bij zich had. Een half uur later kwamen ze met
een zwaren paal aanzeulen. Bij de brug gekomen, legden ze hem neer.
"Hè," zei Ulfert, "dat was me een vrachtje; daar kun je warm
van worden." Ook Alewijn verheugde zich, dat hij een oogenblik
rusten kon. Terstond trad een der mannen toe, om den paal aan te
punten. Terwijl zoo drie, vier mannen naar dit werk stonden te kijken,
kreeg de hengelaar aan de gracht beet; hij sloeg op en slingerde een
fermen baars met een geduchten boog de lucht in. Ongelukkig scheen
het beest niet heel vast aan den haak te zitten, want het vloog
los en kwam met zijn scherpe, naar alle kanten uitstaande stekels,
vlak in het gezicht van Ulfert terecht, die, woedend van de pijn,
den visch opnam en hem in den zak poogde te steken. De hengelaar kwam
haastig toeloopen, om zijn buit op te rapen, en toen het Ulfert niet
gelukte, den baars te bergen, ging hij er zoo snel hij kon mee op
de vlucht, het hek door en het voorplein op. De hengelaar hem na,
terwijl de anderen alles lachend stonden aan te kijken. Door de
drukte, die de mannen maakten, verschrikten een aantal kippen zoo,
dat ze kakelend uiteen vlogen; een groot zwijn, dat, van een troep
biggetjes omringd, knorrend zijn voedsel in het zand zocht, maakte
zich eveneens uit de voeten. Woest kwam het op het hek aanrennen,
en het zou wezenlijk naar buiten gevlucht zijn, als de meier niet
geroepen had: "Het hek dicht, het hek dicht." Alewijn schoot toe,
om het hek te sluiten, terwijl een der andere lijfeigenen zijn best
deed, om het beest, dat wild geworden was, terug te jagen, toen zich
een verschrikte stem deed hooren: "Daar komt de heer aan."
Het was vermakelijk te zien, welk een ontzag allen voor den geduchten
edelman hadden; niet zoodra zagen ze hem in de verte naderen, of
ieder ging ijverig in de weer. De meier zat het meest in angst,
want hij werd er altijd voor gestraft, als het werkvolk onder zijn
toezicht stond te luieren. Men kon natuurlijk in deze omstandigheden
het hek niet sluiten. Hierdoor vond het varken juist gelegenheid,
te ontsnappen, maar de meier greep het nog bij den staart en trok
het beest, dat geweldig schreeuwde en tegenspartelde, met veel moeite
het voorplein op, waar de biggetjes hun arme moeder met medelijdende
blikken aanzagen. Daar kwam de edelman aanrijden, vergezeld van een
vrij groot aantal wapenknechten, sommigen met bogen, anderen met
een goedendag, enkelen zelfs met knuppels gewapend. Twee mannen,
die een eind achteraan kwamen, hielden een viertal nijdige honden
aan een touw vast.
De ridder was op de jacht geweest; maar het wekte de verbazing van
den meier, dat hij al zoo vroeg terugkeerde en ook, dat de jacht zeer
weinig had opgeleverd. Van wild was tenminste niets te bespeuren. Zou
het daardoor komen, dat heer Diederik zoo donker keek? Of zou er
iets anders zijn voorgevallen, dat den toorn van den machtigen ridder
had opgewekt?
"Daar zat onweer aan de lucht," bromde de oude Alwaert een uurtje
later, terwijl hij op het voorplein in het zand zat, bezig, een helm
te poetsen, waar Alewijn, Hark en eenige anderen aandachtig naar
zaten te kijken.
"Onweer?" vroeg Hark, "mij dunkt, daar ziet de lucht in het geheel
niet naar uit. Het weer is immers frisch."
"Zoo bedoel ik het niet. Ik meen geen onweer in de natuur, maar in
het hoofd van onzen heer. Wat ging hij aan. Ik ben blij, dat ik
vandaag niet in zijn nabijheid behoef te komen. Wat een gezicht,
hè? Om bang voor te worden."
"Wat zou hem toch schelen? Zou het zijn, omdat hij geen wild
meegebracht heeft?"
"Kom, de jacht heeft niet eens plaats gehad, maar wat er
voorgevallen is, weet ik niet. Wacht, daar heb je Gerebrandt. Die
is mee geweest. Hij kan ons wel vertellen, hoe de vork in den steel
zat. Vooruit, Alewijn, roep jij hem eens hier."
Toen Alewijn met zijn boodschap bij Gerebrandt kwam, die bezig was
een net te maken, antwoordde deze: "Wat, kan die oude de moeite niet
nemen, bij mij te komen? Ik heb geen tijd, zeg hem dat maar."
Doch, voordat Alewijn weer weg was, bedacht Gerebrandt, een echte
babbelaar, die heel graag nieuwtjes mocht vertellen, zich nog en sprak:
"Weet je wat, dat net kan ik morgen ook wel afmaken, breng het even
naar mijn huis, dan ga ik mee." Alewijn was zeer gewillig en dacht er
niet aan, te weigeren; hij bracht dus het net weg, waarop Gerebrandt
hem vergezelde naar den kring, die om den ouden Alwaert geschaard
zat en waar men hem al met ongeduld wachtte.
De oude Alwaert hield zich nog altijd met den helm bezig; 't was
een reusachtig voorwerp, van binnen gevoerd, en met een omgekeerden
vogelpoot er boven op.
"Wat een ding, he?" zei Hark.
"Ja jongen, daar is heel wat aan te poetsen; ik wou, dat heer Diederik
naar een betere bewaarplaats voor zijn wapenen uitzag. Ze liggen
nu zoo vochtig, dat je voortdurend werk hebt, om den roest er af
te wrijven. Kijk me dien helm eens aan; zou je wel willen gelooven,
dat hij voor zes dagen nog glom als een spiegel?"
"'t Is zeker een heele zwaarte?" vroeg Alewijn.
"Wil je het eens voelen?" De oude keek rond, of hij gezien werd,
en wenkte toen Alewijn om naderbij te treden, waarop hij den jongen
het kolossale hoofddeksel opzette.
Wat een gewicht. Het hoofd werd dan ook geheel door het ijzer omsloten;
alleen aan den voorkant zaten er drie gleuven in: twee om door te
kijken en een ter hoogte van den mond.
"Vertel eens," vroeg een der mannen, die zeer nieuwsgierig was en op
heete kolen zat, "wat is er toch gebeurd vandaag?"
Gerebrandt hield zich, of hij de bedoeling van den vrager niet begreep
en zei dus: "Gebeurd, gebeurd? Ik weet van niets. Waar heb je het
nu over?"
"Kom, je zou van niets weten. Maak dat een ander wijs. Je bent immers
mee op de jacht geweest."
"Ja zeker, maar wat zou dat?"
"Nu, dan kun je ook wel vertellen, hoe het komt, dat heer Diederik,
die anders nooit zonder wild terugkeert, nu met leege handen is
thuis gekomen."
"En waarom hij zoo kwaad was."
Gerebrandt poogde nog een onnoozel gezicht te zetten, maar het ging
hem moeilijk af, waar nog bij kwam, dat hij brandde van ongeduld om
het nieuwtje te vertellen.
"Ja, jongens, dat is een heele geschiedenis."
Allen kwamen een beetje naderbij en luisterden aandachtig.
"Je weet dan, dat onze heer met ridder Hildegrin en jonker Herico en
nog eenige heeren een groote jachtpartij zouden houden."
"Jonker Herico, jonker Herico?" vroeg Alwaert.
"Wat, ken je hem niet; hij woont aan den overkant van de rivier,
waar zijn vader een sterk kasteel bezit."
"Hoe komt hij hier dan?"
"Bij ridder Hadrubant, die een oom van hem is, schijnt hij eenige
weken te vertoeven."
"Maar jongens, wat komt er dat nu op aan? Laat hij liever verder
vertellen."
"Hoor dan; ik geloof, dat onze heer en die jonker elkaar niet best
kunnen uitstaan. Of ze misschien vroeger al eens twist gehad hebben,
weet ik niet, maar Roger de valkenier zegt, dat er reeds heel lang wat
tusschen hen bestaat. Nu stonden die heeren in een kring aan den rand
van het bosch; en wij zaten op een afstand in het gras het oogenblik af
te wachten, dat de jacht beginnen zou. Ik keek zoo in gedachten naar
de lui, en vergeleek hun helmen eens; 't is aardig te zien, wat een
verschillen je zoo hebt. De een draagt, zooals onze heer, een vogelpoot
op den helm, de ander een kruis, een derde een heelen vogel...."
"Nu ja, dat weten we wel."
"Waarover ze praatten, kon ik natuurlijk niet verstaan, maar ze schenen
het over paarden te hebben; 't was net, of elk pochte op de uitstekende
hoedanigheid van zijn eigen beest. Tot nu toe ging alles goed, maar
al gauw kwam er een heftige woordenwisseling tusschen onzen heer en
dien jonker. 't Was bepaald over het paard van den laatste, want opeens
nam de jonker het dier bij den teugel en hield het heer Diederik voor,
als noodigde hij hem uit, het te bestijgen. Deze deed het, en poogde er
op rond te rijden. Nu weet je, heer Diederik is een uitstekend ruiter;
een paard mag lastig en wild zijn, hij zit er met evenveel gemak op,
als op een stoel. Wat nu het beest van Jonker Herico mankeerde, weet ik
niet; het draaide maar rond, het steigerde en wilde naar geen sturen
luisteren. Goed. Heer Diederik geeft het natuurlijk niet gauw op,
maar je kon het hem aanzien, dat hij kwaad werd; hij beet zich op
de lippen, hij trok het paard aan de teugels en martelde het met de
sporen; het gaf niets. En plotseling, vóórdat iemand er op bedacht
was, deed het beest een geweldigen sprong, ging op de achterpooten
staan en schoot als een pijl uit den boog weg. Heer Diederik scheen
zoo iets in het geheel niet te verwachten, want daar gebeurde, wat
nog nooit iemand van hem gezien had; hij verloor het evenwicht en lag
in het zand. Wij hielden ons natuurlijk doodstil, en ook de ridders
schenen zeer ontsteld. Heer Diederik poogde zich goed te houden, maar
hij werd rood van kwaadheid; misschien was het ook wel van schaamte,
dat weet ik zoo niet. Alleen jonker Herico, die nog zeer jong is en
veel van een grapje houdt, beschouwde de zaak van den vroolijken kant,
en stond hartelijk te lachen. Dat was olie in het vuur. Heer Diederik
werd nog gloeiender en we dachten niet anders, of hij zou zich op den
jonker werpen; de andere ridders verwachtten dat ook; één van hen,
heer Rodger plaatste zich tusschenbeiden, terwijl de jonker, die
waarlijk voor geen kleintje vervaard is, de hand aan zijn zwaard sloeg.
"Of onze heer bang was, dat hij weer een gek figuur zou maken, weet ik
niet, maar wel weet ik, dat hij zich nog bijtijds bedacht. Zijn toorn
was intusschen niet bekoeld, want op norschen toon beval hij ons,
hem te volgen. Toen zette hij zich in het zadel en reed, knorrig en
zwijgende, weg. Zoo komt het nu, dat wij zonder wild terugkeerden."
"Zouden de anderen nog aan de jacht begonnen zijn?"
"Ik weet het waarlijk niet, maar je kunt er op aan, dat de zaak niet
uit is."
"Reken daar maar op. Dat muisje heeft een staartje."
"En een lang ook. Heer Diederik houdt veel van vechten. Hij zou om
veel minder gewichtige reden naar het zwaard grijpen."
"Dus je denkt, dat heer Diederik van plan is, ten strijde te trekken?"
"Dat weet ik zeker; hij zal niet rusten, vóór hij jonker Herico in
zijn handen heeft. Maar het zal niet meevallen, want deze moet op
een sterk kasteel wonen."
"Heer Diederik alleen zal hem niet overwinnen," meende de oude Alwaert.
"Geen denken aan, maar je weet, er zijn ridders genoeg in den omtrek,
die dolgraag een oorlog meemaken en onzen heer met genoegen de
behulpzame hand bieden. Ik denk niet, dat jonker Herico het tegen
zoo'n groote macht uithoudt."
"Hij zal zich ook wel van bondgenooten voorzien."
"Dat moet je niet zeggen; men schijnt over het algemeen niet veel met
zijn familie op te hebben, en onzen heer zien ze nog al naar de oogen."
"Ik moet eerlijk bekennen, dat ik de zaak niet heel prettig vind."
"Verbeeld jij je soms, dat onze heer je meeneemt?"
"Volstrekt niet, maar het zal toch een heele drukte geven; de blijden
moeten in orde gebracht worden, misschien laat heer Diederik wel een
stormkat bouwen en zoo'n ding komt niet van zelf klaar, daar moeten
we allen aan meehelpen."
"Nu, ik vind het wel aardig; dan beleef je nog eens wat," zei Hark,
terwijl hij een zwaren goedendag in het rond zwaaide.
"'t Is me de aardigheid wel: de kans om met gebroken armen en beenen
van de reis terug te komen en dan nog blij te moeten wezen, als je
het leven er afbrengt."
"Komaan, ik denk, dat we er spoedig wel meer van zullen hooren."